Erik Herbosch

Teksten

Loslaten

De trein zucht, als torst hij een bezwaard gemoed. Zijn snuit, een slangenkop, kijkt sissend in het zwarte gat van de tunnel waarin hij straks moet verdwijnen. Langzaam vult zijn langgerekte lijf zich met argeloze passagiers, in zichzelf gekeerd, op weg naar ergens, een doel misschien. Het hoofd van een man steunt tegen het raam. Zijn ogen staren, zien niets. “De meneer kijkt verdrietig,” fluistert aan de overzijde van het gangpad het meisje tegen haar mama. Die tuit haar lippen en drukt er haar wijsvinger tegen: “Ssst, zo’n dingen zeg je niet.” Naar kinderen wordt zelden geluisterd. Weifelend en kreunend sleept de slang zich traag over de rails, verdwijnt als een schaduw in het donker van de lange pijp. Arm in arm met het versnellende ritme klinkt ook luider het geluid: te--dem, te--Dem, Te-Dem, TeDEM, TEDEM. Pas waar het zwart van de tunnel en het melkwitte septemberlicht in elkaar overlopen, ontwaakt de man uit zijn verdoving, een boreling op zoek naar licht en lucht. Wat voorbij is, ettert nog daar, voorbij het donker achter hem. Aan de hemel ziet hij hoe traag een kleine stip voorbij glijdt. Een oud liedje in zijn hoofd: ‘Dan plukte mijn hand hem uit de lucht en ik bracht jou weer bij mij terug. Als ik god was.’ Waarom zou god zoiets doen, vraagt hij zich af? Als hij de afloop toch al kent? What is the fucking point? Het landschap raast voorbij. Een weide, bomen, een huizenrij, koeien. De laatste weken, de weken die de herinnering aan het afscheid oppookten, waren ook dit jaar weer, zoals elk jaar, als blootsvoets stappen over een kiezelstrand, scherpe venijnige steentjes die telkens weer op dezelfde plek dezelfde nog altijd rauwe wonden openrijten. Alles gaat voorbij, zeggen ze. Er komt altijd weer iets anders in de plaats. Ze zeggen: blijven stilstaan heeft geen zin, het leven gaat door. Laat het los. Hoe dat moet, zeggen ze er niet bij. Het melkwit verdonkert, de lucht kleurt grijzig. Het begint flauw te miezeren. De zon is al met vakantie, bedenkt hij. De zwaluwen zijn het land al uit en de kinderen weer op school. De bomen laten hun gebladerte los, de herfst komt vroeg dit jaar. Kastanjes bedekken als een bedsprei het plaveisel, overal vind je eikels. Hij monkelt. De tijd vliegt. Het ene seizoen volgt op het andere, onafwendbaar, alles is altijd nieuw en tegelijk blijft alles ook altijd hetzelfde. Niets staat ooit stil, de wereld is altijd in beweging en niets verandert. Of toch? Alles komt ook altijd terug. Volgend jaar zijn er weer zwaluwen, dragen de bomen weer vrucht en blad, wordt het weer zomer. Alleen wat nooit beweegt, verdort en gaat dood. In de verte ziet hij hoe de miezer verstuift en oplost, de zon een straaltje door het grijs prikt en de hemel kleurt met een streepje blauw. Misschien zit er nog wel een mooi nazomertje in, denkt hij. De trein vermindert vaart, hakkelt, stopt. De man staat op. Hij rekt zich uit, maakt zich groot, schudt de stramheid uit zijn lijf, neemt zijn koffer, knikt naar de mama en het meisje en stapt naar de uitgang. “Waarom lacht de meneer, mama?” vraagt het meisje. De mama leunt met haar hoofd tegen het raam. Ze heeft niets gehoord, niets gezien.

Erik Herbosch
0 0

Haar dag

Een man stapt een winkel binnen. De deurbel klingelt veel te luid. Hij kijkt verrast naar lege emmers en potten, achteloos verspreid over de vloer en op schabben. Hij is ontgoocheld, ziet niet de fleurige  uitbundigheid die hij verwachtte. “Kan ik u helpen, meneer?” Haar lach straalt. Ze praat met een vreemd accent. “Ik had graag een mooi boeketje gehad,” zegt hij. “Voor de Liefde,” voegt hij er plots wat overmoedig aan toe. Ze aarzelt enige seconden, een standbeeld op een sokkel. Knikt. Ze weet wat liefde is. “Deze rozen misschien, die hebben een heel speciale kleur.” “Mooi,” vindt hij. Ze scharrelt tussen gele gerbera’s en margrietjes, kleine felgroene varens en langwerpige, brede groene bladeren. Haar haar is grijs aan de wortels, een lelijk soort blond groeit uit. Misschien heeft ze geen geld voor de kapper. Mooi is ze niet, vindt hij. Ze is wat klein en vormeloos, zwaar, haar neus is veel te groot voor haar gezicht. Ze praat aan een stuk door. Dat de meneer niet op de rommel mag letten. Dat de winkel altijd heel proper is. Met proper zijn begint alles. Maar vanochtend werden de verse snijbloemen geleverd en ze moet ze allemaal nog schikken. Een lange wachtrij van emmers: pastelgeel, -groen, -paars, -blauw, vermomd als piramide of steile rechthoek. In een ronde zinken emmer verlangt een eenzaam muurbloempje naar de Liefde die háár zou willen schenken. Ze heeft de winkel al vier jaar. Aan deze kant van de straat, hier valt het licht veel beter binnen. Een bloemenwinkel met te veel donker kan niet. Gewoonlijk komt haar dochter helpen, maar niet vandaag. Ze studeert Diplomatie aan de universiteit in de stad. Ze weet niet wat ze wil. Ze heeft al een masterdiploma in Criminologie maar wil daar niet echt in verder gaan. Al die ellende waar je dan mee te maken krijgt. Vandaar nu, Diplomatie. Volgende maand gaat ze op stage naar Israël. Daar is de vrouw een beetje bang voor want het is daar altijd wat. De telefoon onderbreekt met iets hiphopperigs. Pools? Mijn zoon, zegt ze. Ze blinkt. Hij zit in het middelbaar en gaat volgend jaar zeker ook naar de universiteit, een heel ander leven. “Vindt u deze kleuren mooi, meneer?” “Studeren is heel belangrijk,” stelt ze. “Wij hebben het niet gekund. Wij komen uit Armenië, onze jongste is hier geboren. We zeggen hen: jullie zijn de spiegels van ons land, als de mensen naar jullie kijken, dan kijken ze naar ons land. Jullie moeten België laten zien dat jullie dankbaar zijn omdat wij hier een plaats hebben gekregen.” De man knikt en zwijgt. “Kijk eens, mijnheer. Mooi, niet?” Ze lacht: “De liefde zal blij zijn.” Ze lacht weer, wolken vluchten, de hemel kleurt blauw. “Ja, ja, dat is heel belangrijk,” gaat ze door, “wij willen trots zijn op Armenië. Zoals op onze Charles. U kent toch onze Charles?” De man kent geen Armeniërs, al helemaal geen Armeniërs die Charles heten. “Aznavour,” zegt de vrouw, trots. “Hij is dood. Heel spijtig. Hij was wel oud, hij was 94, maar heel spijtig. Hij heeft veel goeds gedaan voor ons. Veel mooie liedjes gemaakt en veel mensen gelukkig gemaakt.” Ze neemt een wit staafje uit kunststof. Fier prijkt daar bovenop een geel pingpongballetje met een smiley die je met een brede grijns toelacht. Ze steekt het dwars doorheen het boeket. “Daar moeten de mensen altijd om lachen,” zegt ze en ze lacht zelf ook. “Mensen lachen veel te weinig, mijnheer. Niet alleen in België, overal. Lachen is belangrijk. Mensen moeten gelukkig zijn. Onze Charles heeft veel mensen gelukkig gemaakt,” herhaalt ze. “Kijk mijnheer. Mooi? Goed voor de Liefde? Bancontact aan deze kant.” Thuis zet de man het bonte boeket in een brede vaas. De uitbundige lentekleuren vullen de ruimte, roze, geel en groen. De pingpongbal torent er blij bovenuit, brengt vrolijkheid in de kamer. Hij sluit zijn ogen, inhaleert. Hij zet de vaas bij het schrijn in de hoek, naast de grote, met een zwarte kader omlijste foto. “Alsjeblieft lieverd,” zegt hij. “Voor je verjaardag. Een boeketje.” Zijn droge lippen raken het glas. “Ik heb vandaag” vertelt hij, “een heel mooie vrouw ontmoet. Ze heeft speciaal voor jou dit boeketje gemaakt. Met heel veel liefde.” Hij buigt lichtjes naar voren, reikt wat houterig zijn hand: “Madame, mag ik?” Hij houdt de foto aan zijn borst, danst, in an old fashioned way. She may be the face I can’t forget. Hun dans. 

Erik Herbosch
0 0
Tip

Opgebrand

Je moet op, vind je. Je rolt je op je linkerzij, sleept je benen naar de rand en laat het echte werk over aan de zwaartekracht. Je hijst je logge, slaapdronken lijf omhoog en strompelt naar de weegschaal. Een absurd getal, dat ding moet stuk zijn. Misschien ga je best eerst naar de wc. Jeuk ergens midden op je rug, waar je vingertoppen niet bijkunnen. Je schouders doen pijn, je nek kraakt, er rekt iets achteraan je dij. Geluiden golven uit de woonkamer. Borden gaan kletterend de vaatwas in, messen tikken. Del Amitri op de radio, Nothing ever Happens. De geur van koffie verdwaalt op de trap. Je sloft hem tegemoet. Je glijdt met je schouder tegen de muur naar beneden, schuurt tegen een ingelijste poster, de schoenen van Van Gogh, die je kocht aan een kraampje in Quartier Latin, student nog. Je waande je een kunstminnaar. Op de tafel staat, eenzaam, je bordje. Een grote mok ervoor met daarop een print van Animal, een Muppet. Je mes ernaast. Je bent een verwend nest, dat weet je. Je ziet het balletroze pilletje voor je bloeddruk en het halfje voor je cholesterol. Je moet dat spul blijven slikken zolang je leeft. Waarom, vraag je je af. Doodgaan doen we toch. Alles is al tig keer geweest en zal zich tig keer herhalen, tot in der eeuwigheid amen. Op de radio onderbreekt de interviewer een ratelende politicus: het is een moeilijke tijd, onze partij tilt ons uit het dal, blablabla. De concurrentie zou beter naar Romeinse traditie in bad de polsen laten leegbloeden blablabla. Yogasnuivers doen ons de War on Drugs verliezen blablabla. De deur van de badkamer gaat open en toe, de deur van de woonkamer gaat open en toe. Iemand zegt iets tegen je. De voordeur bonst pardoes in het slot. Je zet de radio uit. Je hoort hoe je ademt door je neus. Je bent alleen met jezelf en vraagt je af of je dit nu leuk gezelschap vindt. Je onderzoekt je telefoon. Van alles niets: whatsapp, sms, mail, Messenger. Geen connecties op Linkedin. Ook vandaag zal er niets gebeuren. Je zal de dag zelf moeten verzinnen. Je moet wat doen, vind je. Je kan gaan zwemmen, fietsen, hardlopen, met gewichten zeulen, touwtjespringen. Je kan gaan lezen. Je koopt boeken zoals vrouwen schoenen. Je hebt de nieuwe Peter Buwalda. En Grand Hotel Europa. Met Pfeiffer sla je altijd een goed figuur als je na een theateravond met vrienden aan de Duvel zit. Soms droom je nog dat ook jouw leven zich afspeelt in een bruisende Italiaanse stad waar het altijd zomer is en waar je de prachtigste mensen ontmoet en waar je boeken schrijft die wereldwijd worden verslonden door gretige lezeressen die achter hun brillenglazen hun tranen verpinken en stiekem met je naar bed willen. Maar daar heb jij geen tijd voor. Bovendien ben je zo trouw als een hond. Dat was nog wel eens anders, ooit, toen je nog jong was en je vleugels haast brandde aan de zon. Je eet twee boterhammen, drinkt twee koppen koffie. Je ruimt af, leest het nieuws op je laptop, registreert vaag het vergeefse gedoe en geploeter van de medemens. Diep vanbinnen vrees je dat je enkel maar interesse hebt in jezelf. Alles is altijd hetzelfde en alles komt altijd terug. Er vallen bommen op Palestina. Er ontploffen granaten in je stad. Vrouwen krijgen nog altijd geen loon naar werk of misschien verdienen mannen teveel. Werkdruk en planlast zijn te hoog voor nagenoeg iedereen. Overal ter wereld schieten idioten hun wapens leeg op mensen die daar ook maar per toeval zijn. De buik van een walvis verzamelt veertig kilo plastiek. Je vindt nog altijd dat je wat moet doen. Er is Spider Solitaire. Facebook meldt van twee vrienden de verjaardag. Dank u Facebook. Iemand heeft tijd gevuld. Veertien clips uit de jaren negentig na elkaar op je tijdlijn. Ooit liep ook jij te hossen in zo’n bollend jasje. Hel lichtblauw denk je, maar je twijfelt aan je geheugen. Je droeg toen witte laarsjes, gebleekte jeans, stroopte bij het dansen de mouwen op. Je droeg nog toekomst in je, tot de tijd je ongemerkt achterliet.   De dag staart je aan als een stokstijf staande zwarte mamba, de bek wijd open, een groot zwart gat waarin twee giftanden verscholen zitten. Kijk het beest in de ogen. Carpe Diem. Als je ze allemaal geplukt hebt, zijn ze op.

Erik Herbosch
13 0

Onnozel kind

Er was eens, meer dan vijftig jaar geleden, een jongen die Diederik heette. Diederik was een verlegen kind met blond warrig haar. Samen met zijn mama en papa en broers woonde hij in een oud huis in een dorp een eind buiten de stad. Diederik was een bange jongen. De wereld was groot, onbekend en vol gevaren De radio vertelde dat in Amerika een president was doodgeschoten. Zelfs Winnetou had dat niet kunnen tegenhouden. Papa zei dat er bommen bestonden die heel de wereld konden laten ontploffen. Diederik had schrik van zijn broers die allemaal ouder en groter waren dan hij en snel met hun vuisten. Hij was bang voor de kinderen op school die lachten met zijn luie oog en zijn brilletje. Soms klopten ze hem op de neus of stompten hem in zijn buik. Ook op weg naar school, op het pad door het donkere bos, keek hij angstig om zich heen. Daar leefden wilde dieren. Een wolf had er de grootmoeder van Roodkapje opgegeten. Er woonden heksen die kinderen opsloten in kooien en elke dag inspecteerden of ze al vet genoeg waren om op te vreten. Hij zweette van angst als hij voor mama in de kelder moest. Er brandde slechts een klein lampje, je schaduw danste groot en dreigend voor je uit. Het was er kil en klam, met mossige schimmel op de muren. Muizen titsten langs je enkels. Hij moest steenkolen naar boven dragen in een kit of aardappelen in een mand . Mama wist niet dat ergens in een muur een lijk gemetseld zat, wachtend op een kans om uit te breken en hem te vermoorden. ’s Nachts, in de slaapkamer waar ze allemaal samen sliepen, lag Diederik urenlang te woelen. De houten kast achter zijn hoofd kraakte en piepte. Alleen hij kon dat horen. De inbreker die zich daar verschool, kon elk moment tevoorschijn komen, met zijn bijl op hem inhakken en zijn rooftocht beginnen. Bang was Diederik ook voor Sinterklaas. Niet in de lange, warme zomer. De oude man was dan een verre schim uit een sprookje, luierend tussen bergen mandarijntjes in een veilig verborgen paleis in Spanje. Hoe donkerder en korter de dagen werden, hoe meer hij zich in je leven drong. Moeder dreigde:  “Als je stout bent, vertel ik het Sinterklaas. Die schrijft alles in een groot boek. Alles, hij vergeet niks. Jij bent het al lang vergeten maar hij weet het nog. Daar heeft hij Zwarte Pieten voor. En als je niet braaf bent, dan stopt Zwarte Piet je in een zak. Ze nemen je mee naar Spanje en je ziet ons nooit meer terug.” De wereld was nog geen dorp, Spanje kon overal liggen of op de maan. Het idee om in een juten zak te worden opgesloten, ontvoerd naar een ver land en nooit meer naar huis te kunnen, benam hem de adem. Plots was het weer die tijd van het jaar. Het vroor bloemen op de ramen, je hoorde de zolder kraken en de sneeuw kwam tot aan je knieën. Het was altijd donker. ’s Ochtends stond op tafel een grote pan met sissend spek dat zwom in vet. Ze sopten donker brood en mochten zelfs een grote mok koffie, mét suiker. Tegen de kou op weg naar school. Tante Maria was op bezoek. “Wij gaan een dagje naar de koekenstad, met ons tweetjes.” Zij was zijn lievelingstante, zijn meter. “Straks blijf je bij mij en oom Alex logeren. Dan eten we pannenkoeken en kan je een keer in een écht bad.” Zij was een fee uit een sprookje, een heilige. Er was in de hele stad één grootwarenhuis en daar gingen ze heen. Ze stapten voorbij bergen speelgoed, puzzels, rolschaatsen en blikken autootjes. Toen Diederik ontdekte waar het naartoe ging, wilde hij rennen, weg, zo snel hij kon. Tante Maria hield zijn hand stevig vast. “Kom, we gaan dag zeggen aan de Sint. Dat vind je vast wel fijn. En de Sint ook.” De mijter van de Sint torende hoog boven alles uit. De heilige zat op een troon, een hoop vrouwen en kinderen stond achter een touw te drummen. Leunend op zijn staf, zijn lange witte baard op zijn borst, keek hij statig als een koning ernstig neer op al dat nerveuze gedoe. Hoe Diederik ook spartelde, tante Maria propte hem bij de Sint op zijn fluwelen schoot. De Sint rook naar sigaretten, zoals papa. Dat stelde niet gerust. Er groeiden haren uit zijn neus. Diederik verstijfde. Hij moest plassen. Hij kneep zijn blaas samen. Hij wilde gillen maar perste zijn lippen op elkaar. “ Zo jongen, zeg eens, hoe heet jij?” vroeg de Sint. Diederiks stem blokkeerde, zijn hoofd kleurde roder dan het bisschopskleed, zijn ogen liepen vol. Hij weet dat, dacht hij, hij weet alles. Of verwisselt hij mij met een ander kind, een kind dat nog meer stoute dingen heeft gedaan? “Dit is Diederik, Sinterklaas,” zei Zwarte Piet. Naast hem glunderde Tante Maria, niemand las de martelgang in zijn ogen. “Hm, Diederik. Vertel eens, ben jij braaf geweest dit jaar?” Diederik zag Zwarte Piet bladeren in een reusachtig boek met gouden randen en grote gekrulde, gouden letters op de kaft. Hij worstelde met een levensgroot probleem en wist geen oplossing: antwoordde hij ja, dan was dat nóg een leugen erbij, dan moest hij zéker in de zak. Zei hij neen, dan was hij een stout kind. En stoute kinderen… Moest hij opbiechten dat hij die woensdagmiddag samen met Victor een sigaret had gerookt? Dat hij en Victor aan Elske van de bakker hadden gevraagd of ze haar muizeke mochten zien? Dat hij, als hij van mama naar het winkeltje moest, stiekem een smoelentrekker, zure hostie of een vijf frankstuk van chocolade kocht? Of liegen? Dat was een doodzonde. Liegen stond in de lijst van de tien geboden van God, uit de catechismusles. Die kende hij uit het hoofd, dat moest. Wat onkuisheid was wist hij niet, iemand doden zou hij nooit doen, maar liegen deed je elke dag wel eens, dat hoorde bij het dagelijks gevecht om te overleven. Tegelijk was het ook een van de ergste dingen die je kon doen. Wie liegt, gaat naar de hel. Hulpeloos keek hij naar tante Maria, zijn fee, de tante die alleen hem soms mee naar de stad nam en alleen voor hem voetbalschoenen kocht, die met die drie streepjes aan de zijkant, die mama niet kon betalen. Hij sperde zijn ogen wijd open en staarde angstig naar Zwarte Piet die, verdiept in dat grote boek, alles kon zien en zou beslissen over Leven of Dood. Hij wilde bij mama zijn, bij papa en zelfs bij zijn broers, ook al noemden die hem steevast spottend Doepie. De tijd viel stil. Hij zag of hoorde niets van het gejoel rondom. Hij voelde angst, zweet en felle prikken in zijn buik. De grote, zwarte man naast hem aarzelde dreigend, kuchte, keek hem strak aan en sprak: “Euh, Sinterklaas …ik lees hier in het boek… dat Diederik dit jaar…. heel braaf is geweest!” “Zo, zo, flink zo! Dan krijgt Diederik een snoepje.” Hij waggelde van de schoot en vluchtte met nog steeds dichtgeknepen billen naar zijn tante. In haar veilige boezem liet hij zijn tranen vrij. Als vanzelf hield het prikken op. Wat later huppelden ze hand in hand over de drukke winkelstraat. Kinderen joelden, fietsbellen rinkelden, een tram schuurde en klingelde. Tante Maria bewaarde in haar handtas een sint van chocola en hij, het brave kind, klepte vrolijk met het metalen klikkertje met daarop een vriendelijk lachende sint. Klipklepklipklepklipklep. Hij was ontsnapt. En hij had niks gelogen. Hij had niets gezegd, dat is niet liegen. Nu ging hij écht zijn best doen, altijd alleen nog de waarheid zeggen, het braafste kind van de hele wereld zijn. Het werd 28 december, de Dag van de Onnozele kinderen. Het had de hele dag hard gesneeuwd, het dorp leek een grenzeloze witte wolk die grijze rooksignalen naar de zwarte hemel zond. Zijn broers en hij hadden een sneeuwballenveldslag uitgevochten met de bende van Francken van twee straten verderop. Zij, ook hij, hadden de eer van de familie heldhaftig verdedigd. Sterren prikten ontelbare gaatjes in het steenkoolzwarte hemeldek, toen mama hen riep en zij met het hoofd rechtop het strijdperk konden verlaten. Nog zegedronken lagen ze in bed toen Diederik plots vroeg hoe de Drie Koningen konden weten waar Jezus geboren was. Zij lachten. Ze bleven maar lachen om zijn kinderachtige vragen. “Onnozelaar,” riep er tenslotte eentje, dat zijn toch allemaal maar verhaaltjes. Of geloof jij nog in Sinterklaas misschien?” En ze vertelden wijsneuzerig hoe alles precies in elkaar zat. Diederik kon het niet geloven. Dit kon niet waar zijn! Zo dikwijls was hij zo verschrikkelijk bang geweest! Bevend had hij nachtenlang niet kunnen slapen. Niet durven bewegen. Al die angst! Al die schuld! Dat berouw! Al die spijt en schaamte. Alles één gigantische leugen! Een samenzwering! Een enorm complot van de grote mensen om kinderen bang te maken! De Sint in het warenhuis! De Zwarte Piet! En tante Maria, zijn heilige fee, ook! Papa. En mama? Toch ook niet mama! Mama? Diederik zag onder zich de aarde scheuren. Een brede kloof gaapte tussen de wereld in zijn hoofd en die daarbuiten. Hij wenste dat hij dit niet had gehoord, dat dit nooit was gebeurd. Hij voelde zich verdrietiger dan hij zich ooit had gevoeld. Het zou nooit meer zijn als voorheen. Vroeger was voorgoed voorbij. Elske haar muizeke heeft hij nooit gezien. Victor ook niet. Zeggen ze. Maar als je je eigen ouders niet meer kan geloven, wie dan wel?

Erik Herbosch
15 0

Blind date

Ik heb me een beetje laten kennen, vrees ik. Dat kwam zo. Via de vzw ‘Creatief Schrijven’ kon je tijdens de boekenbeurs blind daten met mensen uit de literaire wereld. Je hoefde alleen maar de beste tekst die je ooit had bedacht, in te zenden. Men zou er tien selecteren en de auteurs op zondag uitnodigen voor een VIP-ontvangst annex intakegesprek met mensen die van De Letteren weten. Klinkt alsof er Erik dwars overheen geschreven staat, toch?   Ik raadpleegde mijn fans. Beiden repliceerden zonder weifel: Doen! Sterker: we verkozen uit dat schier oneindige aanbod heerlijks dezelfde tekst: een tribuut aan een overleden vriend. Dat was postuum nog een mooi cadeau voor hem ook, vond ik. In mijn agenda noteerde ik: zondag 11.11: Boekenbeurs, Blind Date.  Vrijdag zou men wat laten weten. Eerlijk, maar echt, 9 november was de stilste vrijdag óóit: nul whatsapp, nul sms, nul mail, nul alles. Niks. Niemand! Ongeloof, Verbijstering en ik gingen samen voor de spiegel staan: gar nichts begrepen wij davon! Dus zo voelde zich de koningin toen ze vernam dat Sneeuwwitje nog leefde.   Op zondag dacht ik: laat ik toch maar gaan naar die bizarre winkel waar je inkom betaalt om dingen te kunnen kopen die je elders voor minder geld kan vinden. Een onzichtbare hand dwong me naar stand 114, ‘Creatief Schrijven’. Daar zaten ze, de uitverkorenen. Tien! Tien betere scribenten. Kan je het geloven? Een glas Veuve Clicquot voor de neus. Schalen met lekkers zeilden voorbij. Van achter mijn doorgeschoten bambooplant kon ik het allemaal niet zo best zien, maar ik meende oesters, kaviaar, garnalen en misschien een speenvarkentje te herkennen. Principieel doe ik niet aan wedstrijden. Ik schrijf stukjes voor mijn persoonlijk amusement. Een vorm van intellectuele zelfbevlekking, zo u wil. De laatste wedstrijd waar ik aan deelnam was op een Gedichtendag. Ik won, met een liefdesgedicht. De concurrenten waren leerlingen, de jury collega’s. Als je het zo bekijkt heeft het wel wat van matchfixing. Tien bétere teksten, hoe was dat in godsnaam mogelijk? Hadden die lui wel alles gelézen? Waar was ik ook mee bezig? Waar kwam die zucht vandaan om niet alleen gelezen maar ook nog geprézen te willen worden? Vanity, thy name is toch woman? Vuur smeulde vanbinnen, vonken vatten vlam. Ik werd een oude schuur in brand. Passie laaide! Ik wilde meer! Ik moést beter! Volgend jaar zit jij daar, rijmde mijn hoofd.   Een draaikolkende kop en overal kunnen pinnen is een nefaste cocktail voor je bankrekening. Ik raadpleegde het nog-te-kopen-lijstje op mijn telefoon, toen ik spotlicht zag blinken op een knikkend haarloos hoofd. Marnix Peeters. ‘Ik heb aids van Johnny Diamond’ stond ook op de lijst. Die laat ik signeren, dacht ik, dan kan ie mooi naast mijn – of zijn - ‘Natte dozen’ en ‘Kijk niet zo, konijntje’. Beschroomd schuifelde ik met mijn boek richting schrijver. “Kom erbij,” wenkte hij, “we zijn net in gesprek over politiek correcte taal.” Voor hem stond een man die tot drie keer toe herhaalde dat hij geen racist was. De auteur diepte enkele anekdotes op ter illustratie dat De slinger der Correctheid volgens hem wel wat ver was doorgeslagen. We raakten het erover eens dat een maatschappelijk debat daarover zowel links als rechts geen kwaad kon. Uit de botsing der gedachten ontstond wederom licht.    “Erik, met c of k?” vroeg hij. “Doe vandaag maar met k,” antwoordde ik. De schrijver keek verrast. “Ik weet het zelf ook niet altijd,” zei ik, zonder verdere toelichting, “en ik ben fan van uw columns in de krant,” gaf ik naar waarheid mee. Dat deed zichtbaar plezier. “Dit is trouwens mijn vrouw,” stelde hij de elegante dame voor die een biertje kwam aandragen. Ik voelde me vereerd: mijn hand in de Hand van de Vrouw die Zegt in de Columns van Marnix Peeters! “Ze weet vooraf nooit wat er zal verschijnen,” vertelde hij. “Altijd spannend,” vulde zij aan, “Dan word ik op zaterdag wakker en denk: het is stukjesdag vandaag.” “En we hebben daar in drie jaar vrijwel nooit een meningsverschil over gehad,” meldde hij fier. We keuvelden nog wat amicaal verder over hoe je vanuit de Oostkantons kijkt naar het gedoe ter stede, terwijl de auteur in zijn en mijn boek kalligrafeerde: ‘Voor Erik! Maar wie heeft er nu aids van Johnny? Veel liefs, Marnix’.   Bedankt, mijnheer en mevrouw Peeters, voor deze fijne date. En tot volgend jaar! Ik kom terug. Met c of k.

Erik Herbosch
4 0

Eenhoorns

Je ziet het vaak in detectives. Twee rechercheurs aan een tafel. Aan de andere kant de verdachte en een zwijgende advocaat. “Waar was u op dag zus en zo tussen zo laat en zo laat?” Antwoord: “Dat weet ik niet meer, dat is zo lang geleden.” Logisch, vinden wij hier in Huize Happy. Er is zoveel om te vergeten. Maar ik weet wél nog precies waar ik was op 7 oktober 1977 in de namiddag. Dat was een vrijdag. U bestond misschien nog niet. Ik dus wel. Ik herinner me nog het koude buislamplicht, de tafels geschikt als een u, de donderstem en barse blik van mijnheer De Graef. Die les veranderde mijn leven. Enfin, nuance, heeft iets gedáán. Het ging over ‘Eenhoorn’, een gedicht van Jotie T’ Hooft.   De jonge dichter uit Oudenaarde had zich de vorige dag de aders vol heroïne gespoten. Dat had hij niet overleefd. De leerkracht was een emotioneel man. Hij liet ons delen in zijn verdriet. Hij treurde zowel om het heengaan van een jonge mens, als om het veel te vroeg verscheiden van een talentrijk en beloftevol dichter.   De wereld van de dichtkunst was tot op die dag voor mij even mysterieus en ontoegankelijk als het slipje van Debbie Harry. Mijn poëtische ervaringen beperkten zich tot de verzen van ‘Zeven anjers, zeven rozen, ‘Zo mooi, zo blond en zo alleen’ en ‘Pappie loop toch niet zo snel’. In mijn eindwerk van het middelbaar het jaar voordien recenseerde ik nog ‘Malle Babbe’. Een gedicht was een enigma, geheimtaal voor intellectuelen die moest worden gedecodeerd.   De heer De Graef leerde ons lezen. Dat de dichter als een eenhoorn, sierlijk maar doelloos, door de wouden van het leven dwaalde. Dat die wouden een schepping waren van een heer die wij niet kenden. Hij heeft geen naam, geen gezicht, geen handen of stem. Dat ‘bladeren’ hier twee bladeren was: voedsel voor wie het lust, een nietigheidje in de wind. En dat de dichter dood wou. Hij smeekte zijn heer: lok mij naar u toe, ik wil mijn kruisweg gaan, struikelend over naald en vlam. Neem mij, nu, voor ik word als al die andere domme stumperds die bij leven al uitdoven. Dat stond daar allemaal, in wat een prachtige verzen! Die dag openbaarde zich een nieuwe wereld.   Wat ik die avond deed, weet ik niet meer precies. Wellicht bedelde ik thuis mijn zakgeld bij elkaar om dat in café Spike weer onmiddellijk te verbrassen. Daar draaide men nog platen van vinyl, op drieëndertig toeren. Bad Company, Supertramp, Bob Dylan, The Rolling Stones. Lyrics kende ik nauwelijks maar als ik genoeg gedronken had, zong ik schijnbaar in mezelf verzonken volledige teksten mee, verfrommeld achter mijn pint. Die kostte 16 BEF, vandaag veertig eurocent. Aanstellerij hoeft niet duur te zijn. Achter een dichte mist van Zwarte Afghaan of Rode Libanon vond je de wc. Ik raakte wel eens secondhand stoned.   Waarschijnlijk leegden mijn maatje Filip en ik net als altijd onze beurzen en glazen, onderwijl eindeloos filosoferend over de leegheid van het zijn, het onnut van het bestaan, de zeepbel waarin we moesten leven. No Future klopte aan de deur. Wij zwoeren: wij spelen dit spel niet mee, ons krijgen ze niet. Niet wij. Tot het einde van onze dagen zouden wij, gehuld in groene parka’s onze haren lang blijven dragen. Voor ons geen legerdienst, geen maatpak, geen klotejob van negen tot vijf. Eenhoorns zouden wij zijn, onaantastbaar en tijdloos. Mythisch. Sierlijk zouden wij dwalen door het woud der schepping, onderweg meegraaiend wat ons beliefde. In de slotzin van mijn ‘Malle Babbe’ stond nog zwart op wit: “Ik wil niet doodgaan, hoogstens sterven.” I hope I die before I get old, die dagen.   Filip hield zijn woord gestand, ik niet. Ik vond een vrouw, een kind, een doel om voor te leven. Maar gisteren dacht ik even, waar is mijn beste vriend? Net als Jotie T’Hooft stierf mijn drinkebroer, mijn gabber, mijn maatje, op zes oktober, vandaag acht jaar geleden. Ook hij vond in de bladeren van dit woud geen voedsel. Chronisch dorstig als een eend, leidden zijn stapstenen hem van kroeg naar kroeg. De lichtlans op zijn voorhoofd verdronk in veelvuldige glazen verschalend bier. De heldendood van de dichter werd het niet.   Een blad in de wind.   Vlieg! Zweef! En dans.

Erik Herbosch
70 0

Opleiding

- Cursus Creatief Schrijven, Centrum voor Avondonderwijs, voorjaar 2018
- Basisjaar Creatief Schrijven, 2018-2019
- Literair Proza, SAMWD Lier, 2019-2020

Publicaties

- 'Opgebrand' op Azertyfactor, recensie door Katrijn Van Bouwel, 27 maart 2019