Janna Herremans

Gebruikersnaam Janna Herremans

Teksten

Tip

Doka

Doka   Het blauw knalt recht haar ziel in, als een shot pure zuurstof. Ze laat het effect uitdeinen, wegebben, en kan het beeld pas dan grondiger bekijken. Het blauw is niet overal hetzelfde. Indigo en marineblauw, een zweem azuur, er zitten zelfs schakeringen in van bijna zwart, en zilverig wit. Al die verschillende tinten vloeien golvend samen tot dat ene glanzende donkerblauw van de diepzee.  Inez zit in haar zetel en kijkt naar de reuzengrote print aan haar woonkamermuur. Ze doet dit elke ochtend, en elke ochtend is het effect even overweldigend als toen ze de foto nam. Jaren geleden, op een kleine zeilboot, midden op de zee, en overal rondom haar dat heftige blauw. Daarnaar kijken deed haar bloed ruisen van energie, alsof ze de zilte zee inademde door haar ogen. Dat was wat ze met haar foto had willen tonen. Het effect van zien. Ze sluit haar ogen, en al het beeld is volledig weg. Onmiddellijk. Ze voelt het spoor nog dat het blauw van ogen naar ziel getrokken heeft, en de zuurstoftintels in haar bloed, maar het beeld valt niet meer terug te halen. Het enige wat ze ziet is het zwart achter haar oogleden. Inez doet haar ogen weer open en schudt haar hoofd. Een fotografe zonder fotografisch geheugen! Ze weet dat het meer is dan dat, maar daar wil ze nu niet aan denken. Haar smartwatch licht op en er klinkt een agendamelding. Het is tijd om naar de opdracht van vandaag te vertrekken. Een zoo, ergens in een naar verluidt schitterend park. Inez neemt haar cameratas, trekt laarzen en jas aan en stapt haar huis uit. Ze loopt naar haar motor. Er drijven grote wolken aan de blauwe hemel, in variaties van wit en grijs. Ze geven het zonlicht een heldere frisheid. Inez steekt haar spullen weg, verbergt haar hoofd in de helm en start. Traag rijdt ze over het grind van de oprit, en dan volle gas voor een lange rit door dit koele licht. Ze vraagt zich af hoe ze eruit ziet op die machine, kan het zich niet voorstellen.    Het is werkelijk een prachtig dierenpark. Inez arriveerde te vroeg en doet een trage verkenningstocht langs de paviljoenen. Ze neemt een kleiner pad, spot een eekhoornachtig diertje, dat vanop een tak met grote cartoonogen naar ergens boven zit te staren en opeens met een reuzensprong wegzweeft.  Misschien heeft ze achteraf tijd om hier nog eens met haar polaroid te passeren. Nu wil ze die niet tevoorschijn halen, ze raakt ervan uit professionele modus. Haar smartwatch piept en ze wandelt terug naar de hoofdingang. De pr-verantwoordelijke staat haar op te wachten, zijn glimlach zo breed dat haar kaken er bijna pijn van doen.  “Welkom, mevrouw Beelen, welkom!” Hij neemt haar mee naar een vergaderruimte. Het is een heldere kamer, grote ramen geven uit op een zonnig grasveld vol pauwen en duiven. In het midden staat een ovale tafel met foto’s en brochures, op het ruime beeldscherm erachter speelt een loop van promofilms. “Mevrouw Beelen, ga zitten. We zijn zeer blij om u hier te hebben!” Ze gaat zitten, en hij gebaart naar de folders en films.  “U kent ongetwijfeld onze voorgaande campagnes?” Ze knikt. “Veel leeuwen, apen en koala’s, hé?”, lacht hij. Ze lacht mee. De bles van haar schuin geknipte haar valt voor haar ogen, en ze haakt hem zorgvuldig achter haar oor. “De koala blijft natuurlijk ons ‘signature dier’, daar zal u niet omheen kunnen, maar we willen dit jaar focussen op de minder gekende dieren in het park.”  Hij neemt een plattegrond van tussen de foto’s en duidt er met een fluo marker drie plaatsen op aan.  “Dit worden onze highlights: de Kaapse buffel”, hij tikt op het plan, “de kameleon”, nog een tik, “en de gibbon”. Bij de laatste tik schuift hij de plattegrond naar haar toe.  Inez bekijkt die even en legt hem opzij. Ze trekt enkele promofoto’s naar zich toe en bestudeert die aandachtig. “Dit is een primeur voor mij, promotiemateriaal, ik doe dat normaal gezien niet”, merkt ze op.  “Ik zal wat zakelijker moeten fotograferen dan ik gewend ben.” De man schudt zijn hoofd. “Toch niet, mevrouw Beelen, zeker niet. We willen deze keer niet alleen minder gebruikelijke dieren in de campagne, maar ook een andere stijl.”  Hij speelt met de marker, legt die dan op de tafel en kijkt haar aan. “Uw foto’s zijn…,” hij pauzeert, neemt de marker weer op.  “De onderwerpen zijn vaak dingen die we zelf ook rondom ons kunnen zien, maar als u ze toont, zien we ze opeens anders. Heftiger.” De marker verhuist terug naar de tafel.  “U kijkt anders, denk ik.” Ze kijkt hem aan, vrij lang, dan knikt ze. “Goed, ik ruim even op en loop dan een stuk met u mee”, zegt hij wat haastig. Hij begint de uitgewaaierde foto’s weer op een nette stapel te leggen en Inez loopt naar het raam. Ze sluit haar ogen. De zon kleurt de binnenkant van haar oogleden doka-rood. Met haar handen losjes langs haar lichaam probeert ze de dieren te visualiseren. Inademen, buffel, uitademen, kameleon, opnieuw inademen, gibbon. Ze kent ze, maar zoals altijd roepen namen noch woorden een beeld bij haar op.  Ze doet haar ogen weer open. De man staat wachtend naar haar te kijken, in zijn handen een knalgroene badge aan een al even groen sleutelkoord.  “Probeerde u zich de dieren voor te stellen?”, vraagt hij. Ze fronst. “Ik ben te vrijpostig. Maar ik las uw interview in de krant vorige week, en uw afantasie fascineert mij.” Ze glimlacht en hij voelt zich aangemoedigd. “Ik denk dat het daardoor komt dat uw foto’s zo intens zijn.” Ze fronst opnieuw, en hij steekt haar snel de knalgroene badge toe. “Ik geef u nog een pasje mee, daarmee kan u ook achter de schermen. Nadat u een oppasser hebt aangesproken, weliswaar!” Ze knikt een ‘uiteraard’, neemt het pasje aan en hangt het om haar nek. Het groen zal waarschijnlijk fel afsteken tegen het karmozijn van haar lippenstift en de rode kleuraccenten in haar outfit. En misschien doet het iets leuks met haar ogen, die van een bruin zijn dat liever groen was? Zonder spiegel of foto kan ze het enkel vermoeden. Op weg naar de buffel denkt Inez terug aan het interview.  De reporter had erg verbaasd gekeken toen ze hem vertelde dat ze ‘geen geestesoog’ had, zoals dat zo mooi wordt gezegd. Ze had uitgetest of hij het wel had, had hem gevraagd wat hij bijvoorbeeld zag als hij zijn ogen sloot en aan een konijntje dacht. Bruin en schattig, met hangoren en een wit staartje, blijkbaar. En ze had het zelf nog eens geprobeerd, als om het te demonstreren. Haar konijn bestond niet.  Ze laat haar blik wat dwalen, over de plantsoenen, de wolken. Ze was helemaal niet van plan geweest om over haar afantasie te vertellen, maar de spildrang was blijkbaar toch groot. Dus toen de vraag kwam of het haar soms lukte, om het beeld te schieten zoals ze het in haar hoofd had, moest ze wel antwoorden. Dat er geen beeld was in haar hoofd.  Ze glimlacht opnieuw om zijn verbazing, omdat die zo goed spiegelde hoe zij zich voelde, dat dik jaar geleden, toen ze snapte hoe visueel visualiseren voor de meeste mensen is. Maar nu twijfelt ze. Had er meer op zijn gezicht gelegen dan enkel verbazing? Ze ziet het niet meer, zijn gezicht, en daardoor lijkt ook haar herinnering besmeurd met blinde vlekken.  De titel van het stuk herinnert ze zich wel nog. ‘Ik wil gewoon tonen hoe ik iets zie.’ En met de portretfoto was ze even blij. Zij met haar camera in de aanslag. Haar gezicht is half verscholen achter het toestel, maar haar rode glimlach staat erop, en haar kapsel oogt pittig. Ook haar houding ziet er goed uit, relaxed en toch stevig. Soms staat ze zo breekbaar op foto’s, daar schrikt ze dan altijd van. Zien doet ze die foto nu niet meer, maar de tevredenheid die ze voelde bij het bekijken, kan ze zich perfect herinneren .   Inez fotografeert. De dieren verschuilen zich zelden, buffel en gibbon kijken een paar keer heerlijk onbevangen in de lens, en ze durft het aan om de kameleon een por te geven, waardoor hij van tak wisselt en ze verschillende kleurschakeringen te pakken krijgt. Van het niets in haar hoofd naar zo’n visuele overvloed, ze snapt wel dat haar hart daar altijd zo van barst! Als ze klaar is, blijft ze een volle tien minuten op een bankje zitten, ogen gesloten.  En daarna, in het schuine avondlicht, haalt ze haar polaroid boven en loopt er heel traag mee door het park. Ze houdt van de flou van die foto’s, maar het is meer dan dat: op het printje heel geleidelijk aan een beeld zien ontstaan, die vervulde hoop geeft haar een onwaarschijnlijke voldoening.  Ik denk dat het daardoor komt dat uw foto’s zo intens zijn. De woorden van daarnet echoën opeens in haar hoofd. Zal de kracht van haar foto’s nog feller zijn als ze ook het niet-zien kan tonen?   De volgende dag gaat op aan het selecteren en bewerken van de dierentuinfoto’s, maar ergens achteraan in haar gedachten blijft de vraag rondzwerven: of ze haar afantasie zou kunnen tonen.  Als de foto’s eindelijk doorgestuurd zijn, blijft ze naar haar scherm zitten staren. De laatste foto staat nog open. Een close-up van de buffel. De opwaartse gladde boog van de horens, en daaronder dan die zachte oren; zijn zware kop vol stof, maar glans in de ogen en op de natte neus. De hele foto zindert rust, kracht en melancholie. Ze sluit haar ogen. Heel even ligt er een negatief beeld op haar netvlies - het licht van haar scherm is fel – maar daarna is er niets.  Ze kijkt weer rond. De foto, haar handen, haar verzameling polaroids aan de muur. Opnieuw constateert ze hoe helder zien toch is, hoe fel het contrasteert met wat er is eens haar ogen dicht zijn. En toch is niets niet het juiste woord, gesloten ogen geven geen leegte. Bij haar gedachten hoort een gevoel, en ook een soort concept, als een bijna-beeld. Ze denkt aan haar polaroids, aan het moment vlak voor de foto’s verschijnen. Ze hoort de woorden van de reporter opnieuw: Is het u ooit gelukt, een beeld te schieten zoals u het zag in uw hoofd?  Ze haast zich naar haar donkere kamer, haar handen trillen.    Inez staat over het ontwikkelingsbad gebogen.  Aan de drooglijn hangen reeksen en reeksen zwarte foto’s. Ze zijn slordig opgehangen, haastig over de lijn gegooid, net proppen papier in en naast een vuilbak. Ze houdt haar gespitste vingers opnieuw klaar boven de vloeistof, gespannen wachtend op het juiste moment, en grijpt er dan fluks het fotopapier uit. Ze kijkt, schudt haar hoofd, mikt het over de lijn en neemt een nieuw. Maar dan gooit ze het met een grote armbeweging dwars door de ruimte, en trekt de deur wijd open. Licht overspoelt de hele kamer. Ze blijft staan, schudt nog steeds haar hoofd en loopt dan naar haar bureau. Ze moet en zal het vangen. Het beeld dat niet komt. Ze sluit haar camera aan op haar printer, selecteert zwart-witte afdruk en zoekt zwart papier, ze wil een vaag en schemerig beeld. Maar dan zet ze de printer uit en gooit de camera weer neer. De dingen in haar hoofd hebben kleur. Ze ziet ze niet, maar ze hebben kleur.  Ze trekt de polaroids van de muur en blijft ernaar kijken. Misschien kan het geen foto zijn. Iets wat niet komt, beweegt toch op een of andere manier. Ze neemt haar polaroidcamera. Kan ze filmen hoe een polaroid een foto wordt, en dan net op tijd stoppen?  Inez blaast, laat camera en polaroids los, en heft haar handen in de lucht. Palmen naar voor, vingers gespreid. Dan zoekt ze haar sporttas, propt er een handdoek en een badjas in en vertrekt naar het zwembad. Zwemmen wil ze niet, maar er is daar een zoutbad en dat is opeens het enige waar ze nog aan kan denken.  Ze gaat met de motor, rijdt snel en met scherpe bochten. Aan de stoplichten laat ze de machine ongedurig brullen.     De kamer is klein en zachtjes verlicht. In het midden staat het bad als een vriendelijk reuze-ei op haar te wachten. Inez kleedt zich uit en trekt het deksel omhoog. Het water glanst diep en donker, en ze weet dat dit lijkt op de oceaanfoto aan haar woonkamermuur. De zoute geur kriebelt in haar neus. Ze niest, krachtig en luid en dat doet haar opeens lachen. Ze gaat zitten, het lachen schudt haar verkrampte schouders los. Dan doet ze haar oordoppen in, stapt in het bad en laat zich langzaam zakken. Ze houdt haar ogen open en denkt terug aan haar laatste polaroid. Ze probeert zich te herinneren hoe de foto verscheen, maakt er een mentaal stappenplan van. Dan maakt ze een snelle handbeweging, alsof ze het stappenplan naar een ander tabblad veegt, en gaat voorzichtig achterover liggen.  Afantasie. Ze mompelt het woord, het klinkt luid in de gedempte kamer. Ze sluit haar ogen, en zoals steeds ziet ze enkel het roodachtige zwart van een donkere kamer. Ze glimlacht om die extra gelijkenis hier, zo dobberend in haar zoutbad, wachtend op een beeld. Er komen woorden in haar op, concepten lijken het wel, maar niets visueels. Ze denkt aan haar moeder, en voelt een soort vage aanwezigheid in haar lijf, ergens tussen haar schouderbladen; hoort haar stem, haar typische zinnetjes. Ze probeert haar gezicht te zien. Het beeld is er, ze voelt het. Het hangt in de randen van haar brein, als een woord waar je niet opkomt. Maar ze ziet het niet, zelfs geen flarden. Ze zoekt heel haar donkere blikveld af, maar de donkerte verschuift gewoon mee, alsof ze met open ogen iets probeert te zien nadat ze in een fel licht heeft gekeken. Inez ademt uit, blazend, krachtig. Dit valt nooit te tonen. Er gaat een kleine rimpeling door het water. Ze houdt haar ogen nog steeds gesloten en legt haar handen over elkaar gevouwen op haar buik. Zo heeft ze als kind vaak liggen dutten, tot afgrijzen van haar vader, die vond dat dat de houding van een afgelegde dode was. Ze glimlacht, en opeens kijkt ze recht in twee glanzende, donkerbruine ogen. Ze houdt haar adem in, voelt aan haar gezicht. Haar ogen zijn gesloten. De ogen zweven een beetje in haar blikveld, maar blijven kijken, knipperen niet. Ze laat haar adem los en kijkt, gulzig. Ze probeert de ogen thuis te brengen, maar ook al voelen ze zo vertrouwd, ze kent ze niet. Het beeld wordt schemerig. Inez knijpt haar ogen stijf dicht, wil blijven zien. De ogen verglijden in andere ogen, smaller nu en groenig, en met een minder directe blik, en dan opeens over zwart en licht oosters naar een helder blauw paar, met wimpers als wolken. Het verglijden gaat steeds sneller, andere vormen en kleuren, en ook de intensiteit van de blikken verandert voortdurend. Ze kijken boos, ze kijken guitig. Ze kijken melancholisch, ze kijken angstig, en ze kijken steeds doordringender, speurend naar iets diep in haar ziel.  Inez hijgt, en voor het allereerst in haar leven opent ze haar ogen om iets niet meer te moeten zien.

Janna Herremans
82 2
Tip

Buitenverblijf

Voorzichtig maakte ze het gat groter, de regen en smeltende sneeuw van de afgelopen veertien dagen hadden het een beetje doen inzakken. Dan strooide ze er een  handvol verse potgrond in. Haar hart klopte een beetje sneller dan gewoonlijk. Het was haar eerste keer sinds jaren, en haar eerste keer alleen. Het gat bleef er koud en ongastvrij uitzien. Maar het moest nu, nog wachten kon niet. ‘Binnenpakken, maar nooit langer dan veertien dagen!’ Elk jaar opnieuw had haar vader dat verkondigd, met grote stelligheid. En telkens had ze zo genoten van de warme gulheid van het binnenpakken, en zo moeten vechten tegen het kille schuldgevoel bij het terug buitenzetten.  Ze veegde haar haar uit haar gezicht, voelde de natte modder op haar wang. Toen keek ze naar de boom naast haar. Hier en daar blonk nog een dun sliertje engelenhaar, daar moest ze om glimlachen. Ze voelde voorzichtig in haar jaszak. Ze had een onbreekbare uitgekozen, maar toch. Ze deed haar handschoenen weer aan, ze was van kindsbeen allergisch aan naaldenprikken. ‘Heb je handschoenen aan? Anders krijg je weer van die vieze bulten. Tot op je schouder zaten die, gewoon door de top vast te houden, dat heb ik nooit verstaan!’ Ze had het hem nooit uitgelegd. Het binnenhalen en terugplanten was iets van hen beiden, maar dat andere, dat was tussen haar en de bomen. Ze haalde diep adem en tilde de boom in het gat. Kon een boom onthouden, vergeten, bang zijn? Zou hij de plaats herkennen? ’t Was geen slechte plaats, gewoon het verste hoekje van haar nieuwe voorstadstuin. Beschut en eigenlijk wel gezellig, het had niets van de onherbergzaamheid van het bos uit haar jeugd, dat koppig in haar gedachten schemerde. En toch. Fantasie haalde het altijd van de realiteit, zelfs toen. Ze hadden de boompjes uit de bosrand gehaald, vlakbij een vriendelijk open veld, maar zij had alleen de sprookjesachtige donkerte verderop gezien, en zich nooit kunnen voorstellen dat ze daar gelukkig groeiden. Ze gooide het gat terug dicht, stampte de aarde goed aan en gaf water.  Dan nam ze de kerstbal uit haar jaszak en stak hem diep tussen de takken, tot helemaal tegen de stam.  “Zo ben je niet alleen”, fluisterde ze, en draaide zich snel om. Soms vroeg ze zich af of iemand ze ooit zou opmerken, die zeven ondertussen volwassen dennen aan de rand van een ver donker bos, met elk een kerstbal in hun hart. 

Janna Herremans
122 6