tamaralenaerts

Gebruikersnaam tamaralenaerts

Teksten

OPDRACHT 4: TAMARA LENAERTS - grote mensen spelletje

Haar hoofdje leunt tegen de muur. Haar voeten schuifelen nu eens over de stenen vloer, kruipen dan weer naar de onderste trede, bedekt met beige tapis-plein. De ruw geworden boord van haar vaal geel dekentje laat zich haar frunniken wel gevallen. Van onder de deur maakt een streep licht de gang nog donkerder. Enkel haar nachtjapon breekt de duisternis, als was ze een van de trap gevallen spookje.   Ze staat recht, zet drie stappen en grijpt de klink. Gesprekken komen haar gedempt tegemoet. Net op het moment dat haar kleine hand kracht zet, klinken er gilletjes gevolgd door gefluit en dan gelach. Ze weifelt, draait zich om, stapt terug naar de trap. Het dekentje sleept achter haar aan. Ze gaat zitten en wacht. Ze maakt zich sloffen van geel. Haar vinger volgt het patroon van het behangpapier. Opnieuw en opnieuw. En dan gaat ze toch terug naar de deur.   Ze buigt zich voorover en kijkt door het sleutelgat. Ze kan de fruitmand zien die op de eettafel staat en een stukje van de leuning van de stoel met iets grijs bedekt. Ze tuit haar lippen rond het slot. ‘Mama’ fluistert ze. ‘Mama’ zegt ze wat luider. ‘Mama’ galmt het nu door de gang. De gezelligheid valt stil. Ze hoort gestommel. Vijf seconden later gaat de deur open: een walm van rook en volle licht komen haar tegemoet. Ze knippert met haar ogen en deinst wat achteruit, haar dekentje verwordt tot voorschoot in haar handen.   Langs de vrouw heen ziet ze een uit de hand gelopen hinkelspel van kledingstukken op de vloer. De pijpen van een jeans met riem raken slordig en binnenstebuiten de mouwen van een stoer hemd. Een lichtblauw bloesje vormt een hoopje met wat rokken lijken te zijn. Her en der liggen sokken geschikt te wezen als stapstenen. Van over de leuning van de stoel doen een grijze vest en dito broek hard hun best het lonken van een fleurig topje te negeren en keurigheid uit te stralen. Tevergeefs. De salontafel bezwijkt onder flessen rode wijn en Johny Walker, halfvolle, beduimelde glazen van het schoon servies en overvolle asbakken. Servietten met sporen van lipstick en lege zakken chips vangen druppend kaarsvet op. Pakjes groene Michel en Dunhill houden koeken heren, harten dames en klaveren boeren recht.   Ze stapt naar voor, wandelt de living in. De vrouw aan de deur achterlatend. Haar entrée doet de lichamen in het salon verstarren. Drie paar ogen kijken haar en haar vale voorschoot wijd aan. Twee mannen en nog een vrouw herschikken zich verschrikt. Benen zetten zich naast elkaar, kruisen zich netjes. Handen vouwen zich in de eigen schoot. Zwarte kanten lingerie frommelt zich gejaagd bijeen op de zetels. En grote witte onderbroeken proberen zich snel voor haar te verbergen achter hakken en onder glanzende mannenschoenen. Alsof de schoolbel is gegaan, beginnen de blote lijven theekransje te spelen. Ze maken de glazen tot porseleinen kopjes, het kaartspel tot zondagmiddag-vertier, de gilletjes gevolgd door gefluit tot koetjes en kalfjes. Het meisje verstart. Bekijkt het tafereel met wijd open ogen. Klemt zich vast aan haar stukje stof.   Met zachte dwang duwt de naakte vrouw haar terug, door deur, naar de donkere trap. Ze neemt het vodje met afgesleten lint uit haar handjes en drapeert het als een jasje over haar nachtjapon. ‘Wat doen jullie, mama? Wat zijn papa en jij aan het doen?’ ‘Een spelletje voor grote mensen. Ga maar snel terug slapen.’   Intussen is ze al vele jaren grote mens. Het gele deken met zachte boord ligt in frennen op de bodem van een kast. Het spelletje heeft ze nog nooit gespeeld.

tamaralenaerts
0 0

Schoolreis

Eindelijk was het voorbij het tellen van de nachten slapen. Vandaag was dé dag. Als echte groten -had haar juf  gezegd- zouden ze alleen mogen rond lopen. Doen en laten waar ze goesting in hadden. Er een echte BFF dag van maken. Al bestond dat toen nog niet.   Met een bus reden ze helemaal naar Adinkerke aan de zee. Naar een park dat vele jaren later ingepalmd zou worden door Plopsa. Met zijn allen vulden ze de laatste rij. Alleen maar meisjes. Gelach en geklets. De Vriendin en haar uitverkorenen het luidst. Plannen voor het reuze-rad en het treintje door de wereld van de bijen. Bij het binnenlopen van het park hoorde ze er nog bij. Een moment later, de anderen leken wel opgeslokt, stond ze alleen. Wachten en rondkijken leverden niks op. Geen van de vrolijke kinderen rondom haar waren meisjes van haar klas, laat staan het kliekje waar ze dacht bij te horen.   Toen ze –flash forward in de tijd- voor het eerst met haar eigen dochters door de opvolger van het Meli-park dwaalde, zag ze bij elke attractie die ze deden opnieuw, een blond meisje van tien. Alleen. De hele dag lang.   Pas wanneer het bijna tijd was om terug naar de afgesproken plek te gaan –in de late namiddag van wat dé dag zou zijn- kwam ze hen terug tegen. Of zij haar. Ze leken haar afwezigheid dan maar voor het eerst op te merken. Een enkel meisje nam een paar minuten. Of ze een leuke dag had gehad. Of ze die grappige circusvoorstelling ook had gezien? En die gekke jongens, toevallig uit een dorp in de buurt. Ze knikte.   Op de terugweg zat ze weer mee op de laatste rij. Het plaatske aan het raam. Gelach en geklets achter haar rug, ze telde opnieuw. Geen nachten deze keer maar lantaarns, langs de autostrade. Ze zag de lichten aanfloepen. Toen deden ze dat nog.                                                    

tamaralenaerts
0 0

Onderweg

‘Voulez-vous coucher avec moi, ce soir?’ Hij hangt ergens helemaal aan de andere kant van de kale ruimte traag en ongecontroleerd te bewegen. Zijn woorden en hun toon waaien in flarden tot bij haar, vermengd met zijn geur.  Het duurt een hele tijd voor zijn uitnodiging daadwerkelijk tot haar doordringt. Nog niet gewend als ze is aan de taal, laat staan aan van lokale wijn doordesemd patois. In het schemerdonker ziet zij alleen zijn contouren. En om de zoveel tijd een oranje gloed. Het oplichten van nog een sigaret. Ze probeert de afstand in te schatten tussen haar bank en de zijne, tussen haar bank en de resten van een deur die naar de sporen leidt.  Ze klemt haar armen nog steviger om haar nieuwe roze rugzak.  Hij zou als hoofdkussen dienen. Ze zou de uren die haar resten tot de opkomst van de zon en haar verbinding naar het zuiden, in de wachtzaal slapen. ‘Voulez-vous coucher avec moi, ce soir?’ De gedaante heist zich overeind. Haar hartslag versnelt.  Ze is zich haarscherp bewust van het voorwerp dat door de gore-tex tegen haar rechterelleboog drukt. Binnen handbereik. En toch ook niet. Tien seconden aarzelt hij verdwaasd.  Dan wankelt hij door de gehavende deur de wachtzaal uit. Gemompel en dan geklater. Ze schiet recht van de bank en loopt snel het perron op. De kleine stationshal is nog gesloten. Aan de straatkant ook geen levende ziel.  Enkel de geur van bakkend brood. Ergens in één van de huizen, te midden van de optrekkende donkerte is dus toch al iemand wakker.  Die gedachte schikt ze als ze een dekentje op de koude, harde grond. Tot 6.43u is de telefooncel de hare. Enkel en alleen de hare.   Zo moet het ook voor Hans en Grietje geweest zijn, bedenkt ze in bed. Geen broodkruimels meer te bespeuren, moe en hongerig, alleen in het donkere bos en dan in de verte een lichtje zien... Het huis ruikt naar nieuw. De deurlijsten gapen. De ramen staan kaal in de muren. De houten leuning-loze trap verstopt zich onder karton. In wat de keuken zal worden, pruttelt water op een blauw campingvuurtje. ‘Koffie?’  Ruwe grote handen geven haar een kom. Hun woordeloze drinken past bij de plek. De slaapkamer niet:  het opgemaakte bed, de kast met glanzende spiegel en het zachte licht van een stijlvolle staanlamp. Ze zet haar rugzak als nachtkastje naast haar hoofdeinde. Het roze is niet meer.   Ze zoeven over de weg. Rechts zinderen de heuvels van de hitte, links blakert de zee diep blauw.  Ze stond er nog maar net en ze had al prijs. Met zingende banden was hij voor haar gestopt. Galant had hij de deur voor haar open gehouden, haar rugzak met een zwaai op de achterbank gegooid. Zijn ene hand  beroert nu zelfzeker het stuur. Het andere beweegt nonchalant heen en weer tussen zijn zwarte zonnebril en het open gedraaide raampje. Ze keuvelen wat. Zij in haar aller-charmantste schoolfrans. Hij met de onweerstaanbare tongval van een Parisien. Zij vertelt over de man die in onberispelijk tenue boules de Berlins verkocht op het brandend hete strand. Hij vraagt haar of ze topless zont. Zij vertelt hoe ze op de boulevard de politie tevergeefs jacht zag maken op de vele verkopers van  Lacoste polo’s. Hij vraagt of ze interesse heeft in ’t verdienen van een extra centje. Zij vertelt over het nachtelijke babbelen met de andere treksters in de meisjeskamer van de gîte. Hij vraagt of ze ook andere dingen doen. Hij stopt voor de deur. Draagt haar rugzak het trapje op. Raakt licht haar haren aan. ‘Vanavond geef ik een feest op mijn jacht. Een paar kilometer voor de kust hier. Ik kom je om half tien oppikken. Tes amies sont aussi les bienvenues. Soie belle.’   Hij had haar apart genomen. Onder de oren van haar grootmoeder uit. Iets wat nooit eerder was gebeurd. Zonder enige gène of twijfel zei hij: ‘Al die aids dat baart mij zorgen. Als je straks, op reis, iets doet met een man, gebruik dan een condoom.’   Ik weet dat ik toen dacht: maar Grootva toch, waar jij je zorgen over maakt.

tamaralenaerts
0 0

Juffrouw D

‘Vijf maal zeven.’ ‘Vijfendertig.’ Stap vooruit. ‘Drie maal acht.’ ‘Vierentwintig.’ Stap vooruit. ‘Negen maal zes.’ ‘Vierenvijftig.’ Vooraan op de tree dreunt de stem de tafels. Elk juist antwoord brengt me dichterbij. Getal per getal schuif ik het smalle gangetje tussen de banken door naar voor. Mijn verstand staat op scherp. Nog voor de stem helemaal uitgesproken is, dreun ik op mijn beurt de uitkomst. De zittende klasgenoten vervagen. Ik zie alleen maar cijfers in kadans. En Sofie die in een  parallel gangetje vijf tafels achter mij aan komt. ‘Dat haalt ze nooit meer in.’ denk ik. Zijn stem hoor ik niet. Niet eens. Met een mengeling van trots en gène kies ik voor de vierde dag op rij als eerste. Het mooiste prentje uit de blikken doos is voor mij. Ik draai me om en loop terug naar mijn bank. Tegen de muur aan de start, staat hij. Nog steeds. Ik zie hem onhandig aarzelen, wachtend op het bevel van de stem. Ook voor de vierde dag op rij. Mijn prentje verbleekt. De glinsters zijn aan mijn vingers blijven plakken.   Ik zie hem verstijven terwijl ze zijn boekentas meepakt naar voor. Zijn te lange en te magere lijf probeert een houding te vinden onder de waterval van vlammende woorden. ‘Ik zal je leren wat orde is.’ zegt de stem. De bijhorende handen risten zijn tas open en draaien die om. In slow motion zie ik van hoog boven de tree pennen zonder dop, nog maar half gekafte boeken, proppen beschreven papier en een gebruikte zakdoek op de grond vallen. Snijdend overklinkt ze het gekletter. ‘Kom maar oprapen. En snel.’ De bel gaat. Ik word geacht samen met de anderen in een grote bocht om de jongen heen naar buiten te lopen. Zolang hij daar op zijn knieën met zijn grote handen zijn spullen bijeen gaart, weigeren mijn benen echter dienst.   Vijfendertig jaar later. Ik sta te praten op een receptie. Een bevriende ondernemer viert de publicatie van zijn eerste boek. Mijn blik dwaalt af naar een man die met hoofd en schouders boven iedereen anders uitsteekt. Ik val stil. De grijze haren, de rimpels en de extra kilo’s doen niet ter zake. Hij is onmiskenbaar mijn klasgenoot van toen. Nooit meer gezien na dat helse jaar bij juffrouw D. Ik loop recht op hem af, ik móet weten hoe een leven vorm krijgt, na zo’n start. Informaticus is hij geworden. Heeft een bedrijf opgericht en met succes verkocht. Zijn tweede onderneming blijkt opnieuw een schot in de roos. De ondernemer met het boek is een vriend van hem. Met trillende stem vertel ik over de boekentas. Hij kijkt me vol verbazing aan. ‘Pesterijen?’ zegt hij. ‘Weet ik niks meer van. Niks dan goeie herinneringen aan juffrouw D.’ Hij glimlacht. Het lijkt oprecht. De tafels laat ik maar achterwege.     De regels gelden niet. Ariel Levy. Pagina 145          

tamaralenaerts
0 0