Stelselmatig

Gebruikersnaam Stelselmatig

Over Stelselmatig

soms schrijf ik iets.

blog in aantocht, want dat missen we op het www, blogs.

Teksten

Slechtste Assepoester

Slechtste Assepoester, Je verwacht waarschijnlijk geen brief van me, noch wil je, denk ik, horen wat ik te zeggen heb. Maar ik wil je bekennen dat spijt werk als een muggenbeet, hoe meer je krabt, des te feller het jeukt. Je zolderkamer staat leeg, het is de schuilplaats geworden van spinnen en muizen. Soms horen we ze trippelen op de houten vloer, maar we negeren ze. Drizella en ik, we doen alsof die zolderkamer helemaal niet bestaat. Ons leven is ook veranderd. We hadden alles ingezet in uiterlijk en status en niets bleef over, je zal wel denken dat we dit verdienen. Maar niet voor lang, we gaan het huis verkopen en met het geld een cottage te kopen in het zuiden. Misschien kan Drizella een vent strikken, al is het geen prins. Ik ben niet altijd eerlijk geweest met je, het understatement van de eeuw, denk je waarschijnlijk. En misschien wel terecht. De meeste leugens werden vorige maand wel opgehelderd, toen de prins je kwam halen. Maar de waarheid, de trouwste waarheid, is dat ik altijd jaloers ben geweest op je. Je bent alles dat ik wou dat mijn dochters waren, dat ik was. Hoe moeilijk ik je leven ook maakte, of hoe zuur en vol onrecht, je stond er altijd boven. Het ergert me nu nog steeds. Je bent als schreeuwen tegen de wind. Drizella's voeten zijn voor altijd verminkt. Het wicht kon nooit in je voetsporen treden. Ze is groot, log en lomp. Omgekeerd als jou. Ik haat je nog steeds, Assepoester. Vergeet dat nooit. Soms kijk ik naar mezelf in de spiegel, en vraag ik me af wie ik eigenlijk ben. Maar het is altijd gewoon een mening, mensen denken een prinses te zijn, zoals jij, maar is dat wel zo? Je weet niet wie je bent, want je hebt nog nooit iets gedaan. Je hebt geluk gehad. Assepoester, ik daarentegen ken mezelf. Ik ben een moordenaar. Mijn eigen dochter, Anastasia heb ik in haar slaap vermoord. Ze is dood, besef je dat? Dood! Ik heb haar voelen stuiptrekken, terwijl ik het kussen op haar gezicht drukte met al mijn gewicht. Ik vertelde Drizella dat ze ziek geworden was en drie dagen lang heb ik bij haar lijk gelegen, in haar koude kamer met de gordijnen gesloten. Ik probeerde te voelen wat ik had gedaan, maar voelde enkel leegte. Het deed me helemaal niets, geloof je dat? Pas na drie dagen complete stilte hees ik mezelf uit het bed en en riep ik de schouwer. Ik vertelde Drizella dat haar zus ziek was geworden en stierf in de nacht. Weet je wat ze me vroeg? Of ze haar kleedjes mocht hebben. Haar kleedjes! Ik heb alles van Anastasia diezelfde dag nog in de achtertuin gezet en in brand gestoken. Ik denk dat het idee jou meer doet dan ik, eigenlijk. Jij was altijd het gevoelig type. Er is veel veranderd, Assepoester, maar dat maakt niets uit, want je komt nooit meer terug. Morgen komt iemand het huis kopen, dan gaan we weg. Ik haat en veracht je, Tremaine

Stelselmatig
6 0

de zee

Een half miljoen jaar geleden ging je de naar zee in je teensletsen en oude shorts. Je slenterde door de betonnen blokken en geasfalteerde straten die bakten in de zon. Als men ging liggen, in de schaduw weliswaar, dan kon men de hitte zien opstijgen naar de hemel. De zon was een magnetron en wij waren als mais; soms ontpopte iemand zich tot iemand en verhuisde hij of zij naar andere oorden. Naar de grote koelkaststeden in het noorden waar men zelden naar muziek luisterde. Je hinkelde over de hete kiezels van het strand tot je het verkoelende water voelde met je tenen. Kinderen liepen in hun plastieke schoenen tot de grens van de zee en het land en liepen weg, elke keer als er een golf kwam. Tot vorig jaar hoorde je bij het soort mensen dat wegliep van de golven. Nu liet je de golven je overspoelen, uiteindelijk gebeurde het toch. De golven haalden iedereen in, dat wisten we allemaal. Je keek naar de blauwe lucht, een verdwaalde wolk zocht haar kudde. Je dook in de zee, te oud om nog echt in zeemeerminnen te geloven, te jong om je ogen te sluiten onder water.De zee rees en daalde als de ademhaling van een gigantische reus, en je dobberde op het oppervlak. Sinds kort was je niet meer bang om overspoeld te worden door al het water. Iedereen zwom uiteindelijk. We zwommen al voor we wisten dat we konden zwemmen. We zwommen terwijl we verdronken. Het was daar op het strand, op de grens van land en zee, dat je je ontpopte. Daar leerde je drijven op de ademhaling van de zee. Ze wisten al lang dat de zee je uiteindelijk vond.Een half miljoen jaar geleden gebeurde er iets. Toen je uit het water kwam was alles zo anders, dat het bijna exact hetzelfde was. We vroegen ons af of zou je weggaan of zou blijven. Voorlopig kwam je elke dag terug naar de zee, in je teensletsen en oude shorts. Je zwom in het zoute water zoals altijd. We haalden onze schouders op, 'wat er ook gebeurd,' zeiden we. 'Uiteindelijk haalt de zee ons allemaal in.'  

Stelselmatig
6 0
Tip

een tijd

IIk lees je dagboeken om me te vergewissen dat je me vergeten bent. Dan krabbel ik er iets in. Gewoon, iets kleins. Omdat ik klein ben. IIEr was eens een man borstdiep in de zee. Hij had een emmer vast. Die schepte hij links vol en kapte hij rechts leeg. IIIIk heb de handen van mijn vader. Dezelfde vingers, dezelfde nagels. Ze doen hun best met wat ze het best doen. Kapotmaken. IVIk heb alles. Ik heb letters en woorden om alles te beschrijven. Maar het menu is het gerecht niet. Mijn woorden zijn jou niet. Ik heb niets. VSoms vergeet ik moeilijke dingen. Als een wiskundige formule dat je enkel in school nodig hebt. Ik haat school. Ik haat nodig hebben. Ik heb je nodig. VIAls ik vliegers zie dan denk ik aan de touwen, weet je dat? De zilveren lijn tussen vasthouden en loslaten. Alles is zo moeilijk, zoals vasthouden. Houd me vast. VIIHet spijt me en bedankt. Daar draait alles om. Spijt is nu, het bedanken komt later. Alles kan bezinken. Mettertijd ligt alles onder water. Zelfs jij. VIIIAls je in mijn dagboeken kijkt, vind je raadsels. Minuten en uren heb ik fysiek gemaakt. Ik heb dromen beschreven, gedachten en gevoelens. Maar alles is gerafeld. De secondes laat ik aan jou. Je was altijd maar een seconde. IXIk heb je altijd willen toejuichen als je een doelpunt scoorde in het leven. Doe maar alsof. XIk denk dat dit grijzig omhulsel mijn echte zelf is. De donkerte, de leegte, de zwaarte. Hoeveel weegt de kleur grijs, denk je? XISpijt komt te laat, zegt men. Maar wat als het zelfde geldt voor vergeving? Wat als je bent uitgevoeld en er is niets meer? Alleen zijn is toch fijner met twee? XIIMijn laatste uur heeft geslagen. Als ik mijn eigen rechter ben, waarom kies ik voor jou en niet voor mij? In jouw boek staat een verhaal, in het mijne doedels.Ik denk terug aan de man die het water van links naar rechts schepte. Bij elke schep begon alles terug opnieuw. Waarom geldt hetzelfde niet voor ons?

Stelselmatig
69 4

De Rode Spiegel

Ik was net mijn vaders limousine ingestapt, het gedreun van het feest maakte plaats voor het gedreun in mijn hoofd. Miguel bestuurde de limo met de zachtheid van een tedere minnaar. Ik wilde hem daar best voor bedanken maar ik was te bezorgd dat ik zijn minnares onder zou kotsen. Ik had vanavond geen date gestrikt; uit onwilligheid, niet uit onkunde natuurlijk. Er deden genoeg kansen zich voor. Wel, ik denk dat ik meer gezien werd als de kans. Misschien hield ik me daarom in. Of misschien ging ik daarom net over de streep. De remedie lijkt zo hard op de ziekte dat ik het verschil niet altijd meer zie.Ik mediteerde op alles binnenhouden. Uiteindelijk werden de kotsweeën echter zo verschrikkelijk dat ik Miguel deed stoppen en decoreerde ik een kant van de weg met mijn uitwerpselen. Een maand geleden zou hij nog komen kijken. Dit was echter Miguels nieuwe normaal geworden. Ik veegde mijn mond met het puntje van mijn shirt. Zo, daar stond ik dan, rillend van de koude als een lekgeprikte ballon. In de verte blafte een hond, dat bracht me uit mijn dronken mijmeringen. Ik haalde mijn mobiel uit, alleen zat zijn was saai en verdrietig. Een mail dat door de mazen van de spamfilter geraakt was. Beste Prins, Ik hoop dat ik je e-mailadres goed heb onthouden. Ik blijf maar denken aan die ontmoeting in het bos. De smalle straten langs de velden die we in je oude jaguar trotseerden. Het had nooit mogen zijn, en toch. Die kus… ik wil meer, Prins. Ik moet weten wie je bent. Vreemd dat je mij je telefoonnummer niet gaf, of je naam. Ik probeer een goede reden te vinden, maar het enige dat ik bedenken kan is dat het voor jou niets betekende. Misschien doe je dat wel vaker met meisjes. Gewoon iets en dan niets meer. Er is lawaai op de flat boven me. Ik hoor mensen ruzie maken, een man roept luid keer op keer ‘waarom’. Ik haat het hier. Ik heb je toch gezegd waar ik woon? Hier moet je je gevoel uitschakelen en nergens iets van aantrekken. Dat wil ik niet. We kunnen elkaar terug in het bos ontmoeten, denk erover na. Alsjeblieft. Je prinses Wat een lang bericht, dacht ik bij mezelf maar verder dacht ik niets. De wijn beukte nog steeds aardig in op mijn hersenen. Ik had slaap nodig, geen ongemakkelijke conversaties waarin ik uitlegde dat ik niet was wie ze dacht. Ook had ik een paracetamol nodig. Grappig, bedacht ik net, hoe de zieken in de reclame nooit uitzien zoals de echte. Ik deed mijn mobiel uit en sloot mijn ogen. Bij elke bocht voelde ik me als een astronaut in de ruimte. Het gedempte licht van de straatlampen braken door mijn oogleden heen als rode vlekken van licht. Licht was een rode vlek. Katers waren een beetje mijn huisdier geworden, grapte ik wel eens. Koffie, water en douches waren mijn rituelen. Ik droogde net mijn haren toen mijn mobiel trilde. Een email, natuurlijk onze prinses. Die herinnering voelde aan als een moeilijke gitaarakkoord dat je al heel lang niet meer gebruikt hebt. Ik herlas het bericht van gisteren, toen die van vandaag. Beste Prins, Ik wacht nog steeds koppig op een antwoord. Ik accepteer niet dat je me in de kou laat staan. Ik moet iets van je horen. Ik heb je nodig. Ja, ik weet hoe dat klinkt - The needy girlfriend -. Misschien heb je bang dat ik je algauw zal stalken. Misschien ben je bang dat ik zal neuzen in je verleden. Licht zal schijnen op de donkerste bladzijdes van je dagboek. Maar probeer het te zien van mijn kant: ik ben altijd alleen. Ik heb niets anders te doen dan te dromen. Sommigen zijn bang van dromen, maar die mensen doen het verkeerd. Ze dromen niet ver genoeg weg.Gisteren zag ik een schilderij. -Op het internet natuurlijk, maar toch- Ik herkende mezelf er zo enorm in. Ik ben er niet goed van. Ik wil je nog duizend dingen zeggen, maar vooral; vergeet me niet. Ik wil niet praten tegen een spiegel, ik wil praten tegen jou. Ik wil niet luisteren naar een album, ik wil luisteren naar jou. Een droom dat terugpraat. Ik kan je alles geven.Vergeet me niet, Je prinses P.S. de schilderij is getiteld Morning Sun van Edward Hopper. Ik had er genoeg van. Mijn vingers roffelden over het scherm. Ik moest pijn doen. Als je vuur probeert aan te raken, doet dat ook pijn. Geef je de schuld aan de vlammen als je je verbrand?Ik dacht aan de roze vibrator dat op me wachtte in de onderste la. Maar eerst nog even dit. Beste prinses of wie dan ook. Je “Prins” loog tegen je. Dit adres is niet eens van hem. Je wil dromen? Wel droom dan lekker verder, je gaat nooit ergens komen op die manier. Dit kan misschien hard klinken, maar het is zo. Mannen zijn dom en kort van zicht. Je moet wakker worden. Er zijn geen prinsen en prinsessen. We hebben verdomme ministers en een regering, dat is ongeveer even romantisch als de wc aan het station gebruiken.Naïeve trut, wake the fuck up en doe verdomme iets met je leven.Ik schaam me voor je, Melissa  

Stelselmatig
9 0

koken als dansen

‘Weet je waarom niet iedereen wil koken?’ Hij veegde zijn handen af aan zijn schort, en begon een kipfilet in blokken te snijden. ‘Het zijn de stakes.’ Chef Chaumond had altijd wel iets te zeggen. Ik spoelde de geschilde aardappelen. De muts zat nog altijd ongemakkelijk op mijn hoofd. Mijn schort plekte. Koken was dansen, dat was het altijd al geweest.Zand en zetmeel in een kakofonie van andere geuren. Ik snoof het allemaal op en vroeg,‘Wat bedoel je met stakes?’‘Ik bedoel, jongen.’ Hij leek zich even te concentreren zijn werk. Zijn handen waren gaaf en proper en dansten met het mes en het vlees. Alles danste, dat was altijd zo geweest. Toen sprak hij. ‘Met stakes bedoel ik de inzet. Zoals in een pokerwedstrijd. De stakes zijn je chips, dus je geld. En als je verliest, dan verlies je je geld. Dat is hetzelfde met de kookkunst.’Hij gooide de kippenblokjes in de pan en kapte er honing over. Met zijn rechterhand liet hij de kip dansen, tot elke kant goudbruin zag.‘Wat is dan je inzet, chef?’ vroeg ik automatisch terwijl een aardappel uitgleed en terug in de pot met water viel. ‘Ah, wat je kookt natuurlijk.’ Soms sprak ik sneller dan mijn hoofd. Chef Chaumond gromde,‘Inderdaad, je inzet zijn je ingrediënten, je tijd en je moeite. Als je faalt, met andere woorden, iets vies bijeen tovert, wat doe je dan?’Ik stampte de patat fijn en greep naar de peper en nootmuscaat. ‘Zeg het maar, chef.’‘Dan eet je of iets vies, of gooi je alles weg. Dat zijn dan de stakes.’Ik had een ingeving. ‘Dat is niet erg, chef. We hebben ook pannenwassers nodig.’Chef Chaumond lachte. Hij kon dansend lachen.

Stelselmatig
0 0

Voor de kleine groten

In de twaalf jaar dat ik mijn ouders gehuwd heb gekend, heb ik ze nooit jaloers gezien. Ik weet niet of het een overvloed, dan wel een schaarste aan liefde was.Mijn ouders waren geen reizigers; ze leefden op een uitgesleten piste die ze rondgingen als afgeleefde lastdieren. De één torste ego mee, de andere angsten. Beiden noemden het rede. Toen wist ik nog niet dat rede altijd acheraf kwam. Volwassenen kunnen namelijk alles uitleggen, vooral aan zichzelf.Het huwelijk kende problemen, zeker. Maar geen problemen die achteraf pas helder werden. Er was geen geweld, geen alcohol of overspel. Er was wat er altijd was, onrust.Onrust is een evolutie. Onrust is honger in de nacht. Onrust is een kettingbotsing van wegkijken. Mijn ouders waren bang van vele dingen, zoals volwassenen wel vaker zijn. Je moet ze niet te veel toevertrouwen. Ik heb ze bijvoorbeeld nooit gezegd dat ik gepest werd , dat kunnen ze niet aan.Kinderen snappen dat veel beter. Volwassenen zijn als kinderen, ze kunnen het gewoon beter verstoppen.Achteraf, als de storm lijkt te liggen (als een rotweiler, sluimerend achter een hek) merken ze het; je kunt niet op vakantie gaan zonder jezelf mee te nemen.Ze pijnigen anderen om niet altijd het slachtoffer te spelen. Want ego en angsten brengen ego en angsten. De ziekte zit namelijk in de remedie.Ze willen dat wij, kinderen, opgroeien. Maar wat ze niet beseffen is dat we niet opgroeien, maar afgroeien, als het waar. We spreken onszelf toe zoals we aangesproken worden. En wij willen niets meer dan liefde in ons eeuwig huwelijk met de volwassenen. Tot ook wij de zekerheid van onze gebroken kindertijd missen als het mes waarmee we ons snijden. De wind blaast het zand over de ruïnes van onze herinneringen. Ons bewustzijn is een woestijn.Kinderen zijn als volwassenen, denk ik dan. Ze kunnen het gewoon beter verstopen.

Stelselmatig
8 1

een sprookje

Er was eens een trol dat heel onzeker was. En wat hij het allermeest wou, was gelijk hebben en het recht hebben om kwaad te zijn. Hij voelde zich verongelijkt en wandelde door zijn kleine hol, op zoek naar een antwoord. Toen hij het antwoord niet kon bedenken besloot hij naar het trollendorp te gaan en rond te vragen. Net als hij drie stappen voorbij zijn deur had gezet, trapte hij per ongeluk op een mier.‘Au!’ riep de mier. ‘Goh, die grote trollen toch altijd!’ De mier schudde met zijn vuist en waggelde verder. Toen wist de trol het antwoord op zijn vraag. Hij verzon listen en manieren zodat hij, net als de mier, slachtoffer kon zijn. Zo liet hij de deur van zijn huisje open in de nacht, veel werd gestolen.‘Waarom laat je je deur dan open?’ vroegen de andere trollen.‘Ja, maar dat keurt diefstal toch niet goed?’ zei de onzekere trol.Dan verkocht de trol zijn huisje voor veel te weinig kaboutergoud.‘Waarom doe je je huis zo goedkoop weg?’ vroegen de trollen.‘De koper mocht zelf een prijs kiezen. Hij koos om oneerlijk te zijn.’Nadat hij dat gedaan had, ging hij in het midden van het dorp en gaf hij het beetje geld dat hij had weg. Na een kwartier had hij helemaal niets meer.‘Waarom geef je alles weg?’ vroegen de trollen.‘Omdat jullie het aannemen.’Toen had hij niets meer en wachtte hij op hulp. Maar niemand schoot hem te hulp. Waarom helpt niemand mij, vroeg de trol zich nijdig af.Toch was hij ergens ook hardnekkig tevreden. Hij had het bewezen, de andere trollen waren slecht. Vanaf die dag sprak hij over de trollen als ‘Zij’ en hij voelde zich tevreden. Hij leefde nog lang en moreel superieur maar nooit echt gelukkig.

Stelselmatig
13 0

De Week: Vrijdag

Vrijdag Vrijdag is ook maar een dag. Neem een verlengd weekend en zie hoe een donderdag zich transformeert naar een vrijdag. Of een dinsdag naar een maandag. Woensdag verlof vragen, is naar mijn mening iets voor sociopaten en bazen. Of Mozes. Het weekend loert om de hoek met roodomrande ogen als een monster met duistere bedoelingen. Geen engel met een aureool en witte vleugels maar een duivel met hoorns en een staart.De gewone man's beste vriend is mijn vijand. Waarom? Waarom niet? Het weekend is ademhalen terwijl je verloren gaat tussen de golven, het helpt in het hier en nu maar je gaat ten onder. Het weekend is zoiets. Iets om je te herinneren dat je teloor gaat. Ik ben slecht in weekends. Ik zoek mijn betekenis tussen duistere youtube videos en godvergeten online fora. Ik besta niet op weekends. Ze zit op haar vaste plek, zoals altijd. (Want dat is de betekenis van een vaste plek.) Het enige dat hier ooit verandert is de datum. Elke dag is een ander nummer, meer niet. Zoals alles nummers zijn. Mijn werk bestaat uit nummers, voor mensen die denken dat ze iets doen. We kopen om alles gemakkelijker te maken, en maken zo alles oneindig veel moeilijker. Elk stukje plastiek verdwijnt uit ons gezicht en verschijnt in de zee, verdomme. Ik ben mezelf niet vandaag. Ik ben nooit mezelf, hoe kan ik mezelf zijn als ik niet weet wie ik ben? Waarom worden de belangrijke dingen niet geleerd op school? Alles lijkt een afleiding. De slimmeriken, zij die het spel snappen, zijn vrij. De rest van ons werkt voor dromen die nooit de onze zouden zijn. Mijn werk zorgt ervoor dat iemand een bos kan platgooien voor zijn villa. Omdat hij graag in de natuur woont, nota bene. Hoe kan ik mezelf niet als een slachtoffer voelen van de maatschappij? Als je een website opent, moet je akkoord gaan met de voorwaarden. Als je wordt geboren heb je niets te kiezen. En zij, zij staart maar met een lege blik naar haar nieuwe scherm. Zij is het waard. Zij is het waard te redden. Mona Lisa. Mona Lisa. Mona Lisa. Wordt alsjeblieft wakker. Wil meer. Wil meer van alles, behalve van minder. Ze speelt met haar pen. Een lok haren zit aan het haakje, ze draait de pen rond en rond. Nu heeft ze een gekrulde lok haar. Ik wou dat ik de pen was. Een stukje plastiek, metaal en inkt. Ze neemt me vast en schrijft krullerige letters op een blad. Ik moet iets doen, maakt niet uit wat. Gewoon iets. In films gebeurt er altijd iets waardoor de bal gaan rollen. Elke film begint als een gewone sul leeft zijn dagdagelijkse beslommeringen. Dan gebeurt er iets en alles verandert. Ik kijk rond maar er is niets dan me doet denken. Denken wordt sterk afgeraden, waarom zouden we het anders zo weinig doen. En als we wel veel nadenken, waarom is het dan dit geworden? Ik sta op en ga naar de koffiemachine. Mijn eigen avontuur. Voorbij de Bureaubergen. Langs de Mona Lisa. Naar mijn doel, de watervallen van koffie. Het raadsel van de koffiemachine ontrafelen. Ik mompel, 'De waarheid zit in jezelf,' en lach. Mona voelt zich bekeken of zoiets. Ze verzet zich en focus zich terug op haar werk. Het is warm vandaag, de ramen lijken wel een vergrootglas. Een God kijkt naar haar mieren en vraagt zich dingen af. Het is warmer dan ooit. Bruine drek loopt uit een sissende rioolbuis. De beeldspraak is bijna zo walgelijk als de koffie zelf. Waarom drink ik iets heets in de hitte? Mijn onderbroek plakt, op plaatsen die liever duister en onontdekt blijven. Stop met denken, verdomme! Conclusies zijn gedachten die je afmaakt en denkt te begrijpen. Gebeurtenissen die je rondmaalt in gedachten totdat je de essentie hebt gedistilleerd. Een uitgepuurde idee. Maar hoe weet ik het verschil tussen teloorgang en vooruitgang? Het avontuur naar de koffiemachine leverde meer vragen op dan antwoorden. Ik zit op mijn stoel en open een project dat al twee dagen geleden af moest zijn. Ik werk. Ik moet geloven dat ik werk, anders ben ik gek hier te zijn. De week zit er bijna op, de klok tikt traag haar laatste relevante seconden. Iedereen staart gefixeerd naar de klok. Ook Mona. Haar handtas zit op haar schoot. Ik ben bang. Bang van de betekenisloosheid van vrije tijd. Wachten moet ik. Waarvoor? Wat als de bel het moment van actie is? Het moment dat mijn verhaal begint. Mijn leven is een biografie dat niemand wil lezen. Een proloog van een lang, saai boek. Wellicht ben ik een tweedimensionaal personage uit een slechte serie. Een figurant uit Mona's leven. Wat zal zij doen dit weekend? Gaat ze een orgasme hebben? Iets lekker ruiken? Hard en gevaarlijk rijden, zodat ze zich levend voelt? (fuck de konijnen) De bel gaat, en net als een startschot voor de paralympics, stuiven ze weg. Sommige nemen de lift, anderen de trap. Ik staar ze na. De koffie is koud geworden. Ik heb geen woord uitgesproken vandaag en vraag me af of mijn stem het nog doet. Wellicht klinkt het als een oude diesel in de winter. Ik neem de koffie vast en plaats het voor Mona's toetsenbord. Een raadsel voor maandagochtend. Als de poetsvrouw het niet weggooit. Mona, ik moet iets voor je doen. Iets dat niemand anders durft. Je zal geen boek over me schrijven, maar misschien wel dankbaar zijn. Zoals een kind dankbaar is als zijn vader de alimentatie betaalt tussen zijn escapades door. Ik passeer de stervende planten en druk op de knop van de lift. Hij arriveert een paar seconden later. Als het opent staat er een man in de lift. Hij heeft verward haar en verwarde ogen. Een grijze das en een witte hemd en een stoppelbaard. We gaan samen naar de bodem. Maar als hij uitstapt blijf ik staan in de lift. Ik klik op de knop 6, de bovenste verdieping. De deur gaat open. Links van me is er een trap met een bord genaamd Nooduitgang. Exact wat ik nodig heb. Een uitweg. Ik open de deur en ga de trappen op. De laatste verdieping. Een koele bries wacht me op en voor een ogenblik sluit ik mijn ogen, genietend van de hitte van de zon. Mijn schoenzolen knerpen op de bruine kiezels. Onder me loopt de parking leeg, als een barst in een dam. Mona's auto staat klaar om de weg op te rijden. Ze draait weg en verdwijnt. Ze gaat me nooit kennen, denk ik. Nooit weten wie ik ben, of waarom. 'Goeiemorgen, overmorgen en alle dagen daarna Mona.’ Ze hoort me niet. Waarom zou ze ook?    Ik heb bang van de afgrond. Er zit altijd iets in me dat wil springen, een deel van me dat ik vrees en ontken. Toch zou het ook grappig zijn moest ik mijn eigen auto verpulveren. Bestaat daar een verzekeringsclausule voor? Als iemand de hel bezit, zijn het wel bankiers en verzekeraars. Misschien is dit het enige betekenisvolle dat ik ooit kan doen. Het enige dat me menselijk maakt is mijn sterfelijkheid. Ik stel me voor hoe Mona naar haar collega's stapt en vraagt waarom? Waarom? Ik vraag me af of ik dood ben, en dit de hel is. Of een droom waarin je niet kan ontwaken op de gewone manier. Toch is het hoog. Een meter van de rand beangstigt de duizeligheid me. Is het zelfbehoud of het omgekeerde, dat ik hier sta te kijken? Misschien is vallen net zoiets als wakker worden. En ik slaap al te lang. Ik nader de rand alsof het een dolle hond is. Het duizelt me. Een wind komt aanzetten en blaast me zijwaarts. Ik deins achteruit. 'Als dit een sein was, dan is het de stomste ooit,' fluister ik naar de wind. 'Blaas me vooruit of achteruit, maar verdomme geen zijwaartse onzin!' Mijn keel voelt rauw aan, het schuurt. Maar ik kan niet slikken. Als bij goddelijke interventie valt de wind still. Het lijkt alsof de wolken hun adem inhouden Dit is mijn beslissing, denk ik. Dit is mijn keuze. Mijn leven, geleid door mij. Dit is hoe vrijheid proeft. Ik strek mijn armen en sluit mijn ogen. Dit is het dan. Dit is mijn hoofdstuk dat ik aan stukken scheur. Waarom wachten op een uitvlucht, en niet gaan voor de vlucht? Nu! Nee, wacht. Nog niet. Toch niet. Jawel nu. Nu, verdomme. Nu of nooit. Nu.Nu.Nu dan. Nu? Nu. Nu! Ik strek mijn armen, en vlieg. De wind giert in mijn oren, ik krijg geen lucht binnen. Mijn hart heeft nog nooit zo snel geslaan. De adrenaline. De stress. De wind in mijn oren. De gewichtloosheid. De berusting. De stilte. De echtheid. Niets is zo levend als doodgaan. Weg met de klok. Niet je geld sparen en het wijs besteden, maar alles uitgeven in een keer. Een keer. Meer heb ik niet nodig. Niets anders dan nu. Nu. Nu.

Stelselmatig
0 0

De Week: Donderdag

Donderdag Ik haat donderdagen. Ik herinner me niet eens zo goed meer waarom. Ik weet dat ik ooit eens een klote donderdag heb gehad. Sinds die dag haat ik alle Donderdagen. Zo ben ik toch nog een man van traditie.  Altijd op tijd, behalve vandaag. Dat is mijn motto. Ik stap uit en ren naar de deur. Terwijl ik loop, kom ik voorbij parkings waar aan beide kanten een auto op de lijn geparkeerd staat. Wordt ik ooit een dictator, dan is dat de doodstraf. Niemand mag zich ooit nog egoïstisch parkeren. Behalve Mona, natuurlijk. Ik storm naar binnen. Een beetje zoals een ridder het kasteel van de draak bestormt. Mona zit op de bovenste verdieping van de hoogste toren. Ik neem wel de lift, uit gemakzucht. Er wordt neergekeken op zure lucht en zweetplekken. Doornroosje werd ooit wakker en zei,’ als een draak verslaan zo gemakkelijk is, kon je in een nachtwinkel wel een pastille kopen.’ De prins droop af en werd alcoholieker, hij stierf aan een meteoorinslag. Niets te maken met zijn slechte lever of eenzaamheid. Ik plof op mijn stoel en bedenk waar de draken zitten, tot ik Mona hoor zuchten. Ik probeer te zien wat er scheelt. Ik scan haar als een killer robot zou doen in een film. Ze ziet er goed uit, evenveel make-up als altijd. Haar ogen zijn niet waterig, haar lippen rood zoals altijd. Het moet op weg naar het werk gebeurd zijn. Was het die vleermuis van een IT'er, of heeft ze slecht nieuws gehad? Misschien heeft ze een konijn omver gemaaid. Of een hele familie konijnen. Met fluorescerende vesten. Die keurig over staken aan een verkeerslicht. Ze was gehaast en reed door rood, net een seconde te laat merkte ze de konijnen op. Bam, gedaan. Allemaal dood. Ach, Aurélie. Wat boeit een familie konijnen omver rijden. Je auto verstikt dagelijk mensen en dieren met haar giftige gassen. Is het minder erg omdat we dat collectief doen? Waar denk je dat je afval naartoe gaat? Je weggesmeten kleren? Alles wat je hebt, maakt de wereld een beetje kapot. Het verschil tussen actief iemand doodslaan en passief vergiftigen is maar een idee in je hoofd. Je ego weet altijd alles zeker. Godver, mijn stomme gedachtengang. Ik moet stoppen met nadenken en wel meteen.  De koffie, bedenk ik. Ik breng haar nu de koffie die ze altijd neemt. Zwart, zonder suiker. Ik sta op en ga naar de koffiemachine.  Dan druk ik de geheime combinatie in en wacht als de machine zwarte teer in een plastic beker spuwt. Poedersuiker, poederkoffie, poedermelk, poederwater als het bestond. (Waarmee leng je dat dan weer?) De koffie is klaar en ik neem de beker vast aan de bovenrand, dat minder warm is. Ik zie haar werken achter haar scherm. Mona Lisa heeft een job als iedereen. En wat er er scheelt weet zij alleen. Ik moet de beker gewoon voor haar neerzetten. 'Gaat het?' vragen en zien hoe ze haar hart opent als een blauwe lelie haar hart voor de zon. Mijn Mona. Ik kijk haar aan, draai me naar Mona toe maar mijn benen lopen door. Ik ga zitten in mijn stoel, met koffie dat voor mij ondrinkbaar is. 'Sukkel' galmt in mijn hersenpan. Ik heb een interne gong en die maakt een 'sukkel' geluid. De sukkel gong. Daar sla ik nu op, honderd maal per seconde. Sukkel, sukkel, sukkel. Mijn hoofd, een tempel voor sukkels. Ik ben monnik Sukkelkop en mediteer het sukkel zijn.  Het is half tien en ik voel een paar ogen in mijn rug priemen. Ik open Exel, bang dat de baas eindelijk door heeft dat ik hier niets doe. Een lichte zweet breekt uit, als ik meer en meer documenten open en doe alsof ik werk. Het zou te verdacht zijn als ik me omdraaide. Nee, ik moet normaal doen, en werken. Werken is normaal op de werkvloer. Plots valt het scherm van Mona om. Het botst tegen de mijne en ook de mijne valt om, de koude koffie valt over mijn toetsenbord, en spat op mijn hemd. Verschrikt besef ik dat alle aandacht plots hier gevestigd is. 'Het spijt me!' roept Mona, mijn Mona luidkeels. Ze kan me niet langer negeren, want ik ben het slachtoffer! Yes! 'Is okee,' zeg ik. Wat zoveel betekent als; 'Godverdomme! Mens, kijk uit!' Maar nooit tegen haar. Ze mag me elke dag onder spoelen, en dat bedoel ik niet vies. Anders had ik wel onderspuiten gezegd. Ze haalt een zakdoek tevoorschijn en staat op. Voor ik het goed en wel besef staat ze voor me en dept de koffie op het toetsenbord en de tafel. Even heb ik een prachtig zicht op haar balkon, en ik denk; O Julia, ik ben het. Romeo. Ik neem je mee voor een rodeo. 'Sorry! Is alles okee?' vraagt ze. Ik duw het scherm terug recht en prul wat aan de kabels achterin. Het beeld verschijnt terug en toont de lege documenten. (ach, dat was al zo) 'Prima hoor,' Zeg ik en ik probeer het toetsenbord uit. Minder geluk daar, enkele knoppen reageren niet meer. 'Maar deze jongen heeft minder geluk gehad, vrees ik.' Door al de koffiegeur ruik ik haar niet eens en mijn hemd is verbrod voor vandaag. Ik bedenk me ineens dat er een meeting is vandaag. Geen tuning meeting op de parking, maar in een bureau voor de rijkere Johnny's. Een kwartier later staat de man van IT bij ons, hij kijkt haar scherm na. Hij koppelt het los en draagt het weg. Ook neemt hij mijn oude ongebruikte toetsenbord mee.  Zonder dat scherm zie ik haar vanuit mijn ooghoeken. Daarom geniet ik van het moment en kijk zoveel ik kan. Ze is zo puur. Ik zie haar en bedenk dat ze het perfecte balans is tussen het comfortabele en exotische. Ze is de plastieke zwembad in de tuin, maar ook de jacuzzi in een verwenoord. Ze is de vrouw die je opwacht na het werk en de vakantielief die je leert kennen op het strand. Ze is een zelfgemaakte chocoladepudding op de zetel, of macarons in een sterrenzaak. Mijn Mona is het allemaal, helemaal. Zacht maar niet breekbaar. Slank maar niet in hongerstaking. Teder maar niet verlegen. Ze keek in tien minuten, twee maal naar mijn hemd (dat betekend naar mij.) Wie zou denken dat donderdag wel eens beter zou zijn dan een woensdag? Het is half elf, en de IT'er verschijnt met een splinternieuw scherm en toetsenbord. Het nieuwe scherm is groter dan het vorige. Ik bedenk hoeveel centimeter naar rechts leunen erbij komt om haar te zien. Na tien minuten is het scherm geplaatst. Ze bedankt de IT'er en hij verdwijnt weer van mijn toneel. Tijdens de gehele pauze zit ik op het toilet en overdenk ik mijn job, het weer, waarom vogels vaker op lichte auto's poepen dan donkere en wat mijn Mona denkt van de IT man. Het voelt weer aan als het laagste punt van de week. Die IT'er is interessant, sociaal, fikst dingen en draagt een jeans. Ik daarentegen heb een vuile hemd, een saai leven en zit de hele pauze met mijn blote billen op de pot. Ik zou een blog kunnen beginnen over mijn drollen. Een strontwaarzegger worden ofzo.  'Beste man, ik vrees dat u niet lang meer hebt.' 'Hoe weet u dat, o waarzegger?' 'Omdat er bloed uit uw anus komt, beste man. Dat, en uw endeldarm is net in de pot gevallen.' Ik moet iets doen maar ik weet niet wat. Ik weet alleen waarom. Als ik niets doe, word ik gek. Ik ga een maatpak bestellen, gemaakt van een dure stof als alpaca wol of zo. Iets beter dan jeans. Ik kan elke dag een bloem bestellen en die hier laten leveren voor Aurélie. Op het kaartje schrijf ik 'voor Mona, mijn liefste Mona'. Mijn vuile hemd bracht Mona en de IT kerel dichterbij. Terwijl ik aan de kantlijn sta met vuile kleren, spelen zij voetbal. Ik wil verdomme ook eens scoren. Mijn been begint in slaap te vallen. Tijd om van de pot af te gaan. Het is half twee en ik zit in vergadering met iedereen op deze vloer. Ik voel me meer dan ooit verlaten. Mama giraf heeft na de bevalling haar nek gebroken en baby giraf, oftewel ik, blijf alleen achter. Ik moet stuntelen met veel te lange poten, een nek al zo hoog dat ik mijn eigen poten niet meer kan onderscheiden en de vloer is van ijs. Ik wordt weggestopt aan een hoek van de tafel en ik doe alsof ik luister. Dat is mijn echte job. Doen alsof ik werk en doen alsof ik luister. Ik zou eigenlijk om opslag moeten vragen omdat ik er zo goed in geworden ben. Als ik een propere hemd droeg, tenminste.   'Baas, ik wil opslag.' 'Maar je doet niks,' zegt de baas. 'Akkoord, maar ik doe het wel op zo een manier, dat het een opslag verdient. Of tenminste een bedrijfswagen, doe maar een BMW of iets met driehonderd PK en achterwielaandrijving.' 'Pardon, je wil een auto? Je krijgt de oude bestelwagen waarin de mannen van IT hardware verhuizen.' 'Ook goed, want dat is stiekem een Transformer. Ik heb die mannen het zelf in elkaar zien zetten,' zeg ik. 'Wat? Ik kan je toch geen Transformer geven? Die heb ik zelf niet eens!'  'Wat heb je dan wel?' vraag ik. 'Een BMW. Okee, al goed. U krijgt mijn BMW. Ik neem de Transformer wel.' 'Dank u.' Het is drie uur en het eind is nog steeds niet aangebroken.  Mijn Mona kijkt geïnteresseerd en speelt met haar pen. Haar ogen waar ik nog steeds niet uit ben welke kleur ze eigenlijk hebben, staren naar een grijs kostuum. Ze is in het blauw vandaag. In feite is ze altijd in het blauw, zoals de blauwe Powerranger altijd in het blauw is.  Ze is mooi, zo mooi. Haar kleine oorbellen, haar fijne handen. Ik ben triest, zo triest dat iemand als Aurélie moet werken in zo een plaats als deze. Dit is een menselijke legbatterij en we moeten allemaal dezelfde eieren leggen. En een keer per week vergaderen we over de eieren die we leggen. En tegelijk lopen we op eieren en heeft de opperhaan soms een eitje met ons te pellen. Een eitje van een cent. Ik ben een kaasrasp bij een familie lactose intoleranten. Ik ben een flitspaal op een afgesloten stuk straat. Ik ben een boot in de woestijn. Ik ben een figurant dat vergeten is de set af te gaan, terwijl iedereen lang naar huis is. Maar Aurélie blijft de ster, de Mona Lisa. En ze is mooi, zo mooi.  

Stelselmatig
0 0

De Week: Woensdag

Woensdag Woensdagen zijn altijd emotioneel. Je bent in het eerste deel van de week in de ochtend, en in het de tweede deel na de middag. De pauze splijt de week in twee zoals Mozes met de zee deed. Alleen probeer je niet zo snel mogelijk naar de overkant te lopen. Ik zit in mijn auto en moet uitstappen, anders telt 'naar je werk gaan' niet. (Het is als Monopoly spelen, je moet langs start.) Wagens komen toe gereden, mensen stappen haastig uit en gaan naar binnen. Ik zie vrouwen in nette kledij en mooie schoenen, met ordelijke kapsels en te veel armbanden. Ik zie mannen met donkere pakken, stropdassen en kortgeknipte kapsels die nog even kijken op hun dure horloges. Iedereen draagt dingen die geen nut hebben, omdat ze mooi zouden zijn. Omdat de arme op de rijken willen lijken, maar de rijken niet op de armen. Zo gaat de mode  Waarom denkt de hele wereld dat nutteloze dingen het mooiste zijn? Iedereen wil mooi zijn. Maar bijna niemand is mooi, behalve Mona Lisa. Ik zie iedereen de parking op komen, behalve mijn Aurélie. Ik was van plan te doen alsof ik wat later aankwam, zodat ik met haar mee kon lopen. 'Goeiemorgen, overmorgen en alle dagen daarna, Aurélie. Alles kits?'  'Hey, goeiemorgen. Gaat wel, ik ben wat laat door al dat verkeer,' zegt ze terwijl ze de deur binnenloopt die ik voor haar open hou. 'Geen zorgen, dat ben ik al jaren, nooit last mee gehad. Ik ben zelfs een week niet komen opdagen,' grap ik. Ze lacht helder als een waterval uit een sprookje. Het geluid vult de batterij van mijn hart.  'En wat zeiden ze toen je terugkwam?' vraagt ze. 'Verkeer hè. Ik zat in een monsterfile en de politie had een paar dagen nodig om het monster te verslaan, omdat elke keer als ze dichtbij kwamen, enorme filegolven ze terug wegspoelden.' Dan lacht ze luid en kust me op mijn wang. 'Met jou wil ik in elke file zitten.'  Negen uur dertig. Ik stap uit de auto en snelwandel naar de draaideur, dan druk ik op de knop voor een lift op te roepen. Er volgt een luide bing en de liftdeur opent zich. Er staat al een grijs kostuum in de lift. 'Verdieping?' vraagt hij. 'Ik verdiep me in de mysteries van de liefde en haar zeven hellen,' mompel ik. Hij kijkt me vragend aan, 'Pardon?' ‘Twee.' Ik durfde niet langer wachten. Hoe bang ben ik voor de man met de zweep? We kijken naar dierendocumentaires, en vergeten dat we naar onszelf aan het kijken zijn. De man drukt op de knop en de lift schiet in actie. Eens op het tweede verdieping aangekomen stap ik uit en snelwandel naar mijn bureau. De man gaat verder omhoog. De smalle doorgang splijt de lange hal in twee. Het plafond is zo laag dat het de bazen weghoudt. -Hun ego's zouden zich moeten bukken, en zoiets doet niemand.- Ik kan de vlekken tellen op de bruine, stoffige panelen.  De vloer van diarree-kleurige linoleum. Ramen die enkel aan de buitenkant gewassen worden. Acht uur per dag is dit mijn gevangenis. Je moet hier wel werken om niet gek te worden. Te laat, denk ik dan. Ik passeer Mona’s lege stoel en plof neer op mijn zetel. Ik zet het scherm aan en kijk rond. Niemand lijkt te merken dat ik een paar minuten te laat ben. Vroeger was je toch cool als je te laat kwam? Zou iemand het merken als ik naakt zou zijn? Ik heb vaak van die gedachtes. Wat als ik nu iemand op zijn bek zou slaan, hoe zouden de mensen reageren? Of zou iedereen doorwerken, inclusief de arme stakker die ik een bloedneus bezorg? In de namiddag gebeurt allicht het meest memorabele van heel de week. Een beker koffie valt om en een vrouw verschrikt zoals enkel vrouwen dat kunnen. Onmiddellijk staat een ander recht met een zakdoek. Sierlijk knielt ze en veegt ze de troep weg. Dan wast ze haar handen aan de lavabo langs de koffiemachine. Ik adem diep in, sta op en ga voor een koffie. Terwijl ik dat doe, komt Mona binnen gewandeld. Like she was walking on to a yacht. 'Excuseer,' zeg ik tegen Mona, mijn Mona als ik haar passeer.  Voor een halve seconde ruik ik haar. Mona's mooie blonde haar dat naar abrikoos en zoetigheden ruikt. Mijn hart klopt alsof het me naar haar toe wil kloppen. Hij ramt zich tegen mijn ribben als een gevangene tegen de tralies van zijn cel. Ik wacht voor de machine terwijl het zijn zwarte drab, gemengd met melk en suiker in een beker spuugt. Ondertussen kijk ik haar stiekem aan.  ‘Je bent wat later vandaag?’ vraagt iemand waarvan ik de naam nooit heb onthouden. Aurélie vertelt dat ze naar de garage moest gaan, ze was in panne. Italiaanse auto’s werken zo hard als het volk dat ze maakt. Ik zou een prima Italiaan kunnen zijn. Belissimo. Pronto. Una bierra! Wat een saaie gesprekken. Vertel me je fantasies en bedgeheimen. Vertel me je dromen. Zwijg over het weer of roddels of gebeurtenissen die je toch niet begrijpt. Hou je mening voor je, vertel me waar je aan denkt, al geloof je niet in wat je zelf denkt. Iedereen probeert altijd logisch te zijn. Verdom de logica, slim proberen doen maakt je zielig, niet slim.  De rest van de tijd doe ik alsof ik iets doe.  Het was precies drie uur, toen ik het laatst naar de klok keek. Ik besluit nog eens te kijken, omdat het lang geleden aanvoelt. Twee na drie. Verdomme. De tijd rolt als een auto in de modder en rijdt zich bijna vast in deze zompige moeras van goedkoop werkvolk. We kijken soms wat neer op arbeiders, meer uit schuldgevoel bedenk ik me. Zij doen tenminste nog iets. Ons ego is het enige dat het toneel draaiend houdt. Ik googel iets over Frans beddengoed in de zeventiende eeuw. Het is vrij zinloos, maar minder zinloos als hier zitten en de kans hebben het op te zoeken. Ik haal mijn portefeuille uit. Daarin zitten de winnende lottonummers sinds 1998. Als ik ooit terug in de tijd gestuurd wordt, dan heb ik dat papiertje bij en kan ik direct op de lotto spelen. En hopen dat ik niet terecht kom in de Middeleeuwen, natuurlijk. Het zegt wel wat over me, bedenk ik nu. Dat ik nooit klaar ben voor de toekomst. Als ik wat geluk heb, ben ik vandaag klaar voor gisteren. Spijt in dingen die ik nooit doe of spijt in de dingen die ik gedaan heb. Soms vergeet ik dat alles, uiteindelijk, een keuze is. Ik moet wakker worden. De rest van de tijd lig ik met mijn hoofd op mijn handen naar een scherm te staren. Mona staat op en neemt iets warms. Ze lacht. Weet zij welke keuzes ze maakt? Of staat ze ook op automatische piloot.  Ik wacht op iets wat moet gebeuren, want iets moet gebeuren. Zo kan het niet eindeloos verdergaan. Ik denk na. Ik denk teveel na, denk ik soms. En dan stop ik daarmee, en dan vergeet ik te stoppen en begint alles opnieuw. Verkopen ze pleisters om te stoppen met na te denken? Misschien is nadenken wel dodelijker dan roken. Waarom zijn er dan geen campagnes tegen het nadenken? Op school leert niemand je nadenken. Je leert samen te spelen met de meerderheid. Bijna iedereen maakt deel uit van de meerderheid, want iedereen wil speciaal zijn. Als je echt speciaal was, was je niet in de meerderheid. En dan voelde je je eenzaam en verlangde je naar begrip. Ego's zijn een redmiddel voor een nutteloos bestaan. Zolang je daar in gelooft, gaat het nog goed. Mieren hebben geen oftewel een enorm ego. (daar moet research naar gedaan worden.) Daarom moet je solliciteren voor een job. Kijken of je mee kan spelen in het theater. Kijken of je gelooft. Kijken of ego nog steeds God is. Je krijgt de job nooit door aan te geven hoe vreemd het allemaal wel niet is.  Hoe solliciteert een dictator? Ja, ik heb ervaring in volken uitbuiten, dat verandert dan in ik ben een harde werker. Ik zal de rest van de wereld bedreigen met een atoomoorlog als het even tegenzit, dat is ik ben gedreven. Ik zal kranten bedreigen en propaganda maken, oftewel ik ben een echte teamplayer. Het is drie na vier en ik ga naar mijn auto. In de lift zit dezelfde man als deze morgen. 'Naar beneden?' vraag ik deze keer als hij na mij instapt. Hij mompelt iets wat me ontgaat.  'Pardon?' zeg ik. 'Ja.' Ineens voel ik deze verbintenis tussen ons twee. Ik snap wat hij bedoelt, ik begrijp hem want in een flits zie ik zijn hele ziel voor me, opengesperd als een boek. (In het Nederlands, nog wel.) Wij hebben een sterke band van broederliefde, klaar om de wereld te trotseren. We zijn Batman en Robin. En Robin en Batman. Samen schilderen we de Mona Lisa.

Stelselmatig
3 0

De Week: Dinsdag

Dinsdag Dinsdagen zijn zachter dan maandagen. Alsof de ergste bramen zijn weggevijld. Toch is zo een dinsdag altijd ruw en scherp. Je hebt nog steeds handschoenen nodig om het te kunnen hanteren. Ik heb nog steeds handschoenen nodig. Mona zit tegenover me en praat met een vrouwelijke collega. Ze praten luid en lachen. Over het kerstfeest van vorig jaar, het weer en de nieuwe IT'er. Ik zucht en vraag me af of ik me in het gesprek kan mengen. Dat vraag ik me al af sinds ik klein was, toen mijn moeder nog schreeuwde op mijn vader. Op school mocht ik nooit praten. Het was altijd voetbal. Elke pauze en elke turnles was het voetbal. Waarom was het voetbal? Ik speel liever badminton. Ik weet nooit of ik moet beleven of toekijken. Het ene vult me met nostalgie, het andere met eenzaamheid en omgekeerd. Moet ik supporteren voor een groep waar ik niet in geloof, of meedoen aan een spel dat ik niet wil spelen? Ik heb nooit geleerd hoe je moet samenspelen. Mensen die niet samenspelen eindigen in een instelling of een gevangenis. Het is een wonder dat ik door de mazen ben gevallen en terecht ben gekomen op een plek waar ik niet thuishoor. Deze plek is misschien toch de hel. Een trage doodsrochel dat vijfenvijftig jaar van je leven in beslag neemt. Ze keuvelen nog een kwartier en dan is Aurélie weer aan het werk. Ik neem een papiertje. Over tien minuten is het hier zo verlaten als een kerkhof om middernacht. Dan kan ik haar iets schrijven. Je bent mooi, dat past. Ik kan het plakken op haar scherm en.. en dan wat? 'Was jij het?' vraagt ze dan na de pauze. 'Ja.'  'Waarom?' 'Dat zijn de vragen, hé. Waarom? Waarom gaat de zon op en onder. Waarom graast de koe, waarom jaagt de leeuw en waarom ben jij zo mooi? Waarom ben je zo mooi dat het me pijn doet. Hier in m'n borst voel ik een druk, en elke dokter die ik heb bezocht zegt; 'ik kan u niet helpen.' Alsjeblieft, laat me je huid polijsten met mijn warme handen,' zeg ik haar. 'Tot het zijdezacht is, en helemaal van mij.' 'Oh.'  Oh. Dat is alles dat ze zegt. Ik leg mijn hart op het spoor en ze raast erover als een trein. Mijn bloed kleeft aan haar handen, en als ik ze erover aanspreek zegt ze; 'oh.' Dan zou haar collega me uitlachen en iedereen zal een prop naar me gooien. Zoveel dat ik erdoor bezwijk en pas vrij zou komen als ik ze allemaal gelezen had. Op elke prop staat wat voor een sukkel ik ben. Ik lees verder en verder, in de hoop iets te lezen van mijn Mona. Tenslotte, na honderdduizend proppen papier herken ik de hare. Ik ontfrommel het papier ten lange leste en lees het. Er staat simpelweg 'oh'. Dat alles gebeurd niet, ik neem gewoon mijn pauze als alle anderen en ga buiten zitten. Het is bewolkt en grijs, alsof het land verdrietig is. Waarom weet ik niet. En ik vraag het ook niet hardop. Dat is normaal. Voor ik het goed besef, zit ik terug op de stoel voor mijn scherm. De IT'er terug is gekomen en ergens achterin de ruimte fladdert hij rond als een vleermuis. Ik haat vleermuizen, ze zijn net zo lelijk als insecten, die weer zo lelijk zijn als spinnen. Tijdens de pauze ben ik erachter gekomen dat ik hem niet mag, en nu kan ik uitzoeken waarom. Ten eerste, zijn broek. Ten tweede, zijn gezicht. Hij ziet er te sportief uit, en niet slim genoeg voor iemand die met computers werkt. Onmogelijk kan hij een goede IT'er zijn. Ten derde - en dat is de belangrijkste reden - zijn de mensen te geïnteresseerd in hem. Hij werkt hier nog maar enkele weken, en iedereen lijkt al zijn vriend te zijn. Ik werk hier al zeven jaren. Zeven is een magisch getal. Vertel dat maar aan iemand met nog maar zeven euro op zijn bankrekening.  U bent blut, zegt u? welnee! Je hebt iets magisch dat veel anderen niet hebben. Je hebt zeven. Waarom de persoon in kwestie waarschijnlijk zegt,’ zeven? gezever!’ Ik sta op en loop naar de koffiemachine. Daar staat meneer IT computergenie. Ik loop langs hem door, neem een koffie en leun nonchalant tegen de muur. Van hier kan ik Aurélie perfect zien. Haar smalle schouders steken net boven de leuning van haar stoel uit, waar ik dankbaar voor ben. Haar vingers tokkelen over de toetsen op een bijna geile manier. Ik wou dat ik het toetsenbord was. En elke toets mijn eikel. Eens de machine uitgesputterd is neem ik mijn koffie. Dan ga ik weer zitten en kijk naar de echte eikel in de kamer. Meneer IT. Mijn laatste drie zoekresultaten zijn:   - Pyrotechniek voor brandweermannen   - Toen kwam nunquam   - Hoe overleef je de week Ik heb nooit echt opgelet op school, maar nooit het gevoel gehad dat ik iets miste. Het belangrijkste dat me ooit verteld werd was van een kerel dat inviel voor Engels. Hij zei; 'Als je niet kiest, wordt er voor jou gekozen.' Woorden die ik nooit helemaal vergat. Dat en de definitie van PR. Ik zoek nog iets op vadertje google; stukken van mensen. Het toont me niet de letterlijke zin van het woord. Het kiest in mijn plaats wat er getoont wordt. Ik mag woorden zeggen, maar ik kies de betekenis niet. De wereld is een groepspelletje, ik speel solitaire. Ik zit in mijn auto en wacht. Ik moet Aurélie nog een keer zien, anders kan ik niet naar huis toe. Ze heeft sinds kort een crèmekleurige cinquecento, dat wel past bij haar. Een rechthoekige uitlaat, mooie velgen en chrome afwerking. Het enige wat eraan mankeert ben ik. Ze stapt het glazen gebouw uit en stapt in haar auto. Ze ronkt weg van mij.

Stelselmatig
5 0

De Week: Maandag

Maandag Op maandagen zucht ik het luidst, dan weet ik niet of ik moet huilen of wenen. Neem het zekere voor het onzekere en doe beide, denk ik dan. Ik zit op een stoel aan een bureau. Voor me, de lege stoel van Aurélie. Daar achter, net boven de dubbele deur, hangt de klok dat 8:53 wijst. Ook zie ik de planten aan het eind van de gang, die dieper hangen dan de wallen onder mijn ogen en bijna net zo zwart. Mijn toetsenbord is proper, bijna precies zoals toen ik hem kreeg behalve de laag vet op de tweede rij letters. Hetzelfde geld voor al het andere apparatuur. Behalve misschien de rechtermuisknop dat heeft afgezien na lange sessies solitaire. Soms denk ik dat ik een geest ben, dat niemand ooit gemerkt heeft dat ik hier zit. Misschien ben ik dood en weet ik het zelf niet. Dat geloof ik niet, als dat zo is dan is dit de hel.  Ik neem een pen vast, speel het rond mijn vingers. Dan zet ik het op mijn pols en klik. De ijzeren top van mijn pen drukt in mijn huid. Ik haal de pen weg. Wat blijft is een perfecte cirkel met een blauwe punt in het midden. Aurélie is tenslotte aangekomen, ze heeft net een yoghurt gegeten, er hangt nog wat van in het putje van haar mond. Ze gaat zitten en haalt een kleine spiegel uit waarin ze haar gezicht bestudeerd. Ze dept het weg met een zakdoek. Dan staart ze naar het scherm en het licht in haar ogen gaat uit. Ik zou best haar spiegel kunnen zijn, bedenk ik. Ik zou alles zien en bovendien kan ik zeggen hoe mooi ze eruit ziet. Het is verbazingwekkend, hoeveel moeite ze elke ochtend steekt in haar make-up, gewoon om naar een scherm te staren. Dat zijn de momenten waarop ik alle hoop verlies. Zij, de Mona Lisa, mijn Mona Lisa. Dit, een stoffige kast waar niemand haar ooit zal zien. Het is boeken voor brandhout. Ik kijk naar de klok, tien na één. De elektronica zoemt zacht. De klok tikt loom verder. Soms vraag ik me af of de klok tijdsbesef heeft. Zoals psychiaters zelf ook naar de psychiater gaan, zo kijkt een klok naar een andere klok. Noem het getikt, maar een klok moet ook eens twijfelen. Ik steun mijn kin op mijn hand. Nu zullen ze vast denken dat ik nadenk, en nadenken is normaal, maar niet te veel. Ik besluit terug te doen alsof ik werk. Normaler dan werken op je werkplaats, bestaat niet. Het is als plassen in het toilet. Niemand stelt je de vraag; 'Wat moet je daar?'  De sociale regels moeten ten allen tijde gevolgt worden. Als iemand daar uit valt, heb je chaos. En als bazen ergens bang voor zijn, is het chaos. Daarom ziet alles er zo mistroostig uit, dat bedacht ik in de jaren van grijze arbeid. Het is gemaakt om je te breken. Het is twintig na één en ik stel me voor hoe ik me voorstel aan de vrouw van mijn leven. 'Goedemiddag, Mona,' zou ik haar zeggen. 'Mijn naam is Aurélie,' zegt ze. 'Ja, maar jij bent de Mona Lisa,' zeg ik dan. 'Mijn muze, mijn maan en sterren.' Ze bloost en kan haar lach niet bedwingen. Met haar wijsvinger draait ze haar blonde krullen rond en rond.  Ik ga nog verder. 'Je bent voor mij als het heelal voor Galilei. Het canvas voor Rubens. De taal voor Shakespeare.' Ze blijft even stil en de twijfels prikken me. Oei oei, vond ze dat wel leuk om te horen? Straks denkt ze dat ik niet normaal ben. 'Je bent beeldschoon,' fluister ik dan en ik kijk haar recht in de ogen. 'Nog nooit heeft iemand zo iets tegen me gezegd.' fluistert ze terug en ik kan haar bijna niet geloven. 'Ik zeg enkel wat ik voel, wat ik al maanden wil zeggen.. Aurélie?' 'Ja?' 'Als ik straks naar huis rij, dan denk ik aan jou. Als ik eet, denk ik aan jou. Als ik mijn pyjama aantrek en ga slapen, denk ik aan jou. Als ik dan in slaap val, droom ik van jou.' 'Waar ben je al die tijd geweest?' vraagt ze. Hehe, net voor je neus, zal ik even denken. Maar dat zeggen? Nooit. 'Ik heb geleefd met een hart van steen. Maar niet langer, Aurélie. Ik sterf liever vandaag aan een bloedend hart dan een leven te verduren dat zonder jou niet de moeite is. Want, zie je. Het zit zo,' stamel ik.  Ze merkt dat ik een zetje nodig heb. En dan doet ze iets wonderlijks, ze klimt uit haar toren en dwarrelt naar beneden als een vergeeld blad van de boom, om me te ontmoeten op gelijke voet. 'Wat probeer je te zeggen?' vraagt ze. 'Dat ik van je hou, Aurélie. Al sinds het moment dat ik je voor het eerst zag. Je maakt me zo blij en triest tegelijk, dat ik elke dag uitgeput naar huis ga.' 'Je houd van mij?' vraagt ze verbaasd, alsof dat zo vreemd is. 'Ja Aurélie, mijn Mona Lisa. Ja.' Het is bijna vier uur en ze ruimt haar spullen op, mikt haar appel recht in de vuilbak en neemt haar smartphone. Ze wacht op het eindsignaal als een voetbalteam dat drie nul voorstaat.  Aan de overkant van haar veel te grote bureau zit ik. Ik sta drie nul achter met maar drie minuten speeltijd te gaan. Misschien moet ik zorgen dat we een klein accident krijgen op de parking, iets waarbij zij in fout is. Dan moet ze me wel erkennen, denk ik. Ik stel me voor hoe we dat verhaal jaren later delen met onze vrienden, ouders en kinderen. Ze zullen lachen en Aurélie kijkt dan grijnzend weg en speelt weer met haar blonde krullen. Maar ik doe niets. Ik doe altijd niets. Oftewel, nooit. Dat is mijn verhaal. Ik kan er niet van weglopen, ik draag het mee, een leven lang. Ik kijk toe als ze haar stoel achteruit schuift en vertrekt met haar handtas over haar schouder. Ze loopt onder de klok door en verdwijnt van het toneel. Dan komt het besef dat ik de wedstrijd heb verloren

Stelselmatig
5 0

De havik, de villa en de draak

Het landgoed was een kwartier van de kleine haven verwijdert, had meneer Hawk gezegd. Het enige dat me opviel terwijl hij ons leidde, was dat er niets echt opviel. Er was geen dorp, winkel of elektriciteitspaal te zien. Enkel dezelfde groene bomen aan weerskanten, in twee gespleten door de smalle zandweg. De weg zat vol gaten, en het water spatte hoog op als we hobbelden. Het was bijna even ongemakkelijk als de boottocht hier naartoe. Ik aaide Mimi, zelfs zij leek het spannend te vinden.Pa zat alleen achteraan met zijn armen gekruist. Vreemd dat ook hij nooit iets hiervan geweten had. Dat mama hier vandaan kwam. Het leek me een vreemde toevalligheid dat ze Nederlands kon spreken toen ze mijn vader ontmoette. Een taal van amper twintig miljoen sprekers. Dit eiland kon ons de antwoorden geven die ik lang gezocht had. Haar mysterie kon misschien eindelijk ontrafeld worden.Voor ik langer in mijn gedachten kon vertoeven, vertraagde de camionette en draaide het naar links. Ik hoorde het geknisper van kiezels dat geplet werden onder de grote banden. De bomen wijkten uit en maakten plaats voor een grote, ronde plein. In het midden daarvan stond de villa. Al leek het eerder een kasteel. De façade bestond uit bruine bakstenen, hoewel ze misschien ooit rood waren geweest. Andere delen van het gebouw bestonden dan weer uit natuursteen, grillig van vorm en glad. Klimop groeide aan de schaduwkant van het gebouw, helemaal tot aan het dak. Er was een toren met een plat dak en grijze kantelen. Grote ramen weerspiegelden de groene bossen rond het gebouw. Ik vroeg me af wat het gebouw hier deed, wie het hier had neergezet en waarom. Waarschijnlijk kon er een heel dorp in wonen, zo groot was het. Statige trappen brachten je naar de imposante dubbele deuren uit donkerbruin hout met een gulden deurknop. Dit was een residentie voor prinsen en presidenten. Voor schrijvers met rijke vrienden. Voor een excentrieke uitvinder die na zijn ontwerp te hebben verkocht, een plek zocht om rustig te kunnen leven. Ik was geen van die dingen en toch was ik hier. ‘Zo, genoeg gezien om me te geloven?’ vroeg meneer Hawk toen hij de camionette stillegde. De airco stopte, en er volgde een complete stilte. Hawk draaide zich om en keek me aan met zijn blauwe ogen achter zijn ronde bril. Zijn blik leek door mijn hoofd te kunnen zien. ‘Dit is onmogelijk,’ zei ik. ‘Dit ís onmogelijk,’ beaamde mijn vader van achter. ‘Waarom zou een tante die haar nog nooit heeft gezien, haar zomaar een kasteel op een eiland nalaten?’ ‘U weet allicht wel dat ik een goede band had met uw schoonzus, meneer Davids. Samen hebben we veel bereikt in deze wereld. We hebben in Zuid Afrika gejaagd op de Beezelpus. In Turkije op de Hoveratu. In Groenland op de Mordenkan en de Inal. Talloze keren redde ze mijn leven. Het was een speciale vrouw, moet u weten. Met haar geheimen en ideeën over de wereld. Maar in al haar reizen heeft ze nooit de liefde gevonden. Nooit is ze getrouwd of heeft ze kinderen gebaren. Er was niemand anders dan jouw dochter die het verder kon zetten.’ ‘Ik? Wat moet ik verder zetten?’ vroeg ik. Er zaten duizend vragen in mijn hoofd, tot die laatste zin viel. ‘Wel, het verhaal natuurlijk. De legende.’ Na dat gezegd te hebben, deed hij de deur open en stapte hij naar buiten. Hij strekte zijn armen uit alsof hij de hemel wou omhelzen. Ik keek naar pap, hij haalde zijn schouders op. ‘Komen jullie nog? Er is veel meer te zien dan het interieur van een voertuig, geloof me.’Mimi volgde de man naar buiten en rende richting de villa, haar staart omhoog. Ik stapte uit. ‘Pa, kom je?’ Hij gromde en stond op. De camionette waggelde terwijl hij zich naar voor begaf. Ik draaide me om en keek rond. Mimi was al uit het zicht. ‘Als je nog steeds denkt dat dit een grap is, meneer Davids, dan verzeker ik u, dat is het niet. Ik ga mijn tijd niet verdoen met het opzoeken van een meisje om haar uit te nodigen naar Nieuw Zeeland, alleen maar om haar op te lichten. En ik zou zeker niet de tickets betalen en haar vader mee uitnodigen.’ ‘Welke legende? Wat was mijn tante dan?’ vroeg ik meneer Hawk, terwijl hij met een stevige tred naar de trappen liep. ‘Je komt er weldra achter, mag ik eerst-’ Zodra zijn hand aan de klink kwam, ging de deur open en een dikke man stormde naar buiten. Hij leek het meest op een dikke mimespeler uit de cartoons, alleen zonder de make-up, hij droeg een ruime, zwarte kleren. De man ontweek meneer Hawk dat zijn arm uitstrekte en omhelsde me. Ik hoorde mijn rug kraken, voelde mijn ribben buigen en rook een zweetlucht. Voor ik kon beslissen wat het ergste was, liet hij me los en keek me glunderend aan. Alsof ik een puppie was dat voor het eerst de krant had gebracht.‘Mras-kapala, wadunkan kunkan ukanuk.’ ‘Ehh,’ stamelde ik.‘Nee!’ zei meneer Hawk. ‘Af! Naar binnen!’ De vreemde man sprak verder in zijn vreemde taal. Er kwam blijkbaar veel speeksel bij kijken voor een goede uitspraak. ‘Het spijt me,’ zei meneer Hawk. ‘Hij had moeten wachten.’ ‘Meis, alles okee?’ pa kwam aangelopen. Ik knikte en kuchte. ‘Wie was dat? Woont hij hier ook?’ vroeg hij aan de advocaat. ‘Natuurlijk, meneer. U dacht toch niet dat deze villa leeg zou staan?’ ‘Jullie hebben vreemd personeel.’ ‘Oh nee, u begrijpt het verkeerd,’ zei hij tegen mijn vader, toen draaide hij zich terug naar mij. ‘ Uw tante heeft nooit echt personeel gehad, Aurélie. Dit zijn haar gasten.’ Toen stapte hij de drempel over, wij volgden. Ik haperde, alsof mijn hoofd een seconde leeg was. Van buiten leek de villa gigantisch, maar eens binnen drong het echt door.Ik zag een enorme hal, met een dubbele trap tegenover. Er waren vier deuren aan de linker en rechter kant, en twee achter de trappen. De tegels waren zwart en wit, als een enorm schaakbord. Er hing een luster dat zo uit Versailles leek te komen. De vreemde man brabbelde nog steeds verder, en keek me aan terwijl hij langzaam de trap opliep. ‘Welke taal spreekt hij?’ vroeg ik. ‘Dat weet je toch al, niet dan?’ zei meneer Hawk. Ik stamelde. ‘Je weet al hoe het werkt, denk eens terug aan de mail die je me schreef, drie dagen geleden.’ Ik dacht even na, toen wist ik het; de steen! Ik grabbelde in mijn broekzak en haalde toen de steen naar boven.Het was een smaragd groene steen met een gat in het midden, een beetje als een oneven ring. Maar het diende niet om aan je vinger gezet te worden. ‘Je vader is misschien moeilijker te overtuigen, maar jij wist het natuurlijk al.’ Meneer Hawk glimlachte naar me en knikte. ‘Wist wat al?’ vroeg mijn pa. Ik zette de steen voor mijn rechteroog en pitste de linker dicht en alles wat ik zag veranderde. Er was een regenboog in de kamer gevallen. Alles zag er anders uit, alsof je onder water naar de zon keek, maar dan met talloze kleuren. De vreemde mime-man dat me zojuist omhelst had, was nu een soort krokodil met kleine vleugels geworden. Hij keek me grijnzend aan terwijl hij op zijn achterste poten de trap opliep. ‘We gaan nog lol hebben, samen. Ik kan niet wachten!’ zei hij. Uit de voegen van de vloer kwam een paarse wolk. Meneer Hawk zag er hetzelfde uit, alleen droeg hij iets op zijn rug. Het leek wel een zwaard. Maar dat -. ‘Schat, waar ben je me bezig?’ Ineens werd ik me bewust van deze wereld.      

Stelselmatig
0 0

De keuze

De hele ochtend volgden we de weg die gelijk liep met de rivier. We -dat zijn de ninja en ik- luisterden naar het getsjirp van de krekels en het brommen van de kikkers en het geschater van de vogels. Het riet danste, net als de takken van de bomen. De zon was koning in een schaduwloos landschap. Zo verging het ons, tot we iemand zagen in de verte.Daar, aan de kant van de weg zat een man op een grote, gladde rots. Hij droeg een strohoed, een vuile tuniek en een gerafelde broek. Langs hem, in het vochtige gras, lag een kano. De man leek diep na te denken. Eens we dichtbij waren, vroeg ik hem waarover.‘Ik heb raad nodig,’ zei hij. ‘Want ik ben radeloos.’Ik zei dat ik geen raad kon geven, omdat ik niets wist. Wel bood ik een luisterend oor aan. Dat aanbod moet hem wel eerlijk geleken hebben, want hij vertelde me zijn verhaal.Ik volgde hem tot tot aan zijn dilemma, zijn kruispunt van keuzes. Toen vroeg hij me nogmaals om raad.Opnieuw zei ik dat ik geen raad voor hem had. Dat raad gevaarlijk kon zijn.‘Ja,’ zei hij. ‘Maar nu ken je het verhaal. Jij kan de kwestie benaderen op jouw manier. Ik vraag je, wat zou jij doen?’Ik dacht na. En opnieuw zei ik dat ik het niet wist. Toen kwam de ninja naast me staan. ‘Je twijfelt of je het juiste doet,’ vertelde hij. ‘En zo hoort het ook. Je kunt niet ver zien, dus bestaat er geen goed of slecht antwoord. Alleen misschien een gehaast antwoord. Maar dat betekend niet dat je moet zwijgen. Vertrouw de man. Vertel hem jouw waarheid.’Ik dacht lang na over de waarheid. Mijn waarheid. Ik was niet eens zeker of ik wist wat waarheid was. Alles kon eindeloos gerelativeerd worden, tot het punt dat het allemaal niets meer uitmaakt.Het begon reeds te schemeren eer ik wist wat ik wist.‘Dan zeg ik ja,’ zei ik uiteindelijk. 'Ga terug naar huis, vraag om vergiffenis en probeer het.'De man knikte, stond op en trok zijn kano tot aan de oevers van de rivier. Toen duwde hij het in’t water. Hij stapte in, nam zijn peddel vast en gleed stroomafwaarts, het schemer in. De horizon tegemoet.‘Is dat dan juist?’ vroeg ik de ninja.‘De waarheid bestaat enkel in het moment,’ zei hij.‘Enkel nu kan je juist zijn, als je het tenminste aandurft.’Ik vertelde hem dat ik niet juist of fout wilde zijn. Ik was al tevreden met gewoon te “zijn”.Hij droeg me net op om te kiezen. Iets wat ik nooit eerder had gedaan.

Stelselmatig
0 0

gulzige gluiperds

Ze had vals blond haar en ogen als donkere gaten waarin saffieren verstopt zaten. Ik had een blik dat een maagd zou doen weglopen. Maar ik kon haar niet ontwijken, het was alsof je een hand voor je ogen hield en naar de oerknal keek. Tenslotte vroeg ik haar of ze het bizar of storend vond. En ik beloofde haar meteen op te houden, als het zo was. 'Nee,' zei ze. Dus ik keek haar nog langer aan. Geen van ons bewoog.'Nee,' zei ze opnieuw. Het was één van de mooiste woorden, vond ik. Wie nee kon zeggen, kon alles zeggen. Ik was verstomd en bevroren. Bovenal alert als een jagende wolf, want in mijn hoofd kon ik rennen, springen en duiken. 'Jij mag me aankijken wanneer je maar wil,' zei ze toen. Ik beloofde het haar in gedachten.Ze glimlachte en er verscheen kleur op haar wangen. Iets wat ik nog nooit eerder bij haar zag. Ze was een lijkwade van een koningin, en die blozen meestal niet. Behalve dan vandaag. 'Ik vind je mooi,' zei ik maar na een pijnlijke stilte. En ik hoopte dat ik niets verkeerds zei. 'Nee,' zei ze. Ik probeerde opnieuw. 'Je bent zonlicht, en ik verbrand mijn ogen al starend naar jou. Toch heb ik geen spijt. Al ben je het laatste wat ik ooit zal zien en het enige wat ik me nog zal herinneren.Eigenlijk kan ik me niets mooiers bedenken.'   Als er nu een taal bestond waarin ik jou kon beschrijven, bedacht ik. Maar nee, daar ben ik niets mee. Want beschrijven betekent iets zeker weten. En ik kan jou nooit zeker weten, omdat ik je niet begrijp. Ik zou een levenlang bij je moeten zijn. Je compleet moeten ervaren. Je moet je aan me geven, elke dag opnieuw. En elke dag zal ik het verdienen dat je aan me gegeven wordt.   Ze las dit alles in mijn ogen, doorheen de memos van rook en vuur.'Nee,' zei ze opnieuw. En ik slikte. Ik dacht aan regen. En messen waar bloed vanaf droop. Maar wat ik ook dacht, ik zweeg.'Zeg maar niets meer,' zei ze. 'Ik weet al lang wie je bent.''Ja?' Ik was goed in ja zeggen. Ik schoot als een raket de ruimte in. Misschien kon ik nog landen op haar planeet. 'Helaas,' zei ze toen. 'Ik kan geen ja zeggen.''En ik kan helaas geen nee zeggen.'We zwegen beide een tijd. Terwijl haar ogen als zoeklichten mijn ziel doorgrondden. Geen idee wat ze kon vinden, ik ging zelden naar mijn afgrond toe.   'Nee,' zei ze toen nog eens. En toen kuste ze me en hield me vast. Steeds vaster en vaster hield ze me vast. Toen keek ik haar aan en liet haar nooit meer los.

Stelselmatig
0 0

Noch zij de winters

Drie schrijvers lopen bij maanlicht op de kade.De eerste zegt,' Oh, waar is de liefde, waar is de schoonheid, de weelde? Alleenzaam als ik is niemand. Want niemand kan ooit weten wat het is om te leven met deze zwaarte, die tevens als rook is. Ontastbaar maar altijd daar. Ben ik dan blind? Is het daarom dat ik niets meer zie dat de moeite waard lijkt?' Met één hand houd hij zijn jas gesloten terwijl de koude wind aan zijn kraag rukt. Hij staart diep in de verte, als enige lijkt hij het mysterie te kunnen ontrafelen van de duisternis.   De tweede schrijver kijkt hem aan en zegt, terwijl zijn adem witte wolken maakt die in de koude lucht verdwijnen,' Ik ben een tuinstoel dat te lang in de mist heeft gelegen. Wie heeft me achter gelaten bij deze donkere bomen? Er is geen zon en het mos kruipt steeds verder, over mijn hart en over mijn hoofd en over mijn oren. Ik hoor niets meer, zelfs geen wolven. Het mos kruipt in, maar niets is zacht en donzig. Hij neemt zijn eerste slok uit zijn flacon en veegt zijn lippen af met zijn duim.   De derde knikt en zegt dan ,'Wat heb ik gedaan om dit te verdienen, waar is de genade, of de genadeslag? Vleermuizen omcirkelen de mooie vrouwen die ik een leven lang heb gadegeslagen. Leeuwen sluipen op straat, soms springen ze op achter me en dan brullen ze oorverdovend in mijn oren. Ik heb een levenlang liefdesverdriet zonder liefde te hebben gekend. Is dat mijn zoektocht, mijn queeste? De liefde, ik die bang ben van mijn eigen schaduw? Want daarom woon ik in de schaduw. Uit angst. Er is maar één lamp die brandt in mijn huis en die is zwart.'   Samen delen ze de flacon die de tweede schrijver mee had genomen, en al lallend waggelden ze naar hun onderkomen. Een man in een net pak opent de deur en het derde gezel haalt nog een slof sigaretten uit. De eerste schrijver stapt naar de biljarttafel, en begint zijn spel.   'Wee ons, 'roepen ze beide,' Niemand torst de lasten die wij torsen. Wij kijken weemoedig neer op de kinderen, die geen winter ooit gezien heeft. Noch zij de winters.'

Stelselmatig
0 0

dagdagelijks denken

Ik weet het niet meer..Ik dacht aan iets, maar ik ben vergeten wat. Ik heb soms van die gaten in mijn geheugen. Ken je die dingen? Die gaten?Gaten kunnen heel diepe dingen zijn. Je kan er in vallen, verdwijnen of jezelf in verstoppen. Gaten bestaan daarvoor, weet je? Om dingen te laten verdwijnen. Wat voor dingen? Alle dingen, geloof ik.Ik was aan iets heel klein aan het denken, dat weet ik nog. Misschien iets ter grootte van een ring. Of was het toch groter? Aah, nu weet ik het weer, het waren woorden! Ik ben woorden vergeten! Ik staar in het gat en zie vage kleuren en vormen. Dingen die geen naam hebben, tenminste geen namen waar ik op kan komen. En niets daarvan lijkt enigzins op een woord. Ik merk iets op.Oh, kijk eens daar ligt een hengel! Oef wat is hij zwaar! Toch is de hengel ook handig, vooral om verre dingen mee terug te vinden. Ik laat de haak stilletjes verdwijnen in het gat en wacht.Dan volgt er een plots getrek, heb ik beet? -"Hey! Haal me hier uit!" Brult een stem."Wie ben je?" Roep ik terug.-"Ik ben jou! Nou... Ik wás jou. Nu ben ik gewoon hier in het gat, en dan telt het niet meer.""Heb jij misschien de woorden gezien?" Vraag ik aan de stem.-"Hier liggen geen woorden!" Brult hij terug. "En kom wat dichterbij, dan verstaan we elkaar beter!" Goed idee van mijn andere zelf. Met de hengel in mijn handen stap ik dichter naar het gat toe."Wat zit er dan in het gat?" Vraag ik hem.-"Is dat niet duidelijk? Ik zit in het gat!"Ik probeer door het duister heen te kijken. Wie weet wat zich daar allemaal schuilhoudt? Vast meer dan mijn vorige zelf beweert. Plots voel ik een duw in mijn rug alsof een windoos me wegblaast. Ik wankel aan de rand van het gat en val de diepte in."Heeeeeeelp!" Roep ik nog eer de duisternis me opslokt.Ik land op iets zacht. Het lijken wel dikke kussens, of zijn het grijze wolken? Mijn andere zelf zie ik niet. Hoog boven mij hoor ik iets. Ik kijk op. "Hé, zoek je misschien ook woorden?" Roep ik. -"Nee!" Roept de ander gedediceerd. "Ik ben mijn sleutels kwijt!"

Stelselmatig
5 0

Meneer Blauwe Kat

Elk onbenullig dorpje dat onder ons is uitgestrooid, kan ik bedekken met één klauw. Zo klein ogen ze vanuit mijn ronde raam. Kronkelige wegen verbinden ze als een zenuwstelsel met elkaar. Die grote weg is de slagader, dat dorpje het hart. Terwijl ik dit bedenk, passeren we een grote rivier. God weet welke rivier, het interesseert me ook niet echt. Ik walg van de rivier, hoe het zijn weg vreet door de aarde zoals een gigantische, hongerige worm. Misschien heb ik deze gedachten gewoon omdat ik water haat. Katten kunnen zo zijn.   Mijn mager lijf is vol verdriet. Eerst vulde het mijn hart, dan mijn hoofd en nu is het overal. Ik ben moe. Misschien is het zo omdat ik een blinde en eenzame kat ben. Ik heb niets beter te doen dan mijn bebloede poten te likken. Of misschien is het zo, omdat ik goed ben in verdrietig zijn. Dat is het enige waar ik echt goed in ben, naast dromen. Ooit was ik wit, sneeuwwit. Ik dronk mijn melk, toen bevroor en stierf ik.   Ik denk aan haar donkere, krullende vacht en haar bruine ogen. En die kleine vlek onder haar linker oog. Haar glimlach was warm en mysterieus tegelijk, zoals de maan oogt voor ons maanwezens. Zelfs als ze me vertelde hoe koud ze eigenlijk was, had ik haar lief op mijn manier. Katten hebben de gewoonte om te liegen. En daar hoopte ik op, dat ze loog. (Als je katten wil verstaan, móét je dit weten.)   Mijn enige vrienden zijn de schapen dat niet echt schapen zijn. Ze bestaan uit dezelfde wollige materie dat zweeft tussen ons en de velden beneden. Het creëert zulke massieve schaduwen, groot genoeg om een heel bos te hullen in duisternis. Is het niet vreemd dat die heldere lichamen, bestaande uit wol en water zo'n schaduwen kunnen maken? Ik ben bang van zulke dingen, ze maken me stil. Daarom tuur ik over mijn schouder, om te zien of hier ook honden zijn. Teveel naar buiten staren kan een kat blind maken (ook een belangrijke les over katten).   Terwijl ik rondkijk, tel ik vele andere wezens. Geen idee of het echt honden zijn, dat is moeilijk te zeggen. (Misschien omdat geen van hen blaft.) Het kunnen evenwel schapen zijn. Schapen in wolfskleren, hondenkleren of zelfs schapenkleren. Ik ben bang van honden, want ze maken veel lawaai en hebben lange tanden. Ik verstop me voor hen, tenzij het niet anders kan. Als ik ze toch ontmoet, blaf ik zo hard, tot de honden denken dat ik wel hele lange tanden moet hebben. En als ik moe ben, blijf ik als een stambeeld staan totdat ze hun aandacht verliezen en verdergaan.   Ik denk aan wat nu eigenlijk verkeerd ging. Je vraagt je misschien af of katten dat wel horen te doen. Katten dat denken, denken en denken, is dat niet vreemd? Ik ken een kat dat beter weet.Ze noemt Kat. Een kat genaamd Kat, komt dat niet gelegen? Van Kat tot kat, dag dag kitty kat, het spijt me.Misschien komt het omdat ik helemaal geen kat ben. Weet je nog dat katten altijd liegen? Nooit ben ik een kat geweest. Of was ik er wel één maar enkel als kind. Het is zeker dat ik nu geen kat meer ben.En dat is wat er scheelt aan me, dat is exact wat verkeerd ging. Verkeerd als een kat zoals ik kan zijn.   "Arme kat. Och arme, arme kat." Dat is wat ze tegen mij zegt."Arme kat, waarom doe je niet wat meer je best? Waarom lijk je niet wat meer op een kat?" "Omdat ik eigenlijk een schaap ben. Een schaap in kattenkleren."

Stelselmatig
0 0