Woudnimf

Gebruikersnaam Woudnimf

Teksten

De levensbron

Er was eens een meisje, op zoek naar de levensbron. De bron die haar alle wijsheid zou geven, alle rust, alle levensvreugde, kortom alles wat ze nodig had om voor altijd innerlijk evenwicht te vinden. “Om een bron te vinden, moet je tegen de stroom oproeien.” had men haar altijd gezegd. Dus roeide ze en roeide ze maar, tegen de stroom van het leven in. Met het vuur en de vlam die haar eigen was, wierp ze elke golf van tegenspraak terug. Soms vorderde ze, beetje bij beetje.   Maar telkens opnieuw spoelde een golf van tegenslag over haar kleine sloepje, en wierp haar weer terug waar ze vandaan kwam. Daarbij verloor ze vaak haar roeispanen, zodat ze mijlenver meedreef met de stroom, en verder dan ooit verwijderd raakte vanwaar ze vertrokken was! Telkens opnieuw verzamelde het meisje al haar krachten, al haar levensvuur, waardoor er vaak stoom ontstond, tussen de rivier en het vuur van het meisje. Die stoom benam haar soms de adem, en ook het zicht werd toen moeilijker. Toch roeide ze onvermoeibaar tegen de stroom op.   Zo gingen de jaren voort. Het meisje werd mager en bleek. Haar levensvuur verminderde, haar vlammen die haar zo eigen waren, kwijnden flakkerend kleiner.   Waar ze maar keek, overal zag ze mensen die zich met de stroom lieten meedrijven. Ze lachten of maakten ruzie, praten of zwegen, . . . en genoten! Ze speelden met de golven, en beschouwden elke onverwachte bocht van de rivier als een welkome nieuwe vriend.   Ten einde raad liet het meisje haar idee varen om de bron te vinden. Ze liet zich, net als iedereen, meevoeren en gaf het zoeken op.   Sneller en sneller ging de stroom. En hoe verder ze wegvoer, hoe breder de stroom werd, hoe meer zijrivieren hun water gaven aan de stroom. Het viel haar nu ook op dat er een gejaagde blik in de ogen van de mensen kwam. De mensen op de grote stoomboten, op de luxevaartuigjes van plezier, op de gewone vissersschepen, op de stevige sloepjes zoals zij er één had, en tenslotte op de vlotten waaraan grote, arme gezinnen zich angstig vastklampten als het water wat wilder werd. Allen kregen ze dezelfde gejaagde blik in hun ogen, steeds vluchtiger, steeds holler. Het water stroomde steeds sneller. Sneller en sneller en nog sneller! Kolkend en bruisend stortte de stroom zich in de zee. Alle vlotten sloegen om en wierpen hun lading mensen van zich af. Overal schreeuwden mensen in hun doodsstrijd, of naar hun verdwenen kinderen.   Maar de zee antwoordde niet. De zee droeg enkel de rijken, de minder rijken en de mensen met een heel stevige sloep, zoals het meisje. Volkomen verwilderd keek het meisje om zich heen. Waar waren die arme mensen op hun vlotten? Wat was de richting, waar gingen ze naar toe? Een zee van tijd, een oceaan om in te verdwalen!   Maar de mensen rondom haar lachten, en dronken wijn. Anderen voeren zeer bewust naar eilandjes van vermaak. Exotische eilanden vol extase! Lokkende lorelei’s lieten mensen springen van kick naar kick. Steeds holler holden ze over het eiland en verdwenen in een roes van genot.   Alleen dobberde het meisje in haar sloepje op de zee. Gelaten dreef ze, verder en verder, op een oceaan van onverschilligheid. Af en toe sprongen vissen vlak voor haar alsof ze wilden zeggen dat het leven niet voorbij was, en dat ze aan zichzelf mocht denken. Dankbaar at ze hen op, en smeet de graten met een dank in het water. 'sNachts zag ze soms sterren schitteren. Vonken van inspiratie, die haar leken toe te fluisteren: ”Blijf maar gewoon liggen. Laat je gedachten deinen met het tij.” Onwetend dreef ze de hele wereldbol rond, tot een krachtige vloed haar sloepje aan land smeet.   Een zandig strand met planten die haar vaag bekend voorkwamen. Ze zeeg neer op het zand en zuchtte: “Moeder Aarde, help mij!” Haar woorden waren nog niet koud, of de grond onder haar voeten spleet open. Peilloos diep was het daar beneden. Zo diep, dat ze het eeuwige vuur kon zien in de schoot van Moeder Aarde. Intuïtief stak ze haar hand uit, en nam voorzichtig een beetje van de gloed van het vuur, dat ze mijlen ver onder zich zag oplaaien. Die gloed bracht ze naar haar hart.   Die gloed gloorde haar levensvuur terug op, en vol goede moed stapte ze verder, niet wetende waar ze heen ging. Maar al na enkele stappen, hoorde ze een riviertje kabbelen. Ze volgde het zachte geklater. Toen ze even later het riviertje ontdekte, zag ze meteen waar het vandaan kwam. Van een kleine kristalheldere bron. Een bron waartoe ze zich onweerstaanbaar aangetrokken voelde. Ze wandelde nieuwsgierig er naar toe, dronk, en zag tegelijkertijd haar ziel helemaal weerspiegeld in het water. Precies zoals ze was, met al haar zon en al haar schaduw.   Verrast keek ze op. Dit was de bron dus. Dit was de bron die ze zo lang gezocht had! Ze stond op en keek om zich heen. Ze stond geen zeven meter achter de plek waar ze ooit in haar sloep gestapt was.  

Woudnimf
0 0

De koptelefoon

Iets of iemand had op de knop 'repeat' gedrukt. 'Repeat' in de koptelefoon die ze zichzelf had opgezet. Er waren verschillende cd's beschikbaar in die koptelefoon. Allemaal gingen ze over de toekomst. Over hoe ze het niet ging redden. Noch financieel, noch emotioneel. Over hoe ze nooit werk zou vinden. Werk dat haar uit die donkere tunnel hield, geen poets-of verkoopwerk. Over hoe en waarom ze niet paste in deze samenleving. Over hoe en waarom moeke toch gelijk had gehad, dat ze een beetje gehandicapt was en dus nooit financieel voor zichzelf zou kunnen zorgen. Over waarom ze beter nooit geboren was. Ze was toch al het resultaat van een vergissing: het huwelijk tussen haar ouders was een vergissing en zijzelf was dus één van de vijf vergissingen die haar ouders gecreëerd hadden. Over dat ze met haar groene idealen niets te zoeken had in deze wereld, die enkel gespitst was op andere kwaliteiten. Computerkwaliteiten. Organisatorische kwaliteiten. Stressbestendige kwaliteiten. Zelfstandige en beslisvaardige kwaliteiten. Twee- of liefst drietalige kwaliteiten. Administratieve kwaliteiten. Commerciële kwaliteiten. Autorijkundige kwaliteiten. De repeat-knop van haar koptelefoon bleef hard ingedrukt. Harder nog dan de besparingsknop die de regering indrukte.   Er waren verschillende platen opgenomen in de koptelefoon. Eén over vernietiging en vergiftiging van deze planeet. Eén over dreigende naderende oorlog. Een over herovering van religie op gezond verstand, wereldwijd én hier. Eén over mensenrechten en vooral vrouwenrechten. Eén over verrechtsing, en teloorgang van sociale zekerheid die geen zekerheid bleek te zijn.   Alle platen hadden één ding gemeen: ze bleven hangen. Telkens en telkens opnieuw bleven ze haperen, hangen en herhalen. Tot het hoofd en het hart van het meisje net zo hard doordraaiden als de platen in de koptelefoon. Ze draaide dol toen ze fietste. Ze draaide door toen ze liep. Ze draaide dicht toen ze zat. Door al dat door- dol- en dichtdraaien, zag en hoorde ze weinig.   De koptelefoon sloot haar oren voor twinkelierende vogelgeluiden en kwakende kikkers. Sloot haar ogen en oren voor kansen. Sloot haar ogen en oren voor deuren die misschien hadden kunnen opengaan. Sloot op de duur ook haar ogen en oren voor alle deuren die nog open waren, die ze zelf open gemaakt had. Deuren van liefde, passie en lust. Deuren voor het duo die ze had met haar Koene ridder.   De koptelefoon: wie had die repeat-knop ingedrukt?   En nog belangrijker: wie had die platen gekozen?   Soms, heel even, vooral op woensdagavond, kon ze de volumeknop een stuk lager draaien. Zodat de platen enkel een hardnekkige ruis vormden op de achtergrond.   Dan hoorde ze weer geknetter van knapperende vlammetjes op de achtergrond. Hoorde ze weer vrolijke, kabbelende stemmen. Als kleine watervalletjes in het donker.   Op één woensdagavond huilde ze heel even haar ziel weer schoon tegen een schouder. Altijd vond ze daar twee armen om haar heen. Wat zeg ik? Vier, zes, acht, soms wel tien armen om haar heen.   Soms probeerde ze een andere plaat in de koptelefoon op te leggen. Een dansende plaat, een vertellende plaat, een gidsende plaat,een zingende of een lachende plaat.   Toch bleken de platen over de toekomst sterker, hardnekkiger. En alleen voor hen bleef de repeat-knop ingedrukt.    

Woudnimf
0 0

Nog geen titel

  Zoals het gele, verdorde en verpieterde gras zichzelf terug glanzend groen tovert na een bad (of meerdere) van koel hemelwater, ook als dat hemelwater maandenlang wegbleef.   Zoals de bladeren van een boom geel gaan hangen, knisperend van droogte, twijfelen om voor eeuwig de tak los te laten en zich in de diepte van de wanhoop te gooien, en dan ineens zichzelf glanzend groen oprichten na een lavend bad (of meerdere) van verlossend hemelwater.   Zoals de Wilde Cichorei me elke morgen bewijst dat geen enkele droogte hoe uitzichtloos ook, haar zal tegenhouden. Ze lacht hemelsblauw het hemelwater naar zich toe   Zoals het Wilgenroosje en de Wilde Peen de droogte, schaarste en verzengende hitte gewoon uitlachen, Onverstoorbaar verder groeien, elkaar bij bosjes helpend en schaduw gevend, en de hemel uitdagen met hun kleuren.   Zoals de wortels van het tere kleine Slaapmutsje ongelooflijk wakker blijven en het water dapper vasthouden en opzuigen uit de armste, droge grond en dat water krachtig naar boven zuigen.   Zo zullen ook mijn wortels zoeken en vasthouden, diep, diep tasten tot in de onderste regionen van mijn ziel, en alleen maar kijken.   Kijken in mededogen en helderheid, elke droogte transformerend tot een zee van inzicht, een meer van inspiratie en moed waarin ik een bad (of meerdere) zal nemen en me laven.   Tot mijn wortels het inzicht en de inspiratie naar boven zullen sturen naar mijn kleine hersenen.   Tot mijn stengel de moed en de kracht verdeelt over mijn bladeren en takken. Die daadkrachtig mijn hele wezen zullen besprenkelen. (Wat zeg ik? Begieten! Onderdompelen!)     Zodat ik terug glanzend groen kan worden. Niet groen van valse hoop (op elke vacature die een illusie bleek) Niet groen van nijd op het onrecht in deze (en andere) samenlevingen. Niet groen van jaloezie op mensen die er wel in slagen om zichzelf te onderhouden. Maar groen van geloof en vertrouwen Zelfvertrouwen Vertrouwen in de ander. Vertrouwen in de toekomst.   Geen groen, blind vertrouwen in de kosmos. Maar een jong, frisgroen vertrouwen, dat al wie in het oog van de storm rust vindt en vormt, (en dus niet zoekt en wacht) altijd veilig groen zal blijven.    

Woudnimf
0 1

Diamanten dauwdruppels

Steek ik de brug over? Van koppig blijven liggen naar opstaan. Steek ik de brug over? Van piekeren naar positieve mantra's. Steek ik de brug over? Van stilstaan of zelfs afdalen naar groeien en bloeien. Steek ik de brug over? Van eindeloos herkauwen naar bewust worden. Steek ik de brug over? Van verwaarlozen naar voeden. Steek ik de brug over? Van vet en vuil naar gezond en fris. (al werkt onze douche op dit moment niet echt mee!!).Steek ik de brug over? Van angst en haat naar geloof en liefde.Steek ik de brug over? Van verlamming naar vertrouwen. Steek ik de brug over? Van eindeloos redeneren, betogen, argumenteren, bekritiseren, herhalen, herhalen, en nog eens herhalen naar beleven van het nu. Steek ik de brug over? Van zelfveroordeling naar zelfaanvaarding.Steek ik de brug over? Van verstikkende, verzengende hitte naar elke dag wat meer dauw.De brug oversteken is nooit zo moeilijk als 's morgens.Maar ik weet dat de dauw op me wacht. Dauw is wat de natuur zichzelf geeft. Versmoord, verzengd, verhit en verdord, laaft Moeder Aarde zich in dauw. Koestert zich in een verkwikkend voetbad, om straks verder te kunnen in de droogte. Zo stilt zij haar pijn in haar aderen, in haar rivieren. Zoals mijn (spat)aderen intens nagenieten van een verkwikkend voetbad.Dauw draagt de droogte heel even weg.Dauw dompelt nacht in draaglijk donker. Dauw draagt Moeder Aarde in haar overleven. Over-leven. Voor het échte, volle leven, moet ik nu onder de regen zijn.Voor het échte volle leven, moet ik nu bij stromende, spetterende, gietende, gutsende watervallen zijn. Maar dat heeft mijn steppe nu even niet. Hoe draag ik mijn steppe doorheen deze droogte?Hoe tover ik mijn steppe terug om in een groen, bloemenrijk en wild woud? Waarin onder andere mijn woudnimfje kan rond dartelen? Hoe voed ik die bron in mijn woud? IK WEET HET NIET ! ! !Maar zolang mijn bron niet zichtbaar en gevoed is, draagt dauw me doorheen deze steppe. Elk dauwdruppeltje is een diamant om NU van te genieten. Zo een diamanten dauwdruppel, is een ontdekkingstocht langs eetbare kruiden met mij als gids. Zo een diamanten dauwdruppel is een verhaal vertellen, of meerdere.Zo een diamanten dauwdruppel is soms Gerda, die me opnieuw leert ademen. Zo een diamanten dauwdruppel is soms Leo, die me mijn kleuren weerspiegelt.Zo een diamanten dauwdruppel, is de lichtcirkel, die een vuur aansteekt en in mij weer vonkjes en vlammetjes doet opflakkeren.Zo'n diamanten dauwdruppel, is soms een koestering van twee grote, warme, zachte handen , die me drenken in olie en zachtjes mijn bolster open kneden. Zo een diamanten dauwdruppel is vaak dans. Zo een diamanten dauwdruppel is nog vaker Koen. Nee, Koen is geen diamant, Koen is een hele schat van diamanten. Een rots waarop ik kan bouwen, en waarin een goudmijn zit. Een andere diamanten dauwdruppel heet folk. Folk; een traditionele worteltaart gebakken op gestoomde muzieknoten en gevuld met gezelligheid. Geserveerd op een bedje van authenticiteit en ongedwongenheid. Met verbinding als slagroom en eenvoud als kruimeldeeg. De kers op deze traditionele worteltaart is levensvreugde. Folk; een ware warme lekkernij voor de ziel. En laat ik die schare van diamanten dauwdruppels niet vergeten, die zich kennissen en vrienden noemen. Wat een dauwdruppels zijn zij! Duizendvoudige flonkeringen van inspiratie stralen ze uit. Onvermoeibaar schitteren ze. Tonen me in alle spiegelende kleuren, hoe mooi ik ben.Tonen me in welke hoekjes nog vuil kan zitten. Welke kantjes misschien te scherp zijn.Tonen me in zoveel kleurende spiegels de weg naar mijn kern.Mijn woud kan dan nu wel opgedroogd zijn tot een steppe, maar iedere keer als ik rondom mij kijk, pinken en wenken zoveel duizenden diamanten dauwdruppels. Ik voel me schatrijk!

Woudnimf
288 0