Alma Mater

10 mei 2026 · 44 keer gelezen · 2 keer geliket

Mijn grootmoeder heette Alma. Wij zeiden meter, maar eigenlijk heette ze Alma. Ze haatte die naam, omdat dat volgens haar “ne naam van den Duits” was. In haar hoofd was het een vaststaand feit. Alma was geen naam voor een mens gelijk zij.

En toch heeft geen naam ooit beter bij iemand gepast. Alma Mater. De voedende moeder. De moeder der moeders. Al zou ze zelf gezegd hebben: “Doe normaal, kind, en eet nog een stuk appeltaart.”

Want dat was meter ook. Geen grote woorden. Wel zoete citroenthee bij griep. Extra lang op haar schoot bij een geschaafde knie. Rijstpap op vrijdag. Appeltaart op zaterdag. Rituelen waar ge als kind op vertrouwt gelijk de zon die opkomt.

En katholiek dat die vrouw was.

Wij moesten elke week naar de mis. Geen discussie mogelijk. Of ge moe waart, of het regende, of ge liever in uwe pyjama naar Niels Holgerson keek, deed er niet toe. God wachtte niet. Dus zaten wij daar braaf in de kerk terwijl meter ondertussen alle heiligen persoonlijk leek te kennen. Voor examens werd er gebeden. Voor een operatie werd er gebeden. Voor slecht weer op het communiefeest werd er een noveenkaars aangestoken alsof ze rechtstreeks met de hemel onderhandelde.

Ik ben dat geloof onderweg ergens kwijtgeraakt. Maar nog altijd, als er echt iets is, iets groot, iets waar ge zelf geen vat meer op hebt, denk ik soms: “Almake… spreek uwe God daar eens op aan.”

En eerlijk? Een stuk van mij gelooft dat ze dat doet.

Bij meter thuis was het altijd warm. Letterlijk ook. Een kleine leefruimte met een kachel die precies heel de familie draaiende hield. Vijf kleinkinderen door elkaar. Een tafel vol kaarten. Beeldjes op de schouw. Mijn grootvader in zijn vaste hoek van de zetel. Mensen die luid praatten, luid lachten en soms luid ruzie maakten om daarna gewoon verder cake te eten.

Daar werden liedjes gezongen over nen bleken blauwe hond alsof dat cultureel erfgoed was. Daar werd uren gekaart. En meter, die smeet haar kaarten op tafel met de grandeur van een casino in Las Vegas en riep: “Zevenen! Dat kan alleman!” waarop wij allemaal tegelijk begonnen roepen dat het ni waar was. Het was een huis van commentaar geven zonder rem. Van elkaar plagen. Van verhalen die elk jaar straffer terugkwamen. Van te luid soms zo luid dat de ramen ervan trilden. Ik heb het duidelijk van geen vreemden.

Later, toen ik zelf moeder werd, veranderden onze gesprekken. Ze gingen minder over kinderknieën en meer over het grote modderen. Over hoe ge uw best kunt doen en toch soms denkt: is dit het nu? Over kinderen die moeten vliegen, terwijl ge zelf nog met hun jas in uw handen staat.

Jaren later noemde ik mijn bedrijf naar haar: Huis Alma. Niet omdat ik een heilige wilde eren, maar omdat ik iets van haar wilde meenemen. Haar nuchterheid. Haar pragmatisme. Haar massa’s liefde. Haar relativeringshumor. En altijd ergens die geur van soep of versgebakken cake.

Zelfs op het einde, toen wij voor haar mochten zorgen, bleef ze Alma. Kleiner misschien. Brozer. Maar nog altijd een huis. Nog altijd iemand bij wie ge dacht: hier mag ik zijn.

Misschien is dat moederschap. Niet perfect zijn. Niet altijd zacht. Niet altijd geduldig. Soms kijven. Soms zuchten. Soms de verkeerde dingen zeggen en daarna toch koffie zetten.

Maar vooral: een veilige haven zijn voor vogels die moeten vliegen. Een plek die zegt: het is goed. Bij mij zijt ge veilig. Gelijk wat. Ik blijf.

En ondertussen modderen we allemaal maar wat aan. Met onze soep, onze kinderen, onze zorgen, onze appeltaart.

Zoals meter het ons geleerd heeft.

Geraakt door deze tekst? Maak het hartje rood of deel de woorden met je vrienden.

Zo geef je mee een stem aan de woorden van deze schrijver.

10 mei 2026 · 44 keer gelezen · 2 keer geliket