Bevriende koppels

2 mei 2026 · 43 keer gelezen · 0 keer geliket

Bevriende Koppels zijn een natuurfenomeen. Je zou er een documentaire over kunnen maken. Met zo’n rustige stem eroverheen.

Hier zien we het koppel in zijn natuurlijke habitat. Let op hoe ze zich groeperen. Altijd in even aantallen. Nooit alleen.

Ze spreken ook in een eigen taal. Een soort dialect van het samenleven. Zinnen eindigen steevast op “met bevriende koppels”. Alsof dat de soortaanduiding is.

“Wij gaan eten met bevriende koppels.”

“Wij doen een weekendje Ardennen met bevriende koppels.”

“Wij doen eens iets met de vrouwen… van bevriende koppels.”

Ik stel me voor dat daar ergens een draaiboek voor bestaat. Met hoofdstukken. De oprit en zijn klinkers. De juiste school kiezen zonder jezelf te verliezen. Het kookeiland als moreel kompas.

Koppels hebben namelijk kookeilanden. En schuiven. Minstens drie. In de derde schuif zit iets dat nooit op dinsdag gebruikt wordt, maar waar wel afspraken over bestaan.

De single komt in die wereld voor als een tijdelijke afwijking. Een zeldzame vogel die per ongeluk in beeld vliegt. Interessant, maar storend voor de compositie. Want koppels denken in tafels van vier. Of zes. Of acht. Maar altijd deelbaar door twee.

Een single als ik is wiskundig gezien een probleem. Een rest met een komma.

Ze nodigen mij soms uit. Dat wel.

“Kom anders eens mee, dat is gezellig.”

En dat is het ook. Tot de ober vraagt: “De rekening apart of samen?” en iedereen heel vanzelfsprekend naar elkaar kijkt en ik daar zit als een losgekomen vork.

 

Tafelschikking is een wetenschap. Sofie naast Tom, want die kunnen praten over hun zonnepanelen. Ellen naast Koen, want die hebben ook een jongste in het derde leerjaar. En dan ik.

“Zet Katrien misschien naast Marc?” Marc knikt. Marc is sociaal. Marc vangt singles op zoals de vestiaire jassen opvangt.

Er worden namen gezegd alsof het personages zijn uit een reeks waar ik één aflevering van gemist heb.

“Bij Liesbeth en Pieter is dat ook zo.”

“Nee, maar echt, bij An en Frederik hebben ze dat opgelost met een extra kast.”

En ik knik. Ik knik altijd. Alsof ik het begrijp. Alsof ik ook een derde schuif heb.

Het gaat over de aannemer van de klinkers van de oprit. Altijd die oprit. Alsof geluk begint bij rechte lijnen in steen.

“Die van ons, Kevin, die was echt nog betaalbaar.”

Kevin. Natuurlijk heet hij Kevin. Kevin legt niet alleen klinkers, Kevin legt ook fundamenten voor gesprekken.

En dan, ergens tussen hoofdgerecht en dessert, wordt het een beetje pikant. Niet te veel. Net genoeg.

“Ja, en Marc, die heeft er dan toch ne knoop in gelegd.”

Gelach. Blikken. Iemand die zegt: “Amai.” Iemand die zegt: “Allê Marc, gij durft.”

En Marc lacht zoals mannen lachen wanneer ze weten dat ze nog net binnen de veilige zone zitten.

Ik kijk. Ik observeer. Ik maak notities in mijn hoofd. Dit is materiaal. Dit is goud. Dit is een soort volkskunde met wijn.

En dan ga ik naar huis. Alleen. Zonder tafelschikking. Zonder derde schuif. Met mijn sleutels in mijn jaszak en niemand die vraagt of ik ze al gevonden heb.

Bevriende koppels, zeggen de statistieken, zijn een uitstervend ras. En toch. Ze blijven bestaan. Als hoeksteen van de maatschappij. En van grillrestaurants.

Voor tafels groter dan acht. Voor opritten die gelegd moeten worden. Voor gesprekken die alleen werken als iemand zegt: “Wij”.

Misschien moeten we ze beschermen. In reservaten. Met voldoende parkeergelegenheid en een degelijke aannemer in de buurt. Met een kookeiland in elke habitat en een derde schuif per koppel.

En ergens, aan de rand van dat reservaat, sta ik te kijken. Te denken dat ik misschien ooit één van hen zal worden.

En dat ik dan, op een dag, een zin zal zeggen die eindigt op  “met bevriende koppels”.

Ik weet alvast genoeg over klinkers en opritten om te kunnen meepraten.

Geraakt door deze tekst? Maak het hartje rood of deel de woorden met je vrienden.

Zo geef je mee een stem aan de woorden van deze schrijver.

2 mei 2026 · 43 keer gelezen · 0 keer geliket