via toegangsdeuren die zelfs hun scharnieren ooit hebben verraden
het was met wentelingen naar een ondergang misschien een keldertrap
door de sluwe gangen met een tegelvloer voor mank geschaak
naar de tuinen waar de ondergrond met veel ongemak de tijd verteert
weg zijn de bloemen en ze verschijnen weer die boomskeletten
raven hebben er hun nesten, de gebroken takken zijn getemd
is er iemand die de doornstruiken snoeien durft, bloed graag proeft
wil de hemel mij nu zeggen waar de rode pannen zijn gebleven
wil het maanlicht schijnen, de gordijnen met wat tederheid bekleden
waar is het bed zonder die spijkers, geef die kaars nooit meer vals vuur
laat me rusten in de weemoed, slapen op die asse van verkoolde tijd
adieu wereld, fout been en fontein vol treurnis, het is tijd
ik moet weer moedig opstaan, durven, steigeren gelijk een mier
het is naar die gebarsten regenboog, weg van hier, dat ik trekken zal
onderweg naar overmorgen, via gisteren, opnieuw door dat gellegat
door die boringen gemaakt voor kleinigheden in de bast van treurwilgen
naar die stervende rivier, met zijn heen- en weerwolf op dat vlot
grauwe nevel doet de wanhoop goed, de regen is voorlopig echt
voor hoe lang nog, voor welk duister doel, loerde ergens ooit geluk
heeft de toekomst ooit gebloeid, roeide ooit een lichte bries me tegemoet
was er ooit een kans dat er larven zouden dansen op het wateroppervlak
vraag me nu niets meer, verdwaalde uil, mijn vingers worden liever stil
ik wil dit plot verlaten, proeven eten van het dunne winterlicht
uit de reeks 'Reizen met Ricky'