Ik ben winderig vandaag.
Niet van de koolhydraten ditmaal.
Soms laat mijn ziel een scheet,
liefst in het donker –
al hoef je niet te zien om te ruiken.
Wat opgesloten zit, gist.
Wat je bewaart, rot.
Wat je loslaat, stinkt.
Kunnen we de geur verdragen?
De ziel kent etiquette,
propere gedachten als parfum.
Het afval van mijn ziel wil composteren:
kruimels frustratie,
ongeschilde plannen,
halfgekookte gedachten –
ik laat het ongedierte toe.
De stank bedwelmt hen niet,
zij weten wat te doen.
Uit wat in mij verging
baren zij een nieuwe vrucht.
Zonder uitlaat geen gas.
Liever niet vergast.
