Sommige zinnen verzetten zich. Niet luid, niet dramatisch. Ze gaan gewoon liggen. Zoals een dier dat zijn poten onder zich vouwt en roerloos blijft liggen, hoe voorzichtig je ook trekt.
Vroeger dacht ik dat het falen was: dat ik te traag werkte, hiaten in mijn kennis had. Nu herken ik het als informatie. Een zin die niet wil, kent haar grens. Hij voelt het op het moment dat hij te vroeg wordt opgetild, als hij een voorwerp moet dragen dat nog geen gewicht heeft.
Bij hoogsensitief schrijven duidt weerstand niet op luiheid. Het is afstemming. Ik merk het in mijn handen die blijven hangen boven het toetsenbord, in de adem die even stokt. De zin wacht tot de onderlaag klopt. Tot er stilte is waar hij tegenaan kan leunen, zonder erin te verdwijnen.
Ik kan zo’n zin dwingen. Dat heb ik gedaan. Hij werkt mee, technisch correct, netjes op zijn plaats. Maar onderweg verliest hij een stuk van zichzelf: zijn precisie. Zijn adem. Alsof hij hier alleen maar is om mij gerust te stellen.
Dus laat ik ze liggen, ook als dat onrustig maakt. Meestal komen ze terug. Schuiner. Voorzichtiger. Minder bereid om te behagen. Meer bereid om te blijven.
Mephis (aka) Evelyn Mérida

