Ik begin een verschrikkelijke hekel te krijgen aan die corrupte kleinburgerij. Ze worden vanuit de steden massaal naar het midden van de Vlaamse Ardennen gelokt met hun stinkende voertuigen. Daar krijgen ze in een restaurant, voor veel geld, eten opgediend dat vroeger gewoon onkruid werd genoemd. "Ja, maar we rijden elektrisch," zeggen ze dan. Elektrische voertuigen waarvan de onderdelen uit plekken komen waar slavernij en kinderarbeid de norm zijn. Ze gaan drie keer per jaar op citytrip en trekken een maand lang met hun elektrische wagen door Europa. Ondertussen vinden ze wel dat de armen in de steden hun dieseltje moeten inleveren, zodat de lucht in hún leefomgeving zo zuiver mogelijk blijft. Ze schermen met statistieken over fijnstof en gezondheid, maar met diezelfde statistieken kun je evengoed het tegendeel bewijzen. Ze gaan in hun eigen stad nog niet eens te voet naar de supermarkt om de hoek, maar verpesten met hun wagens wel het platteland om bij de boer een zakje patatten te gaan halen.
De corrupte, ecologische kleinburgerij betaalt liever geen belasting. In hun ogen gaat dat geld immers toch maar naar 'het plebs', dat er in hun optiek een onproductieve levensstijl op nahoudt. Wanneer ze echter zelf buiten de boot vallen, eisen ze prompt de meeste steun op. Hun uitstekende, door de overheid gefinancierde opleiding en de infrastructuur die hen ter beschikking staat, vergeten ze voor het gemak. Al hun successen hebben ze – zo menen ze zelf – immers volledig aan zichzelf te danken.

