Ik denk dat gepensioneerden een geheime afspraak hebben. Niet op papier. Er wordt geen brief gestuurd en ge zult er ook geen WhatsApp-groep van vinden. Maar ik ben er zeker van dat iemand u op uw laatste werkdag even apart neemt.
"Nog één ding," fluistert hij. "En ge houdt dit onder ons. Zeg het vooral niet tegen de werkende mensen. Laat hen maar denken dat de zomer in juli begint. Maar de hele maand juni... is de zee van ons."
Sinds ik dat weet, kan ik het niet meer níét zien. Terwijl de rest van Vlaanderen zich nog een ongeluk werkt om alles afgewerkt te krijgen voor het bouwverlof, studenten blokken of net bekomen van hun examens en gezinnen aftellen naar de grote vakantie, hebben de gepensioneerden de kust al lang ingenomen.
Niet luid. Niet opvallend. Gewoon.
Ik ontdekte het per ongeluk. Een paar dagen Middelkerke in juni en meteen had ik het gevoel dat ik ergens was binnengelopen waar ik eigenlijk geen lid van was. Niemand stuurde me weg, maar iedereen leek de spelregels te kennen. Ze wandelen zonder bestemming. Ze kiezen altijd een tafeltje met zicht op zee. Ze bestellen zonder op de klok te kijken. En een aperitief om elf uur? Dat blijkt gewoon een uur te zijn.
Daar zit Rosa. Naast Herman. Herman morst zijn fruitsap. Twee keer. Rosa schuift zwijgend een servetje naar hem toe. Ze kijkt niet eens op. Ge ziet dat liefde na vijftig jaar misschien niet meer bestaat uit grote verklaringen, maar uit weten waar de servetten liggen.
Een paar tafeltjes verder zit Denise. Lippen gestift, haar alsof ze straks op televisie moet komen. Nog altijd even kwik als vroeger. Alleen wordt ze wat spraakzamer na haar aperitief. Maar dat is haar gegund. Misschien is dat wel het mooiste aan ouder worden. Dat ge eindelijk moogt uitweiden. Dat niemand nog zegt dat ge moet afronden omdat de volgende vergadering begint.
En dan André en Willy. Ze kijken naar de zee. Of toch... dat denk ik. Misschien kijken ze wel gewoon naast elkaar. Zoals mensen die al zo lang samen zijn dat stilte geen leegte meer is, maar een taal.
Er is iets raars met tijd aan zee in juni. Ze gaat er niet trager. Ze wordt gewoon minder belangrijk. Niemand zegt dat hij nog snel ergens naartoe moet. Misschien is dat wel wat pensioen echt is. Niet stoppen met werken, maar stoppen met haasten.
Ik zat daar tussen hen en besefte plots dat ik niet naar oude mensen zat te kijken. Ik keek naar later. Naar ons. Ik probeerde ons uit. Zoals ge een zetel uitprobeert in een meubelwinkel. Zouden wij ook al om elf uur aperitieven? Zou jij nog altijd beweren dat de garnaalkroketten hier beter zijn dan elders? Zou ik nog altijd zeggen dat ik geen honger heb om vervolgens de helft van uw bord leeg te eten?
En zouden we nog altijd discussiëren over mijn haar? Ge vraagt nu al geregeld wanneer ik het nog eens blond ga kleuren. Ik antwoord steevast dat ik dat niet ga doen. Ik vermoed dat we die discussie tegen dan nog altijd voeren. Alleen zal het ondertussen nog grijzer zijn.
Ik hoop dat ik dan nog altijd even koppig ben. En gij ook.
Dat ge nog altijd dezelfde mop vertelt waarvan ik de clou al ken nog voor ge eraan begint. Dat ik eerst met mijn ogen draai. En vijf minuten later toch weer lach. Dat we met onze rollators veel te fanatiek over de dijk racen en valsspelen in de bochten.
En dan komt er, heel even, een gedachte binnen die ik liever niet heb. Want statistisch gezien is er een kans dat één van ons daar alleen zit. Dat ik uw naam zeg. En even naar de hemel kijk. Of gij de mijne. Dat kan ook.
Ik laat die gedachte niet lang blijven. Wij zitten daar samen. Met twee lichtblauwe windbrekers. Een aperitief om elf uur. En alle tijd van de wereld. Misschien is dat uiteindelijk wat liefde is. Niet dat ge elkaar jong houdt. Maar dat ge oud genoeg moogt worden om elkaars gewoontes, koppigheden, verhalen en rimpels te verzamelen.
Tot ze allemaal deel worden van wie ge samen zijt. En ergens, op een terras in Middelkerke, midden in juni, kijkt ge plots naar mij. Naar wie ik ooit was. Naar wie ik geworden ben.
En zegt ge: "Schat... ge zijt beeldig met grijs haar."

