Eind juli 2002 werd hij geboren.
Mijn eerstgeborene. Mijn eerste vruchtje. Mijn Betterfoodkindje. Mijn volmaakt zelfgemaakt gelukje.
Meer dan vier kilo zwaar en vijfenvijftig centimeter lang. Hij was bij de geboorte precies al half vertrokken in het leven. Alsof hij onderweg gedacht had: kom, ik neem ineens een voorsprong.
We gaven hem een naam die klonk als een grote, stevige beer. En dat werd hij ook. Groot. Een hoog knuffelgehalte. Geen kerel die ge zomaar omver blaast. Eerder eentje waarvan ge denkt: die trekt zijn plan wel.
En dan begon het. Van wieg naar maxi-cosi. Van de kleine schuifaf in de veranda naar juf Frieda. Van een vuilgeravotte speelclubber die met grasvlekken, schrammen en modder thuiskwam, naar leider van een hele bende kinderen die nu naar hem opkijken zoals hij vroeger naar zijn leiders opkeek.
En ergens tussen al die gewone dagen groeit een kind op. Dat is misschien nog het strafste van heel het verhaal. Ge ziet het niet gebeuren.
Ge denkt dat ge nog alle tijd van de wereld hebt. Dat die kleine hand altijd in de uwe zal passen. Dat ge nog jaren boterhammen zult smeren, turnpantoffels zult zoeken en boterhamdozen uit schooltassen zult vissen.
Tot ge op een dag beseft dat ge eigenlijk al een hele tijd naar een volwassen mens zit te kijken.
Ik denk dat ik dat zelf pas voor het eerst doorhad bij de huisarts. Hij zal een jaar of veertien geweest zijn. Griep. De dokter vroeg of ik hem al een paracetamol had gegeven.
"Ja," zei ik. "Een vijfhonderdje."
Hij keek eens naar hem. Dan naar mij. En hij begon te lachen.
"Katrien," zei hij. "Hij is ondertussen een kop groter dan gij. Ik denk dat hij gerust een duizendje aankan."
Aja. Juist. Dat was dus ongemerkt gebeurd. Hij was groter geworden dan zijn moeder.
En nu zijn we eind juli 2026. Net als vierentwintig jaar geleden voelt het een beetje alsof we in verwachting zijn. Niet van een baby deze keer, maar van een nieuw hoofdstuk.
Plots gaat het thuis niet meer over tutjes en pampers, maar over IKEA-meubels. Over een bed en een matras. Over glazen, borden en bestek. Over handdoeken, een vuilnisbak en een droogrek.
Ge staat ineens met een winkelkar vol dingen waarvan ge nooit gedacht had dat ge die ooit cadeau zou doen. Een vergiet. Een wc-borstel. Een afdruiprek. Een snijplank. Een emmer.
Volgende maand trekt mijn eerstgeborene de deur achter zich dicht.
Niet voorgoed, gelukkig. Maar wel om zijn eigen leven te beginnen.
Ze zeggen dat opvoeden loslaten is. Ik weet eigenlijk niet of dat waar is. Ik denk dat opvoeden vooral hopen is dat ge genoeg hebt meegegeven. Niet alleen de grote dingen. Waarden en normen, liefde en respect. Maar ook de kleine dingen. Dat hij weet hoe een wasmachine werkt. Dat ge witte was niet bij rode steekt. Dat ge een pan niet met een mes uitkrabt.
En voor de rest... Voor de rest trekt hij zijn plan wel. Dat deed hij eigenlijk altijd al. Ik ga mij daar ook wel in moeten oefenen.
Maar ik ga hem toch nog één keer bellen. Gewoon om te vragen of hij ook aan een pepermolen gedacht heeft.

