Ken je dat gevoel, wanneer je een oude zwart-witfoto ziet en er een verhaal bij verzint? Bijvoorbeeld deze jonge vrouw op een fiets, lach op haar gezicht, haren in de wind terwijl ze door de velden rijdt. In het landschap staan verwoeste boerderijen en uitgebrande legervoertuigen. De hemel – op de foto grijs, maar daar kijk je doorheen – is stralend blauw.
Hannah is onderweg naar het dorp. Maar ze ziet iets tussen het puin: een prille lentebloem die zich omhoog worstelt alsof ook zij jaren in schuilkelders verborgen zat. Hannah wil haar niet plukken, nee, dat zou wreed zijn, maar ze vertraagt om de rozerode en vanillegele blaadjes te bekijken. Zo gebeurt het: wanneer haar fiets snelheid verliest, verliezen de banden hun grip op de stoffige weg. Hannah slipt, ze wankelt en moet voet aan de grond zetten.
Nu ze stilstaat, ziet Hannah de bloem, of wat ze dacht dat een bloem was: een gescheurd stuk kleding dat ritselt in de wind die door de ruïne waait. Geen bloem. Ze is voor niets gestopt. Verlegen kijkt ze rond. Over de weg lopen mensen met een kar, getrokken door een oude ezel. Ze schudden hun hoofden. Meisje toch. Je moet niet stoppen, er is geen nu, voorwaarts! Hannah trekt haar jurk recht, zet zich terug in het zadel en trapt alweer de toekomst tegemoet. De mensen met de ezelkar fluiten haar na. Dat is goed, toch?
De brug is verwoest, maar soldaten hebben een veer aangelegd en Hannah sluit aan bij de rij: kinderen in versleten maar vers gestreken uniform, vrouwen met lege tassen en vale lippen, oude boeren die niet durven mopperen in aanwezigheid van de jonge soldaten. Een gebruinde sergeant steekt zijn hand uit om Hannah op het veer te trekken. Ze kijkt over haar schouder, bang voor de blikken, maar de vrouwen en de boeren vinden het helemaal goed. Ga maar voor, meisje, laat de tijd niet ontsnappen! Enkel de kinderen staan wat bedremmeld rond te draaien, maar zij weten niet beter. Hebben zij het verleden wel meegemaakt?
In geen tijd is Hannah aan de overkant. Als eerste verlaat ze het veer. Wanneer de sergeant haar naroept, wendt ze lachend het hoofd en mist de put in de weg. Ze schaaft haar knieën, scheurt haar jurk, stoot haar hoofd tegen het stuur. Ze valt en blijft liggen. De sergeant kijkt niet meer, hij helpt de andere passagiers van het veer. Zij lopen Hannah nu voorbij. De vrouwen met de lege tassen fluisteren terwijl ze Hannah sluiks bekijken. De kinderen hollen als gekken de weg af, een van hen trapt op Hannahs hand. Enkel de ezel van de boerenkar houdt even halt om haar te besnuffelen maar zijn meester slaat hem met een zweep.
Hannah slaat het stof van haar kleren, maakt haar vlecht opnieuw en wil verder fietsen. Maar de ketting is losgekomen. Ze raakt de schakels aan – haar vingers meteen zwart van de olie. Ze kijkt om, maar het veer is teruggekeerd. De mooie sergeant kan haar niet helpen. Met de fiets aan de hand loopt ze de weg af. Door tegen het stuur te stoten heeft ze hoofdpijn gekregen. Af en toe voelt ze een steek van pijn en lijkt alle kleur uit de wereld weg te trekken. Goed dat ze op haar fiets kan steunen.
Wanneer ze bijna bij het dorp is, valt de eerste druppel. Eerst is de regen verfrissend voor Hannahs bonzende hoofd, maar dan wordt haar vlecht zwaar en plakt de jurk aan haar magere lijf. Ze versnelt, natuurlijk versnelt ze. Als ze nooit gestopt was, nooit had omgekeken, was ze er al geweest. Ze rent, de fiets aan de hand, haar sandalen pletsen op de natte weg. De mensen voor haar kijken om. Ze moedigen Hannah aan. Komaan, meid, je kunt het. Versla de tijd en schuil in het dorp! Het rennen windt haar op, ze voelt een blos op haar wangen, haar opengesperde mond vormt een lach. De geüniformeerde kinderen zingen een lied – Nooit meer nu, altijd later! –, de boeren met de ezelkar roepen iets over een snelle meid met snelle benen, zelfs de oude vrouwen knikken goedkeurend. Je kunt het, Hannah, je zal het halen! Maar dan: opnieuw die pijn, de flits die de kleur wegneemt. Ze moet haar fiets loslaten en smakt neer in de modder.
Ze hoort de donder die rolt en huilt, schudt en schatert. Voorzichtig opent ze haar ogen. Het is geen donder. Het zijn de mensen aan de dorpsrand. Ze lachen, ze wijzen naar Hannah en lachen. Ze kijken naar haar blote benen, haar vuile vlecht, haar onvermogen en bulderen. Tot de echte donder komt en boeren, vrouwen en kinderen het dorp in vluchten.
Hannah klautert recht. De fiets is stuk. Het dorp is te ver. De regen wist alles uit. Dan is er het huis – Hannah kijkt op – het huis voorbij de openstaande poort – Hannah wandelt er doorheen – het huis aan het eind van het pad vol glimmende kasseien – Hannah doet haar sandalen uit om niet uit te glijden – het huis waarvan de voordeur op een kier staat – Hannah gluurt – het huis dat warm is – Hannah gaat binnen en trekt de deur achter zich dicht.
Ze kijkt rond in de hal: de tegelvloer als een schaakbord, de in twee splitsende trap naar boven, de deuren met glas-in-lood decoraties, het modderige schoenspoor dat leidt naar een deurtje onder de trap. Hannah volgt het spoor en opent de deur: de keuken. In de hangende koperen pannen weerspiegelen vlammen. Ze gaat naar de haard en steekt haar handen uit. Langs haar vingers, polsen en ellebogen verspreidt de gloed zich door Hannah. Haar huid, haar haren, haar jurk, alles verdroogt en verhardt. Ze sluit haar ogen om het huis te horen. Regen en donder overstemmen het knetteren van de haard, het kraken van de houten kasten, het wiegen van de kroonluchter.
Hannah opent de volgende deur en komt in een eetkamer. Op tafel staat een bord met broodkruimels en een kop met koffiedik. Hannah opent een kast. Geen eten, alleen dekens. Ze slaat er een om haar schouders en zoekt verder: een rode appel, blauwe druiven, een geel stuk kaas misschien? Maar er is geen kleur in de kamer. De grijze tafel staat op arduinen tegels, het servies is glansloos wit. Door een raampje ziet Hannah de tuin. Bomen worden door de storm heen en weer geslingerd en door de bliksem slechts af en toe belicht: een reeks onscherpe foto’s. Ze opent de volgende deur.
Ze is nu in de gang tussen de achterdeur en de bediendentrap. Aan een haakje hangt een druipende regenjas, eronder staan vuile laarzen en versleten pantoffels. Hannah steekt haar klamme voeten in de pantoffels en gaat de trap op. Halverwege maakt de trap een bocht en vanaf hier is het donker. Op de tast waadt Hannah door duisternis en spinnenwebben. Het rag klit aan haar haren als een sluier. Op de overloop laat ze haar hand langs de muren glijden op zoek naar een lichtschakelaar, maar ze vindt enkel een deurklink. Ze drukt die naar beneden en betreedt een nauwe ruimte, niet meer dan een inloopkast. Ze stoot haar hoofd tegen het lage plafond. Vanaf nu moet ze voorovergebogen lopen. Door een vuile ruit werpt de storm nu en dan een bliksem. Bij elke flits staat ze dichter bij een stapel dozen. Ze opent de bovenste doos.
Oude zwart-witfoto’s. Onbekende mensen in onbekende tijden. De foto’s hebben mooie gekartelde randen, als immense postzegels. Het licht in het kamertje wordt zachter, de storm buiten is geluwd. Het huis wordt stil. Hannah houdt de foto’s dicht bij haar ogen, op zoek naar herkenning. Een bloem, mensen op een boot, een paard – of een ezel? Kromgebogen schuift ze op de pantoffels, bibberend onder het omgeslagen deken, haar haren grijsdooraderd door het spinnenweb. Ze stopt wanneer ze iets hoort. Ze gooit de foto’s in de doos en kruipt weg in de donkerste hoek van het kamertje.
Ik ga op mijn sokken de trap op. Hier kom ik niet graag: spinnen, de kapotte lamp, vocht in de muren. Maar juist daarom moet ik checken of de storm het niet erger heeft gemaakt. Het enkel glas moet ik eigenlijk laten vervangen. Straks eens kijken op de website van de jongens die het schuifraam in onze nieuwe keuken hebben gestoken. Voorlopig lijkt alles in orde. Die barst in het raam was er al, ik zie geen plassen op de vloer. Maar er moet toch wind zijn binnengekomen, want de deur van de berging staat open. Die oude fotodozen van moeder. Het deksel ligt op de grond, ik raap het op en hoor een kreun uit het donkere hoekje. Dat vond ik als kind de engste plek van het huis. Misschien is het maar vijf centimeter diep, maar evengoed is het een gat waarin je blijft vallen. Ik sta op met het deksel, stoot zoals steeds mijn hoofd en kijk dan in de doos. De wind heeft de foto’s door elkaar geschud. Bovenaan ligt een foto van een meisje op een fiets.
