R.F.G. Vandenhoeck

Teksten

Kaartenhuis

Ken je Spinvis, de Nederlandse zanger? Of band, daar is wat discussie over.  Ik ging naar een concert waar de band uit twee muzikanten bestond. De band bestond uit twee muzikanten, maar het was ongelooflijk hoeveel muziek ze maakten. Ken je Spinvis? Ik ging naar een concert waar ze met twee muzikanten een hele band leken. Ze werkten met loops. Ik ging naar een concert, waar ze met loops werkten. Ze speelden alles live, namen het ter plaatse op en maakten een loop. Waarna ze andere instrumenten namen en nieuwe lagen toevoegden. Echt knap. Ken je Spinvis? Ze werken met loops op hun concerten: eerst drums en bas, dan gitaar en keyboards. Twee muzikanten, maar ze spelen alles. Ze bouwen de muziek op in lagen. Je had erbij moeten zijn. Ik zat op de derde rij, ik kon het allemaal goed zien. Eerst speelden ze drums en bas, dat namen ze ter plaatse op en maakten zo een eerste laag. Ze werkten met loops. Daarna speelden ze andere instrumenten. Ze waren maar met twee muzikanten. Echt knap. Je had erbij moeten zijn. Hun teksten zijn ook bijzonder. Het lijken allemaal losse zinnetjes. Net zoals de muziek. De lagen en de loops. Ze bouwen het op met twee muzikanten. Het wordt telkens meer. Ik had twee tickets, maar ben uiteindelijk alleen gegaan.  Ken je Spinvis? Ik was graag met je naar hun concert gegaan. Het was echt knap. Ze bouwden hun muziek op met loops. Ze speelden met twee muzikanten alle instrumenten. Met pedalen en computers namen ze alles op. Ik kon het goed zien, ik zat op de derde rij. Je had erbij moeten zijn. De plek naast me was vrij. Ik had twee tickets. Ik hou ook van hun teksten. De teksten waren… hoe zeg je dat? Jij weet altijd het juiste woord. Associatief? Is het dat? Je had erbij moeten zijn. Ik had twee tickets. Ze waren maar met twee muzikanten, die alle instrumenten speelden. Ze bouwden de muziek op met loops. Laag na laag na laag. Echt knap. Als een kaartenhuis, een muzikaal kaartenhuis. Soms moesten ze opnieuw beginnen, als één van de loops niet goed zat. Als ze niet in hetzelfde ritme zaten. Maar ook dat opnieuw beginnen hoorde erbij. Het knapste nummer was Kom terug. Je kent het zeker, dat wordt ook op de radio gespeeld. Maar dan is het natuurlijk af. Terwijl op het concert… Ken je Spinvis? Weet je hoe ze het doen? Ze zijn maar met twee muzikanten, ze bouwen samen een huis, met loops. Eenvoudige melodieën, vaste ritmes, maar toch, samen wordt het… meer? Je had erbij moeten zijn. Ik had tickets op de derde rij. Je kon perfect zien hoe ze het deden met pedalen en computers. Alsof ze telkens opnieuw begonnen aan hetzelfde nummer, maar toch werd het groter en groter. Een huis, een kaartenhuis. Echt knap. Kom terug. De muziek is mooi maar op een bepaalde manier droevig. Ik weet niet hoe dat werkt, ik ken niets van muziek. Mineur-akkoorden of zo? Je had erbij moeten zijn. Ik zat op de derde rij. De stoel naast me was leeg. De muziek is heel… jij zou zeggen fragiel… ze bouwen het op met loops. Soms ging het mis. Misschien was het daarom een beetje droevig? Het is niet hetzelfde op de radio of cd of Spotify… Jij hebt natuurlijk de vinyl. Past er wel bij. Beetje retro, knutselmuziek. De teksten zijn ook erg knap. Net als de muziek. Ze bouwen op met laagjes, het lijkt niet samen te hangen en toch wordt het groot. Ze zijn maar met twee muzikanten, maar door alles juist te doen lijkt het een heel orkest. Eerst speelden ze gewoon drums en bas. Ritme, een eenvoudige melodie. Ze waren maar met twee. Toch lukte het. Ze werkten met loops, ik kon het perfect zien vanop de derde rij. Pedalen, computers, de stoel naast me was vrij. Alles moest kloppen. Als het misging begonnen ze opnieuw… en opnieuw… en nog eens als het moest. Tot de melodieën klopten met het ritme, en de teksten aansloten op de akkoorden. Droevig maar mooi. Mineur-akkoorden misschien. Ze speelden Kom terug. Je had erbij moeten zijn. De teksten zijn echt knap, echt iets voor jou. Zo subtiel, bijna onbegrijpelijk. Elke zin apart betekende niet veel, soms valt het zelfs in herhaling. Maar de opbouw, de herhaling, maakt er iets meer van, iets groter. Net zoals de muziek. Het is opgebouwd in lagen, zoals een kaartenhuis. Kom terug. Ken je Spinvis? Kom terug. Dat is hun mooiste nummer. Vind ik. Ik ging naar het concert, weet je, ik had twee tickets, maar je kon niet. Jammer, want het was echt knap. Ik zat op de derde rij. Ze werkten met loops. Ze bouwden hun muziek en teksten heel voorzichtig op, laagje per laagje. Ze lieten elkaar nooit los. Ze waren met twee muzikanten, ze namen de instrumenten live op. Je had erbij moeten zijn. Kom terug. 

R.F.G. Vandenhoeck
3 0

Hannah in zwart en wit

Ken je dat gevoel, wanneer je een oude zwart-witfoto ziet en er een verhaal bij verzint? Bijvoorbeeld deze jonge vrouw op een fiets, lach op haar gezicht, haren in de wind terwijl ze door de velden rijdt. In het landschap staan verwoeste boerderijen en uitgebrande legervoertuigen. De hemel – op de foto grijs, maar daar kijk je doorheen – is stralend blauw.  Hannah is onderweg naar het dorp. Maar ze ziet iets tussen het puin: een prille lentebloem die zich omhoog worstelt alsof ook zij jaren in schuilkelders verborgen zat. Hannah wil haar niet plukken, nee, dat zou wreed zijn, maar ze vertraagt om de rozerode en vanillegele blaadjes te bekijken. Zo gebeurt het: wanneer haar fiets snelheid verliest, verliezen de banden hun grip op de stoffige weg. Hannah slipt, ze wankelt en moet voet aan de grond zetten. Nu ze stilstaat, ziet Hannah de bloem, of wat ze dacht dat een bloem was: een gescheurd stuk kleding dat ritselt in de wind die door de ruïne waait. Geen bloem. Ze is voor niets gestopt. Verlegen kijkt ze rond. Over de weg lopen mensen met een kar, getrokken door een oude ezel. Ze schudden hun hoofden. Meisje toch. Je moet niet stoppen, er is geen nu, voorwaarts! Hannah trekt haar jurk recht, zet zich terug in het zadel en trapt alweer de toekomst tegemoet. De mensen met de ezelkar fluiten haar na. Dat is goed, toch? De brug is verwoest, maar soldaten hebben een veer aangelegd en Hannah sluit aan bij de rij: kinderen in versleten maar vers gestreken uniform, vrouwen met lege tassen en vale lippen, oude boeren die niet durven mopperen in aanwezigheid van de jonge soldaten. Een gebruinde sergeant steekt zijn hand uit om Hannah op het veer te trekken. Ze kijkt over haar schouder, bang voor de blikken, maar de vrouwen en de boeren vinden het helemaal goed. Ga maar voor, meisje, laat de tijd niet ontsnappen! Enkel de kinderen staan wat bedremmeld rond te draaien, maar zij weten niet beter. Hebben zij het verleden wel meegemaakt? In geen tijd is Hannah aan de overkant. Als eerste verlaat ze het veer. Wanneer de sergeant haar naroept, wendt ze lachend het hoofd en mist de put in de weg. Ze schaaft haar knieën, scheurt haar jurk, stoot haar hoofd tegen het stuur. Ze valt en blijft liggen. De sergeant kijkt niet meer, hij helpt de andere passagiers van het veer. Zij lopen Hannah nu voorbij. De vrouwen met de lege tassen fluisteren terwijl ze Hannah sluiks bekijken. De kinderen hollen als gekken de weg af, een van hen trapt op Hannahs hand. Enkel de ezel van de boerenkar houdt even halt om haar te besnuffelen maar zijn meester slaat hem met een zweep.  Hannah slaat het stof van haar kleren, maakt haar vlecht opnieuw en wil verder fietsen. Maar de ketting is losgekomen. Ze raakt de schakels aan – haar vingers meteen zwart van de olie. Ze kijkt om, maar het veer is teruggekeerd. De mooie sergeant kan haar niet helpen. Met de fiets aan de hand loopt ze de weg af. Door tegen het stuur te stoten heeft ze hoofdpijn gekregen. Af en toe voelt ze een steek van pijn en lijkt alle kleur uit de wereld weg te trekken. Goed dat ze op haar fiets kan steunen.  Wanneer ze bijna bij het dorp is, valt de eerste druppel. Eerst is de regen verfrissend voor Hannahs bonzende hoofd, maar dan wordt haar vlecht zwaar en plakt de jurk aan haar magere lijf. Ze versnelt, natuurlijk versnelt ze. Als ze nooit gestopt was, nooit had omgekeken, was ze er al geweest. Ze rent, de fiets aan de hand, haar sandalen pletsen op de natte weg. De mensen voor haar kijken om. Ze moedigen Hannah aan. Komaan, meid, je kunt het. Versla de tijd en schuil in het dorp! Het rennen windt haar op, ze voelt een blos op haar wangen, haar opengesperde mond vormt een lach. De geüniformeerde kinderen zingen een lied – Nooit meer nu, altijd later! –, de boeren met de ezelkar roepen iets over een snelle meid met snelle benen, zelfs de oude vrouwen knikken goedkeurend. Je kunt het, Hannah, je zal het halen! Maar dan: opnieuw die pijn, de flits die de kleur wegneemt. Ze moet haar fiets loslaten en smakt neer in de modder. Ze hoort de donder die rolt en huilt, schudt en schatert. Voorzichtig opent ze haar ogen. Het is geen donder. Het zijn de mensen aan de dorpsrand. Ze lachen, ze wijzen naar Hannah en lachen. Ze kijken naar haar blote benen, haar vuile vlecht, haar onvermogen en bulderen. Tot de echte donder komt en boeren, vrouwen en kinderen het dorp in vluchten. Hannah klautert recht. De fiets is stuk. Het dorp is te ver. De regen wist alles uit. Dan is er het huis – Hannah kijkt op – het huis voorbij de openstaande poort – Hannah wandelt er doorheen – het huis aan het eind van het pad vol glimmende kasseien – Hannah doet haar sandalen uit om niet uit te glijden – het huis waarvan de voordeur op een kier staat – Hannah gluurt – het huis dat warm is – Hannah gaat binnen en trekt de deur achter zich dicht. Ze kijkt rond in de hal: de tegelvloer als een schaakbord, de in twee splitsende trap naar boven, de deuren met glas-in-lood decoraties, het modderige schoenspoor dat leidt naar een deurtje onder de trap. Hannah volgt het spoor en opent de deur: de keuken. In de hangende koperen pannen weerspiegelen vlammen. Ze gaat naar de haard en steekt haar handen uit. Langs haar vingers, polsen en ellebogen verspreidt de gloed zich door Hannah. Haar huid, haar haren, haar jurk, alles verdroogt en verhardt. Ze sluit haar ogen om het huis te horen. Regen en donder overstemmen het knetteren van de haard, het kraken van de houten kasten, het wiegen van de kroonluchter. Hannah opent de volgende deur en komt in een eetkamer. Op tafel staat een bord met broodkruimels en een kop met koffiedik. Hannah opent een kast. Geen eten, alleen dekens. Ze slaat er een om haar schouders en zoekt verder: een rode appel, blauwe druiven, een geel stuk kaas misschien? Maar er is geen kleur in de kamer. De grijze tafel staat op arduinen tegels, het servies is glansloos wit. Door een raampje ziet Hannah de tuin. Bomen worden door de storm heen en weer geslingerd en door de bliksem slechts af en toe belicht: een reeks onscherpe foto’s. Ze opent de volgende deur. Ze is nu in de gang tussen de achterdeur en de bediendentrap. Aan een haakje hangt een druipende regenjas, eronder staan vuile laarzen en versleten pantoffels. Hannah steekt haar klamme voeten in de pantoffels en gaat de trap op. Halverwege maakt de trap een bocht en vanaf hier is het donker. Op de tast waadt Hannah door duisternis en spinnenwebben. Het rag klit aan haar haren als een sluier. Op de overloop laat ze haar hand langs de muren glijden op zoek naar een lichtschakelaar, maar ze vindt enkel een deurklink. Ze drukt die naar beneden en betreedt een nauwe ruimte, niet meer dan een inloopkast. Ze stoot haar hoofd tegen het lage plafond. Vanaf nu moet ze voorovergebogen lopen. Door een vuile ruit werpt de storm nu en dan een bliksem. Bij elke flits staat ze dichter bij een stapel dozen. Ze opent de bovenste doos. Oude zwart-witfoto’s. Onbekende mensen in onbekende tijden. De foto’s hebben mooie gekartelde randen, als immense postzegels. Het licht in het kamertje wordt zachter, de storm buiten is geluwd. Het huis wordt stil. Hannah houdt de foto’s dicht bij haar ogen, op zoek naar herkenning. Een bloem, mensen op een boot, een paard – of een ezel? Kromgebogen schuift ze op de pantoffels, bibberend onder het omgeslagen deken, haar haren grijsdooraderd door het spinnenweb. Ze stopt wanneer ze iets hoort. Ze gooit de foto’s in de doos en kruipt weg in de donkerste hoek van het kamertje. Ik ga op mijn sokken de trap op. Hier kom ik niet graag: spinnen, de kapotte lamp, vocht in de muren. Maar juist daarom moet ik checken of de storm het niet erger heeft gemaakt. Het enkel glas moet ik eigenlijk laten vervangen. Straks eens kijken op de website van de jongens die het schuifraam in onze nieuwe keuken hebben gestoken. Voorlopig lijkt alles in orde. Die barst in het raam was er al, ik zie geen plassen op de vloer. Maar er moet toch wind zijn binnengekomen, want de deur van de berging staat open. Die oude fotodozen van moeder. Het deksel ligt op de grond, ik raap het op en hoor een kreun uit het donkere hoekje. Dat vond ik als kind de engste plek van het huis. Misschien is het maar vijf centimeter diep, maar evengoed is het een gat waarin je blijft vallen. Ik sta op met het deksel, stoot zoals steeds mijn hoofd en kijk dan in de doos. De wind heeft de foto’s door elkaar geschud. Bovenaan ligt een foto van een meisje op een fiets. 

R.F.G. Vandenhoeck
2 0

Zelfportret met luchtfilter

Jezelf tegenkomen. Mensen zeggen dat op tv en in de krant, bekende mensen die weten waarover ze praten. Ik wil dat ook. De bekende mensen doen dat natuurlijk op spectaculaire wijze: ze beklimmen vulkanen of verdwalen in woestijnen. Ja, zo is het gemakkelijk. Maar daar heb ik geen tijd voor. Ook geen geld. En eigenlijk gewoon geen zin. Kan dat niet simpeler, dat jezelf tegenkomen? Je loopt bijvoorbeeld naar de winkel voor koffie en brood en plots, net het hoekje om, staat-ie daar: jezelf. Hallo, mezelf. Lang niet gezien, makker… Zoiets kan snel gênant worden, je weet hoe dat gaat wanneer je oude kennissen ontmoet. Na de handvol gezamenlijke herinneringen bloedt het gesprek dood. Tja, er is meestal een reden dat je elkaar zo weinig ziet. Maar jezelf? Jezelf! Daar moet je toch wat langer mee aan de praat kunnen. Al is het probleem hier andersom: wat vertel je aan iemand die alles al weet?  Hoe doen die bekende mensen dat op tv en in de krant? Ze worden geconfronteerd met fouten, misstappen, onverwerkt trauma. Daarvoor moet ik zelfs het huis niet verlaten. Gewoon de spiegel in de badkamer schoonvegen. Die dampt altijd te snel aan, ik zou eens naar de Hubo moeten om de luchtfilter te vervangen, maar dat doe ik niet. Stel je voor dat je jezelf tegenkomt tussen de afvoerpijpen en de gordijnkoorden.  Maar misschien, misschien, kan het ook anders. Dat je jezelf tegenkomt, maar niet helemaal jezelf. Een andere versie. Zoals men zegt dat er een oneindig aantal parallelle universa bestaat, zo moeten er toch ook wat B-, C- en D-versies van jezelf rondlopen.  Dan toch maar de straat op, ik ga de confrontatie aan. Op zoek naar mezelf. Wie is het? Die kromgebogen grijsaard met zijn looprek? Nee toch? Dat is eerder mijn toekomst. Oei. Die vlotte kerel met getrimde baard en maatpak. Ja, dat had ik kunnen zijn… als ik op 22 april 2016 niet in de BMW van mijn baas gekotst had. Of die stakker met muts en lompen die net uit een kartonnen doos klautert – ook dat zou een van mijn alter ego’s kunnen zijn. Stel je voor dat ik die kots toen niet had opgekuist maar weg was gerend, ver weg, heel ver weg… tot in het steegje achter het station, om daar tussen twee vuilniscontainers mezelf te liggen wezen.  Ik loop verder, verdoe mijn tijd niet met die neppers. Ik ben de enige echte. Ik heb op elke vork in de weg de juiste keuze gemaakt. Toen het meisje vroeg of ik mee ging naar haar studentenkamer, heb ik lang getwijfeld, maar toen het ochtendnieuws vertelde over de brand zonder overlevenden, wist ik dat ik juist gekozen had. Geen liefde, geen vuur. Zo hoort het. Of die keer dat ik het winnende loterijbiljet in mijn jeansbroek had laten zitten toen die in de kookwas ging. Een ramp, verloren miljoenen! Had je gedacht, maar enkele jaren later won een vrouw die daarna door haar minnaar gewurgd werd. Zo zie je maar weer. Geld maakt niet gelukkig. Ik loop verder, ja, maar waarheen? Toch maar die luchtfilter in de Hubo of wat was het ook weer? Koffie! Dat was het – en brood! Wat een dolle dag vol avonturen alweer, ik mag me gelukkig prijzen dat ik mezelf niet ben tegengekomen. Geen tijd voor die onzin vandaag. Niet vergeten straks de vuilnisbak buiten te zetten.  

R.F.G. Vandenhoeck
63 1

Vijf regels voor een rode nacht

Onze pa is weer aan het zeuren, of zoals hij het zou zeggen: zaniken. Of nee, welk woord gebruikte hij laatst? ‘Jeremiëren, jongen, dat is wat ik doe, zoek maar eens op in het woordenboek’ – en toen wees hij naar de boekenkast. Wat een malloot! En dat allemaal omdat, hou je vast, ik een schrijffout in een van mijn graffiti had gemaakt. Dat ik midden in de nacht in mijn hoody – capuchontrui, zegt hij natuurlijk – de straat optrek, nee, dat vindt hij niet erg. Dat ik door arcaden glip en staketsels beklim, slechts gewapend met een spuitbus vol acryl, butaan en rode verf, dat is gepermitteerd. Alleen maar rood, zeg je? Ja, dat is mijn ding, al varieer ik wel: terracotta, karmijn, bordeaux, marsala… of dat vette fluo van de lampen van Madame Trudy’s etablissement op de chaussee.  Maar nee, dat is allemaal okido voor meneertje de taalpuritein. ‘Spuit er maar vrolijk op los, jongen, glaceer de gestucte muren van de stad met jouw rocamboleske tags.’ Oké dan, pa, zal ik doen! ‘Maar,’ voegt hij eraan toe met verregaande vibrato in zijn stem, ‘houd je aan de regels!’ Ik rol mijn ogen als kristallijnen knikkers en keer hem de rug toe. Rugzak aan, kop in kap, de deur uit. Of toch niet? Pa legt zijn weke, weeë hand op mijn schouder. ‘Wat zijn de regels, jongen?’  Ik draai me om en zie de vijf opgestoken vingers van zijn andere hand.  ‘Ten eerste. Maak mooi wat lelijk is, verf alleen grijze muren en verroeste treinen, verberg vuiligheid en mankementen. Ten tweede. Laat je niet pakken, niet door de flikken, de smerissen of de klabakken.’ Drie keer hetzelfde, volgens mij, maar pa kickt nu eenmaal op synoniemen en synergieën. ‘Ten derde. Niet. In. Onze. Wijk.’ Hoor hem bezig, de hypocriete hypochonder. ‘Ten vierde. Nooit over het werk van een andere artiest.’ Ja, duh, dat is voor mij wel regel numero uno, de fundatie, het principale punt van alle graffiti. Maar hij denkt natuurlijk dat hij nu slim is, nadat hij een halfuurtje heeft gefacebookt. ‘En ten laatste maar niet ten leste?’ Hij hult zich in stilzwijgen. O, nu is het dus aan mij. Hij supprimeert met veel moeite zijn glimlach. We weten allebei wat er nu aan komt. De regel der regels, het nec plus ultra van elke kommaneu… excuseer, taalnazi. Enkel zijn pietepeuterige pinkje steekt nog omhoog. ‘Ja, jongen?’ ‘Geen dt-fouten, pa. Mag ik nu weg? De straat wacht niet.’ ‘Hmmm…’ Het pinkje hangt halfstok, geknakt maar niet gebroken. ‘All right, ik weet wat je wil horen. Het fokking schaap.’ Hij fronst zijn brauwen. Echt waar, is het nog niet genoeg? Nooit content, die oude vent. Hij wil me knikkebollend op de knieën. Hij wil me zo klein krijgen als die godverdomse gnomen. ‘De smurfen! Ik smurf, jij smurft, wij zijn gesmurft. Nu tevreden, o vroede vader?’ Ik kan ze niet uitstaan, die blauwe lilliputters, die witgemutste ukkepukken. Alleen die mini-Marx met zijn rode, wat zeg ik, scharlaken muts, kan ik wel appreciëren. Misschien zet ik die baas straks in volle glorie op de distributiecabine. Pa kan de smile niet langer van zijn facie houden. De fiere fetisjist. ‘Ga, mijn zoon. In de groove, boef!’

R.F.G. Vandenhoeck
20 1

DVW-A500

Toen we bij de televisie nog met tapes werkten, werd elke zomer een student ingehuurd om banden te wissen zodat we deze opnieuw konden gebruiken. Ik was in die tijd niet veel ouder dan de vakantiehulpjes en sloot dan ook snel vriendschap met deze eenzame stakkers die een hele zomer lang in een donkere cel zaten, de ene na de andere tape in de machine schuivend. ‘Zorg ervoor dat de band altijd contact maakt met de magnetische kop,’ was het voornaamste advies dat ik aan deze jonge collega’s gaf. Verder viel er niet veel uit te leggen. De tapes moesten volledig langs de magneet glijden, dus het wissen duurde even lang als de band. Zelf werkte ik toen als monteur van trailers even verderop in het omroepgebouw. Ik maakte filmpjes van 30 seconden waarin ik alle hoogtepunten van de komende tv-programma’s stak. Soms was het zoeken om die halve minuut te vullen. Maar ik amuseerde me wel, er waren leuke collega’s en ‘s middags namen we lange pauzes. Alleen de jongen uit de donkere cel kwam nooit mee, hoezeer ik ook aandrong (niet overdreven hard, moet ik toegeven). Hij had van de baas een hoeveelheid te wissen tapes per dag gekregen en om dit te halen moest hij permanent in contact met de allesverterende magneet blijven. Hij zag die zomer amper zonlicht en werd wegens zijn ongebruinde huid op den duur “de witte wisser” genoemd. Zijn echte naam vergaten we al voordat zijn contract afliep. Op een van zijn eerste dagen klopte de wisser aan bij mijn montagecel.  ‘Ik weet niet of ik bij u moet zijn,’ zei hij terwijl hij in de deuropening aarzelde, ‘maar ik zoek een scherm.’ ‘Waar heb je dat voor nodig?’ Ik had niet veel zin om op te staan – het was een kwartier voor de middagpauze. ‘Ik zou graag zien wat er op de tapes staat,’ zei hij stil. Hij keek naar zijn schoenen. ‘Ik weet niet of dat mogelijk is, maar ik zal de Zebra vragen of hij eens komt kijken.’ ‘Dankuwel…’ De woorden bleven langer in mijn cel hangen dan degene die ze had uitgesproken. Tijdens de middagpauze vroeg ik het aan de Zebra, een oudere collega die altijd afgewassen streepjes-T-shirts droeg. Het was een technicus van de oude stempel die nog elk apparaat kon openen en herstellen met de schroevendraaiers die aan zijn riem hingen. Hij leefde voor dit soort klusjes. Later die dag stak de Zebra zijn hoofd bij mij binnen met een brede glimlach tussen zijn grijze baard. ‘Ik heb de wisser in gang gezet! Hij kan nu elk beeld zien een halve seconde voor het voorgoed gewist wordt. Ik heb de leeskop in de tape-machine een beetje naar voren getrokken en daarop de output naar de monitor geschakeld. Je moet mij die DVW-A500 niet leren kennen…’ Hij ging nog even door over types kabels en de geschiedenis van de videotape maar ik was toen al niet meer aan het luisteren. Kort daarna begon mijn vakantie en toen ik terugkwam was de bleke jongen samen met de tapes gewist. Het maakte allemaal niet veel uit. Een tijd later leerde ik Sonja kennen en zocht ik een baan dichter bij haar. Mijn tv-jaren waren voorbij.   Vandaag bezocht ik met mijn zoontje de dierentuin. Het is het enige weekend van de maand dat hij bij mij is (Sonja’s moeder is advocaat). We bekeken de rode panda’s, de sneeuwtijger en andere spectaculaire dieren en haastten ons toen naar de uitgang. De kleine moest op tijd thuis zijn of Sonja zou woedend zijn. ‘Kijk, papa!’ riep het kind terwijl ik naar mijn horloge keek. ‘Paarden met strepen!’ Ik keek al lopend opzij en zag inderdaad de zebra’s maar mijn blik bleef hangen aan de verzorger die hun uitwerpselen bijeenveegde. Ik kende dat gezicht: het was de witte wisser. Ik stopte zo bruusk dat mijn zoontje tegen me aanbotste. De jongen, die nu geen jongen meer was en door het buitenwerk ook niet meer wit, had me ook herkend en liet de zebrastront even voor wat hij was.  ‘Wacht, ik kom,’ riep de nu gebruinde wisser en verliet het dierenverblijf via de beveiligde sluis. Ik kon niet veel anders doen dan wachten.  ‘Ken jij de meneer van de zoo, papa?’ vroeg mijn zoontje. Ik zag dat hij onder de indruk was. Dat, en het feit dat we nu sowieso te laat bij Sonja zouden zijn, maakte mijn dag goed. De witte wisser kwam tevoorschijn tussen het voortschuifelende publiek, veegde zijn rechterhand af aan zijn overall en stak die naar me uit. Ik schudde de nauwelijks propere hand. ‘Jij… hier… in de zoo,’ zei ik. Ik deed geen moeite om me zijn naam te herinneren. ‘Ja, gek hè? En jij, nog altijd bij de tv?’ ‘Nee, dat is lang voorbij.’ Onwillekeurig aaide ik het haar van mijn zoontje. De witte wisser keek even rond, als om te zien of niemand meeluisterde. ‘Heb je even tijd?’ vroeg hij. Ik dacht aan Sonja en zei ‘ja’. ‘Zijn er ooit problemen geweest met die tapes, je weet nog wel, die ik toen moest wissen?’ ‘Problemen? Hoe dan? Ben je toen ontslagen of zo?’ Ik rekende uit wanneer het ook weer was dat hij in contact stond met de magneetkop. Het was twee jaar voor ik stopte, dat was dus de zomer van ‘13. Een tijd van onschuld en geluk. ‘Ik heb toen een, hoe zal ik het zeggen, een rare ervaring gehad met die tapes.’ Ik besefte nu dat ik in ‘13 nooit veel met hem had gepraat. Wat wist ik eigenlijk van die kerel? Was het zo’n complotdenker? Straks kreeg ik nog een preek over de corona-vaccins. Ik keek opvallend naar mijn horloge. ‘Weet je, ik moet toch voort. Deze jongen moet op tijd naar bed.’ Ik wees naar mijn zoontje. De wisser scheen het niet te horen en ging door met zijn verhaal. ‘Ik had toen die monitor waarop ik de beelden kon zien voor ze vernietigd werden. Dat had die oude grijze met zijn streepjes-T-shirts geregeld. Ik wilde dat echt graag. Het was zo triest voor die tapes dat niemand ze een laatste blik gaf.’ ‘’t Waren toch maar tapes?’ ‘Ik bedoel de mensen die erop stonden. Het waren oude opnames van die bekende quiz uit de jaren negentig…’ Hij verwachtte dat ik de naam van het programma noemde, maar zoals veel mensen die bij de tv werkten, keek ik zelden naar dat onding. Ik liet de stilte vallen tot hij ze weer opraapte. ‘In het publiek in de studio zaten allemaal oude mensen, ze waren misschien al dood toen ik hen wiste,’ zei hij. ‘Tja,’ zei ik, ‘zo gaat dat.’ ‘Papa, ik moet naar de wc,’ zei mijn zoontje. ‘Ik vrees dat wij verder moeten, man.’ ‘Nee, kom maar mee. De personeelstoiletten zijn veel properder en weet je’ – hij richtte zich nu tot mijn zoontje – ‘dan kan je ook de baby-zebra’s zien.’ Hij gaf een knipoog. ‘Mag het, papa?’ ‘Oké dan.’ De witte wisser nam ons mee achter de schermen van de zoo, waar een penetrante dierengeur hing. Hij toonde de weg naar het toilet en mijn zoontje holde erheen. ‘Misschien beter dat hij dit niet hoort,’ zei hij nu met een ernstig gezicht. ‘Het waren niet alleen bejaarden die ik wiste. Koffie?’ Voor ik kon antwoorden, zette hij twee kartonnen bekertjes in een roestig koffieapparaat. ‘Hij is hier beter dan op de tv,’ zei hij. ‘Dat is niet moeilijk, dat spul was niet te zuipen,’ zei ik. We lachten, maar kort. ‘Op een dag zat tussen het publiek de buurman van mijn oma, een sympathieke oude vent die ik goed kende omdat ik zijn gras maaide.’ Dit verhaal ging nergens naartoe. Zodra het toiletbezoek voorbij was, zou ik vertrekken. Tot dan knikte ik en zei af en toe ‘hm-hm’. ‘Het voelde fout om Omer te wissen, maar ja, zoals jij zegt: het waren maar tapes. Maar toen ik ‘s avonds thuis kwam, hing mijn moeder met oma aan de telefoon. Omer had die middag een hartaanval gekregen. Onmiddellijk dood.’ Hij zweeg terwijl hij me aankeek. De wc werd doorgespoeld. ‘Vanaf toen kwam ik elke dag vroeger naar het werk, soms als het nog donker was.’ Dat verklaarde veel. ‘Zo had ik tijd om de tapes te bekijken – fast forward, natuurlijk – voor ik ze wiste.’ ‘De presentator en de BV’s stonden er toch ook op, en die leven helaas nog altijd,’ zei ik. Afronden met een grapje. Waar bleef mijn zoontje? ‘Ja, natuurlijk, ik ben niet gek, hè,’ zei hij, ‘maar misschien versnelde het iets wat er al aan zat te komen?’ ‘Zoals bij die buurman?’ ‘Of zoals bij de Zebra,’ antwoordde hij razendsnel. De Zebra? Wat had die ermee te maken? En waar zat die kleine? Ik riep zijn naam, maar het enige antwoord waren dierengeluiden: gehinnik, gegrom. ‘Hij is naar de baby’s,’ antwoordde de witte wisser op mijn niet gestelde vraag en ging meteen verder: ‘De Zebra, ja. Een van de tapes was jullie personeelsfeest, de barbecue aan het begin van de zomer. De studenten waren niet uitgenodigd. Ik snap wel waarom die zo snel gewist moest worden. De Zebra die op tafel danste, jij met Ella van de boekhouding… Is zij de moeder?’ Hij draaide zijn hoofd in de richting van de dierengeluiden. ‘Oké, vriend, het was leuk om wat herinneringen op te halen, maar nu is het genoeg. Waar is mijn kind? Ik wil weg.’ ‘Geduld… nog koffie?’ ‘Nee.’ Ik gooide mijn verfrommelde bekertje naast de vuilnisbak om mijn punt te maken. ‘Toen ik de tape van jullie gore feestje wiste, weet je wat er toen gebeurde? Een van de grote lampen in de studio kwam los, en je raadt nooit wie er net onder liep?’ Hij moet de angst in mijn ogen gezien hebben, want hij grijnsde kort voor hij verder sprak. ‘De Zebra, natuurlijk, op slag dood. Maar toen was jij op vakantie met weer een andere griet.’ ‘Ik dacht dat die met pensioen was? Wat ben jij hier eigenlijk aan het vertellen? Ik ga mijn zoontje halen.’ Ik liep de gang in waarin het kind was verdwenen. ‘Voorzichtig,’ hoorde ik achter me, ‘je kunt niet zomaar elke deur opentrekken. Hier zitten niet alleen zebra’s.’ Ik draaide me met een ruk om. ‘Stop met die flauwekul, gast! Geef mijn kind en laat me gaan!’ ‘Toen vijf jaar geleden de inboedel van de omroep werd geveild, ben ik teruggegaan. Ik herkende de tape-machine meteen. De sticker met het zenderlogo die half afgescheurd was, de slordig gesoldeerde kabel, ja dat was mijn bakje. Ik heb het gekocht voor 99 euro.’ Hij opende de metalen kast naast het koffieapparaat. Daar stond de DVW-A500. De lichtjes op het toestel brandden, een zacht gezoem sidderde door de kast. ‘Ik heb de beveiligingscamera’s erop aangesloten,’ zei hij en wees naar een plastic koepel die boven de deur hing waardoor ik was binnengekomen. ‘Jij en je kind staan erop.’ ‘Godverdomme, vent, waar ben jij mee bezig?’ Ik greep hem bij de kraag van zijn stinkende overall. ‘De machine loopt,’ zei hij, ‘alles wordt gewist.’ Ik duwde hem opzij, trok een van de deuren open en riep de naam van mijn zoontje. Het was een bezemhok. ‘Ella was mijn zus, weet je.’ De tweede deur was de verlaten wc. ‘Ze was zwanger. Van jou, op de barbecue.’ Uit de derde deur kwam een vreselijke geur van dieren en stront. Het was er donker, ik zocht naar de schakelaar. ‘Ze ontdekte het tijdens je vakantie en is toen op de zendmast van de omroep geklommen.’ Het licht ging aan: een miezerig peertje verlichtte de kamer, of was het een kooi? Ik liep in een plas, geel, stinkend. ‘Mijn eigen schuld, zeker?’ klonk de witte wisser uit de verte. ‘Ik had haar ook gewist op de tape van het feestje.’ Dieper in de kooi, waar het licht niet kon komen, klonk een diepe grom samen met een klaaglijk janken. ‘En nu jullie twee… ik ben benieuwd.’ Ik ging de duisternis in.  

R.F.G. Vandenhoeck
21 1

Het gevierde viertal

Zij kwamen uit de vier windstreken voor het festijn aan het begin van de herfst. Over stad en land weerklonken klaroenen en bazuinen en veelkleurige vaandels kronkelden boven de wallen als duivels in wijwater. Ridder Ferguut gaf zijn zwarte hengst de sporen om als eerste bij de valbrug af te stijgen. Met zijn uit duizenden herkenbare bariton liet hij zich bij de vorst aankondigen. Kort na hem verscheen vrouwe Agete, gehuld in een karmijnrode kaproen. Zonder haar stem te verheffen betrad zij de stad, de wachters aarzelden niet om deze vermaarde speelvrouw met haar onafscheidelijke schalmei door te laten.  Als derde meldde zich de nar Esmoreit met zijn stoet van dobbelaars, messenwerpers en vaganten. Esmoreit, gevreesd voor zijn spot die scherper was dan het kromzwaard van de Turk, zat achterstevoren op een ezel en riep met schelle stem: Waar is toch die stad? Ik hoor trompetten maar dit spookachtige oord blijft onzichtbaar! Bij zoveel gein kletste zijn gevolg zich op de billen, hinnikend als drachtige merries. Later, toen de schemer zich als fluweel over de puntige daken van de stad voegde en de poortwachters hun laatste ronde deden, verrees in het westen, als silhouet voor de ondergaande zon, de vierde genodigde: de waarzegster Clementia. Gezeten op de bok van haar huifwagen, voortgetrokken door twee gemarmerde schimmels, richtte zij haar vorsende blik op de stad die reeds in de klauwen van de nacht lag. Zij wist wat haar te wachten stond, en dat er geen ontkomen aan was. De stad vrat, de stad zoop, de stad zwelgde – de ganse nacht tot aan het ochtendgloren. Zwijnen gevuld met zwanen, zwanen gevuld met forellen, forellen gevuld met kwartels, het kon niet op, neemt bij, er is genoeg voor eenieder, verordende de heer. Ferguuts stem werd zwakker door het gagelbier; Agete kon haar schalmei niet langer bespelen door het spijsvet in haar keel; Esmoreits gelach was overgegaan in geboer dat de bellen op zijn kap deed rinkelen; slechts Clementia nam niet deel aan de schranspartij, zij dronk een kruidenbrouwsel van foelie en kardemom en wachtte op het onvermijdelijke. De dageraad diende zich aan door kieren in luiken en deuren, en de vorst overzag het gelag. Nu kon het echte feest beginnen! Met één gebaar – zijn linkerhand flikkerde kort in de gloed van de fakkels – zette hij zijn getrouwen in beweging. Drie vadsige onwetenden en één heldere alwetende werden de banketzaal uitgesleept. Op het voorplein gleed de eerste zonnestraal over het versgeslepen blad van de bijl. De beul stond paraat op het schavot, uit de gaten in zijn kap glommen gele ogen en gele tanden. Zoals vorig jaar? vroeg de wreedaard. Nee, zei de heer, vierendelen!

R.F.G. Vandenhoeck
29 1
Tip

Koers in ‘t dorp

We moesten sneller zijn. We moesten als gekken door de grauwe steeg rennen voordat het peloton draaide aan de oude maalderij. Bij de vorige ronde kwamen we te laat in de Maria Sterckxstraat en zagen we enkel nog de gelosten, de achterblijvers, de sukkels. Met die mannen wilden we niks te maken hebben. Deze keer moesten we rapper zijn. Jokke struikelde in de steeg maar Dafkes trok hem mee. Wij lieten niemand achter. Daar was het licht, aan het eind van de grauwe steeg, maar godverdomme, we zagen de eerste fietsen al. De titanium frames weerkaatsten de onzichtbare zon tot op de mossige keien van de steeg, recht in onze ogen. Godver… Omkeren! Onmiddellijk naar de Vlooikenslei, langs de koer van bakkerij Vleesbuyk. Dat moest toch lukken. De was hing uit op de koer. Tuur snokte hem opzij, een paar witte slipjes vielen op de vuile stenen. ‘Hé, moeten we dat niet oprapen?’ vroeg ik. ‘Kop toe, Makke!’ En we waren weer weg, op naar de Vlooikenslei. Zweet in de nek, kramp in de kuiten, maar ditmaal zouden we het halen. We zagen de vadsige ruggen en de roestige nadars, maar er was nog geen onrust. Enkel spanning. De renners moesten nog komen. We smeten ons tussen de ruggen en tegen de nadars en daar waren ze! Was het de afstand, het tegenlicht, onze eigen uitputting? Dat wisten we niet, maar het leek dat de kopgroep – die eerste zeven, acht met hun voeten in de trappers geklemd – in slow motion de bocht nam, als om ons te belonen voor onze inspanning. Toen werden ze de straat in gekatapulteerd en schoten sneller voorbij dan onze koppen en oogballen konden volgen. Maar hem zagen we wel, onze held, in voorlaatste positie: De Smyter. We riepen, brulden, tierden zijn naam naar zijn gekromde rug en lycra achterwerk. Ha, hij hield zich in, natuurlijk, spaarde zijn krachten voor de laatste ronde. Goed bezig, Smyterke! En nu? Binnendoor, langs de school naar de brug, dan konden we ze van boven zien. Ja! Goed idee! Van wie? Dafkes natuurlijk. Lopen, mannen! We klommen over de poort, een twee drie en voort, komaan! Shit, Jokke was weer gevallen. Alles oké, gast? Ja ja, wij gaven niet op, wij waren zoals De Smyter. In volle vaart over de speelplaats, alleen Tuur bleef even achter. Wat nu weer? Hij had een losse kei gevonden en gooide die door een ruit. ‘Stomme rotschool!’ Lachend, de bek helemaal opengesperd, sloot hij weer aan. ‘Was dat nu nodig?’ vroeg ik. ‘Kop toe, Makke!’ We waren bijna op tijd. De eerste drie zaten al onder de brug. Eerste drie? Ja, de rest was gelost, de volgende drie zagen we nu komen, en daarachter… ‘t was niet waar… Komaan, De Smyter! Laat u niet doen, Smyterke! Zijn lijf was gespannen als een boog, zijn neusvleugels stonden helemaal open. Hij had nog over, ja, maar mocht niet meer te lang wachten. En zag je dat? Wat? Rond zijn oren? Nee, wat? Hij begon grijs te worden. Daar moesten we even van bekomen. De Smyter grijs? Ja, en dan, bij sommige mannen begon dat vroeg. Andere werden snel kaal, hè, Jokke? Maar we verloren tijd, weg van die brug, of nee, de brug over, we moesten de spoorlijn volgen, dan waren we direct bij de maalderij. Was dat niet gevaarlijk? Gast! Als ‘t koers in ‘t dorp was, werd de spoorweg afgesloten, net zoals de andere wegen. Niemand kon erin of eruit op een dag als vandaag. ‘Zeker dat er geen trein rijdt?’ vroeg ik. ‘Kop toe, Makke!’ We renden tussen de spoorstaven, bij elke stap voelden we de stenen door de dunne zolen van onze schoenen. Ballast, zo heetten die stenen. Wie zei dat? Wie wou er de slimme uithangen? Geen zever nu, mannen, we moesten op tijd aan de maalderij zijn. Het was de laatste ronde! Auw! We keken om, maar dat was niet nodig, we hadden het kunnen weten. Jokke was achter een van de bielzen blijven hangen en lag nu met zijn smoel tussen de andere ballast. We keken voor ons: de maalderij. We konden het nog halen. Achter ons: Jokke, die recht krabbelde. Het lukt wel, jongens, niet wachten, denk aan De Smyter. Niks ervan, we pakten hem samen op en trokken ons weer op gang. Rond de maalderij hing, zoals altijd, een dikke stofwolk. Tussen de bakstenen torens zocht een duif haar weg door de bleekgele mist. De zon kwam er amper door, net genoeg om de witte finishlijn op te blinken. We waren op tijd! Vanop de spoorheuvel hadden we een perfect zicht. High five! We hoorden het peloton komen, we voelden het in onze lijven. Nee, dat was iets anders. Dat was… dat was… gezoem van de sporen, geknetter van de bovenleiding. We keken naar elkaar. Wie had gezegd dat er vandaag geen treinen reden?  De afrastering tussen het spoor en het talud was zeker twee meter hoog. Moest lukken! Bovenaan zat prikkeldraad. Zou ons niet tegenhouden! Maar hoe kregen we Jokke erover? Godver… En als we ons nu gewoon tegen de draad duwden, dan konden we de finish toch nog zien? We keken naar elkaar, naar de ballast, de sporen die al leken te bewegen. Nee, dat konden we niet maken. Jamaar, De Smyter, hij zou zometeen uit de mist komen. Hiervoor hadden we het toch gedaan? Jokke beefde. Was het pijn, angst of de trilling van de sporen? Zijn mond ging open maar hij zei niks. ‘t Was zijn schuld. ‘We moeten het spoor oversteken en langs de andere kant naar beneden,’ zei ik. ‘Kop toe, Makke!’

R.F.G. Vandenhoeck
118 2