De vergeten schrijver?

24 aug 2026 · 8 keer gelezen · 0 keer geliket

In de kringloopwinkel “De Loods” te Maastricht vond ik voor 1 EUR een boek van Jeroen Brouwers. Hij is voor mij een halfgod binnen de Nederlandse literatuur. Dit boekje had ik nog niet: Winterlicht, met een zijvakje binnen op de verharde voorkant waarop de samengevatte info staat van een bibliotheek te Gulpen. Op de eerste pagina prijkt in lichtblauw gedrukt “Afgeschreven”. 

Het ironische is dat het boek net gaat over een auteur (een ik-verteller en alter ego van de auteur) die werkt als lector voor een uitgeverij en daarbij de oudere miskende auteur Jacob Voorlandt leert kennen. Het werk gaat daarbij over schrijvers die nooit echt doorgebroken zijn en over zijn angst om zelf een vergeten auteur te worden. Het niet-eeuwige en het eeuwige vormen hierbij met zijn dromen, personages en geschreven impressies een deel van het boek en zijn verhaal. 

Hij spaart hierbij noch de uitgeverswereld en de mens en diens kijk op het schrijverschap, noch de schrijver zelf, wentelend in zelfbeklag. Waarbij hij zichzelf op de korrel neemt en in toekomstvisioenen ziet hoe hij wel eens zou kunnen eindigen, net als de schrijver die hij volgt: Jacob Voorlandt. Het beangstigende is dat sommige van de uitspraken van de verbitterde schrijver die hij ontmoet zo juist  aanvoelen:

“Wie wil schrijven moet uitsluitend schrijven (…) alles wat hij doet of meemaakt in het teken stellen van het oeuvre dat hij maakt, zijn hele leven lang, en het beschouwen als zijn lot dat hij niet kan ontlopen en overigens tot in de uiterste consequentie ook niet wil ontlopen, - dàt is een schrijver.”

Hij laat het personage dit vertellen aan de ik-figuur, die hem als een soort mentor aanvuurt om uit de uitgeverswereld te stappen en zich volledig toe te leggen op het schrijven. Iets wat hij hem vertelt  terwijl deze zelf dronken wegkwijnt, alleen en ergens ver weg van de rest van de wereld. 

Wat hij hem vertelt is een herkenbaar gegeven, mits je zo effectief kan overleven en toegevingen doet, met de nodige broodschrijverij, inspelend op wat men je vraagt, aanbiedt en wat net in die periode hip is om over te schrijven. Niet helemaal mijn weg, maar het klopt wel: erken wie je in wezen bent en organiseer je leven daarnaar – met wel deze grote maar die ik daarachter plaats – maar laat ruimte over zodat je niet verengt en in vergetelheid geraakt. Of is dit laatste mijn grote angst die opspeelt na het lezen van dit werk? 

Goed, de (vergeten) schrijver dus. Hij is voor mij meer dan een mannetje dat hele dagen achter zijn schrijfgestoelte zit, een schrijver moet ook buitenkomen, ontmoeten, beleven en inspiratie opdoen om het tot zich te nemen, om als flexibel wezen diens schrijverij te heruitvinden en te kunnen getuigen van de wereld zoals die nu is. Dat naar buiten gaan moet in balans zijn met het schrijven, het mag geen vlucht zijn van wat het in essentie hoort te doen.

Zoals je leest, inspireert dit boek ook mij. Het is een metaboek omdat het personage dat hij beschrijft als een spiegel voor hem en de lezer dienst doet. Tegelijk druipt de ironie ervan af, hij is zelf een gevierd auteur en zeer begenadigd schrijver, waarvan een werk ergens in de kringloopwinkel ligt; verzeild geraakt vanuit een bibliotheek die om de zoveel tijd boeken afschrijft. Terwijl ik, een onbekend schrijver – die niet schrijft om eeuwig te blijven, maar omdat ik nu eenmaal niet(s) anders kan – het vind en zo verheugd ben over de inzichten omtrent het schrijven. 

Ik licht er hier nog een ander mooi citaat uit, waarin het ik-personage uitlegt waarom hij zelfs ‘s nachts zijn dromen opschrijft, iets wat ik ook doe als het intens is en in grote beelden blijft hangen: 

(…) een droom die men opschrijft, is daarna opgehouden een droom te zijn: - door de droom te reproduceren heeft men een tekst geproduceerd. Wat vervolgens blijft bestaan (zolang het niet wordt vernietigd) is niet de droom, maar de geproduceerde tekst, ‘het geschrevene’: een tot werkelijkheid gemaakt feit, dat afkomstig is uit een onfeitelijk nietbestaan, waar werkelijkheid bestaat uit onwerkelijkheid. Dit is het wezen van literatuur.”*. 

Eigenlijk zou je heel die pagina moeten lezen, want hij vertelt over wat autobiografisch is en tegelijk fictie wordt en daarbij een nieuwe werkelijkheid aanneemt. Waarbij de schrijver exploreert, en niet bezig is met verhalen vertellen, want dat metier is overgenomen door de (toen televisie) media van nu en heel binnenkort voor een groot deel door AI, maar dat is geen literatuur, niet zoals het ik-personage en J. Voorlandt bedoelen.  

En ja, wie wil er nu niet vereeuwigd worden als kunstenaar? Dat is jouw erfenis, dat is wat je nalaat en al zeker als je zelf geen nazaten hebt. Nochtans mag wat je creëert evengoed een plezier zijn onderweg, omdat je het graag doet of omdat je van verhalen houdt, zonder meer, en het kan een tijdsdocument zijn en niet meer dan dat. In een zeldzaam geval kan het uitgroeien tot net die grote literaire roman die een hap uit de eeuwigheid bijt, maar je weet niet wat de lange termijn brengt. Het kan even snel zoek geraken ergens in een stoffige rommelruimte en niet ontdekt worden, niet afgestoft en onder het daglicht gebracht worden, en net als duizenden andere boeken verdwijnen. Of zoals het nu gaat van hun kaft ontkleed, de rand weggesneden, als wees onthoofd en ingescand door een machine die dan weer andere would-be schrijvers adviseert hoe het moet, maar jouw naam, koud zweet en tranen die verdwijnen, tenzij, tenzij het nog even in het licht komt door een andere verbeten schrijver spittend in een nog net bestaand archief wat ooit een boekenwinkel was of een archeoloog van het woord die het in een multimediacomplex vindt, deel van wat ooit een bibliotheek was, op zoek naar de oorspronkelijke woorden van de schrijver zelf. 

En zo blijf je nog even, tot je verstuift in het licht van de eeuwigheid, het onmetelijke van het universum waarvan soms een restje nazindert, het plankton dat nog ergens bleef kleven, omdat het goed genoeg was, mooi en inspirerend genoeg om te blijven, en al de rest… Misschien is dat net de troost, dat hoe groots je het zelf ook ziet, en hoe hard je er ook onder zwoegt, je je niet zo druk moet maken, want enkel de eeuwigheid zelf is eeuwig.

Behalve hij, de schrijver, en de persoon die hem telkens opnieuw ontdekt. 

 

*Jeroen Brouwers, Winterlicht. p. 12 en p. 116  (1984) – kort verschenen na De laatste deur, met essays over zelfmoord in de Nederlandstalige letteren (1983).  

 

Geraakt door deze tekst? Maak het hartje rood of deel de woorden met je vrienden.

Zo geef je mee een stem aan de woorden van deze schrijver.

24 aug 2026 · 8 keer gelezen · 0 keer geliket