Een papa voor mij

14 apr 2026 · 18 keer gelezen · 1 keer geliket

Soms begint een verhaal met een naam die ge niet moet verzinnen.

Emile. We zullen hem gewoon Emile noemen. Dat is het gemakkelijkst. Want zo heet hij ook. En zijn familienaam smaakt naar chocolade, maar als we daar nu op ingaan, geraken we nooit tot aan de bakker.

Ik lag te slapen op de zetel. De avond hing nog in mijn mond. Rode wijn, een beetje te laat gaan slapen, een lichaam dat nog niet helemaal mee was met de ochtend. En dan voelde ik het. Geen geluid eerst, maar aanwezigheid. Zo’n kleine aanwezigheid die zich groot houdt. Hij kwam op zijn kousenvoeten naar mij geslopen.

Half acht. En ja, het mocht. We hadden dat afgesproken. Wij twee. Naar de bakker. Zijn mama en zijn papa moesten dat niet weten. Ons geheimpje.

Ik sprong recht. Jeans aan. Dikke trui. Geen spiegel, geen plan. Gewoon vertrekken. De kou in, de straat op, de Bredabaan over. Zo’n ochtend die nog niet beslist heeft wat ze wil zijn.

Emile babbelde honderduit. Dat doet hij altijd. Emile heeft veel woorden. En hij deelt ze gul met mij. Over Louise in zijn klas. Over dat ze volgende week over het bos gaan leren. Over tekenen, dat hij dat graag doet, maar dat zijn zus dat eigenlijk beter kan. Dat laatste zei hij zachter. Alsof hij dat niet helemaal wilde weten.

En dan werd het stil. Zijn handje in de mijne. Koude wind in ons gezicht. Auto’s die door plassen rijden. De geur van diesel in het ochtengloren zoals je dat alleen in de stad kan ruiken.  Ik voelde het nog voor hij het zei. Zo’n vraag die eerst in een lijf zit en dan pas in woorden.

“Waarom heb jij geen papa, Katrien?”

Het ging niet over mijn vader. Dat wist ik meteen. Het ging over een man. Over een plek naast mij. Over een leegte die blijkbaar zelfs voor kinderen zichtbaar is.

“Ik had eens een papa,” zei ik.
“Maar die woont nu in een ander huisje. Omdat hij me niet meer zo graag ziet.”

“Ah,” zei Emile.
“Oh jammer.”

En we wandelden verder. Sommige dingenmoet je gewoon naast u laten stappen. Hoe dichter we bij de bakker kwamen, hoe sneller hij ging. Hij geloofde volgens mij dat verdriet iets is dat ge kunt inhalen met suiker. Zijn woorden kwamen terug. Koeken met chocolade. Met crème. Met pecannoten. Hoeveel per persoon?  Of ik wel genoeg centen mee had? En of we het gingen doen zoals anders?  "Natuurlijk nemen we een geheime koek voor onszelf onderweg, Emile." 

De bakkerij was warm. Vol volk. Zondagochtend in zijn meest eerlijke vorm: te veel mensen in te dikke jassen, kinderen met plakkerige neuzen, een rij die net traag vooruitgaat en veel geuren. Gelukkig kon die van 'vers gebak' die van 'nog niet gewassen' overstijgen. 

Ik bestelde. En natuurlijk ook onze extra koek voor onderweg. We waren niet voor niets als eerste opgestaan.

Buiten, ergens tussen deur en stoep, beet hij al zijn eerste stiekeme hap. Dat was echt ons moment. 

En toen stopte hij. Hij keek mij aan. Serieus. Zoals alleen kinderen dat kunnen. Zonder ironie. Zonder reserve.

“Ik vind het zo erg dat je geen papa hebt,” zei hij.
“Maar weet je… als jij nu stopt met jarig zijn, en ik probeer elk jaar twee keer zo snel te groeien… dan kan ik toch jouw papa worden.”

Ik zei hem dat dat misschien wel een idee was om over na te denken.

Nu zijn we jaren later. De kleine Emile is verdwenen. Of nee, hij zit ergens verstopt in een jongen die plots schouders heeft. Blond. Knap. Waarschijnlijk al eens gekust. Misschien al eens zijn hart een beetje kwijtgespeeld.

Ons groeiplan is mislukt. Ik ben blijven verjaren. Hij is niet snel genoeg gegroeid. Maar soms, als ik langs een bakker wandel op een zondagochtend, denk ik eraan.

En vraag ik me af, heel even maar,  of hij nog altijd mijn papa wil zijn.

Geraakt door deze tekst? Maak het hartje rood of deel de woorden met je vrienden.

Zo geef je mee een stem aan de woorden van deze schrijver.

14 apr 2026 · 18 keer gelezen · 1 keer geliket