We leven eierig.
We worden warm gehouden
door wie ons zijn vleugels leent.
We breken maar beter niet te vroeg.
Het kuiken in ons kiest zelf zijn uur.
We leven drakerig.
De draak legt haar eieren.
Iets groots komt eraan.
Het drakenei
groot en roerloos,
een stille bom.
Niet langer onder haar vleugels;
de draak al weggevlogen.
Ze rolt ons haar eieren toe,
te zwaar voor onze handen.
Wij, zonder vleugels,
en toch vertrouwt ze ons.
Daar zitten we dan,
haar eieren in onze schoot,
klaar voor een
draak
van een leven.
