Waar woorden ontbreken,
zou kunst ontstaan.
Dat beweerde Victor Hugo althans.
Wie wél woorden vindt,
maakt dus geen kunst.
Wie wil nu schrijver zijn.
Minder woorden,
meer daden.
Tekenen is geen optie:
ook met mijn tong uit mijn mond
lijken mijn lijnen op een EEG
die panikeert.
Zelfs mijn hond
kijkt weg,
liever een hond
die beleefd wegkijkt
dan een hond
die een stok brengt
en denkt
dat hij mijn kunst helpt.
Schilderen brengt me in de war:
ik verdwijn in dat doek.
Voor ik het weet
zit ik vast
in de 16de eeuw,
tussen mannen met kragen
en vrouwen met baarden.
Kom daar maar eens van terug.
Beeldhouwen doe ik niet:
hamers vinden mij sneller
dan ik hen,
nu ze me herkennen
van een andere
mislukte hobby.
Om woorden
zit ik nooit verlegen.
Ze pletten geen vingers,
sturen me niet
naar de renaissance,
laten me niet achter
als een mislukte tekening.
Woorden zijn
mijn handlangers,
ze worden kunst
zodra ik vergeet
wat kunst hoort te zijn.
Misschien
word ik zo toch nog
kunstenaar,
en neemt mijn hond
me eindelijk serieus.
(foto Pixabay)

