Ik zat eens op een boot van Kiel naar Oslo. Het einde van juli naderde en hoewel er al twee hittegolven waren verstreken, droegen vele opvarenden een lange jeans en windjack. We zaten in een zomerdip waarop de meesten zich voorzien hadden. Ik hoorde daarbij.
Voor me op het zonnedek zaten drie Duitsers. Leeftijdsgenoten schat ik. Hij die het hoogste woord voerde had een manbun. Brusselmans zou het beschrijven als een welgekleide keutel. Zijn lange neus ondersteunde een pilotenbril die hij in zijn relaas al te vaak achteruit duwde. Bij regelmaat boetseerde hij zijn manbun om compactheid te behouden. Dat is belangrijk. Een ongehoorzame lok verdween achter zijn oor terwijl de andere hand een halve liter pilsbier omklemde. De man had er voor gekozen zich in een roze flamingo zwemshort te hijsen en een marineblauw linnen hemd niet dicht te knopen. Strandpantoffels van Tommy en witte enkelsokken met een poema op volstonden om zich voort te bewegen. Ik moet de wind dankbaar zijn die enkele woorden in mijn richting blies. Spaß en Confucius. Met nadruk op de u of oe zoals men meermaals uitsprak. Ook retrospectief, single vrouwen, vreemde mensen, ja! en ik ben tolerant verdwaalden in mijn richting.
Ondertussen passeerde een ontblote bierbuik om een kijkje te nemen aan de reling. De elastiek van ´s mans boxershort titelde CHAMPION. Schoenen droeg hij niet. Een hongerige zeemeeuw vloog zich net niet te pletter toen hij de speklaag zag.
De Duitsers schoven hun stoelen dichter bij elkaar en werden luider. Het opperhoofd had zonet drie verse halve liters gehaald die zijn volgelingen met gul gelach onthaalden. Ook de frietgeur die zich met de opkomende wind over het intussen zonloze zonnedek verspreidde, leek het testosterongehalte te voeden. Als op commando stond het drietal op, goot wat nog restte in één teug naar binnen en verdween in de krochten van het schip.
Ik ritste mijn jas dicht en trok mijn pet strakker om mijn hoofd. Op weg naar Noorse koelte.
