Vastgereden in de vicieuze cirkel rond Brussel, hing ik aan de lijn met mijn goede vriend Karel, die nauwelijks de hoofd- van de bijzinnen kon onderscheiden. Zo uitgelaten heb ik dit mannetjesdier allang niet meer gehoord. Ik meende op de achtergrond zijn voeten te horen die elkaar achtervolgden in een vreugdedans rond de keukentafel.
"Je moet onmiddellijk naar hier komen. Eveline en ik hebben iets te vieren", klonk het uitgelaten.
"Wat dan? Vertel", riep ik terug, maar ik moest helaas vroegtijdig afdrukken. Een gemotoriseerd zwaantje stond stil naast mijn wagen. Zijn blik liet me verstaan dat hij me het gesprek zou aanrekenen. Ik probeerde nog snel contact te krijgen met mijn middelvinger, maar helaas stond die al ongevraagd omhoog. Na een grondig onderzoek van mijn autopapieren en een blaastest reed ik eindelijk de snelweg naar Limburg op.
Tegen die tijd bleek de mist zo dik gezaaid dat je er gemakkelijk de gaten in het wegdek mee zou kunnen vullen. Stapvoets verkeer was mijn deel. De autoradio bracht ondertussen slecht nieuws voor doodbrave mensen zoals u en ik, die zich in hun zoektocht naar geluk aandelen hebben laten aansmeren.
In totale duisternis belde ik aan bij het huis van Karel en zijn vrouw Eveline. Boven de straatlampen had de maan de kleur van een koffievlek. Eveline deed open. Aan de waterige schijn van geluk in haar ogen en de rode blos op haar wangen zag ik meteen wat Karel me daarnet aan de telefoon nog niet wilde vertellen.
Achter haar verscheen een glunderende vriend, die zijn sterke handen op haar schouders legde en met een diepe zucht van geluk uitbracht:
"We kunnen het nu eindelijk vertellen: onze zoon krijgt een zusje."
Terwijl Eveline in de keuken koffie, abdijbier en gebak op een dienblad schikte om dit heuglijke nieuws te vieren, feliciteerde ik Karel nog eens extra met een gemeende knuffel.
"En wat ook nog mooi is meegenomen", sprak hij met een enkel voor mij hoorbare stem. "In ruil krijg ik straks van Eveline mijn Harley. Een Harley! Eindelijk."
