Onze moeders zaten gezellig te kletsen en koffie te drinken toen ze onderbroken werden door ons gesmeek. We moesten beloven dat we zeker niet zouden oversteken naar 'het tunneltje'. Het was voor het eerst dat we alleen buiten mochten spelen, zonder dat onze oudere zussen erbij waren. Vanaf het balkon hadden onze moeders zicht op de speeltuin, dus ze konden ons in de gaten houden, had mama nog gezegd.
We renden jubelend via het trappenhuis naar beneden. We kunnen niet ouder zijn geweest dan 7 jaar. Ze liep enkele passen voor me en hield plotseling halt op het fietspad. Ze keek naar links en naar rechts om te zien of er een fiets aankwam. Vervolgens keek ze vluchtig achterom om zeker te zijn dat niemand ons zag en stak over richting het tunneltje. Ik volgde zonder te twijfelen.
Het tunneltje was altijd al een verboden plek geweest, zelfs als onze zussen erbij waren mochten we er niet spelen. Het was een fietstunnel waarover een trein reed die ons dorp verbond met de grote stad. De tunnel zelf was voor ons een doorgang tussen twee werelden. We waren nog nooit in die andere wereld geweest. Het hekwerk volgde de contouren van de fietstunnel, stevig verankerd in een betonnen boord. Het klom langzaam omhoog, om daarna weer af te dalen naar de stoep aan de overkant. We waren er al vaker geweest, dan klommen we op het betonnen boord, dat laag bij de grond begon en klommen we zo hoog dat we door de spijlen van het hekwerk het duivenkot en de weide met afgedankte materialen van de flodders konden zien. Wanneer we waren uitgekeken liepen we weer terug naar beneden, om vervolgens zo hoog als we durfden van het boord op de stoep naar beneden te springen.
Ook deze keer stapte ze direct op de boord en haakte haar arm over de reling. Ik volgde haar en al gauw stonden we op de gekende hoogte van waar we de weide konden zien. Ze stopte even, draaide zich om en zei: "Kom, we gaan verder" . Ik aarzelde maar volgde haar toch verder naar boven, terwijl ik mijn arm steviger vastklemde om de reling. Ze bleef stappen, keek niet meer om en zei niks meer, hoger en hoger... Tot ze bij de brug was. Ik stond enkele passen van haar verwijderd, wachtend totdat ze zich zou omdraaien. Maar ze draaide zich niet om, integendeel, ze reikte met haar linkerhand naar het hekwerk van de brug waarover de trein reed. Ik keek voorzichtig naar beneden, maar de afstand naar de grond was zo groot dat ik me niet meer durfde te bewegen. Zij stond ondertussen al volledig op de brug. Omdat daar geen boord was zette ze haar voeten zijwaarts stap voor stap tussen de tralies en schoof telkens mee met haar beide armen over de reling. "Ko-hom!" riep ze me ongeduldig toe. Ik durfde niet te weigeren en volgde met knikkende knieën haar voorbeeld. Voorzichtig schoof ik mijn voeten tussen de tralies en klemde mijn bovenlichaam tegen de spijlen. Beide armen klemde ik tot aan mijn oksels over de bovenste rand van het hek. Met mijn beide ellebogen naar buiten uitstekend en mijn handen die het koude hekwerk zo stevig vastklemde dat mijn knokkels wit werden, begon ik langzaam zijwaart te schuivelen. Mijn hart bonkte zo hard dat ik amper zou kunnen horen of er al een trein aankwam die ons aan een enorme snelheid en oorverdovend kabaal voorbij zou razen. Ik deed iets wat ik niet mocht doen: Ik keek naar beneden en zag verschillende fietsers onder mij uit de fietserstunnel komen. Het was alsof ik boven hen zweefde. Ik versteende; zag mezelf naar beneden vallen en mijn hoofd en rug zich verbrijzelen op het grauwe fietspad.
Ik kneep mijn ogen dicht om mijn blik los te rukken van het bloederige tafereel. Toen ik ze weer opendeed stond mijn buurmeisje op het hoogste punt van de betonnen boord. Het gaf me op de een of andere manier moed om verder te gaan. Daar was in ieder geval beter dan waar ik stond. Terwijl ze iets verder op me stond te wachten, riep iemand ons toe dat we daar niet mochten spelen. We daalden zo snel als we konden, uit schrik dat iemand ons zou verklikken, naar beneden. Voor mij was het vooral pure opluchting dat we weer op veilige hoogte stonden. Na dit gevaarlijke avontuur hebben we braafjes in de speeltuin gespeeld, alsof er niks was gebeurd.
Zij en ik hebben het er nooit meer over gehad. Ook niet nadat de nachtmerries begonnen die me nog jarenlang hebben achtervolgd. Tegen mama heb ik nooit durven vertellen wat ik die dag heb gedaan. Sterker nog, het is vandaag pas voor het eerst dat ik dit verhaal vertel.
