Idha Zadel

Gebruikersnaam Idha Zadel

Teksten

Bankje

Ik snapte het niet. Ik snapte gewoonweg niet waarom ze me niet zagen staan. Dag in dag uit stapten ze me voorbij. Niet één keer bleef er iemand stilstaan. Niet één keer koos iemand ervoor om even bij mij te rusten, het zonnetje op te vangen en verhalen hier neer te leggen. Ik was nochtans opgefrist. De bloembakken? Die waren gevuld. Alles was klaar om mensen te ontvangen. Maar niemand keek naar me om. Behalve die ene hond. Die elke keer weer zijn rechterachterpoot hief en mij zonder schaamte besproeide. Zijn baas? Gunde me geen blik. Die keek steevast de andere kant op. Verderop was het anders. Daar zaten de jongeren. Elke dag na school lachten ze, aten ze, leefden ze. Ze zaten op de trap van de kapel, dicht tegen elkaar aan. ‘Ik heb misschien niet zoveel plaats… maar met een beetje inschikken past het hier ook. Ik ben een bankje, weet je wel. Om op te zitten.’ ‘Kom hier… zet je neer,’ fluister ik naar elke passant.‘Dan weet ik hoe het voelt.’ Terwijl ik diep in gedachten verzonken was, stond er plots een oude man met een loopkarretje vlak voor mijn neus stil. Hij keek naar links en naar rechts en liet zich kreunend op mijn planken zakken. Oh, wat een zalig gevoel. Eindelijk iemand die ook blij was met mij! Maar het duurde niet lang. De oude man begon te schuifelen en fronste. “Maar wat is die stank?” Hij draaide zich om, tuurde even en las luidop: “honden toilet”. “Een gekke plaats voor dit bankje,” mompelde hij. “Ik zal een brief schrijven naar de gemeente.” Langzaam kwam hij weer recht. Hij nam zijn karretje vast en schuifelde stap voor stap weg. “Dank je wel, oude meneer… en tot snel!” riep ik hem nog na. Maar hij kwam niet terug. Niet de volgende dag. Niet na een week. En ook niet na een maand. Tot, na twee maanden, er plots vier mannen verschenen. Ik begreep niet wat er gebeurde. Ze kwamen dichterbij, overlegden kort en haalden een machine en kettingen boven. Voor ik het besefte, trokken ze me uit de grond. Oh nee… wat gaan ze met me doen? Word ik weggegooid? Of nog erger… maken ze brandhout van me? Halen ze me door de hakselaar? Help… stop… Ik voelde hoe ik loskwam van de grond. Mijn planken trilden. Ik kneep al mijn ogen dicht en hakkelde een schietgebedje. En dan… stilte Aarde, ik voelde de aarde onder mij. Voorzichtig opende ik mijn ogen. Ik keek om me heen en zag het meteen: De kapel! Ik sta dichter bij de kapel. Mijn planken maakten een sprongetje van vreugde terwijl ik stevig in de grond werd verankerd. Ik sta gewoon… dichter bij de kapel. Sindsdien word ik elke dag bezocht. Jong en oud komt langs om even te zitten, te rusten of te lezen. Of gewoon… om te genieten van mij. Net zoals jij.  

Idha Zadel
1 0

Therapie

Ik kreeg de vraag om een column te schrijven. Dat klonk aanvankelijk geruststellend eenvoudig. Een column is tenslotte maar een tekst met een mening, dacht ik. Hoe moeilijk kan het zijn om ergens een mening over te hebben? Dat doe ik dagelijks, vaak zelfs ongevraagd. Ik zit al enkele maanden wekelijks aan de schrijftafel, dus in mijn hoofd zou dit het moment zijn waarop alles wat ik daar geleerd heb netjes samenkomt. Theorie, oefening, inspiratie, in een keurige tekst met een begin, een midden en een einde. In de praktijk zat ik vooral naar een leeg blad te kijken alsof het mij persoonlijk had beledigd. Ik merkte al snel dat een column schrijven toch iets anders is dan gewoon een paar zinnen achter elkaar zetten en hopen dat er stijl in kruipt. Het is niet gewoon schrijven wat je denkt. Het is schrijven wat je denkt, maar dan zo dat het lijkt alsof je daar goed over hebt nagedacht. Alsof je je mening eerst hebt gewassen, gestreken en in een mooie zin hebt geplooid. En net daar liep het mis. Want hoe formuleer je een scherpe gedachte of mening als je voelt dat die nog vol kreukels zit? Want een column schrijven is niet gewoon een mening op papier. Een mening mag nog een beetje ruw, halfaf en ongepolijst zijn. Een column moet doen alsof diezelfde mening al een reis heeft afgelegd. Er moet iets bewezen en onderbouwd worden. De schrijver moet een scherpe invalshoek kiezen en er net genoeg ethos, pathos en logos inzetten om de lezer even stil te krijgen. Of minstens zuchtend van instemming zijn koffie doen neerzetten. En net daar begon ik te twijfelen. Hoe onderbouw je iets zonder dat het klinkt alsof je aan het preken bent? Hoe schrijf je iets dat tegelijk slim, grappig en leesbaar moet zijn, zonder dat je meteen in paniek denkt: ik kan dit helemaal niet? Ik merkte dat ik niet alleen aan een column bezig was, maar ook aan een gesprek met mezelf. Waarom wil ik hier eigenlijk zo goed in zijn? Waarom voelt een foute zin meteen alsof ik persoonlijk faal? Ik betrapte mezelf op perfectionisme. Op de behoefte om slim over te komen. Vanaf hoeveel twijfels verandert een column in een therapiesessie? Misschien is dat precies wat een column is: een mening die zich beter voordoet dan ze zich voelt. Een klein stukje tekst dat doet alsof het de wereld bekijkt, terwijl het in werkelijkheid vooral de schrijver zelf ontleedt. Een tekst waarin je probeert helder te zijn, terwijl je ondertussen ook maar aan het uitzoeken bent wat je eigenlijk denkt. En misschien is dat helemaal niet erg. Misschien is dat zelfs het enige eerlijke aan schrijven: dat je eerst denkt dat je iets moet bewijzen, en pas onderweg beseft dat je vooral jezelf aan het lezen bent. Dus ja, ik kreeg de vraag om een column te schrijven. Ik begon eraan, met een beetje lef, en het stille vermoeden dat een goede column soms gewoon begint alsof ze de wereld probeert te begrijpen, maar ergens onderweg bleek het vooral over mezelf te gaan.

Idha Zadel
2 1

Hoger dan ik durfde

Onze moeders zaten gezellig te kletsen en koffie te drinken toen ze onderbroken werden door ons gesmeek. We moesten beloven dat we zeker niet zouden oversteken naar 'het tunneltje'. Het was voor het eerst dat we alleen buiten mochten spelen, zonder dat onze oudere zussen erbij waren. Vanaf het balkon hadden onze moeders zicht op de speeltuin, dus ze konden ons in de gaten houden, had mama nog gezegd. We renden jubelend via het trappenhuis naar beneden. We kunnen niet ouder zijn geweest dan 7 jaar. Ze liep enkele passen voor me en hield plotseling halt op het fietspad. Ze keek naar links en naar rechts om te zien of er een fiets aankwam. Vervolgens keek ze vluchtig achterom om zeker te zijn dat niemand ons zag en stak over richting het tunneltje. Ik volgde zonder te twijfelen. Het tunneltje was altijd al een verboden plek geweest, zelfs als onze zussen erbij waren mochten we er niet spelen. Het was een fietstunnel waarover een trein reed die ons dorp verbond met de grote stad. De tunnel zelf was voor ons een doorgang tussen twee werelden. We waren nog nooit in die andere wereld geweest. Het hekwerk volgde de contouren van de fietstunnel, stevig verankerd in een betonnen boord. Het klom langzaam omhoog, om daarna weer af te dalen naar de stoep aan de overkant. We waren er al vaker geweest, dan klommen we op het betonnen boord, dat laag bij de grond begon en klommen we zo hoog dat we door de spijlen van het hekwerk het duivenkot en de weide met afgedankte materialen van de flodders konden zien. Wanneer we waren uitgekeken liepen we weer terug naar beneden, om vervolgens zo hoog als we durfden van het boord op de stoep naar beneden te springen. Ook deze keer stapte ze direct op de boord en haakte haar arm over de reling. Ik volgde haar en al gauw stonden we op de gekende hoogte van waar we de weide konden zien. Ze stopte even, draaide zich om en zei: "Kom, we gaan verder" . Ik aarzelde maar volgde haar toch verder naar boven, terwijl ik mijn arm steviger vastklemde om de reling. Ze bleef stappen, keek niet meer om en zei niks meer, hoger en hoger... Tot ze bij de brug was. Ik stond enkele passen van haar verwijderd, wachtend totdat ze zich zou omdraaien. Maar ze draaide zich niet om, integendeel, ze reikte met haar linkerhand naar het hekwerk van de brug waarover de trein reed. Ik keek voorzichtig naar beneden, maar de afstand naar de grond was zo groot dat ik me niet meer durfde te bewegen. Zij stond ondertussen al volledig op de brug. Omdat daar geen boord was zette ze haar voeten zijwaarts stap voor stap tussen de tralies en schoof telkens mee met haar beide armen over de reling. "Ko-hom!" riep ze me ongeduldig toe. Ik durfde niet te weigeren en volgde met knikkende knieën haar voorbeeld. Voorzichtig schoof ik mijn voeten tussen de tralies en klemde mijn bovenlichaam tegen de spijlen. Beide armen klemde ik tot aan mijn oksels over de bovenste rand van het hek. Met mijn beide ellebogen naar buiten uitstekend en mijn handen die het koude hekwerk zo stevig vastklemde dat mijn knokkels wit werden, begon ik langzaam zijwaart te schuivelen. Mijn hart bonkte zo hard dat ik amper zou kunnen horen of er al een trein aankwam die ons aan een enorme snelheid en oorverdovend kabaal voorbij zou razen. Ik deed iets wat ik niet mocht doen: Ik keek naar beneden en zag verschillende fietsers onder mij uit de fietserstunnel komen. Het was alsof ik boven hen zweefde. Ik versteende; zag mezelf naar beneden vallen en mijn hoofd en rug zich verbrijzelen op het grauwe fietspad. Ik kneep mijn ogen dicht om mijn blik los te rukken van het bloederige tafereel. Toen ik ze weer opendeed stond mijn buurmeisje op het hoogste punt van de betonnen boord. Het gaf me op de een of andere manier moed om verder te gaan. Daar was in ieder geval beter dan waar ik stond. Terwijl ze iets verder op me stond te wachten, riep iemand ons toe dat we daar niet mochten spelen. We daalden zo snel als we konden, uit schrik dat iemand ons zou verklikken, naar beneden. Voor mij was het vooral pure opluchting dat we weer op veilige hoogte stonden. Na dit gevaarlijke avontuur hebben we braafjes in de speeltuin gespeeld, alsof er niks was gebeurd. Zij en ik hebben het er nooit meer over gehad. Ook niet nadat de nachtmerries begonnen die me nog jarenlang hebben achtervolgd. Tegen mama heb ik nooit durven vertellen wat ik die dag heb gedaan. Sterker nog, het is vandaag pas voor het eerst dat ik dit verhaal vertel.

Idha Zadel
5 1