‘Ik ben hier mijn hart verloren,’ zeg je. Ik knik bevestigend. Als jij dat niet had gezegd, dan had ik het gedaan enkele seconden later. ‘Spreek je dan over twee jaar geleden, De Letterie?’ Ja, dat deed je. Het is hier, in Oostende, waar we elkaar leerden kennen, samen met een tiental andere beginnende en gevorderde schrijvers tijdens een tiendaagse schrijfbootcamp van De Letterie. ‘Dat was echt een magische tijd,’ voeg je er nog aan toe. ‘Vooral ook een magische plek,’ zeg ik.
We wandelen langs de kust en je wil graag even helemaal tot aan de zee gaan. Je vertelt zoals altijd honderduit, over van alles en nog wat, en het is allemaal boeiend en soms bijna niet te geloven.
‘Hoe is het met je boek?’ vraag ik tijdens een zeldzame stilte. Je lacht.
‘Heb je een uurtje of twee?’ Nu is het mijn beurt om te lachen, want opnieuw zou ik hetzelfde kunnen antwoorden. Toch doe je het relaas van de voorbije twee jaar, met je blik letterlijk en figuurlijk op oneindig.
‘Ik heb een knop omgedraaid, helemaal opnieuw begonnen.’ We naderen het golvende water, dat zich mengt met je woorden.
‘Onlangs ben ik blootvoets van dat oude huis daar,’ — je wijst naar een prachtige villa uit 1885, Villa Maritza, een van de laatst overgebleven belle-époquewoningen aan de kust — ‘helemaal tot in de zee gewandeld. Zo ben ik een halfuur blijven staan. Het was pikdonker.’
‘Was dat niet koud?’
‘Bèrekoud’.
We hebben het over eenzaamheid, politiek, de definitie van mannelijkheid, sektes, sociaal engagement, vriendschap, schrijven, boeken en Oostende. En ook over zeehonden — en vooral hun verrassende afwezigheid, waardoor we dan maar genoegen nemen met een loslopende hond-aan-zee.
‘Eigenlijk ben ik wel eenzaam,’ zeg je plots. Je zegt het alsof je het al lang geleden hebt geaccepteerd.
Hoewel dat voor mij niet als een totale verrassing in de oren klinkt, is het toch gek om dat te horen van iemand die extreem sociaal en extravert is. Je komt werkelijk overal en iedereen lijkt jou te kennen.
‘Alles hangt aan elkaar,’ zeg je. En ik denk: daar zorg je zelf mee voor.
We lopen tot aan de grote bronzen zeeschelp op de strekdam en keren terug om ergens te gaan lunchen. Ik had Oode voorgesteld, het leek me wel gezellig.
‘Vind je het goed om eerst even langs De Witte Zee te gaan?’ Natuurlijk vind ik dat goed, al moet ik mezelf altijd forceren er niet buiten te lopen met een stapel boeken terwijl ik er nog genoeg heb om te lezen.
Je moet voor een leesclub Moet dwalen van Charlotte Mutsaers lezen. Een vreemde titel, en ik bedenk dat die voor mij perfect bij Oostende past. Oostende noopt als het ware tot dwalen.
We lopen binnen bij De Witte Zee. En ook hier is het steeds van moeten dwalen: dwalen door de eerste pagina’s van verschillende romans.
In mijn handen groeit organisch een stapel boeken: Stefan Zweig, eentje van Koen Peeters dat ik moet lezen van mijn vrouw (zie titel van deze blog), het heruitgegeven debuut van Lara Taveirne en Aline, het nieuwe boek van Heleen Debruyne.
‘Heb je deze al gelezen?’ Je streelt over de rug van Alkibiades.
‘Zoiets is niet aan mij besteed,’ geef ik toe. Niet door de inhoud, wel door de omvang. Ik kan zeker lijvige boeken lezen, maar niet vol namen en data, dan raakt mijn brein oververhit. Je blijkt hetzelfde te hebben, want je hebt het audioboek beluisterd.
‘Elke dag heb ik geluisterd, weet je hoelang dat heeft geduurd? Een maand!’
Over elk boek dat ik vastneem, kan je iets vertellen en ik ben onder de indruk van je kennis en overgave. In die mate zelfs dat ik wat overprikkeld ben en alle boeken die ik vasthield weer in de kast zet.
Samen met Moet dwalen leg je nog een klein boekje op de toonbank, getiteld Technologie is politiek van Paola Verhaert, iemand die je natuurlijk al hebt ontmoet.
‘Het lag hier op jou te wachten,’ lacht Eva. Het is het laatste exemplaar en ietsje beschadigd, je krijgt het mee voor vijf euro.
Gulzig strooi je met woorden en verhalen op de weg naar onze lunchplek, en ik hang aan je lippen. Je hebt dan ook zoveel te vertellen, de talloze knotsgekke situaties waarin je verzeild raakt spreken tot de verbeelding. Je hebt het over iets uit de psychologie.
‘Ik vergelijk die theorie altijd met Star Wars: er zijn mensen die hun energie gebruiken om anderen te manipuleren en vooral aan zichzelf denken (the dark side) en dan is er ook de andere kant, de kant van het licht. Zij gebruiken hun energie om anderen te helpen, om hen te laten uitstijgen boven zichzelf. Ik weet dat jij dat laatste doet, maar het mooie is dat je ook boven jezelf uitstijgt. Twee vliegen in één klap.
We nemen afscheid, zodat jij nog naar een optreden in Kortrijk kan treinen. Dat je nog energie over hebt, verbaast me niets, maar mijn lepeltjes zijn op. Ik kijk ernaar uit om me terug te trekken in mijn tijdelijke kamer in Oostende bij de geweldige Maaike en Emmanuel, waar ik de volgende dag geheel onverwacht nog aan de ontbijttafel beland met niemand minder dan Heleen Debruyne, in het gezelschap van haar zoon Hermes en vriend Frank D’Hanis, die net als ik lesgeeft en wiens kritische teksten ik al lang bewonder. Het wordt een interessante en gezellige ochtend. Had ik dat boek maar gekocht, zeker omdat Aline op de longlist staat van de Libris Literatuurprijs. Ach ja, ik zal spoedig terugkeren naar Oostende, met het boek dan.
Die middag wil ik nog een stukje verder schrijven aan een kortverhaal, maar alle indrukken van het voorbije weekend wringen zich eerst uit mijn pen. Ik neem ze mee naar Antwerpen, samen met een dosis zeelucht en inspiratie.
Oostende, tot gauw. Hier een foto van een verdwaalde zeehond.

