Ik ben op kamp. Mijn vijftiende kamp ondertussen.
Vijftien kampen, dat wil zeggen massa’s gehakt en ajuinen. Hoeveel kilo precies weet ik niet, maar vermoedelijk genoeg om een bescheiden frituur een jaar draaiende te houden. Het betekent elk jaar minstens één plakker door een iets te enthousiast mes en minstens twee brandwondjes door opspattend bakvet. Vijftien jaar ervaring heeft mij op culinair vlak veel geleerd, maar blijkbaar nog altijd niet dat heet vet echt heet is.
Vijftien kampen zijn ook vijftien jaar anekdotes.
Kamphuizen waarvan ge de kampbaas ondertussen kent. Kringwinkels in godvergeten dorpen waar ge binnenstapt voor iets wat ge écht nodig hebt en buitenkomt met een gordijn dat perfect dienst kan doen als tafellaken en een koffiemok met Wild Animal erop.
Er zijn keukens geweest waarin ge met drie mensen tegelijk uw gat niet kon keren en toch voor een kleine volksverhuizing moest koken. Afwasbergen waarop een bekende bergbeklimmer spontaan zijn stijgijzers zou hebben aangetrokken. Regenweken, hittegolven, vergeten ingrediënten en maaltijden die door een kleine culinaire interventie plots een totaal andere naam kregen dan oorspronkelijk op het menu stond.
En er waren chirojongen. Heel veel chirojongens.
Sommige passeren een paar jaar door uw kampkeuken en verdwijnen daarna weer uit beeld. Andere blijven hangen.
Lenn bijvoorbeeld. De grote Lenn, moet ik tegenwoordig zeggen.
Hij was helemaal geen Chirojongen pur sang. Hij werd nen echten toen hij een jaar of tien was.
Ik weet dat nog omdat ik hem op zijn eerste kamp zag passeren met een bord spaghetti.
Dat is mijn eerste echte beeld van Lenn. Geen grootse entree. Geen tromgeroffel. Gewoon een manneke met een bord spaghetti.
Later bleek hij ook nog probleemloos te geloven dat we op dag twee spruiten zouden eten. Uiteraard.
Voor het slapengaan passeerde hij nog heel even stiekem op mijn schoot. Niet te lang. Ge waart tenslotte op kamp en er was een reputatie hoog te houdenm
Daarna werd Lenn groter. Op een bepaald moment zat hij niet meer stiekem op mijn schoot, maar stond hij naast mij aan de afwas en keelden wij samen 'Als ze lacht'.
De afwasborstel als microfoon, de kampkeuken als Sportpaleis en een publiek dat vooral niet weg kon omdat de borden nog vuil waren.
Nog wat later kwamen de meisjes. En dus ook de gesprekken over de liefde. Ik leerde Lenn de geheimen ervan.
Ik had daar blijkbaar verstand van. Zo leerde ik hem dat ge met schaarste ook liefde kunt oogsten. Dat hij zijn lief dus vooral niet té veel brieven moest schrijven.
Doseren, Lenn. Een beetje mysterie. Ge moet een mens ook de kans geven u te missen.
Ik verkondigde dat met het gezag van een vrouw die duidelijk alle geheimen van de menselijke liefde had ontsluierd en toevallig op dat moment kilo’s ajuinen stond te snijden in een kampkeuken.
En nu is Lenn bijna leider. Volgend jaar. Samen met de andere lieverds van zijn groep.
En dan kijk ik hier rond en loopt er ineens weer een kleine Lenn.
Een andere Lenn. Op zijn eerste kamp. Hij komt zijn bord spaghetti halen en deelt mij plagend mee dat die van zijn eigen moeke lekkerder is. Uiteraard.
Ik kijk naar hem en ineens zie ik ze allebei.
De grote Lenn met zijn spaghetti van toen. De kleine Lenn met zijn spaghetti van nu.
De ene staat op het punt leider te worden. De andere moet nog ontdekken wat kamp eigenlijk is. Hoe lang een week kan duren. Welke liedjes ge uit volle borst moet meebrullen. Welke verhalen ge later honderd keer opnieuw zult vertellen en waarom eten op kamp nooit zo lekker is als dat van uw eigen moeke.
Ergens tussen die twee Lenns liggen al die jaren. De spruiten die er nooit kwamen. Een schoot voor het slapengaan. 'Als ze lacht' boven een berg vuile afwas. Liefdesbrieven die met mate verstuurd moesten worden.
En heel veel spaghetti.

