Zij ligt buiten in de hangmat, hij boven in een donkere kamer.
Ze krijgt een sms of ze even bij hem wil komen liggen.
Hij voelt zich doodop en is bang dat hij doodgaat.
Ze streelt hem tot hij weer rustig is.
Wat houdt ze van deze warme bijzondere man.
En hoe boos is ze op diegenen die van hem misbruik gemaakt hebben.
Al weken stroomt de liefde van de ene naar de andere.
Teder, intens, echt.
Een paar dagen later vraagt hij om een valies te maken voor 3 dagen.
Ze vertrekt vol spanning, enerzijds nieuwsgierig, anderzijds angstig.
Verrassingen zijn voor haar altijd dubbel.
Wat als ze hem teleurstelt? Wat als ze bang is? Wat als ze niet goed genoeg is?
Na enkele uren staan ze in de Ardennen bij een prachtig kasteel.
Hij is weer zijn schattige onzekere warme zelf bij aankomst en zij is verliefd.
Hij staat in de kasteeltuin en staart naar boven, naar het raam, waarachter zij in bad zit.
Zijn ogen schieten vol. Ze moest eens weten hoeveel hij van haar hield.
Zij zit in bad en geniet van muziek. Haar speels en vrolijk kantje komt naar boven.
Samen aan het ontbijt is het alsof er altijd al een wij was en altijd een wij gaat zijn.
Ze wandelen en zien een huis te koop.
Ze beginnen weer te dromen.
Over de zoektocht naar de ideale plek, de juiste spullen voor de inrichting.
Ze lacht als ze aan zijn perfectionistisch kantje denkt en ziet het helemaal voor zich.
Hij heeft smaak, ze houdt van zijn smaak.
Er is een hoekje af, bij hem en bij haar.
Weken later, zonder duidelijke aanleiding, zonder signaal is hij weg.
Zijn blik is wazig en op de grond gericht of in het ijle.
Als ze vraagt om oogcontact ziet ze alleen die verdomde spoken, hem vindt ze niet.
Ze kruipt tegen hem in de zetel omdat woorden nu niet helpen, zachtheid misschien wel.
Hij duwt haar van zich af. Ze schrikt.
Wat heeft ze niet opgemerkt? Wat heeft ze gezegd? Wat heeft ze gedaan?
Weken gaan voorbij. Geen zoen, geen aanraking, geen hand, niets.
Ze wordt gek in haar hoofd en stelt vragen, ook aan externen.
Ze mist hem, haar fantastische man die haar aanvult, opvult en laat vullen.
Ze luistert, probeert te doen wat hij vraagt. Maar niets helpt.
En dan plots komt er weer opening, even onverwachts als de sluiting.
Hij kijkt naar haar en de liefde loopt over.
Nog voor hij zegt hoe graag hij haar ziet heeft ze die woorden al gevoeld.
De druk gaat van haar borst en ze huilt vanbinnen.
De weken die volgen zitten vol van die echte liefde afgewisseld met afstand.
Zij heeft het niet door en reageert soms te intens op beide.
Zij wil genieten, vooruit gaan, leven, niet teveel moeten, niet teveel nadenken.
Vertrouwen op de liefde en elkaar.
Ze gaan regelmatig wandelen en eten. Ze liggen ook af en toe wat langer in bed zacht te praten. Hij beschrijft de verre toekomst, maar maakt ook plannen voor de dichtbije.
Zij zit overal in die toekomst en de kinderen ook, dus ze is gerust.
Maar hij blijft doodop, doodop van het verlies van zijn vader, doodop van de verantwoordelijkheid over de kinderen, doodop van het werk waar hij vanaf wil, doodop van het verlangen naar een plekje in de natuur met haar aan zijn zijde, doodop van zijn mentale en fysieke gezondheid, doodop van de angst om de liefde weer te verliezen, doodop van het gevoel maar de helft meer te zijn, doodop van het verleden die hem niet loslaat.
Het jaar was gewoon te zwaar. De jaren ervoor ook.
Dus grijpt hij naar zijn vertrouwde houvast: werken en voortdoen en niet meer aan de toekomst denken, niet meer dromen, niet meer voelen, gewoon dag per dag overleven.
Dat zorgt voor spanning en spanning bovenop het diep dal veroorzaakt kortsluiting, rare reacties die haar uit balans brengen omdat ze het allemaal nog niet goed kent.
Eén keer, twee keer, drie keer.
Muggen die in olifanten veranderen en teveel olifanten kunnen een ruimte verwoesten.
Ze weet dat ze beter kan, dat ze nog wat kennis en ervaring mist om de muggen gewoon dood te meppen zodat de mooie ruimte heel blijft.
Ze gaan slapen. Ze omhelst hem, voelt zijn liefde onder die zware last die hij al jaren draagt.
Ze staat op en vertrekt met de kinderen, hij naar het werk.
Ze krijgt een bericht: ik wil niet dat je terug naar huis komt vanavond.
Het is definitief voorbij. Laat me nu gerust.
We spreken nog over hoe we het praktisch regelen.
Ze gelooft het niet, maar weet dat het nu geen zin heeft te reageren.
Ze wil kijken in zijn agenda wanneer hij vrij is om te gaan wandelen of ergens naartoe te gaan zodat ze hem kan terughalen met zachtheid en rust.
Maar het paswoord is gewijzigd.
Haar buik krimpt in elkaar.
Even denkt ze dat ze zich heeft vergist, even komen haar spoken ook boven.
Dat hij toch geheimen heeft, niet is wie hij is.
Maar al gauw voelt ze dat het niet klopt.
Haar man is weg.
De spoken uit het verleden hebben hem weer de dieperik in getrokken.
Ze is bang.
Bang omdat ze niet weet hoe lang.
Bang omdat ze weet dat zowel zijn als haar gezondheid ook in gevaar is als hij niet terugkomt.
Ze wil hem aan haar zijde.
Samen zijn ze gewoon zoveel beter.
Ze vullen elkaar aan, laden en ontladen elkaar, lopen in elkaar over, gaan in elkaar op.
In alles, overal, elke dag dat hij hij is en zij zij.