Opleiding

Vergelijkende Cultuurwetenschappen

Publicaties

Prijzen

Teksten

Taart zonder moederdag

Ze sloft door de tuin naar de keuken. Haar ouders zitten al aan tafel. Op de tafel staat een grote Bresiliennetaart. Die had haar zoon gisteren gekozen. Ze had hem van school gehaald en gezegd dat hij zijn valies moest pakken om naar zee te vertrekken, maar hij wou eerst nog boodschappen doen. Ze zei dat hij spekjes met pasta en broccoli kon eten en dat ze morgen boodschappen konden doen. Hij had dat deze week al gegeten bij zijn vader, zei hij, we passeren toch een winkel, het duurt echt niet lang. Ze gaf toe omdat ze hem al maar zo weinig kon verwennen en stiekem wou ze ook wel een taartje. De weekends met haar zoon daar keek ze enorm naar uit. Het was het derde weekend samen. Drie weekends op 3 maanden. Dat was niets. Zij die altijd dag in dag uit met haar kinderen doorbracht. Geen uur in de opvang of de studie, geen uur bij een babysit, 11 jaar lang fulltime mama voor haar zoon en 14 jaar lang voor haar dochter. Tot de scheiding. Dan werd ze plots halftijdse mama en door het gedrag van hun vader minder dan halftijds en nu wellicht niets meer.  Ze keek naar het witte nootjestapijt op de stevige gele crème. Bresiliennetaart deed haar altijd aan haar vakantiejob denken bij Rosalie Babelutte in Heist. 's Morgens startte ze met zich in het zweet te lopen tussen de bakkerij op de kelderverdieping en de winkel op het gelijkvloers. Grote grijze bakken met allerlei broden, koffiekoeken, sandwiches en pistolets werden verhuisd. De broden werden in metalen rekken geplaatst in de buurt van de deur. De kleine broodjes werden mooi gestapeld in het houten rekje achter de toonbank. Daarna werden de taarten naar de winkel gebracht en in de vitrine gelegd en ging de winkel open. De eerste uren was het non-stop klanten bedienen. Met drie stonden ze in de winkel. Er waren twee kassa's. De oudste vond ze fantastisch. Daar moest ze de ronde knoppen met een zware vinger aanslaan om zeker een duidelijk cijfer op het kasticket te zien verschijnen. Tegen de middag waren haar vingers moe en was de inktafdruk lichter blauw dan het eerste uur van de werkdag. Als ze de totaaltoets had ingedrukt en de kassa met geweld en veel geluid open vloog, begon het hoofdrekenen om te weten hoeveel ze moest teruggeven. Ook dat ging soms minder vlot tegen de middag. Op de andere kassa verscheen het terug te geven bedrag digitaal op het schermpje, waardoor je de klanten soms op voorhand zag kijken bij wie ze zouden bestellen om toch maar niet op de oude kassa bediend te worden. Als het niet druk was mochten ze enkel de oude kassa gebruiken. Die kassa was voor het zwart geld, hadden de bakkersvrouwen haar gezegd. Hun echtgenoten werden oud en ze zouden het niet lang meer volhouden, dus dat zwart geld zou van pas komen. Na een paar uur goed doordraaien viel er altijd een rustuur. Dan kon één van hun drieën iets eten, wie het meest honger had of loden benen of het ergste had gezweet ging eerst rusten. In de namiddag werd er roomijs gemaakt door een andere jobstudent. Zij mocht terwijl hij de ijs bereidde kiezen of ze verder in de bakkerij stond of bij hem in de crèmerie of beneden bij de afwas. De afwas moest ze minstens één keer per week kiezen. Daar werd nog meer gezweet: grote bakplaten proper maken met een ijzersponsje en bijtende producten en de vaatwas vullen met bordjes en tasjes van de crèmerie en de bakkerij. Maar er werd wel gelachen aan de afwas, want de twee bakkersbroers en de bakkersstudent waren blij dat hun shift er bijna opzat en kwamen wat gek doen voor ze huiswaarts gingen. De bakkersvrouwen die dan in de winkel stonden kwamen af en toe haar afwas controleren en de mannen wegjagen met hun gekdoenerij. De bakkersvrouwen waren ook zussen, maar zo anders. De zwarte was op het eerste zicht veel zachter en aangenamer om mee te werken en bleef altijd hetzelfde naar klanten, een lachje en een zacht zenuwachtig geluidje dat de ene dag al uitgesprokener aanwezig was dan de andere, een soort kuchje waar ze soms om moest lachen. De blonde had iets stuurs en dat maakte haar destijds wat bang, maar na een week had ze door dat achter het stuurse een crème van een vrouw zat met het hart op de tong. Stond een klant haar niet aan dan hield ze zich niet in. De zwarte had dat misschien beter ook wat meer gedaan, dan was ze misschien van dat kuchje vanaf geraakt. Maar de zwarte vond klant koning, de blonde was een onbeschofte respectloze klant graag kwijt. Zo herinnerde ze zich een Duitser die ze in haar beste Duits letterlijk terug naar de loopgraven verwenst had. Even dacht ze dat ze met elkaar op de vuist zouden gaan, maar ze nam gewoon zijn kopje en zijn bord met een zwier voor zijn neus weg terwijl ze hem luid haar gedacht zei. Met haar vinger wees ze naar de deur en toen hij nog wat tegensputterde gaf ze nog een extra duw in de lucht om haar standpunt definitief duidelijk te maken en gooide de deur achter zijn hielen dicht. Zo boos was ze. De hele winkel stond verbaasd te kijken en de bestellingen werden doorheen de hele scène gehakkeld uitgesproken of simpelweg onderbroken.  In de namiddag kwam altijd een dipje. Toeristen zaten op het strand, de ochtend- en middagspits was voorbij. De jobstudent die met zijn grote roeispaan in de enorme ton draaiende roomijs schepte maakte de namiddag altijd tot een spel. Hij probeerde het ijsdraaien soms wat te rekken zodat het minuten tellen tot de avondspits wat minder lastig zou zijn, maar dat hadden de twee bakkersvrouwen al gauw door. In die dode minuten kwam de zwarte of de blonde ook altijd vragen “Wuk wult je vandoage, ne kreem, e tortje of e beuterkoeke?”. De bresilienne moest altijd eerst op. Aan het einde van het seizoen kon ze geen bresilienne meer zien. Maar nu had ze al anderhalf jaar een lief die verzot was op taartjes en bresilienne stond weer vaker op tafel. Niet zelfgemaakt.  De eerste taart die ze hem liet proeven anderhalf jaar geleden was rabarbercrumble. Ze durfde toen nog niet dicht naast hem zitten, maar dat duurde niet zo lang. Ze wil hem zo graag bellen en vragen om een stukje te komen mee-eten, maar hij heeft rust nodig, dus stuurt ze niets. Ze kijkt naar haar vader en zegt. K sta hier nu hé, met mijn bresiliennetaart en al mijn eten voor drie dagen. Hij zegt dat ze het gaat moeten loslaten en aan zichzelf moet denken. Hoe dan?, vraagt ze. Ik heb de voorbije 16 jaar voor mijn kinderen geleefd. Hoe kan ik ze nu volledig loslaten alsof ze niet meer bestaan? De tranen rollen weer over haar wangen. Ze zwijgt en eet. In haar hoofd speelt ze nog eens de voorbije dag af. Het was vrijdag. Ze was opgestaan met slaapscore 90, dat had ze nog nooit gehad. Ze at een boterham, dronk koffie en reed naar de kinesist. Ze was fier dat ze opnieuw perfect geparkeerd stond, weer een kleine overwinning. Ze had haar wijde coltrui aan omdat ze het koud en vochtig vond. De kinesist lachte en zei “wat een verschil met je zomeroutfit van vorige week”. Dan had ze door dat ze misschien wat overdreef, zo kou was het niet. Maar ze had dat wel vaker in het begin van de lente, nog even het gevoel van de winter willen, net zoals ze in de late herfst nog met blote billen liep om nog een beetje zomer te voelen. Over die blote billen van haar had hij in hun eerste smsjes nog opmerkingen gemaakt. Ze miste die smsjes. Ze had wel vaker schrijvende lieven gehad, maar hij was anders. Vertel eens hoe het geweest is met de wandelingen, vroeg de kinesist. Perfect, 12 kilometer zonder pijn en twee dagen na elkaar. Terwijl ze de woorden uitsprak dacht ze aan de westhoek en hoe ze gevoeld had dat de liefde stroomde. Ze keek zo uit naar het lange weekend die eraan kwam, maar nu door deze crisis voelde alles weer anders. Haar zenuwstelsel stond weer gespannen en ze was weer bang. En ze wist dat haar angst ook zijn angst kon terugbrengen.  Maar eergisteren heb ik opnieuw een serieuze emotionele crisis gehad waardoor mijn rug en nek weer vast zitten, ging ze verder. De kinesiste reageerde dat ze dan eerst naar die rug zou kijken. Ze deed haar werk en het deed deugd. Aan het einde kreeg ze te horen dat ze een heel goed lichaamsbesef en enorm soepele gewrichten had waardoor de manipulatie vlot ging, ze kon haar in alle richtingen draaien en keren. Ze dwaalde af bij die woorden en moest aan hem denken, haar lief, hoeveel zin ze had om nog eens door hem in hoeken en bochten gedraaid te worden. Maar dat ging nu niet. Ze kon niets forceren. Geduld. Zijn moeilijke periode zou overgaan, dat wist ze zeker, ze wist alleen niet wanneer. Ze stond op, betaalde, bedankte en ging naar de auto. Buiten was het intussen warmer. Ideaal voor de wandeling met haar jeugdvriend. Ze kon het niet laten hem een duwtje te geven in de richting van een gemakkelijkere toekomst. Hij zat al te lang vast en ze had hem al lang niet meer gemotiveerd omdat ze teveel met zichzelf bezig was. Hij gaf haar ook af en toe een duwtje, ze had er wel iets aan en hoopte dat hij ook iets aan haar duw had. Daar dienden vrienden voor. Halfweg stonden ze stil. Een klein reetje was rustig aan het grazen en keek even op toen ze dichterbij kwamen. Ze bleven wat staan. Zij trok een foto voor de kinderen en voor haar lief, die hielden ook van dieren in het wild. In de namiddag scrolde ze nog wat naar jobs en huizen en naar een leuke plek om het volgende weekend door te brengen. Hij had haar vandaag nog niet gebeld en ze had wel zin om hem te horen en haar pikante gedachten te delen. Maar net voor ze het daarover wou hebben stapte haar zoontje in de auto, dus zweeg ze, het was niet voor kinderoren bestemd. Het deed wat pijn in haar buik om haar lief en haar zoon even met elkaar te horen praten, net zoals het pijn deed om zijn zonen van op afstand in de auto te zien en er niet bij te mogen. Zo had hij het beslist. Na een half jaar fulltime samenzijn en dan nog meer dan een half jaar halftime samen zijn kreeg ze zijn zonen plots niet meer te zien en wou hij haar kinderen niet meer zien. Haar zoontje zag er enorm van af. Sinds ze niet meer samenwoonden had hij op school dagelijks problemen en was hij geschorst. “Jullie zoon is een lief, beleefd, leuk en eerlijk kind, maar hij gedraagt zich sinds half januari absoluut niet in de klas en hij heeft er precies geen besef van. We moeten hem helpen hadden ze gezegd, want we begrijpen dat hij de voorbije jaren heel wat te verwerken had, maar hij vliegt wel eerst een paar dagen van school.” Zij had dat eigenlijk een mooi cadeau gevonden. Dankzij de schorsing kon ze hem midden in de week drie dagen bij haar aan zee hebben. Wat hadden ze daarvan genoten! De babbel met haar lief aan de telefoon sloot ze af en de rest van de autorit praatte ze met haar zoon. Wat was er vandaag misgegaan in de klas? Ze had immers opnieuw een mail ontvangen van de juf wiskunde. Er hing stinkende parfum van de zesdes in de klas, had hij gezegd, en om het niet te ruiken had ik mijn neus in mijn fles water gestoken. En de jongens hadden mijn plezier gemist toen ik er niet was. Ze reageerde kalm, zoals altijd, maar maakte hem de gevolgen van zijn gedrag wel duidelijk. In de winkel waren ze enthousiast en kochten allerlei lekkers. Hij koos de bresiliennetaart en zei dat hij een stukje aan zijn vader ook ging geven. Zij zei dat het ok was, hoewel ze liever een stuk aan haar lief had kunnen geven omdat die veel blijer reageerde. Op de weg naar huis begon haar zoon over iets wat hij cadeau had gekregen, waarop zij reageerde dat ze daar ook wel de helft van betaalde. En ze probeerde nogmaals uit te leggen hoe een gescheiden koppel werkt. Maar zulke gesprekken maakten haar zoon altijd boos. Dus zei ze dat het al goed was en ze erover ging ophouden, maar dat ze niet wou dat hij zo boos reageerde en dat ze ook niet wou dat er dingen werden gezegd die niet klopten, maar dat hij daar niet aan kon doen, dat zij het wel zou oplossen. Ze kwamen boos thuis aan. Hij bleef wat in de auto zitten. Hij vroeg wat hij nu moest doen. Ze zei dat hij zijn valies moest nemen en vertrekken. Hoe kan ik weten of je mij nog mee wil vroeg hij. Natuurlijk antwoordde ze, maar ik wil niet dat je nog zo'n dingen zegt, het maakt mij telkens overstuur. Terwijl hij zijn valies nam, vroeg zij haar ex om de fietsen nog in te laden, zodat ze die kon binnen doen in de tweedehandswinkel zodat de kinderen nog een spaarcentje hadden en hij de rommel kwijt was. Hij stak er echter een fiets teveel in. Ze had het nochtans duidelijk gezegd en al meerdere keren herhaald dat ze die niet zou meenemen. Hij had toch zijn zin gedaan en alles in haar auto vastgebonden. Toen ze zich daar over irriteerde en hem wees op het feit dat hij sinds de scheiding totaal niet behulpzaam was geweest werd hij heel boos en liep weg. Hem weer zo zien raakte haar nog steeds. Haar vader had het ook weer gehoord, zijn geroep. Ze begreep het niet, ze begreep niet waarom hij zo hatelijk bleef doen na al die jaren dat ze zich voor iedereen had ingezet. Hij had nochtans een doos vol goede eigenschappen ook, maar om de één of andere reden ging die maar af en toe open. En daardoor was ze de liefde kwijt geraakt, zichzelf ook kwijt geraakt. Opgejaagd stapte ze in de auto en vertrok met haar zoon richting zee. Er was file door de werkzaamheden in de straat. Stapsvoets gingen ze vooruit. Haar zoon zei dat hij bij zijn vader gecheckt had of het klopte wat ze over het financiële had gezegd en hij had gezegd van niet. Toen werd ze boos. Ze zei dat het veel te complex was voor hem en ze gewoon wou dat hij het er niet meer over had, dat het niet ok was hoe het nu geregeld was en ze recht had om haar kinderen veel meer te zien. Haar zoon werd nog bozer en plots kreeg ze zijn hand tegen haar gekletst. Zij werd ook bozer en zei dat het echt niet ok was, dat ze begreep dat ze had moeten zwijgen, maar ze geen klets verdiende. En dan viel de zin die ze zo had gevreesd, dat hij niet meer mee wou naar zee. Ze wist dat hij wel zou kalmeren als ze toch zou rijden, maar ze was zelf echt boos en wou nu eindelijk eens aan haar ex een signaal geven dat dit niet meer kon. Ze voerde hem tot daar, maar in plaats van dat ze van hem steun kreeg werd zij voor gek aanzien die haar kinderen en zichzelf niet meer onder controle had. Ze schreeuwde nog dat ze zichzelf dan maar beter tegen een boom kon rijden als ze toch geen kinderen meer had en vertrok met piepende banden. Vijfhonderd meter verder ging ze aan de kant en begon te huilen. Vlakbij de wandeling die ze zo vaak had gedaan toen de kinderen klein waren en die ze het afgelopen jaar ook met haar lief had gemaakt. Verdomme, waarom stopte het niet? Ze had haar gezin in de steek gelaten, alles achtergelaten omdat het beter zou worden, maar het werd niet beter, integendeel. Hij deed haar nog evenveel pijn, met dat verschil dat ze nu helemaal niets van voordeel meer had aangezien ze zowel haar huis als haar kinderen kwijt was en dus ook haar rust. Hij belde, één keer, twee keer, ze nam niet op, haar dochter belde, ze nam op. Blijf daar staan had ze gezegd, de politie komt naar jou. De politie belde een paar seconden later om te weten waar ze stond en ze kwamen langs. Eindelijk kon ze haar verhaal doen. Eindelijk durfde ze zeggen dat haar ex niet ok meer was. Ze had hem altijd blijven verdedigen, achter elke kritiek had ze er iets positiefs of verzachtend aan toegevoegd. Maar nu durfde ze zeggen dat haar reactie het gevolg was van jarenlange kleine kwellingen. Elke keer als ze van hem weg wou toonde hij dat het ook anders kon, maar hij hield het niet vol en de kwellingen begonnen opnieuw. Ze had zich allerlei vragen over zichzelf gesteld, pogingen gedaan om haar gedrag aan te passen, externe hulp ingeroepen. Ze begreep niet waarom ze niet gewoon gelukkig kon zijn, verweet zichzelf dat ze alles had waar velen van droomden, maar ze voelde teveel en niet de juiste dingen. En uiteindelijk werd zij een versie van zichzelf die ze niet meer graag zag. Zo wou ze niet zijn, het moest stoppen, en ze vertrok met de zachtste man die ze ooit had ontmoet. Hij bestond.  Ze gaat terug naar de tuin. Ze had met de psycholoog gebeld. Die had gevraagd of ze niet bij haar lief kon om te vermijden dat ze moedertjesdag alleen zou doorbrengen. Ze wou wel, maar hij wou het niet. Ze was hun moeder niet. Ook al zorgde ze meer dan vijf maanden fulltime voor hen toen hun moeder dat niet kon. Ze luisterde naar hun verdriet, naar hun vragen en bezorgdheden over de relatie met hun vrienden, over hun grootvader, over hun verdwenen grootmoeder en de stiefgrootmoeder. Ze motiveerde hun wanneer ze aan zichzelf en aan hun kunnen of zijn twijfelden en remde hun af als ze in overdrive gingen, ze lachten en grapten samen, speelden spelletjes en ook zij kreeg af en toe een kietel, een kneep of een troostende knuffel of babbel. Ze verzorgde wondjes, smeerde zonnecrème, vouwde hun was op, naaide gaatjes in de shirts, bracht hun naar school, maakte vers eten en dessertjes, kocht kleine cadeautjes voor verjaardagen en feestdagen, vroeg naar hun eerste werkervaringen, kreeg uitgebreid verslag van hun feestjes, ze vertelden open over sex en drugs en vertrouwden haar kleine dingen toe die ze hun vader liever niet vertelden. Nee, ze was hun moeder niet, dat wist ze wel, maar ze hadden meer dan een jaar lang lief en leed gedeeld. Voor haar voelden ze wel als haar gezin. Ze had het hem vaak gezegd, dat als hij plotseling zou overlijden, ze wel nog voor hen zou willen zorgen. Hij had dat toen goed gevonden, die ochtend dat ze in bed nog wat zacht praten over de naderende dood van zijn vader en zijn angst om ook vroeg te sterven. Het deed hem iets en hij kneep in haar hand. Dus toen ze enkele maanden later plots met haar kinderen moest vertrekken en niet alleen haar lief, de kippen, de hond, de tuin, het nieuwe huis, maar ook haar nieuwe kinderen moest achterlaten deed het pijn, veel pijn. En hij kon het op dat moment al niet meer voelen. Het gras staat vol madeliefjes. Dit jaar had ze nog geen gras afgereden. Ook dat miste ze. Het waren haar vertrouwde activiteiten die voor rust en regelmaat zorgden. Nu zat ze al maanden hier, in het huis van haar ouders, waar ze wel veilig en geliefd was, maar niet kon opladen. Opladen kon ze in haar eigen huishouden, haar eigen moestuin, in het stoffeeratelier en bij elke activiteit die ze met hem doorbracht, haar lief, een man waar ze lang van had gedroomd, maar dan had afgeschreven als onbestaande. Maar toch, hij bestond, de man die paste. Haar marraine had altijd gezegd "jouw vent moeten ze nog bakken", maar hij was al gebakken.  In de verte hoort ze een ambulance. De politie had haar niet naar huis laten rijden, maar ze hoefde ook niet naar het ziekenhuis omdat ze haar wel helder vonden. Ze hadden het stuur overgenomen en haar bij een vriend afgezet. Daar vroeg ze zich af wat ze daar zat te doen. Ze wilde naar haar kinderen, werd bijna gek, maar hij hield haar tegen. Het was goed dat ze daar was. Hij was de meest stabiele en rustige persoon die ze hier in de buurt kende. Maar ze wou op dat moment eigenlijk bij haar lief zijn en slapen om het verdriet te verwerken. In de plaats daarvan kroop ze opnieuw in het bed bij haar ouders, met matrassen van 50 jaar oud die zo hard doorzakten dat ze dacht dat ze op een ochtend eens niet meer te zien ging zijn. Ze viel rap in slaap, droomde over een bewijsdocument van een moordzaak die in het museum werd verstopt en werd wakker om vier uur. Opnieuw die hoofdpijn en buikpijn en het gemis. Ze had gedoucht, iets gegeten en was in de zon gaan liggen in de hoop te verdwijnen. Ze kijkt nog eens naar de madeliefjes in het gras en twijfelt wat ze moet doen. Toch iets gaan drinken met een vriendin ook al heeft ze geen zin om te praten? Naar tv kijken en hopen dat haar gedachten niet verhinderen om de beelden en tekst van de tv te laten doordringen? Een ticket boeken naar de bergen en een paar weken echt verdwijnen en niets meer laten horen? Wat wil ze? Haar telefoon gaat. Hij is het...dat wil ze...ze wil hem. Ze wil naar huis. En als ze thuis is en de tijd rijp zullen haar kinderen ook wel komen. Maar nu is het tijd voor haar. Ze heeft genoeg gedaan, genoeg gevochten, ze mag rusten. Morgen is het moedertjesdag. Ze bedenkt hoe het had kunnen zijn. Vervloekt haar pijn die haar mond heeft opengebroken en haar zoontje heeft gekwetst. Ze had met hem moeten doorrijden. Hij is net als zij, maximaal tien minuten boos. Ze hadden naar muziek kunnen luisteren in de auto. En dan bij aankomst, het laatste straatje bergop en dan een WAAAW uit zijn mond en bubbels in haar buik bij het zien van het wijdse strand en de eindeloze zee bij avondzon. Ze keek gisteren nog zo hard uit naar moedertjesdag ook al was het maar met haar halve kroost. Een half jaar geleden voelde ze zich moeder van vier, gisteren was ze nog moeder van één, vandaag voelt ze zich geen moeder meer. Misschien moet ze toch doen wat een bevriende maatschappelijk assistent had aangeraden? Naar spoed gaan. Maar niet om te vragen om te bemiddelen met haar ex en de kinderen, maar om haar plat te spuiten naar dromenland. In dromenland is het vast wel moederdag, zit ze aan tafel met zes en blinken gelukstranen door de nacht. 

Fien SB
27 1

Zeven zonden

Wandelweekend dag 3 Ze zijn terug thuis in de Vlaamse Ardennen. Ze ligt in bed, hij kruipt erbij en knipt het licht uit. Zo onverwacht. De routine om te lezen in bed doorbreekt hij zelden, maar als hij het doet wordt ze meteen stil. Ze luistert, voelt en kijkt in het duister. Hij ligt op zijn rug, zijn handen gevouwen. Er is rust. Hij lijkt te wachten. Ze denkt aan gisteren, aan de abdij en de pot met erwtjes die op tafel stond. Hij vroeg of ze echt waren en wou ze mee naar huis om te laten groeien. Ze nam er zeven uit het potje en stak ze in zijn borstzak. Hij vroeg of het wel genoeg was, of ze er niet beter 70 meenam of het hele potje. Ze zei: je hebt gelijk, de kans dat ze allemaal groeien is klein. Dus stak ze er nog zeven in haar broekzak om de kans te verdubbelen. Ze begint zacht te praten. Vraagt of hij weet waarom ze zeven erwtjes nam. Mijn zeven zonden, vraagt hij. Nee, dan had ik er toch zeventig meegenomen zoals je voorstelde antwoordt ze al lachend. Jij bent diegene die al lang niet meer te biecht is geweest reageert hij. Ik wou anders vandaag wel, kaatst ze terug, maar je durfde mijn biecht niet afnemen. Het is wel een kerk, die fantasieën van jou kunnen echt niet in een kerk, zegt hij alsof hij altijd de heilige is geweest, en daarbij het gaat nu toch niet, ik kan en wil het niet. Dat begrijpt ze.  Dan vertelt ze zacht dat hij haar op de zevende voor het eerst gezoend had en dat zij op een zevende verjaart en zeven altijd haar lievelingsgetal was, samen met drie en éénentwintig. En dat ze naarmate ze ouder werd ontdekte dat haar lievelingsgetallen ook magische getallen waren. Hij zegt dat zijn lievelingsgetal drie was en hij op een derde verjaart. Zij zegt: dan moeten we misschien op een éénentwintigste trouwen, maar het jaar dertig zal te vroeg zijn met al die blokkades van jou, we zullen het jaar zeventig nemen, tegen dan weet je het misschien wel. Hij lacht. Hij wacht even, dan veert hij recht en neemt zijn telefoon. Hij wil weten waarom het magische getallen zijn. Hij leest voor. De uitleg is passend voor wie zij zijn. Ze wordt slaperig en brabbelt nog: drie en zeven, het kan geen toeval zijn, we passen gewoon. Ze denkt aan de erwtjes in haar broekzak. Morgen moet ze die een veilig plaatsje geven. Mijn erwtjes ben ik kwijt, zegt hij droevig, en ik weet precies waar: bij de boomstronk waar we gerust hebben. De wandeling vandaag ging eerst weer door het bos. Het was koud, maar zonnig. Zij deed een sjaal aan, maar was meteen aan het zweten. Hij vroeg om het half uur of hij haar rugzak niet moest dragen en wist dat ze nee ging zeggen en dan volgde zijn hoofdschudden en een omhoog getrokken mondlijn omwille van haar koppigheid. Ze vond die mondlijn fijn. Die veranderde samen met zijn ogen naargelang zijn gemoed. Na een goed uur wandelen kregen ze aan de rechterzijde de weidsheid van de hoge venen te zien. Prachtig vonden ze het. Hij deed zijn hemd uit en legde het op een boomstronk om te gaan zitten turen in de verte. Zij ging naast hem zitten. Ze vertelde over haar angst van vleesetende planten en afgevroren voeten als je vast kwam te zitten in de venen. Hij deelde zijn herinneringen uit zijn kindertijd. Hij ademde diep in en zei dat hij zo graag in vrijheid en weidsheid wou leven, maar zo vast zat en geen uitweg zag. Zij wreef over zijn rug. Ze begreep hem. Bij het opstaan vielen de erwtjes uit zijn hemd, daar in niemandsland, zij waren wel ontsnapt om in de lente uit te breiden, in alle weidsheid en vrijheid, net als hun liefde.  De erwtjes liggen daar perfect zegt ze. Ze zoekt zijn hand en valt in slaap. 

Fien SB
27 2
Tip

Erwtensoep

Wandelweekend tweede dag Ze zijn op één kilometer van hun vertrekplaats. Zij herkent plots de baan. Ik ben hier al geweest, zegt ze. Gisteren had ze op kaart zitten kijken welke wandeling ze vandaag konden doen. Ze toonde welke haar interessant leek. Een wandeling van 15 kilometer, een stukje bos, een stukje langs de rivier en ook langs een abdij. Zijn interesse was meteen gewekt. Toon eens, had hij gevraagd. Ze toonde hem de foto's van de abdij en las de beschrijving: “In de abdij van Mariawald kan je nog steeds de welbefaamde erwtensoep eten.” Hij veerde enthousiast op achter zijn stuur “Het is die, het is die abdij!”. Zij voelde vuurvonkjes in haar binnenste. Ze had de abdij uit zijn jeugd waar hij vorige maand naar zocht gevonden. En hoe fijn vond ze het om hem blij te maken. Kon ze dit maar alle dagen doen! Ze komen aan op de parking. Zij gelooft haar ogen niet. Ze trilt. Haar buik voelt warm. Ik ben hier al geweest, zegt ze nog eens. Ze loopt in de richting van de abdij, als betoverd. Ze was er inderdaad al geweest, 2 zomers ervoor. Ze had haar toenmalige partner doen stoppen langs de baan omdat ze een mooie witte muur had gezien en wou weten wat daarachter zat. Hij had gereageerd dat de stopplaats niet ideaal was, maar zij wou absoluut uitstappen. Ze was langs de muur gelopen en had getrild. Ze wist niet waarom, maar ze wou hier even rondlopen. Haar partner en kinderen waren gevolgd. Ze liepen langs de abdijmuur naar boven. Daar was zij op het bankje gaan zitten. Ze was stil. Ze voelde iets maar kon dat niet delen. Ze zou wel weer horen “ben je daar weer met je rare gewaarwordingen”. Dus was ze stil en genoot van het gevoel te zweven, langs de abdij, over de uitgestrekte velden, in de zon, naar het verleden. Ze voelde liefde, de liefde die ze vaak miste. Ze lachtte naar haar kinderen. Wat was het leven mooi zo. Ze wou dat gevoel zo lang mogelijk vasthouden. Ze was thuis en ze wist niet waarom. Voor ze de plek weer verliet ging ze nog eens binnen in de kerk en keek door het raam van de cafetaria. Er was niemand. Alles was verlaten. Hij komt naast haar staan. Jouw abdij is mijn abdij, zegt ze en vertelt haar verhaal al wandelend. Er is veel zon, maar ze moeten eerst door het bos en zitten daarna aan de verkeerde kant van de vallei. Toch geniet ze. Hij is speelser vandaag. Ze kruisen een Vlaams koppel met hond. Ze praten wat over het ras en dan over de streek. Hij en de dame hebben vooral het woord. Haar introverte man kan wel heel gemakkelijk met vreemden praatjes maken en dat vindt ze fijn. Na een zin of drie doet hij het weer: hij brengt tijdens het gesprek zo subtiel zijn liefde voor haar naar boven dat ze gloeit. Hoe kan hij toch zo zacht duidelijk maken dat ze de vrouw is waarmee hij oud wil worden? Het laatste stukje is een ommegang, een klim naar boven. De zon recht in het gezicht. Ze zweten. Een zestiger komt naar beneden met een paternoster, strak gezicht. Hij zegt dat ze helemaal toe zit, madam paternoster. Zij lacht dat hij dat net moet zeggen met zijn blokkades. Dan lacht hij: “ik had die reactie zien aankomen”. Ze bekent dat zij ook zou toe zitten als hun relatie zou kapot gaan. Jij bent het, zegt ze, jij en niemand anders meer. Eindelijk zijn ze er. Hij gaat met de hond een plaatsje zoeken in de cafetaria, zij schuift aan voor zijn erwtensoep met worst. Hij zit in de zon. Ze zet de soepkom voor zijn neus, maar hij schuift hem naar het midden om met haar te delen. Zijn ogen spreken liefde en weemoed, hij neemt haar hand, zij wrijft over zijn vingers, kijkt hem in de ogen. Ze delen het abdijbier en de kaastaart. Ze voelt een gelukzalige vermoeidheid opkomen. De emoties van het goddelijke. Zijn abdij is haar abdij. Het was voorbestemd. Ze passen bij elkaar als twee erwtjes in één peul.

Fien SB
98 4

Over de helft

Wandelweekend.  Door miezerige regen een bospad 400 meter afdalen over een lengte van enkele kilometers. Even een stop in een dorpje om binnen te gluren in het leegstaand gasthof waar hij 40 jaar geleden met zijn vader kwam.  Zou dat vrouwtje nog leven? Wellicht wel, want het interieur is nog exact hetzelfde.  Zij stapt het toeristisch kantoor binnen, hij de kerk. Hij komt buiten met een rugzak vol kaarsen. Ze lacht. Eén of twee waren blijkbaar niet genoeg, de komende jaren kunnen we nog veel hulp van hierboven vragen. Heerlijk vindt ze de trekken van zijn mond en zijn pretoogjes op zo'n momenten! Ze gaan verder door het bos, helemaal naar boven nu, tot het plateau. De kilometers die volgen zijn een verademing na het gesloten bospad. Die weidsheid. Geelgroen wintergras, hier en daar kleine groepjes naaldbomen. Hij kijkt vaak naar haar, neemt haar vast. Haar hoofd is leeg, haar hart vol. Er is rust.  Ze eten iets en lachen met elkaar. Als ze terug verder lopen voelen ze de stijfheid in de benen. Zij overdrijft wat, hij lacht. Ze zijn over de helft. Ze vraagt zich af hoe het er uitziet als de brem in bloei staat. Hij vertelt over everzwijnen en over hun overwinning op beroepsmilitairen tijdens een oefening in het leger. Ze kijkt hoe hij bovenop een vervallen bunker kruipt en neemt een foto van hem rechtopstaand in de winterlucht. Ze houdt van die man.  In het verlaten dorp wordt ze niet overspoeld met gedachten aan de wereldoorlog. Ze krijgt niet dat luguber gevoel waar ze voor vreesde. Nee, in de kerk overvalt haar plots weer dat verdriet. Haar nichtje die het leven verliet. Het beeld van een trein. Haar lach die ze nooit meer zou zien. Eén, twee, drie, vier tellen inademen, vasthouden en weer uitademen. Nu niet huilen. Hij fotografeert haar, ze ziet het niet. Had ze maar een pen, dan kon ze hier wat voor haar neerschrijven op de gedenksteentjes.  Ze gaan verder, door struikgewas naar beneden, naar de kazerne waar hij sliep. Ze ziet de foto's weer voor zich. Hij in een kamer met zijn mooie kont voor de grap ontbloot, hij met baret naast zijn kameraden, hij in camouflagepak. Ze was toen vast ook verliefd geworden. De weg tussen de kazerne en de auto is lang. Ze hebben 18 kilometers in de benen. Vroeger was dit niets, maar het afgelopen jaar was zwaar en de wandelingen licht.  Ze huppelt en zwaait haar armen los. De laatste snokskes vraagt hij.  Terug bij de auto aangekomen omhelzen ze elkaar. Wat een mooie eerste dag!  

Fien SB
16 2

Sneeuw

De sneeuw kraakt. Na een aantal stappen bereikt het haar binnenste en komt ze tot rust. Ze blijft staan en ontspant. Het is zo mooi. Kon hij dat ook maar zien. Maar hij ziet en voelt niets meer. Hij zei vanmiddag wel “ja” als ze opmerkte hoe mooi het was, maar het was die ja die haar de voorbije maanden steeds weer die pijn in haar buik bezorgde. Emotieloos. Hij, de man die vorig jaar één en al emotie was en haar muur voorzichtig steen per steen heeft afgebroken zodat haar emotie helemaal vrij kon komen. Nu zat hij zelf al 3 maanden achter een muur met hier en daar een kleine opening, net voldoende om te overleven. Het maakte haar intens verdrietig. Dus had ze de rest van de wandeling alleen verder gezet terwijl hij huiswaarts ging. Ze moest nog wat kunnen ademen. Haar hoofd stond onder spanning. Spanning doordat hij stil was. Ze hield van stilte, als kind al. Maar dan wel een rustgevende stilte. En rustgevend was het de voorbije dagen niet. De stilte voelde geladen. Het maakte haar onmogelijk om nog te genieten. Ze wist dat het niet goed zat, dat hij zich niet goed voelde. Ze voelde dat hij alleen wou zijn. Dat hij leeg was. Ze wou dat hij ook leeg bij haar kon komen. Maar dat lukte hem niet. Als hij leeg was wou hij haar niet. En als ze toch probeerde dichter komen verweet hij haar dat ze hem geen rust gaf. Ze begreep het wel, dat ze voor extra druk zorgde. Eigenlijk wilde zij de leegte en emotieloze toestand een stap voor zijn door hem het signaal te geven dat hij over zijn grenzen ging. Maar het lukte haar niet, zodra ze het opmerkte ging hij in de aanval of verdediging. Dus zei ze vaak niets meer. Ze liet hem doen. Ze liet hem afdwalen. En dan als het te lang duurde probeerde ze hem terug te halen omdat ze ziek werd van hem zo te zien worstelen. Soms lukte dat, maar de voorbije maanden had hij steeds meer uitgesproken dat hij een relatie niet meer zag zitten. En daarom liep ze nu alleen door de sneeuw. In de zomer had hij voor het eerst echt open met haar over de bipolariteit gepraat. Hij had uitgesproken dat hij hoopte dat ze op termijn konden voorspellen wanneer het de foute kant op ging om te voorkomen dat het extreem werd. Maar dat was in een helder moment. Zodra die heldere periode voorbij was kon ze zoveel voorspellen of signaleren als ze wou. Hij hoorde het niet. Integendeel, zij werd plots de bedreiging, de oorzaak van alle ellende, de verstoorder van zijn rust. En die boodschap meermaals per week horen had haar onzeker gemaakt. Het had haar adem afgesneden, haar buik verkrampt en haar brein oververhit. De sneeuwvlakte onder een stralend blauwe lucht gaf opnieuw zuurstof. Haar gedachten konden weer rustig vloeien in plaats van de kolken. Ze had echt alles geprobeerd, alles wat hij haar gevraagd had. Maar hij probeerde het nieuwe leven waar hij zo naar uitkeek met haar op te bouwen en tegelijk nog het oude in stand te houden. En dat lukte niet, want die twee levens stonden haaks op elkaar. Ze herkende het. Ze had ook jaren gezocht en geworsteld, maar ze bleef vasthouden aan alles wat ze kende. Natuurlijk lukt het dan niet om je leven een andere wending te geven. Natuurlijk blijf je dan vastlopen. Maar nu had ze wel gedurfd, ze had alles overboord gegooid en de toekomst die ze wou lag voor het rapen. Ze kijkt naar haar voeten die stap voor stap een spoor vormen en die cadans zorgt voor ruimte in haar hoofd. Af en toe roept ze de hond eens terug naast haar om te zorgen dat hij niet te veraf dwaalde. Zo kan ze op tijd ingrijpen wanneer hij onder de sneeuw toch een spoor van een fazant of haas te pakken krijgt. Maanden ervoor had ze voor het eerst gezien hoe een goede jager het was. De parelhoen zat in zijn muil. Ze had even gegruweld bij de gedachte dat het dier dood was, maar hij, de man van haar dromen had in al zijn rust en snelheid de parelhoen vanuit de muil van de hond bevrijd. Wat was ze verliefd op die man. En hij wist het, hij had het gevoeld, hij had ervan genoten, hij had eindelijk hoop op een beter leven. Maar plots was haar liefde een last geworden en had hij haar weggeduwd. Hij had gezocht naar een reden, maar geen enkele had haar overtuigd omdat hij zichzelf tegensprak. Op de duur zocht ze zelf een reden omdat het gemakkelijker zou zijn om hem los te laten. Ze begon zichzelf wijs te maken dat hij haar nooit mooi of aantrekkelijk had gevonden, dat hij haar eigenschappen eigenlijk niet bijzonder vond, dat hij gewoon verliefd was geworden omdat zij verliefd was op hem. Maar ook dat klopte niet, want hij had hààr veroverd. Dus ze wist dat ze niet anders kon dan aanvaarden dat het zijn verleden was die de kloof had veroorzaakt. En dat was moeilijk, want vechten tegen een verleden dat niet het hare was, hoe moest ze daaraan beginnen? Een kleine witte auto met een schattig meisje met bril aan het stuur komt de helling opgeklommen. Ze gaat even aan de kant met de hond. Als de auto zou slippen zouden zij veilig staan. De hond verliezen zou hij niet te boven komen en zij zou het zichzelf niet vergeven dat ze onoplettend was geweest. Ze vraagt zich af of dat meisje naar haar werk rijdt. Zelf mistte ze haar werk enorm. Het was nu bijna een jaar geleden dat ze haar ontslag kreeg. Het museum was haar eerste werkplek die als thuis aanvoelde. Het was ook de plek waar de liefde was ontstaan. Die magische werkplek achterlaten enkele maanden nadat ze haar gezin had in de steek gelaten om met hem een nieuw leven te starten was zwaar geweest, misschien wel te zwaar had ze deze week bedacht. Zelf was ze nooit met de auto gaan werken. Waar ze 45 jaar gewoond had zat ze vlakbij de stad en alles was te voet of met het openbaar vervoer bereikbaar. Maar hier moest ze wel terug leren rijden. En hij was erin geslaagd om haar zelfvertrouwen terug op te bouwen. De laatste weken vond ze het zelfs opnieuw fijn om met de auto te rijden. De angst was weg. Ze stapt verder en kruist een oudere man. Ze zeggen elkaar goedendag. Eigenlijk zou ze wel willen praten, want ze kent hier nog niemand. In haar vroegere thuis kwam ze om de haverklap wel iemand tegen waarmee ze een praatje kon maken. Maar de man ziet er niet aanspreekbaar uit. Dus loopt ze verder naar beneden en dan linksaf en terug naar boven. Die weg hebben ze deze zomer samen gelopen. Ze dacht dat ze het nooit zou uitlopen in die hitte, maar het lukte. Lopen was iets wat ze nooit wou doen. Ze zag het plezier niet. Haar broer, zus en schoonbroer liepen marathons, maar zij was altijd gewoon een wandelaar geweest. Hij spoorde haar aan om het eens te proberen en het beviel haar zo erg dat zij uiteindelijk diegene was die vroeg om te gaan lopen. Maar na een paar keren kwam daar ook een einde aan. Hij schrapte alles: boksen, lopen, culturele uitstapjes, uitnodigingen bij vrienden. Hetgeen overbleef waren verplichtingen: de zorg over de kinderen, het werk, verbouwingen en wat tijd voor de relatie. En dat was wat haar zorgen baarde. Dat tijd voor de relatie de voorbije maanden ook als opgave werd gezien. Dat hij niet meer zag dat dit misschien nog het enige was waar hij evenveel of meer bij terugkreeg dan hij erin stak. Ze wist dat hij te diep was gegaan en ze voelde haar mislukt dat ze het niet had kunnen tegenhouden. Het enige wat ze nu kan doen is zichzelf niet verliezen. Ze is gevoelig aan sferen. Te lang in de buurt van depressieven of nee-zeggers of pessimisten kan het licht uit haar ogen halen. De sneeuw is er echt wel op het juiste moment. Al drie dagen zorgt het steeds weerkerend proces van dikke vlokken en dan weer een helblauwe lucht voor hoop, een houvast. Haar leven had er anders uitgezien hadden haar ouders hun hart gevolgd. Maar haar ouders waren twijfelaars, uitstellers. Ze herinnert zich nog hoeveel keren ze op het punt stonden hun leven om te gooien. Op een avond zat daar een vreemde man met foto's en een kaart aan de livingtafel. De avonden erop werden alle pro's en contra's opgelijst. Zij was een jaar of 14 en probeerde zoveel mogelijk info mee te pikken. Het ging over een huis in Carcasonne. Ze snapte het allemaal niet goed. Waarom zouden haar ouders nu plots naar daar verhuizen en niet naar de bergen? Was het iets zoals een paar jaren eerder toen het aanbod kwam om een functie in Afrika te gaan uitoefenen? Nee, daar had het niets mee te maken. Hoe gingen ze dan werken vroeg ze zich af. De plannen werden van tafel geveegd net nadat zij toch een beetje enthousiast was geworden. Niet veel daarna kwamen de zwarte jaren. Er werd niet meer gesproken over naar de bergen verhuizen. In de plaats daarvan zaten bankdirecteuren aan de livingtafel en werd alles in het werk gesteld om de woonst en het buitenverblijf aan de kust uit handen van de deurwaarders te houden. Ze wou graag verder studeren en ging een studielening aan. In de weekends werkte ze en de eerste maanden loon van haar allereerste job in Antwerpen ging naar de afbetaling van de studielening. Het faillissement van haar vader, de problemen met haar zus en broer en de zorg over haar grootmoeder zorgden er uiteindelijk voor dat haar ouders nooit hun droom waarmaakten. En toen in 2020 haar moeder door een trombose volledig hulpbehoevend werd verdween ook de droom om veel te reizen achter slot en grendel. En nu waren het haar ouders die haar motiveerden om haar hart te volgen. Haar ouders die altijd hard gewerkt hadden en luiheid afgekeurd hadden zeiden nu dat ze op het werk niets moest bewijzen, dat ze er toch niets mee ging winnen. Dat ze haar tijd beter stak in profiteren, verlof nemen waar het kon, niet teveel verantwoordelijkheden nemen en meer voor zichzelf in plaats van voor een ander zorgen. Maar dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan als ijverigheid, verantwoordelijkheid en naastenliefde er met de paplepel ingegoten werden of aangeboren waren. Als kind hadden maatschappelijke problemen haar al wakker gehouden. De enige momenten waar ze echt helemaal tot rust kwam waren de twee weken paasvakantie in de bergen en de twee zomermaanden aan zee. Op die momenten kon ze ademen en in alle rust alles verwerken. Ook daarom was ze zo gelukkig toen ze iets meer dan een jaar geleden voor het eerst bij hem thuis kwam. Een huis op een helling met zicht op de lichtjes van de stad, een bos naast het huis en overal in de omgeving weiland en hellingen. De bergen in het klein. En een man waar ze met elke vezel van haar lijf van hield omdat hij voor haar simpelweg perfect was. Hier en met hem zou ze beter ademen. Haar rondje is uit. Ze gaat het huis terug binnen. De haard brandt. De avond valt. Straks verschijnen de lichtjes in het dal. Morgen is een nieuwe dag. En als ze opstaat en de living binnengaat, dan is daar die geur van 40 jaar geleden in haar favoriete huis in de bergen. Ze begrijpt er niets van, hoe die geur hier geraakt is. Maar waar die geur is, daar is haar thuis.            

Fien SB
28 2

Leven met twee polen

Zij ligt buiten in de hangmat, hij boven in een donkere kamer.Ze krijgt een sms of ze even bij hem wil komen liggen.Hij voelt zich doodop en is bang dat hij doodgaat.Ze streelt hem tot hij weer rustig is.Wat houdt ze van deze warme bijzondere man.En hoe boos is ze op diegenen die van hem misbruik gemaakt hebben.Al weken stroomt de liefde van de ene naar de andere.Teder, intens, echt. Een paar dagen later vraagt hij om een valies te maken voor 3 dagen.Ze vertrekt vol spanning, enerzijds nieuwsgierig, anderzijds angstig.Verrassingen zijn voor haar altijd dubbel.Wat als ze hem teleurstelt? Wat als ze bang is? Wat als ze niet goed genoeg is?Na enkele uren staan ze in de Ardennen bij een prachtig kasteel.Hij is weer zijn schattige onzekere warme zelf bij aankomst en zij is verliefd. Hij staat in de kasteeltuin en staart naar boven, naar het raam, waarachter zij in bad zit.Zijn ogen schieten vol. Ze moest eens weten hoeveel hij van haar hield.Zij zit in bad en geniet van muziek. Haar speels en vrolijk kantje komt naar boven.Samen aan het ontbijt is het alsof er altijd al een wij was en altijd een wij gaat zijn.Ze wandelen en zien een huis te koop.Ze beginnen weer te dromen. Over de zoektocht naar de ideale plek, de juiste spullen voor de inrichting.Ze lacht als ze aan zijn perfectionistisch kantje denkt en ziet het helemaal voor zich.Hij heeft smaak, ze houdt van zijn smaak. Er is een hoekje af, bij hem en bij haar.  Weken later, zonder duidelijke aanleiding, zonder signaal is hij weg. Zijn blik is wazig en op de grond gericht of in het ijle. Als ze vraagt om oogcontact ziet ze alleen die verdomde spoken, hem vindt ze niet.Ze kruipt tegen hem in de zetel omdat woorden nu niet helpen, zachtheid misschien wel.Hij duwt haar van zich af. Ze schrikt. Wat heeft ze niet opgemerkt? Wat heeft ze gezegd? Wat heeft ze gedaan?Weken gaan voorbij. Geen zoen, geen aanraking, geen hand, niets.Ze wordt gek in haar hoofd en stelt vragen, ook aan externen.Ze mist hem, haar fantastische man die haar aanvult, opvult en laat vullen.Ze luistert, probeert te doen wat hij vraagt. Maar niets helpt. En dan plots komt er weer opening, even onverwachts als de sluiting.Hij kijkt naar haar en de liefde loopt over.Nog voor hij zegt hoe graag hij haar ziet heeft ze die woorden al gevoeld.De druk gaat van haar borst en ze huilt vanbinnen.De weken die volgen zitten vol van die echte liefde afgewisseld met afstand. Zij heeft het niet door en reageert soms te intens op beide. Zij wil genieten, vooruit gaan, leven, niet teveel moeten, niet teveel nadenken.Vertrouwen op de liefde en elkaar. Ze gaan regelmatig wandelen en eten. Ze liggen ook af en toe wat langer in bed zacht te praten. Hij beschrijft de verre toekomst, maar maakt ook plannen voor de dichtbije.Zij zit overal in die toekomst en de kinderen ook, dus ze is gerust. Maar hij blijft doodop, doodop van het verlies van zijn vader, doodop van de verantwoordelijkheid over de kinderen, doodop van het werk waar hij vanaf wil, doodop van het verlangen naar een plekje in de natuur met haar aan zijn zijde, doodop van zijn mentale en fysieke gezondheid, doodop van de angst om de liefde weer te verliezen, doodop van het gevoel maar de helft meer te zijn, doodop van het verleden die hem niet loslaat. Het jaar was gewoon te zwaar. De jaren ervoor ook. Dus grijpt hij naar zijn vertrouwde houvast: werken en voortdoen en niet meer aan de toekomst denken, niet meer dromen, niet meer voelen, gewoon dag per dag overleven. Dat zorgt voor spanning en spanning bovenop het diep dal veroorzaakt kortsluiting, rare reacties die haar uit balans brengen omdat ze het allemaal nog niet goed kent.  Eén keer, twee keer, drie keer. Muggen die in olifanten veranderen en teveel olifanten kunnen een ruimte verwoesten.Ze weet dat ze beter kan, dat ze nog wat kennis en ervaring mist om de muggen gewoon dood te meppen zodat de mooie ruimte heel blijft.Ze gaan slapen. Ze omhelst hem, voelt zijn liefde onder die zware last die hij al jaren draagt.Ze staat op en vertrekt met de kinderen, hij naar het werk. Ze krijgt een bericht: ik wil niet dat je terug naar huis komt vanavond.Het is definitief voorbij. Laat me nu gerust.We spreken nog over hoe we het praktisch regelen.Ze gelooft het niet, maar weet dat het nu geen zin heeft te reageren. Ze wil kijken in zijn agenda wanneer hij vrij is om te gaan wandelen of ergens naartoe te gaan zodat ze hem kan terughalen met zachtheid en rust. Maar het paswoord is gewijzigd.Haar buik krimpt in elkaar.Even denkt ze dat ze zich heeft vergist, even komen haar spoken ook boven.Dat hij toch geheimen heeft, niet is wie hij is.Maar al gauw voelt ze dat het niet klopt. Haar man is weg.De spoken uit het verleden hebben hem weer de dieperik in getrokken.Ze is bang.Bang omdat ze niet weet hoe lang.Bang omdat ze weet dat zowel zijn als haar gezondheid ook in gevaar is als hij niet terugkomt.Ze wil hem aan haar zijde.Samen zijn ze gewoon zoveel beter.Ze vullen elkaar aan, laden en ontladen elkaar, lopen in elkaar over, gaan in elkaar op.In alles, overal, elke dag dat hij hij is en zij zij.

Fien SB
27 3

Entre chiens et loups

Ik lig in de hangmat en doe een poging om het lawaai van de auto’s die op de kasseibaan omhoog klimmen te negeren. Drie seconden stilte, meer krijg ik niet. Ik hou het niet. Ik word knettergek van dat constant lawaai. En nu? Heb ik nu alles opgegeven voor rust in mijn hart en krijg ik constant lawaai in mijn hoofd in de plaats? Exact zes maanden geleden veranderde een uitnodiging voor een wandeling in het parkbos mijn leven. Ik had hem twee jaar eerder ontmoet, als het lief van mijn zus. We stuurden om de paar maanden eens een berichtje en hij kwam een aantal keren langs op mijn werk in functie van zijn werk. Ik werd warm en blij van de bezoekjes. Maar meer was het niet maakte ik mezelf wijs, ook niet toen hij mijn zus verliet. En toch liet ik twee maanden na die wandeling in het park de partner waar ik 23 jaar mee samen leefde en de straat waarin ik 45 jaar had gewoond achter omdat die ontmoeting veel meer was, misschien wel alles. De eerste dag dat hij mij meenam naar zijn woning was mijn reactie “waaaaw, wat een uitzicht”. Ik voelde mij een beetje Heidi in de bergen, zeker als het donker werd en de lichtjes van de stad beneden aan de berg verschenen. Vandaag kijk ik vanuit mijn hangmat naar dat uitzicht en probeer ik het binnen te laten, maar alleen het lawaai komt binnen. "Focus! Filter het lawaai toch gewoon weg", zeg ik mezelf. Ik concentreer mij op de twee bomen met een bankje tussen. Rechts ervan de eerste witte bloesems en iets meer op de achtergrond een geveerde boom. Ik bedenk dat ik graag alle bomen bij naam zou willen kennen. De kruin waait wat open en de wind brengt ook het grasveld van de boer in beweging. Mijn ogen genieten, maar mijn hersenen willen niet mee. Het geluid van de auto’s is er nog steeds. Ik bedenk een plan om dat geluid te stoppen. De stad een brief sturen om de snelheid te minderen, nog hogere bomen plaatsen, leuke plakkaatjes op de weg zetten zodat de bestuurders automatisch vaart minderen of elke dag mijn toekomstige schapen loslaten. Mijn blik verplaatst zich naar de vijver. Misschien moet ik onder water gaan en daar blijven. Dan stopt het geluid eindelijk. De vijver is donker, vol gevallen takken en gifgroene wieren. De kikkers die dagen geleden op elkaar zaten zijn niet meer te horen of te zien. De zwarte ondergrond heeft hun wellicht opgeslokt. Alleen hun nageslacht drijft nog aan de oppervlakte. Dat nageslacht wordt elke avond uiteen gedreven wanneer een eendenkoppel landt om er de nacht door te brengen en er binnenkort ook nageslacht achter te laten. Naar die gele donsjes kijk ik uit, naar kleine groenzwarte kikkertjes ook, maar niet naar de vele lijkjes die dan in het gras en op de oprit achterblijven en ook niet naar het verdriet wanneer een geel donsje het toch niet blijkt te halen. Ver achter de vijver staan gigantische bomen die het geluid niet tegenhouden. Hun kale kruin met dikke donkere kronkelende takken zien er bij avondlicht een schilderij van de Latemse school uit, maar bij daglicht doet het me eerder denken aan de horrorversie van sneeuwwitje. Sneeuwwit was het hier enkele maanden geleden. Ik hou van elk seizoen, maar als er sneeuw ligt en de zon de hele dag aan een helblauwe hemel staat kan mijn geluk niet op. Ik denk terug aan die dag hoe we uren door de sneeuw de voor mij nieuwe omgeving verkenden. Volkomen gelukkig, niet wetend wat er ging komen en nog niet goed beseffend hoe hard het gemis plots zou binnen komen. Zoals vanavond. En daarom lig ik in de hangmat. Net zoals jaren geleden toen er maandenlang mist mijn hoofd werd ingeblazen en ik werkonbekwaam werd verklaard. Echt bekwaam ben ik niet meer geworden. Op mijn nieuwe werk viel dat niet op. Maar ik wist het, er was iets kapot. Kapot was ook mijn relatie, al van in het begin. Met wat positivisme, relativeringsvermogen en vele kleine gelukjes zijn we toch 23 jaar ver geraakt.  Ik draai me op mijn buik zodat mijn rug omgekeerd kan rekken. Ik probeer mijn lief achter het raam te zien, wil hem eigenlijk graag bij me, maar hij moet werken en ik niet, ik ben werkloos, voor de tweede keer. Qua timing hebben ze dat goed gedaan bij ’t stad. Ik had nog maar net aangegeven dat mijn werk mijn houvast was in de periode van de scheiding of ze kondigden al mijn C4 aan. Bad getimed zijn ook mijn dipjes, mijn gemis, mijn verdriet, mijn thuisloos verdwaald gevoel. Dat zei mijn lief. Bad omdat ze opduiken zodra ik in bed zit. In bed wil hij slapen. Als ik gevoelens kon timen had ik de afgelopen twee jaren vast geen tranen gelost op de bus, was ik niet verliefd geworden toen hij twee jaar geleden gehurkt naast mijn bureau op mijn scherm meekeek, had ik nog voor de eerste woede mijn vorige relatie stop gezet. Maar gevoelens zijn niet te timen. De stand van de maan wel. En vanavond staat ze daar als helder fijn lijntje. De lucht krijgt weer alle kleuren alvorens over te gaan naar donker. Dit is mijn favoriet moment van de dag, entre chiens et loups. Ik kan beginnen met uitkijken naar de nacht. Dan wordt het eindelijk stil buiten. En met een beetje geluk ook in mijn hoofd.

Fien SB
32 3

Slappe lach

Ik heb vaak de slappe lach. Ik voel het meestal komen. Het begint met een luchtbel ergens tussen je slokdarm en je ademhalingspijp. Die wordt steeds groter. Het lijkt wel of niet alleen je borstkas gaat uiteen spatten, maar ook alsof je armen en benen opzwellen en je daardoor als een ballon de lucht in zal gaan. Soms kan je de luchtbal weer inhappen, dan blijft je lijf een opgeladen lichaam en durf je nergens meer aankomen of naar kijken uit schrik dat de elektriciteit het geviseerde object gaat opbranden. Maar meestal ontploft de luchtbel vrijwel onmiddellijk, als een zeepbel waarbij kleine spatjes overal rondvliegen en dan liggen te blinken in de zon. Die spatjes lijken iets magisch te hebben. De tinteling is de hele ruimte te voelen. En elk klein spatje kan een nieuwe golf veroorzaken. Die komt dan pas vele tijd later, als een terugslag, een weerkaatsing. Soms minuten na de ontploffing. Als alles alweer in rust is of in rust lijkt. Zoals bij een tsunami die aan het rollen ging, eerst onzichtbaar om dan alles en iedereen te overvallen. Iedereen staart je aan niet wetend wat er gebeurd. Het voorval die alles veroorzaakte is al vergeten of werd door sommigen niet geregistreerd, er is geen link meer tussen de eerste slappe lach en de tweede. Maar voor jou wel. In jouw hoofd heeft alles zich vertraagd en in een loop opnieuw afgespeeld en er werden nog elementen aan toegevoegd. Er werd wat geknipt, geplakt. De timing, de muziek, alles werd nog beter gemonteerd dan hoe het zich echt had voorgedaan. Waardoor de tweede slappe lach veel heviger is dan de eerste en je uiteindelijk met zuurstofgebrek als in een roes zweeft te midden van jouw starende medemensen. Gisteren las ik een boek waarin de slappe lach door één van de hoofpersonages op eenzelfde manier werd beschreven als hoe ik het ervaar. Fantastisch vond ik dat. De schrijver kende het dus ook. De scène was ook gewoon hilarisch. Op de hoed van een vervelende leerkracht stond in krijt “schiet me neer” geschreven. Het hoofdpersonage, een leerling in die klas, kon maar niet meer opletten. Telkens opnieuw zag hij die woorden. Zijn hoofd duizelde en hij voelde de luchtbel. En dan plots zette een medeleerling zijn vinger in schietstand, richtte naar de meester en zei “pief, poef, paf”. Daar was ze dan: de ontploffing. Ik zag het, ik voelde het. Ik lag zelf dubbel. Zonder verdere context is de slappe lach wellicht onverstaanbaar. Maar ik had de context, tussen alle lijnen door, in de hoofden van de personages, genoeg materiaal om van een flauw mopje een hilarische toestand te maken. Vandaag veroorzaakte mijn flauw mopje de slappe lach bij mijn partner. We stonden aan de voetbal. De eerste wedstrijd van onze zoon. We hebben allebei niks met voetbal, dus hebben we dit 6 jaar uitgesteld. Maar als een kind 6 jaar lang volhoudt dat dit het liefste is wat hij wil doen dan plooi je. Je gaat twee keer per week trainen en offert zaterdagen en zondagen op om naar de wedstrijd te gaan kijken. Al meteen zie je er de fun van in. Anderhalf uur lang naar mensen kijken is eigenlijk het fijnste tijdverdrijf die je maar kan bedenken. Het is niet voor niets dat je antropoloog wou worden. Eén van de jongens komt constant klagen bij zijn vader. Vader wordt steeds bozer dat de trainer gelijk heeft, dat hij niet snel genoeg is, dat ze niet samen spelen, dat hij teveel klaagt. Ik vraag me af of de jongen voetbal eigenlijk wel fijn vindt. Zijn gezicht vertoont geen enkel plezier en zijn lijf verplaatsen lijkt een zware last vol overtuiging van de teleurstelling die erop gaat volgen. Naast mij staan twee vrouwen met chique namen te gooien alsof hun zoon de uitverkorene is. Elk uitgesproken woord heeft de intentie de ander te overbluffen. Eéntje doet een poging om mij bij het gesprek te betrekken. Ik antwoord beleefd en probeer dan zoveel mogelijk de andere kant op te kijken en mijn oren te verzegelen zodat mijn humeur niet bezoedeld geraakt. Je focust je terug op je zoon. Dat vrolijk ventje voor wie voetbal puur genieten is. Hij maakt om de haverklap een grappige beweging alsof hij even gehurkt op het grasterrein gaat zitten relaxen. De trainer ziet het ook en schreeuwt dat hij moet rechtop blijven. Hij gehoorzaamt, niet goed wetend wat eigenlijk het probleem is. Je ziet zijn mager lijfje op de juiste momenten van de ene kant van het veld naar de andere vliegen. Om even later weer te relaxen. Zijn reflexen zijn gigantisch snel. Dat weet je al van toen hij peuter was en vliegen en wespen kon neermeppen nog voor jij ze had gezien. Hij frutselt aan zijn tshirt zoals hij ook aan je lange haren frutselde. Af en toe werpt hij jou een glimlach. Je geniet omdat hij geniet. Hij weet dat hij kan scoren. Ook al lijkt hij soms de grasmat te aaien of de vogels uit de lucht te kijken. Zijn focus en niet-focus wisselen razendsnel. De trainer weet dat nog niet, jij wel. De ploeg van je zoon is een allegaartje beginners, de tegenploeg is een ander allegaartje voor 80% met allochtone achtergrond. Ze zijn allemaal een kop groter en in de breedte kan je zoon er twee keer in. Je partner vraagt hoe dat kan, U12 is toch allemaal van het geboortejaar 2013? Je reageert droogjes dat ze in de tegenploeg misschien niet helemaal zeker waren van het geboortejaar. Waarop je partner dubbel ligt. Durf jij dat nog luidop zeggen, vraagt hij als hij is bijgekomen. Waarop jij begint over je eerste werkplek, waar 80% van je collega's Afrikaanse, Turkse of Italiaanse roots hadden. Adil zijn mopjes waren de beste. Hoe zwaar die job ook was, de slappe lach heeft ons de miserie laten vergeten. Je zoon heeft dat ook begrepen. Zoals Adil zijn bruine huid relativeerde, relativeert je zoon zijn scheel oog. Hij ziet 360 graden lacht hij. Hij leest tussen de lijnen door in de hoofden van de personages en over alle terreinen heen. Hij heeft de hele context. En dat zorgt voor dubbel plezier, ook in het spel.  Het mag, de slappe lach, we schieten niemand neer. Schieten doen we alleen in de goal.   

Fien SB
57 3

De plas

Ik sta aan de bushalte.De vrouw naast me zucht over de vertraging.Normaal zou ik bevestigend reageren en daar stiekem wat lichtpuntjes tussengooien.En dan kijken hoe haar gezicht opklaart. Een negativist mag je niet te fel bestralen heb ik geleerd. Het moet heel voorzichtig en ongemerkt gebeuren. Daar ben ik goed in. Maar vandaag niet.Vandaag geen opklaring. Mijn arm doet pijn.  En tranen vallen als druppels.   Zoals de dikke regendruppels die in de waterplas aan de rand van het voetpad vallen. De plas lijkt oneindig diep. Ik kan er zo in verdwijnen. Dertig jaar terug in de tijd. Hevige stortbuien. Ik kijk door het raam van het appartement aan zee. Er ontstaat opwinding. Nog even en het platform stroomt over waardoor alle kelders dreigen onder te lopen. Honderd en vier kelders en een paar ingestorte onderaardse gangen uit de tijd van WOI. Gangen die onder de duinen door liepen zeiden ze mij altijd. Wellicht om me bang te maken en zo mijn nieuwsgierige geest lam te leggen. En dan is het zover, één drup teveel, het water loopt over de rand, trap per trap naar beneden. Marraine roept om snel naar buiten te gaan en met een stok in het verstopte gootje te koteren zodat het water op het platform weer weg kan. Ik ben razend enthousiast. Stortbuien vullen mijn voorraad lichtjes aan. Ik grabbel naar mijn regenjasje en spurt op mijn blote voeten naar buiten, waar ik tot aan mijn knieën onder water in dat dunne half-verroeste pijpje zit te prutsen tot ik een doorgang vind en het water wordt weggezogen. Ongelofelijk vind ik dat, hoe die massa verdwijnt in dat klein gaatje. Ik roep van blijdschap naar mijn zussen, broer en marraine dat het gelukt is. Iedereen blij, ook de buren. Ik ben weer de koningin van de waterplas. Zomers met stortbuien doen mij nooit klagen. Het gezucht gaat door en de vrouw heeft bijval gevonden bij iemand aan mijn linkerkant.Ik ben omringd door negativiteit. Maar het raakt me niet.Ik zit in de plas.Waar mooie wolken zijnen dikke druppels mij laten lachen. Hij raakte me wel.Sla me dan had ik gezegd.En toch zag ik het niet komen. De bus zie ik ook niet.Tot de wielen de plas breken.De plas waar ik nog in zat. Ik stap op maar ben verdwenen. 

Fien SB
32 2

De laatste petanquer

Gisteren vond ik tijdens het opruimen een oude zomerfoto met zes zongebruinde mannen op een rijtje: Rob, Ludo, Pier, Georges, Eric en mijn papa. Ik zag het weer helemaal voor mij. Voorbij de kabinetjes op een stuk hard zand bakenden ze met een wit koord hun terrein af. Met een houten plankje aan een lange steel veegden ze het terrein effen. De ploegen werden verdeeld en pas na een uur of drie zagen we de mannen terug onze richting uitkomen. Wij, de families, zaten aan de kabinetjes en passeerden de mannen af en toe als we gingen zwemmen.  Na een paar jaar vervolledigden een Antwerpenaar Toon en twee jonge West-Vlamingen, schoonbroers van Ludo, de petanquers op regelmatige basis. Het koordje viel weg en er kwam een houten scorebordje in de plaats met een zwart en rood pinnetje. Ik was intussen een jaar of tien en mocht al bij het terrein staan kijken. “Fientje geef ons ne keer twee puntjes, meistje” klonk het dan. Waarop ik het rode of zwarte pinnetje verzette. De favoriet van mij en mijn mama was Pier. Pier had spierwit fijn golvend haar tot in zijn nek en, een wit baardje, grijze bril en sproetjes over zijn hele lijf. Pier kwam altijd een uur voor de start van het spel bij ons aan de kabinetjes een babbeltje doen. Mama zat dan met de tranen in haar ogen van ’t lachen. Vaak gierden en schaterden we voor het hele strand. Pier zijn ex-vrouw had een paar stoornissen die hij dan heel gezapig kon nadoen. Hoewel ze zijn leven deels had verwoest kon hij geen slecht woord over haar vertellen. Ze hadden samen een zoon, die niet zo snugger was, en een dochter die de stoornissen van haar moeder had geërfd. Pier was al drie keer afgevoerd met een zware hartaanval. Eén keer lag hij in ’t dodenhuizeke, daar is hij wakker geschoten en  heeft hij alle verpleegsters verbaasd hoe snel hij weer de oude was en de schone “mokstjes” bedankte voor hun goede zorgen. Hij zag de vrouwen graag op zo een zachtaardige manier dat het bij mij is blijven hangen. Pier was een kettingroker en de tussenstop in ’t dodenhuizeke had het hem niet afgeleerd. ’t Was mooi daar aan de overkant zei hij. Hij was niet bang. Hij was hier al langer dan voorzien was. Dus kwam hij petanquen met pilletjes in zijn zak. Mijn papa wist de pilletjes zitten en wist wat hij moest doen. Hoe vaak stond mijn hart niet half stil als er een helikopter op het strand landde? Was het Pier? Bijna jaarlijks werd iemand afgevoerd. De heisa die dan ontstond als de helikopter bleef cirkelen tot er een landingsplaats werd vrijgemaakt, de snelheid waarmee een stukje strand werd afgebakend met donkerblauwe zeilen om de reanimatie te starten, de zandstorm die ontstond wanneer hij weer opsteeg en het lege verlaten gevoel achteraf, het zit allemaal in mijn geheugen geprent. Zelfs nu 30 jaar later voel ik het nog wanneer een helikopter overvliegt. Tot ieders verbazing was er plots die zomer waarop Pier zijn nieuwe echtgenote aan ons voorstelde: een gezellige dame met veel te veel overgewicht. De gezellige dame bleek na wat verhalen van Pier geen fantastische keuze. Op minder dan tien jaar tijd was zijn hele spaarboek erdoor gedraaid en Pier voelde zich meer en meer teleurgesteld in hoe alles gelopen was. Zijn mooi huis in het centrum van de stad waar hij zo graag uit ging werd verkocht en hij verhuisde naar een stacaravan buiten de stadsrand, samen met zijn gezellige dame die intussen door een maagring haar vetrollen voor rimpels had verruild en daarbij wat gezelligheid als tol betaalde. Pier zijn ogen straalden als hij zijn miserie met ons kon delen en we er samen om konden lachen. En vaak moest hij ook een traantje wegpinken of wat verdriet wegslikken. Dat was het moment waarop hij naar mij keek en vroeg hoe het was of welke taartjes ik bakte of hoeveel strandbloemen ik had verkocht. Met de jaren werden die vragen vervangen door vragen naar de liefde. Maar Pier kwam alsmaar minder. De dokters waarschuwden hem dat hij niet veel tijd meer had en dat bleek te kloppen. We gingen niet naar de begrafenis, dat was te zwaar. Met veel moeite en verdriet bracht mijn papa de zomer na Pier’s dood iedereen terug bijeen om de petanque verder te zetten. Mijn andere favoriet Ludo was stiller, maar altijd blij mij te zien. Volgens mijn mama had ik als kleuter bijna zijn scheiding veroorzaakt. Ludo had een vrouw en drie kinderen, dezelfde leeftijd als mijn broer, zus en ik. Op een dag heeft ze het hele strand bijeen geroepen omdat Ludo in mijn mama haar koffietas de melk omroerde nadat hij al de hele dag met mij had gespeeld in plaats van met zijn eigen zoontje. De scheiding vond een paar jaren later plaats. Geen idee of wij er voor iets tussen zaten. Ludo kwam dus wat minder petanquen. Soms was hij er, soms zijn ex en hoe ouder ik werd geen van beide. Het kabinetje werd dan ook alsmaar meer gebruikt door de schoonbroers met jongere kinderen. Die broers werden ook in de petanquegroep opgenomen, wat voor wat extra leven zorgde en de zekerheid dat er elk weekend minstens zes spelers waren. Op mijn zeventien, aan het kabinetje van Ludo en zijn schoonbroers zag ik plots terug zijn zoon. Als kleuters waren we onafscheidelijk en nu we allebei tot mooie tieners waren uitgegroeid sloeg de vonk terug over. We wilden nog wel eens samen spelen en trokken naar het water. De vonk bij mij was maar van korte duur, na twee spelletjes aan het water gingen we samen de stad in. Toen dat avondje uit eindigde met drugs besloot ik verder maar uit de buurt te blijven van mijn kleuterlief. Een goeie beslissing, zo bleek dat later, toen Ludo terug kwam petanquen en meedeelde dat zijn zoon in het gevang zat, zijn dochter flik was geworden en de oudste zoon een nietsnut. Ludo was op dat moment hertrouwd met een militaire. De militaire kwam mee petanquen. Dat werkte enkele jaren tot wanneer een nichtje van Ludo in het spel kwam. Ludo verdween weer jaren en de militaire speelde nog een zomer verder. Toen ook zij verdween vertelden Ludo zijn schoonbroers dat Ludo zich had opgesloten. De militaire had hem zijn levenslust en materiële goederen ontnomen in een loodzware echtscheiding en hij is het niet meer te boven gekomen. Rob was een chique type uit Brussel. Hij was er niet altijd bij omdat hij ook nog tennis speelde en altijd wel ergens een jonger liefje had. Zijn vrouw wist het, maar de schone schijn moest hoog gehouden worden, dus bleef ze glimlachen. Rob kwam na Pier’s dood niet meer spelen. We zagen hem soms nog aan de tennis of op de dijk en dan later alleen nog de schoonzoon en de kleinkinderen. Met Toon werd vaak gelachen omdat hij slechter speelde en wat trager was, maar ze hadden hem er graag bij. Toon kreeg prostaatkanker. Spelen deed hij veel minder. Het oprapen van de ballen deed hij met een magneetje. De kanker was nog maar enkele jaren onder controle of er werd dementie vastgesteld. Hij kwam af en toe nog kijken naar de petanquers en dan ook dat niet meer. Eric was een luidruchtige zongebruinde al vroeg kale man met gouden ketting en dikke bierbuik. Veel te vaak was er met Eric discussie. Eric had nog een ander petanquegroepje. Toen zijn einde naderde en de kanker in zijn hele lichaam verspreid zat bleef hij positief. Zolang hij kon zou hij spelen en een aperitiefje drinken. Hij bleef als voorlaatste over en speelde dus nog een aantal jaren met de nieuwe garde: een paar jongere mannen die hadden gezien dat die petanquers best wel plezier beleefden. Eric en Pier kenden Georges zijn vrouw goed. Het was een duinsletje in de gouden jaren. Of ze Georges bedroog omdat hij vaak knorrig was of andersom kan ik niet zeggen. Wel vond ik Georges als kind maar een rare vent. Toen ik zelf moeder werd en Georges heel lief met mijn eigen kinderen omging begon ik hem beter te appreciëren. Hij zag er toen ook al een opa uit. Maar hoe ouder mijn kinderen werden hoe vaker ik opmerkte dat zijn blik steeds vreemder werd, alsof hij weg was van de wereld. Hij had verdriet over hoe zijn leven gelopen was en zag de toekomst steeds somberder. Hij kreeg antidepressiva, maar kwam er niet meer bovenop. Op een ochtend nam hij zijn fiets, zonder portefeuille, zonder gsm en belandde onder de trein. De sportieve Georges die altijd ging fietsen, zwemmen en petanquen eindigde zonder benen in een rolstoel. Zijn vrouw beheerde zijn telefoon, dus open gesprekken voeren kon ook niet meer. De medicatie tastte zijn brein verder aan en deze zomer stond mijn papa plots aan mijn raam met zijn doodsprentje en immens verdriet omdat zijn sportieve vriend zijn laatste levensjaren opgesloten en verminkt had moeten doorbrengen.  Mijn papa, de laatste van de petanquers, speelt intussen al twee jaar alleen nog met de nieuwe garde. Het scorebord gaat nog mee. Het plankje om het terrein te vegen, het koordje en de meter om de afstand juist te meten zijn achterwege gebleven. Het uur en de plaats om te petanquen hangt niet meer af van de getijden. Het water komt al meer dan 20 jaar niet meer tot aan de kabinetjes. Overal rukken duintjes op. De nieuwe garde gaat na een spelletje petanque niet meer zwemmen of pintelieren, maar recht de fiets op naar huis of gewoon terug in de strandzetel tot etenstijd. Tijden zijn veranderd. De gesprekken nog dezelfde: schunnige opmerkingen over mooie meisjes, commentaar op rare individuen, de kinderen en kleinkinderen, de gezondheid, de nieuwe gebouwen of de toestand van de oude, het weer, reisplannen, evenementen en lekker eten. Mijn dochter speelt af en toe mee, net als ik destijds met Pier en Ludo en zijn schoonbroers. Als ze het scorebordje verzet hoor ik Pier zijn stem. Maar zij herinnert zich enkel Georges en Eric, de rest heeft ze niet gekend. Zij heeft een band met de nieuwe garde. Mijn tijd was de tijd van Pier.  Dat waren dé tijden zegt mijn papa. Profiteer ervan, dat zegt hij ook, want niets komt terug. Wat voorbij is, is voor altijd voorbij.

Fien SB
130 2
Tip

Alsof

Hoe begin je over zoiets?Op het moment dat hij één tiende bezorgd, negen tienden achterdochtig vraagt:"wat scheelt er?"? En je in zijn ogen leest: “je hebt een ander”.Op het moment dat hij geïrriteerd wegloopt en tussen zijn tanden moppert:“ik ben weer tegen de muren bezig, het interesseert jou geen bal wat ik vertel”?En je voelt dat elk weerwoord alleen maar stemverheffing gaat veroorzaken.Of op het moment dat zijn ogen vuren spuwen en hij roept dat hij zich afvraagt wat je daar nog loopt te doen? Hoe vertel je aan diegene waarmee je 22 jaar samenleeft dat je er eigenlijk niet bent?Misschien zelfs nooit geweest.Dat je ergens rondzweeft tussen werelden?En dat die afwezigheid de laatste jaren prominent aanwezig is.Terwijl het voordien soms weken, maanden of misschien zelfs jaren amper merkbaar was voor jezelf en de anderen. Dat die verandering en terugkeer naar je kindertijd en naar tijdloos jou evenzeer overvalt als hem?Maar dat je het daar fijn vindt. Misschien zelfs fijner dan hier? Dat je weet dat jouw werelden niet combineerbaar zijn? Maar dat je jou in die 44 jaar genoeg hebt verzet genoeg geprobeerd er ééntje te kiezen,en je nu moe bent.Dat het hier soms eenzaam is, maar daar niet? Over zoiets begin je niet. Je wil hem niet buitensluiten dus doe je alsof in deze wereld. Af en toe zet je de deur open om mee te verdwijnen, maar hij komt niet. Hij ziet jou niet en toont zichzelf niet.  Beide voeten op de grond, hier en nu en in een ongezamenlijke toekomst.  En jij zweeft, nergens en overal tussen alle tijden heen.

Fien SB
160 7

Geuren

Het is acht uur dertig en ik heb net mijn zoon van tien afgezet, een beetje op automatische piloot wegens de heftige dromen en het gebrek aan zin om de dag te beginnen. In de laan met beuken slaat dat gevoel plots om. De doordringende geur van vossenpipi brengt mij naar de bergen en de rust, ver weg van de onzin. Ik sta stil en kijk naar boven. Het zonlicht valt door de hoge kruinen en ik glimlach. Net op tijd. Ik ben een geurenmens. Als kind nam ik overal mijn doekje, mijn chaudchaud, mee. Die nam dan alle geuren op. Bij groot verdriet wou ik alleen maar mijn gezicht in dat doekje begraven, niets anders kon mij troosten. Pas op mijn tweeënveertigste ontmoette ik iemand met diezelfde uitgesproken band met geuren. Ik dacht dan ook dat ik hem gevonden had, mijn grote liefde. Maar plots was hij weg, zonder verklaring. Zoals mijn dromen abrupt aan een einde komen en me leeg, uitgeput of vol verlangen achterlaten. Af en toe nog een gewaarwording of vage herinnering van wat geweest is, maar nooit duidelijke beelden. En onduidelijkheid sluimert en knaagt voor altijd op de achtergrond. Als een onaf verhaal. Aan het einde van de laan blinkt de maan in de zon. De ongehoorzame maan die niet enkel haar taak om licht in het duister te brengen wil uitvoeren, maar wil mee genieten van het ontwaken van al het moois op aarde. Ik twijfel of ik net als de maan ongehoorzaam zou zijn en alle plannen  maar moet afzeggen om de hele dag in het parkbos door te brengen. Mij bloot te stellen aan geuren, licht en wind, mijn rust. Terwijl ik de baan oversteek voel ik mijn zachte billen tegen elkaar aan glijden. Niets fijner dan rokjes en kleedjes en een warme zomerwind. Ik voel terug zijn vingertoppen over mijn huid, mijn vingers over zijn huid. Er zijn maar weinig aanrakingen die zo volmaakt zijn als de wind.  Ik loop over een tapijt van bomenpollen, hier geen geuren meer. Er ligt nog steeds een stuk schuimisolatie in de vorm van een octopus. Ik foeter op de stad omdat ze bomen in het midden van het toch al veel te smalle voetpad gepland hebben en ik mezelf in een bocht moet wringen om te passeren zonder dat mijn gezicht door de fijne takken gestriemd wordt. Wie komt toch op zo’n ideeën? Het buurmeisje passeert me en wandelt een stukje mee. Ze vertelt dat ze enkele jaren terug met haar papa op dat voetpad is gevallen, op het stukje waar losse kiezelsteentjes over het verzakte smalle voetpad liggen. De ziekenwagen had hun beiden opgehaald. Maar het pad ligt er nog steeds hetzelfde bij. Wellicht moet er eerst eens iemand uitschuiven op het moment dat er een bus komt aangeraasd. We komen voorbij het huis van de buurman dat te koop staat. De buurman is de voorbije tijd meerdere keren gevallen en zit nu in een woonzorgcentrum. Dat is de vierde buur waar we afscheid van nemen, op veel te korte tijd. Met één van hen had ik een grootvader-kleindochter band. Een fiere mooi geklede man met artistieke kantjes en een hoop frustraties en rebellie. Maar als hij mij zag verscheen zijn glimlach en sloeg het gefoeter om in bezorgdheid en complimenten. Ik was nooit goed in afscheid, maar het valt me steeds zwaarder merk ik op.    Net voor mijn eigen huisdeur realiseer ik me dat ik mijn sleutel in de tas van mijn zoontje vergeten ben. Ik zit duidelijk nog half in dromenland. En eigenlijk heb ik geen zin om eruit te komen. Dus ik ga vandaag nog eens doen zoals de maan, me niks aantrekken van de regels en vanuit mijn droomwereld kijken naar alles wat rond me beweegt. Vanop afstand, tot ik helemaal verdwijn.  

Fien SB
48 1