Teksten

Tip

Net geen 98

Jij bent 96, ik 9Jij ligt al meer dan een jaar in bedDe huid van jouw handen lijkt een doorzichtig vliesIk durf het amper aan te rakenBang dat het scheurt als vlindervleugelsJe vraagt hoe het was op schoolEn om koekjes uit de kast te halen als vieruurtjeIk weet dat er geen koekjes zijnZal ik eerst broeder jacob spelen vraag ik?Je zingt mee, je kaken roodWe stralen Jij bent 97, ik 10, mama 40Je ligt nog steeds in bedDe verpleegster houdt een telefoonscherm voor je gezichtJe ziet me niet goed zeg jeEn vraagt wanneer we komenHet mag niet marraine zeg ik nog eensWe zouden je kunnen besmetten met coronaEen beetje zoals tijdens de Spaanse griep Gelukkig kunnen we je wel bellenZal ik nog eens accordeon spelen?Frère Jacques zing je Maar we stralen niet Jij bent 97, ik nog steeds 10, mama intussen 41Ik mag niet naar jou komenMama na 3 maanden eindelijk welHet ging niet goed zei de verpleegsterJe at en dronk niet meerJe ogen gingen amper nog openBehalve voor mamaJij nam vroeger haar hand vastNu neemt zij die van jouZe voelen koel en zachtZe zegt dat het bijna je verjaardag isOf je dan een stuk taart wil?Ja en een glas wijn zeg jeMama lacht vanachter haar mondmasker Haar ogen worden vochtigGoed dat ze ons dat niet kunnen afnemen zegt ze Jij was 97, net geen 98De taart en de wijn kunnen we niet meer delenMama zit al dagen te lezen om te vergetenIk maak een eigen stukje muziekVoor marraine haar begrafenis zeg ikEn dan zijn ze daar haar tranenZe wil dat je haar hand vastneemtEn zegt dat alles goed komtZoals je altijd deedSpeel maar verder zegt zeVoor haar en voor mij  

Fien SB
146 11

De duivenbende

Het is maandag. De lucht is grijs en voelt kil aan. Het is buitengewoon stil wanneer de roltrap me op het plein Zwarte Vijvers in Molenbeek duwt. Er komt me geen geur van warme broodjes of look tegemoet zoals op andere dagen. En ook de helblauwe lucht en de snijdende winterwind waar ik zo van hou zijn afwezig. Er zit dus niets anders op dan zo snel mogelijk te stappen in plaats van slenterend te genieten. Net als ik wil oversteken valt mijn oog op de stoeprand. Of beter in het keelgat van een duif.Keelgat mag je hier zeer letterlijk nemen. Er liggen drie duiven op de stoeprand met elk een gat in hun keel ter grootte van een klein ei. Vol afschuw draai ik me om en loop door, maar ik krijg het beeld niet van mijn netvlies geveegd. Het doet me denken aan die ochtend dat de buurvrouw me kwam zeggen dat Kurt rost Pietje had dood geschoten. Ik was toen 14 jaar en smoorverliefd op Kurt. De buurvrouw wist dat en toch vertelde ze het zonder veel details en liet me dan achter. De buurvrouw was een opgetutte dame uit Brussel die zo deftig en beheersd was dat ze de jonge liefjes van haar man met een zure glimlach verdroeg. Daar stond ik dan, een verdwaalde tiener, met honderden vragen in mijn hoofd, maar ik kreeg geen geluid meer uit mijn mond. Ik had een hekel aan rost Pietje. Als kind vond hij niets leuker dan mij en mijn vriendinnetje te pesten. Zes jaar lang hebben we dat moeten dulden. Tot hij groot genoeg was om zich met andere dingen bezig te houden. Wapens blijkbaar. Ik kreeg direct een schuldgevoel voor alle vloeken die ik als kind over hem had uitgesproken. Misschien was ik echt een heks en was Pietje door mijn schuld dood? Pas uren later heb ik vernomen dat het niet mijn Kurt was die had geschoten en dat het eigenlijk allemaal een ongeluk was. Ze hadden met oude wapens zitten spelen en een kogel die had vastgezeten was los gekomen en recht door het achterhoofd van Pietje gegaan. Misschien waren de duiven ook zo aan hun einde gekomen, door een ongeluk, of door rebelstienergedrag? Hadden de jongens hier op het pleintje al spelend naar elkaar geschoten en waren de duiven ertussen beland? Of was er een burenruzie uit de hand gelopen? Of zouden de bewoners hier dagelijks een aantal duiven schieten om dan lekker gaar te stoven? Dan waren hun ogen groter dan hun buik geweest en dat klopt niet met het beeld dat ik de voorbije jaren ontwikkelde over de bewoners hier. Voedsel wordt hier niet verspild, maar met de buren gedeeld. Nee, de duiven lijken brutaler aan hun einde gekomen te zijn, alsof er een gepantserd voertuig met grote pinnen op de bumper gepasseerd is waarop de drie duiven tegelijk vastgepind werden. Dat moet dan wel zelfmoord geweest zijn, of waaghalserij van een paar jonge duiven die elkaar uitdaagden. De man achter het stuur moet van totale schrik de duiven op de stoep gegooid hebben. Het zou ook geen zicht zijn om in een zwarte geblindeerde wagen met drie duiven als trofeeën vooraan je bumper door Molenbeek te rijden. Dan denkt de plaatselijke politie helemaal dat ze in één of andere maffiafilm terecht gekomen zijn en gewoon in het wild mogen schieten. In gedachten verzonken voel ik de kilte niet meer. Aan het groentewinkeltje ruik ik het verse fruit. Een vlucht lichtgrijze duiven maakt een sierlijke beweging over mijn hoofd. Dat waren de mooie duiven die steeds de aandacht trokken door één of andere kunstzinnige dans. Nooit zag je ze bedelen om eten of zenuwachtig rondpikkelen. Ze leken wel uit prinselijke oorden te komen, enkel om wat schoonheid in de stad te brengen, nooit om onze rust te verstoren. Misschien behoorden de drie dode duiven wel tot een onruststokende gangsterbende en werden ze door de duivenpolitie neergekogeld met de lechees van het groentewinkeltje op de hoek? Ze leken wel gangsters nu ik eraan denk. Het waren niet de verzorgde duiven die respectvol uit de weg gingen en hun behoeften aan de muurkant achterlieten. Nee, de duiven op de stoeprand waren van de vuile bende, die hun groenwitte slijmerige behoeften over het hele plein lieten vallen, zodat je bij regenweer gegarandeerd op je bek ging als je de metro uitkwam. En dan weet ik het plots... De drie duiven stonden wellicht heel hard te lachen wanneer er weer een oudje tegen de grond ging. En deze keer was het oudje in totale woede met zijn wandelstok de duiven te lijf gegaan. Zo is het vast gegaan. En niemand durft de duiven nu weghalen uit respect voor dat oudje. Ik ril nog even en dan verdwijnt de dode duivenbende samen met wijlen rost Pietje voor altijd ergens in mijn achterhoofd.

Fien SB
16 1

Fluwelen handen met fijne groefjes

Marianne is dood zegt mijn moeder aan de telefoon. Ik schrik, niet door wat ik zopas vernomen heb, maar door mijn reactie erop, of beter gezegd het uitblijven ervan. Waar is dat gevoel die ik had ervaren bij het zien van Hans zijn doodsprentje? Waar zijn die zware tranen die ik toen niet kon bedwingen en mijn keel deden dichtslibben ? Zou ik dan toch nog achter mijn gordijn zitten waar niets of niemand doorheen geraakt, het gordijn die me anderhalf jaar geleden na een overdosis verdriet heeft omfloerst zodat mijn hersenen geen totale kortsluiting te verduren kregen, en die ik sindsdien als een tweede huid gekoesterd heb? Ik hoor mijn moeder nog iets zeggen over het verdriet van haar dochter Claudia en beaam dat het niet eerlijk is welke tegenslagen ze kreeg toebedeeld. Meer krijg ik niet over mijn lippen, dus sluit ik af. De dood brengt meestal veel verdriet, maar in sommige gevallen neemt het net verdriet weg. Marianne was doodop, ze kon niet meer, haar nog langer zien afzien bracht allen die haar liefhadden een immens verdriet die groter is dan elk gemis. Ze verdiende het om ons te mogen verlaten, om rust te vinden en ons achter te laten met een hoofd vol herinneringen. Marianne was altijd goedgezind, geloofde dat alles goed kwam, dat liefde alles overwon, maar terwijl zij lief had en geloofde werd alles van haar weggenomen. Haar goedlachse rebelse dochter Daniella was nog maar net 30 toen ze maandenlang aan het bed gekluisterd was om dan uiteindelijk toch het gevecht tegen borstkanker te verliezen, op Mariannes netvlies bleef het beeld van Daniella als uitgemergelde moegestreden vrouw branden. Hoe vaak ze ook in haar herinneringen dat mooie meisje met haar deugnieterijen boven haalde, aan het einde bleef steeds dat beeld waar geen enkele moeder mee wil rondlopen. Hoewel ze veel liefde, steun en verstrooiing vond bij haar man, haar andere dochter en kleinkinderen, zakte Marianne steeds verder weg in haar verdriet. Geen vijf jaar later werd ook bij haar kanker vastgesteld, maar ze vocht en overwon. In al die jaren dat Marianne haar verdriet uitte, haar tranen wegveegde bij het zien van de foto’s, met vrienden koffie dronk en herinneringen ophaalde zweeg Hans. Daniella was zijn meisje en Hans wou vergeten, maar het hart vergeet niet, het hart wordt verteerd door onuitgesproken zorgen en terwijl Hans met zijn brommer de berg afkwam, nadat hij in het hoger gelegen dorp gitaar had gespeeld met vrienden, stierf hij aan een hartaanval. Marianne kreeg de tijd niet haar verlies te verwerken, want niet veel later liet ook haar schoonzoon, die jaren eerder zijn been was kwijt geraakt bij een ski-ongeval, het leven. Een plotse hartstilstand. Peter stierf veel te jong, als vader van 3 kinderen, waarvan één nog een tiener. Marianne en haar overblijvende dochter Claudia ontfermden zich nu alleen om de kinderen, maar na de dood van haar zus, vader en echtgenoot kreeg ook Claudia kanker. Marianne was moe, haar kanker kwam terug, haar vechtlust verdween. Er was alleen nog haar god en de vraag waarom. Pas na maanden werd ze uit haar lijden verlost. Misschien dat ik daarom geen verdriet voel, omdat het eindelijk is zoals het moet zijn. Marianne was volledig verteerd door verdriet. De dood was haar verlossing. Nu moeten wij proberen Marianne te laten herleven zoals in haar gloriejaren. Marianne woonde in een groot landhuis tegen de helling in een Oostenrijks bergdorpje. Het huis bestond uit drie verdiepingen, waarvan de onderste door Marianne en Hans bewoond werd en de bovenste door vakantiegangers. Wij -mijn grootmoeder, ouders, broer en twee zussen- huurden sinds mijn 3 jaar elk jaar de middelste woning, die met een bruggetje verbonden was met de gemeenschappelijke tuin van enkele hectares groot. Elke dag kwam Marianne minstens één keer naar onze verdieping. Had ze net cake gebakken dan kwam ze langs de binnentrap en klopte ze daar aan onze deur. Was ze in de tuin aan het werk dan kwam ze langs het brugje naar de keukendeur. Zodra ze me zag nam ze mijn kin in haar zachte handen en bekeek me met ogen die één al liefde straalden “Meine liebe Schatz, hast du gut geschlafen?”. Die vertrouwde handeling vervulde me steeds opnieuw met een warm gevoel van verbondenheid. Marianne had een smal gezicht met uitstekende kin en een typische romeinse neus. Haar korte dunne zwarte haren waren meestal mooi opgekruld, behalve als ze een regenkapje had gedragen. De kraaltjes rond haar kleine blauwgrijze ogen hadden van nature een droefheid in zich en tegelijk ook een kracht waar je stil van werd. Hoe vaak heb ik in die ogen geen glans of tranen van geluk gezien? Dan streek ze nog eens extra langs mijn wangen om het moment van geluk nog wat langer vast te houden. Zelfs haar berisping als we iets mispeuterd hadden was zacht en begripvol. Haar handen voelden als fluweel hoewel ze door honderden kleine groefjes getekend waren. Ze droeg meestal rubberen handschoenen, aangezien ze van maart tot oktober bijna continu in de tuin aan het werk was, maar zodra wij in de buurt kwamen gingen de handschoenen uit om ons te voelen. Geraniums waren haar passie en de balkonnetjes hingen dan ook vol met de mooiste kleuren. In haar kruidentuin had ze alles wat ze nodig had voor eender welk kwaaltje. De zalfjes en kruidenolie die ze maakte hebben we eens we terug thuis waren vaak gebruikt. Wondjes deden dan minder pijn, alsof de olie ook de liefde van Marianne bevatte. Wellicht is mijn fascinatie voor heksenbrouwsels in haar tuin ontstaan. Zij was mijn lieve heks waar ik meer dan tien jaar lang elke paasvakantie thuis kwam. In haar tuin probeerde ik haar handelingen van nabij te volgen terwijl ik haar rust inademde. Die rust en het beetje heks dat ik in mij heb probeer ik vandaag ook aan mijn kinderen te geven. Dat lijkt aardig te lukken, alsof Marianne mij bij elke streel, elke omarming, elke blik een beetje van haar rust, haar verwondering, haar liefde heeft gegeven opdat ik die zou kunnen doorgeven. Zo leeft ze verder in mijn kruidenkennis, in mijn mooie geranium balkonnetjes en in alle vrolijke kindergezichtjes die ik later in mijn gegroefde handen mag nemen om hen met diezelfde zachtheid aan te kijken. Ja, Marianne herleeft! Een zachte zomerwind brengt beweging in mijn gordijn en ik lach naar die grijsblauwe ogen in dat liefdevolle gezicht. 

Fien SB
21 0

Zeemeermin

De lucht is zachtblauw, niet helder, een beetje dof zelf. De zon voelt heerlijk, warm en zacht. Na weken heeft ze haar kracht verloren. Ze prikt niet meer, ze brandt niet meer. Alsof ze de bloemen en planten heeft horen huilen. Die zijn op sterven na dood. De helft van de bladeren hangt slap aan de plant, overlevend op hoop dat er weldra water zal vloeien. De andere helft heeft het opgegeven en ligt dor op de grond, alsof de herfst nog voor de zomer is gekomen. Mijn zoontje van vier had het gisteren ook al gemerkt en riep heel enthousiast “Mama, kijk de blaadjes, het is bijna Sinterklaas”. Maar dat is het niet, het is zomer en de temperatuur is eindelijk draaglijk genoeg om de hangmat in te kruipen. Hupla, beentjes in de lucht en ogen dicht. Mijn gezicht wordt warm. Zachtjes wieg ik heen en weer en bedenk dat ik niet in slaap mag vallen. “Ik mag niet in slaap vallen, ik mag niet....” De zon is weg, de hangmat hangt stil. Alles is stil. De lucht lijkt wel een schilderij. De wolken hebben alle tinten wit en grijs. Boven mijn blote voeten zijn ze verblindend wit als het hemellicht dat je zou zien als je doodgaat. En als ik mijn hoofd in mijn nek gooi zie ik een grote massa blauwzwarte wolken die mijn buik doen kriebelen. Wolken zijn ofwel spannend ofwel rustgevend en als je geluk hebt dan zijn ze het allebei, zoals vandaag. Boven mijn hoofd vermengen zich alle tinten grijs. Ik probeer hun spel niet te begrijpen, maar geniet van het gewriemel om het juiste plaatsje. Ik lig muisstil zodat ik het eerste drupje niet kan missen. Eén drupje, liefst eerst op mijn gezicht en dan ééntje op mijn tenen. Komaan wolkjes... Maar er komt niets. Waarop wacht ik eigenlijk, op enkele druppeltjes om van te genieten? Of wil ik een hele stortbui? De spanning giert door mijn lijf als ik eraan denk. Ik voel de eerste zachte druppeltjes, eerst traag, hier en daar op mijn blote lijf ééntje. Dan steeds sneller en harder, zo hard dat ze alle spanning uit mijn lijf persen en ik heel hard begin te lachen. Dat lachen lijkt al even lang geleden als de regen. Het water stroomt uit de hemel en de energie raast door mijn lijf. De hangmat begint hard te zwieren. Ik moet me op mijn buik draaien en me vastgrijpen aan de koorden. De wind blaast al mijn haren plat achteruit. Behalve mijn froefroe. Die heeft de kapster deze week verkeerd geknipt, waardoor de korte haartjes helemaal recht gaan staan. Ik gil van plezier, mijn benen gaan de lucht in. “Harder, harder!”, roep ik nog. Ik lach, ik leef! De wolken en ik, wij zijn de heersers hier op aarde. En dan wordt het plots muisstil. De hangmat hangt stil en ik hoor niets meer, geen wind, geen regen. Alles staat onder water, het huis, de tuin, de hangmat. De hele wereld staat onder. En het is eindelijk stil. Ik lig terug op mijn rug en bekijk de wereld, de onderwaterwereld. Het water staat ver boven het dak van het huis. De tuin lijkt tevreden, de meeuwen ook. Ze vliegen geluidloos door het water. En ik adem terug normaal, diep onder water. Ik slaak een zucht van geluk. Eindelijk heb ik het gevonden. Ik ben een zeemeermin.  

Fien SB
3 0

Donker in de westhoek

We zitten in de wagen op weg naar de kust. Op de radio klinkt: "Paulo aime les moules frites, sans frites et sans mayo." Ik lach. "Dat is juist", zeg ik tegen de kinderen. Paulo hield zoveel van frieten dat hij eraan dood gegaan is,  zo dik was hij. De kinderen op de achterbank kennen het verhaal al en zingen uitbundig verder.  Ik kijk weemoedig door het raam en ga in gedachten 20 jaar terug in de tijd. Ik zit als achtjarige samen met mijn zus en marraine in de auto. We naderen Wormhout, een klein dorpje in de Franse westhoek. Of zoals Olga het in het Frans-Vlaams zegt "wormhoed". Olga is de nicht van marraine, mijn grootmoeder, en de schoonzus van Paulo. Mijn zus en ik gaan er samen met marraine het verlengd weekend doorbrengen. Zoals elk jaar voel ik me misselijk als ik de woning binnen kom. Het is er donker en ik hou niet van donker. Ik loop zo snel mogelijk door naar de keuken, daar ruikt het gezellig naar koekjes en Franse koffie en komt er licht door het raam dat uitgeeft op het atelier achter het huis. Olga zit op een stoel en biedt ons koekjes aan. Ze doet haar best om Frans-Vlaams te spreken. Haar haren zijn opgestoken in een knot en boven haar grauwe kleren draagt ze een keukenschort. Met haar grijsblauwe ogen en zachte stem heeft ze iets kwetsbaar. Haar huid voelt aan als het fijnste zijde. Naast de sterke vrouw die marraine is lijkt ze wel onzichtbaar. Olga is getrouwd met Lou. Een kleine pezige man met zwart haar, glanzend van de brillantine. Zijn ogen zijn hard blauw en aan zijn linkeroog hangt een steelwrat in de vorm van een bes. Lou maakt vaak grapjes, maar toch zijn we bang van hem. Achter die grapjes schuilt een zeer explosieve man. Dat weten we. Dat weet Olga ook. Daarom zegt Olga niet veel en zit ze meestal in de keuken. Als wij hier zijn zitten we meestal in de tuin of in het atelier. Het is een lange rommelige tuin. De weg door de wildernis is voor ons een heel avontuur. Helemaal achteraan in de tuin staat een klein groen hutje aan een beek. De beek met de ratten is voor ons verboden terrein. Lou zit heel vaak op een bistrostoeltje aan die beek naar de radio te luisteren. Als hij daar zit weten we dat we hem niet mogen storen. Op zijn voorhoofd staan dan twee diepe rimpels en hij trekt zenuwachtig aan zijn sigaret. Af en toe briest hij er iets uit waar we niets van begrijpen. Na afloop van de uitzending zijn er twee mogelijkheden: ofwel keert hij vrolijk en grappend terug ofwel staat hij op ontploffen. In het laatste geval krijg je van de spanning amper je middagmaal door je keelgat. We hopen dan stilletjes dat Olga niets fout zal doen of zeggen en dat we snel terug in het atelier kunnen gaan spelen. Het atelier heeft een dak uit plastic golfplaten en is daarom de enige ruimte waar rechtstreeks zonlicht binnen komt. De linkergevel staat vol oude vergeelde boeken en tijdschriften met daarvoor een lange werkbank. Rechts staat een oude wasmachine en een groen melkkrukje. Mijn zus en ik spelen altijd „boerderijtje” in dit atelier. De wasmachine is de koe die we zittend op het groene krukje melken. Uit de tuin halen we rode bessen die we tussen de werkbank pletten tot bessensap. Of we pletten de bessen tussen de vergeelde bladeren van de kranten en tijdschriften. Vol verwondering kijken we dan naar de schilderijtjes die de geplette bessen hebben gevormd. Maar vandaag loopt ons spel helemaal fout. We hebben op de knop van de wasmachine gedrukt en het water is beginnen stromen. We proberen het nog zelf op te lossen, maar voor we het beseffen staat de hele atelier onder water. We staan doodsangsten uit bij de gedachte dat we Lou moeten verwittigen. Lou ontploft zoals we hadden verwacht. Hij trekt zijn riem uit en stuurt mijn zus naar boven. Ik moet van Olga en marraine in de donkere living blijven. Ik ben doodsbang en bekijk de bezorgde gezichten van de twee oude dames bij mij in de living. Ik begrijp hen niet. Ze vinden Lou zo plezant dat ze zijn woede-uitbarstingen er zwijgend bijnemen. Wat later kruip ik bij mijn zus in het hoge bed in de donkere kamer. Ik verlang naar huis, naar licht. Ik wil weg van die muffe geur, van die akelige sfeer, weg uit die westhoek waar het donker verleden lijkt voort te bestaan. Lou zijn grapjes zullen me nooit meer aan het lachen brengen en Olga zal eeuwig zwijgend op het wit keukenstoeltje voor zich uitstaren, de koekjesdoos in haar hand als zoete troost. Ik neem voor altijd afscheid.

Fien SB
8 0

Opleiding

Vergelijkende Cultuurwetenschappen