Eerst is er het deeg dat geurt naar de kindertijd, wat weeïg en melkachtig, met een zuchtje vanille. Het ademt verrassing en vrolijke spanning, geborgenheid ook. “Mama gaat pannenkoeken bakken!”
Dan wordt de lucht zwaarder en warmer, wat loom. De metaalachtige walm van de kookplaat vermengt zich met die van de romig sissende boter in de pan.
Niet mama, maar dochterlief staat aan het vuur. Ze is geen kind meer, verlaat morgen het nest. Volwassen, zoetig en verleidelijk lokt de groeiende stapel goudbruine pannenkoeken, met een toets karamel van bruine suiker. Het vleugje vanille zweeft nog rond, nog even.