“Iedereen moet één vuile lade hebben.”
Mijn tante is vastberaden,
overtuigd van een ongeschreven wet.
Haar eigen huishoudwet.
De traditie indachtig
heb ook ik een vuile lade.
Vol onbestemd gerief
dat geen bestemming kiest:
de sleutels zonder sleutelgat —
wel keurig aan hun bos,
de rekkers zonder rek —
wie weet wat ze ooit nog
samenhouden,
het vergeelde recept van oma —
ik roer het ooit tot leven
in de keuken van mijn dromen.
Mijn lade nooit helemaal dicht,
laat ze mijn leven op een kier.
“Zonder vuile lade kruipt de rommel in je hoofd.”
Niet één maar enkel vuile —
kan ik maar beter
toch wat lades legen.
Alles in één lade,
en zo
de andere
ontladen.
