Het is weer zover.
De jaarlijkse opruimwoede.
Alles moet lichter.
Ik begin met
mijn binnenroedel.
De blaffende honden.
Ze mogen blijven.
Mijn innerlijke kennel
heeft hen nodig.
Ze blaffen me wakker,
waarschuwen voor de beet,
tonen wat nog leeft.
De bijtende honden.
Ze waarschuwen niet.
Ik merk hen te laat op.
Ze schrokken
mijn veerkracht op,
sleuren hoop mee
als prooi.
Na hun aanval:
enkel botten.
En honger.
Onverzadigbaar.
Ik laat ze blaffen.
Voor ze bijten.
Ik ruim niet op.
Ik rui op —
tot de roedel
verder trekt.
