Over kastelen en kastanjes

25 nov. 2020 · 40 keer gelezen · 2 keer geliket

 

Ooit stond ik nog op. Ik had een bolsterbaard, een hoofd met gaten door een oorlog en het sijpelde. De zon scheen evenwel volop, het liefst van al bergaf, omdat de stralen het begaven als de hoeken veel te scherp waren.

Ik moest een rond kasteeltje kopen. Ik zou een prins worden met stoppels, met de laarzen van een kleuterheld. Ik ging wat kleuren aan de muren van een schedel hangen. Liefst aan de binnenkant. Beter uit het zicht. Want uit het oosten waaide onzin en een bries blies uit het westen stilaan waanzin.

Zo wilde het. Zo voelde het en op het binnenplein lag mijn gitaar waarvan de snaren zich verhangen hadden. Het kon nog een nest worden. Voor vogels van de stilte. Er was niet veel meer nodig.

Ik moest nog zachter stro kopen. Ik zou de prijs kunnen betalen die het leven van me vroeg. Ik vond jawel een aar of vier, twee nagels voor de kop. Ietwat kaduuk. Ik kocht de helm, werd met gemak een prins die kleutertjes ontvoerde uit hoopvolle dagen.

Het steekspel tussen toen en nu lijkt me gewonnen door een donker paard. Er zitten sporen in het lijf. De wormen van de jeugd, ze hebben de kastanje ijverig doorboord. Ze kennen nu de bochten waar geen schittering kan komen.

 

 

uit de reeks 'Waanhoop'

 

Geraakt door deze tekst? Maak het hartje rood of deel de woorden met je vrienden.

Zo geef je mee een stem aan de woorden van deze schrijver.

25 nov. 2020 · 40 keer gelezen · 2 keer geliket