De zon probeert nog maar de nacht houdt vol.
Pionnen schrijden nog vooruit, riskeren het.
Over autostrades veel te kleine stappen zetten is gevaarlijk.
Bedaar, onmacht.
Verlicht, zwart gat in de kosmos.
Pissebedden zijn zo zacht dat niemand ze nog strelen durft.
De egels trekken voort naar Stekelburcht.
Lig daar niet te dicht bij mekaar, zeggen twee magneten met bevrijdingszucht.
En toch. Alles wil lelijk botsen. Machtsvertoon doet bloeden en ze worden weer vermoord.
Kinderen, hoop, onschuldige vormen die de aanzuigkracht van het geweld trotseren moesten.
Rien ne va plus.
Het is een croupier met rode ogen die zijn laatste woorden prevelt.
Was ik maar blind, doof en gevoelloos, zoals de distels voor de nooduitgang. Kon ik maar die dode rook niet ruiken.
Rust dan in mijn valse schoot.
Zo spotten oude manen spotten met dit wereldje.
Ook dat is echt gelogen gelijk leiders die beweren landen te besturen kunnen, zomaar oorlog mogen voeren.
Zo. En wat nu, mijn beste zon?
Zullen er nog bloemen groeien met verlegen namen, durven vlinders nog verschijnen?
Straks dan breken alle spades in de grond, storten wrede tuigen neer en slaat het avondrood met paarse kleuren.
uit de reeks 'Waanhoop'