Spijt, dat is een vreemd woord.
Het spijt me. Ik heb er spijt van. Spijtig dat. Drie keer ongeveer hetzelfde en toch telkens een heel ander gewicht.
Soms is spijt een station waar ge liever nooit waart uitgestapt. Een bruut woord dat eigenlijk niet gezegd moest worden. Een deur die ge iets te hard hebt dichtgeslagen. Iemand die ge pijn hebt gedaan terwijl ge die mens net graag zag. Een verdriet dat ge nooit helemaal hebt uitgepraat omdat ge dacht dat er later nog wel tijd voor zou zijn.
En soms is spijt net het omgekeerde: een station waar ge níét zijt uitgestapt. Ge ziet het nog liggen als ge achteromkijkt. Dat jaar dat ge toch niet naar het buitenland ging. Die grote liefde die misschien een grote liefde had kunnen worden als ge op het juiste moment iets moediger, slimmer of gewoon minder koppig waart geweest. Dat ene grote verhaal waaraan ge nooit begonnen zijt.
Ik heb van best veel dingen spijt. Ik heb tijdens mijn dwaaltochten mensen gekwetst die ik graag zag. Niet omdat ik dat wilde, maar omdat een mens soms verdwaalt en onderweg nogal onhandig met zijn bagage tegen andere mensen hun benen botst. Daar heb ik spijt van. Dat zijn stations waar ik niet wilde zijn.
Maar er zijn ook de gemiste stations. Bij mij heet er eentje: de toneelschool. Ik wilde ooit iets met theater doen.
Nu klinkt dat meteen alsof ik op mijn zestiende voor de spiegel stond met een haarborstel als Oscar in mijn hand, ervan overtuigd dat de wereld eigenlijk maar één probleem had: dat ze mij nog niet ontdekt had. De grote actrice worden. Premières. Rode lopers. Interviews waarin ik ernstig zou vertellen dat ik “heel dicht bij mezelf moest blijven voor deze rol”. Een zonnebril dragen binnen. Op de cover van een tijdschrift staan met als titel: Katrien zoals je haar nog nooit zag. Mensen die fluisteren wanneer ik bij de bakker binnenkom en ik die daar dan heel naturel mee omga.
Dat dus niet. Ik wilde dramadocent worden. Of dramatherapeut.
Veel kleiner. Ik wilde in een lokaal staan met mensen voor wie spreken soms moeilijker was dan zwijgen. Met kinderen die zichzelf groter konden spelen dan ze zich voelden. Met volwassenen die via iemand anders misschien eindelijk iets over zichzelf konden zeggen. Ik wilde verhalen gebruiken om mensen ergens te krijgen waar gewone woorden niet altijd geraken.
Dat leek mij schoon. Nog altijd eigenlijk. Ik heb het nooit gedaan. Misschien vind ik dat nog het meest spijtige: niet dat ik het niet geworden ben, maar dat ik zelfs de kans niet heb gekregen om erin te mislukken.bGe kunt dan tenminste zeggen: ik heb het geprobeerd.
“Kan dat nu niet meer?” vroeg hij. Ik lachte. Nee. Ik ben bijna vijftig. Ik denk dat de grote doorbraak stilaan problematisch wordt. Niet onmogelijk natuurlijk. Straks word ik op mijn tweeënvijftigste alsnog ontdekt terwijl ik in de Colruyt sta te discussiëren over een rode prijs. Voor ge het weet speel ik de hoofdrol in een prestigieuze Netflixreeks, sta ik in Cannes op een rode loper en moet ik in De afspraak komen uitleggen hoe ik al die jaren “heel bewust uit de schijnwerpers ben gebleven”. Ge weet nooit. Maar dat was de droom dus niet.
En misschien is dat precies wat er soms zo zeer doet aan gemiste stations. Dat ge het niet hebt geprobeerd.
Spijt doet ons graag geloven dat treinen maar één keer passeren. Dat ge op uw achttiende had moeten weten wie ge op uw vijftigste wilde zijn.
Ik weet niet wie dat spoorboekje heeft opgesteld, maar ik begin te vermoeden dat het niet klopt.
Want ik schrijf. Altijd al gedaan eigenlijk. In schriftjes, op computers, in mijn hoofd, midden in de nacht, op servetten en waarschijnlijk ooit nog op de achterkant van een elektriciteitsfactuur. Ik verzin mensen. Ik geef ze woorden. Ik laat ze ruzie maken, verliefd worden, vertrekken en terugkomen.
Misschien moet ik daar eens iets mee doen. Niet omdat ik denk dat daar alsnog de grote doorbraak staat te wachten. Mijn zonnebril mag voorlopig gewoon in mijn handtas blijven.
Maar omdat ik stilaan begrijp dat spijt misschien niet alleen gaat over wat achter u ligt. Soms wijst ze ook ergens naartoe. Misschien moet ge dan niet blijven staan kijken naar het station waar ge twintig jaar geleden voorbij zijt gereden.
Misschien moet ge gewoon eens op het bord kijken en er voor gaan. Er vertrekken elke dag treinen.

