Waren mijn demonen houtblokken,
ik gooide ze op de brandstapel.
Ik leg het vuur niet aan mijn schenen.
Ik stook liever mijn spoken op,
levenslust als aanmaakblokje.
Ik tem mijn vuur.
Mijn buren vroegen niet om vlammen.
Misschien slapen hun demonen.
Ik steek daar geen vuurstokje voor.
Intussen dooft het vuur.
Mijn demonen in de as gelegd.
Verast sleep ik mezelf uit de brand.
