Lezen

Er was eens...

‘Wel, wel, wel,… Rood-harig-kapje, zo alleen in de intense diepte van dit virtuele woud.’Die stem! Abrupt bleef ik staan. Dit kon niet waar zijn. Niet vandaag, niet hier.Ik maande mijn haperende hart aan om opnieuw het juiste ritme te vinden en keek behoedzaam over mijn schouder. Ongeveer vijf meter achter me verscheen hij. Zijn robuuste linkerpoot kwam als eerste tevoorschijn uit de schaduwen die hem omringde. Een tel later stapte de Grote Boze het bospad op en stond ik oog in oog met zijn woestheid. Zijn stugge bruine vacht zat vol doornen, alsof hij er net ingerold had. Hij was graatmager, maar ik wist dat dat niets afdeed aan de kracht die hij bezat. Hoe lang was het geleden dat we elkaar voor het laatst gezien hadden? Een maand of drie? Een lichte bries bespeelde zijn nekharen en zette ze rechtovereind. Ik slikte. Hij zette zich schrap, boog lichtjes door zijn voorste poten en bracht zijn kop omlaag, waarna hij zijn lip optrok. De grom die uit zijn keel opsteeg, deed de rillingen langs mijn rug lopen. Hij zette een stap naar voren, langzaam, zonder ons oogcontact te verbreken. Paniek borrelde omhoog. Wat moest ik doen? Maken dat ik wegkwam en het pad des hazen kiezen of als een idioot bevroren blijven staan? Alsof het mijn reddingsboei was, omklemde ik mijn mentale mandje steviger. Net toen mijn hersenen opnieuw leken te functioneren en me toe schreeuwden enkele bliksemschichten uit de lucht te plukken, stopte hij plots. Met zijn rechterpoot nog omhoog, keek hij me verbijsterd aan. Zijn ogen leken uit hun kassen te puilen. Het was zo vreemd om te zien dat ik me naar hem toekeerde.‘Wat heb jij grote ogen!’ zei ik.Zijn oren richten zich naar voren bij het horen van mijn stem. Pas nu viel me op hoe groot ze waren. Ik wilde er net iets van zeggen toen hij zijn enorme muil opende en oprecht gechoqueerd riep: ‘Wat heb jij in de-zeven-geiten-hun-naam aan je voeten?’Verbaast om zijn vraag keek ik omlaag naar mijn voeten. Dat was belachelijk aangezien ik heel goed wist dat ik op glazen naaldpuntige hakken stond. ‘Welke idioot draagt van die kuitenkillers in een woud? Hoe haal je het in je hoofd?’ Woest keek hij me aan, al had het niets meer te maken met de eerdere spanning. Nee, hij was gewoon kwaad.‘Wat maakt het uit dat ik…’‘Wat maakt het uit!? Ik zit hier in de-zeven-geiten-hun-naam al een hele dag tussen de doornen te stinken tot jij eindelijk komt opdagen! Niet moeilijk dat het zolang duurde. Ik mag nog van geluk spreken dat je in überhaupt hier geraakt bent. Hoe denk je dat ik me zou voelen als je je voet had verzwikt ofzo? Ik sta al maanden op sla en wortelen om er uitgemergeld uit te zien. Bij de drie biggen nog aan toe, heel deze scene is om zeep. Alle opgebouwde spanning, weg,…foetsie.’‘Sorry, ik wist niet eens dat dit een scene was…’ Ik keek om me heen. Zocht naar verborgen camera’s en belichting, maar ik zag niets. ‘Doe niet zo onnozel, elk Rood-harig-kapje heeft een Grote Boze als antagonist. Dat weet het kleinste kind.’ Nonchalant stapte hij naar me toe en zette zich zuchtend voor me. ‘Waar wilde je eigenlijk heen op die monsters?’ Hij draaide zijn kop naar zijn rechter flank en begon voorzichtig de doornen uit zijn vacht te halen. ‘Naar Grimm en Grimm,’ zei ik. Met een ruk keerde hij zich weer om, spuugde de drie doornen uit die hij tussen zijn tanden had en vernauwde zijn ogen. Vol argwaan snifte hij met zijn neus. ‘Wat moet je van die twee? Die gasten sporen niet.’‘Waarom niet?’‘Je hebt ze duidelijk nog nooit ontmoet, anders zou je dat niet vragen.’Ik wiebelde wat op mijn naaldpuntige hakken. Waarom zei hij dat? Wat wist hij van hen? ‘Laat ons zeggen dat ze in hun eigen wereldje leven,’ zei hij als antwoord op mijn vragende blik. ‘Maar Soit, waarom wil je er naar toe?’‘Ik wil een ander einde.’Wat hij ook gedacht had te zullen horen, dit was het duidelijk niet. De Grote Boze gaapte me met open muil aan. Man, wat stonk die gast uit zijn bek! De zoete walm was zo penetrant dat uit de dichtstbijzijnde struik een zwerf fruitende vliegjes opsteeg en rond zijn kop begon te dansen. ‘Je wilt een ander einde!?’ Hij schudde zijn kop en hapte naar de irritante beestjes die nu zo arrogant waren om op zijn kop neer te strijken. Mijn maag keerde toen hij een aantal inslikte. ‘Yep, ‘ zei ik alleen maar.‘Waarom wil je dat?’ Vroeg hij bruusk. Zijn toon verbaasde me. Als ik van iemand verwacht had blij te zijn met een ander einde, was hij het wel. ‘Ik had nooit gedacht dat je het leuk vond om telkens in je gat geschoten te worden. Ben jij zo eentje die kickt op pijn?’ Onwillekeurig bekeek ik zijn poten beter, zoekend naar striemen. ‘Doe niet zo belachelijk! Natuurlijk vind ik dat deel maar niks, domme gans. En stop met bogen te lopen en vertel waarom jij een ander eind wil!’Ik voelde mijn wangen gloeien en keek naar mijn glazen naaldpuntige hakken. Neeee…’ haspelde hij. ‘Dat meen je niet!’ Zijn schatterlach kwam van diep. Hij zakte door zijn poten en rolde op zijn rug van het lachen. Tranen gleden over zijn snuit. Hij snifte een paar keer, poogde zijn lach te onderdrukken maar slaagde er nauwelijks in. ‘Jij wilt een prins. Whaahahahahahaha. Wat een mop. Wat dacht je? Dat je op die naaldpuntige hakken er wel eentje aan de haak kon slaan?Schat, je kunt beter die kikker daar gaan kussen, heb je meer kans.’Ik kruiste mijn armen en keek hem diep beledigd aan. ‘Waarom zou ik geen prins mogen? Ik ben het beu om telkens met dit rotmandje te moeten sleuren. En dan deze jurk. Vreselijk, het wit is zo grauwgewassen dat het net is of ik ze al eeuwen draag.’Hij gniffelde nog een keer, haalde diep adem en zette zich recht. Met zijn kop schuin gehouden taxeerde hij me: ‘Kletskoek van Grietjes huis, jij wilt helemaal geen prins. Jij bent veel te vrijgevochten om een knapperd te willen. Vertel me nu gewoon wat er scheelt, dan kan ik helpen en kunnen we verder.’Dju, wat kende die gast me goed. Veel te goed!‘Komt er nog wat van? Ik heb honger.’ Wachtend op antwoord begon hij de haren van zijn linkerpoot schoon te likken. Ik zuchtte. Wat had het ook voor zin? Misschien deed het wel deugd om hem de waarheid te vertellen. Het gemaskerd bal was nu al een poos geleden en nog steeds droeg ik het mijne. Aarzelend en zacht liet ik de woorden van mijn tong rollen: ‘Mijn leven is een sprookje,vol trollen en gnomen die sporen op nachtelijke merries over brandende vlaktes van dagelijkse raadgegeven door draken van mensen die me smalend toejuichen:‘Laat je haren zakken Rood-harig-kapje, en spring!’in de diepe put van vrouw Holle laat ik verbrande schepen achtervol pek en goud draal ik in mijn zevenmijlslaarzen en vlucht, wegvan appels vol venijn, die blinkenin de rimpelende handen van gemaskerde mannen met monotoon getrokken zwaarden, die snijden in hopende harten van landloze wezen die zielloos dansen, om klatergoud en gebroken potten eenzaam dwaal ik over paden van er was eens en ooit.’   Ik slikte. Voelde me plots zo leeg, nu ik het eindelijk hardop had uitgesproken. Een enkele traan gleed over mijn wang. Teder veegde de Grote Boze hem weg met zijn natte snuit. Zijn blik was zacht, vol begrip, maar zijn woorden kwamen binnen:‘Staak je vruchteloze vlucht naar anderseen Rood-harig-kapje past niet in des konings paleizen, vol kale pracht en praal, gevangen in leegtegekooid als een Chinese nachtegaalIk ben het, dwars en dravend over brandende vlaktes waar ik nachtelijke merries verscheur, in kleurrijke dromendool ik doelgericht om je heen opdat trollen en gnomen je niet langer storen,dat gemaskerde mannen er niet meer in slagenmet monotoon getrokken zwaarden je hart te rakenprins noch wit paard laat ik naderbij, want jij en ikwij horen samen in dit virtuele woud.’Met open mond ademde ik de stilte tussen ons in. Hij snoof, rolde met zijn ogen en knielde voor me. Voorzichtig nam hij mijn linkerkuit vast en wrikte mijn schoentje los.     Word vervolgd,Ooit, eens….   ©tekst Karen Willekens, 2015, foto: free download  

Karen Willekens
0 0

ONAFHANKELIJKHEIDSDAG 2

Mevrouw ‘B’, Ik neem aan dat je enigszins verbaasd bent over deze korte aanhef. ‘Geachte’ zou echter duiden op enige vorm van respect, ‘Beste’ op een teken van genegenheid en ‘Liefste’ lijkt me onder de gegeven omstandigheden compleet van de pot gerukt. Dus heb ik maar besloten om met een kort, doch krachtig begin aan te vangen. Daar het me eindelijk is gelukt enkele weken geleden afscheid te nemen van je overleden echtgenoot, lijkt het me niet meer dan billijk nu ook jou deze twijfelachtige eer te bewijzen. ‘Waarom ?’, zal je je wel afvragen. ‘Waarom nu…20 jaar na onze laatste ontmoeting ?’. Wel, omdat jij ons allemaal zal overleven, zelfs met een voorsprong van een kleine 30 jaar op mij. Maar dan wel zoals een vampier, niet levend op bloed, maar op heel mijn jeugdigheid die je dag na dag uit mij gezogen hebt. En die, mevrouw ‘B’, leveren je minstens 17 additionele jaren op. Natuurlijk vragen je giftige lippen zich momenteel af wat ik met jouw man besproken heb. Laat ik het simpel houden : het was voornamelijk een éénrichtingsgesprek over zijn vaderschap…of misschien beter en eerlijker : het complete gebrek eraan ! Over alles wat een ouder moet doen om zijn kind te beschermen tegen ‘Het Kwaad’. Ja, inderdaad…’Het Kwaad’ dat jij in alle opzichten, gedurende mijn ganse jeugd…en later, hebt belichaamd.  Jouw Jos heeft nooit de vereiste ballen gehad om ertegen in te gaan…bij mij zijn ze helaas te laat ingezakt… en toen kreeg jij ze in je klauwen !  En toch, mevrouw ‘B’…toch blijf ik het vreemd vinden. Want wanneer een vader één van zijn kinderen misbruikt, gaat hij – zelfs in dit land – terecht nog steeds naar de gevangenis. Echter, wanneer een vrouw – uit gelukkigere monden een ‘moeder’ genoemd – haar eigen puberale zoon aan dezelfde terreur onderwerpt, zowel mentaal als fysiek, gaat ieders leven in volledige rust en stilte verder…in ieder geval wat de verantwoordelijken betreft. Zij mogen meteen door naar ‘Start’ en “het geld” incasseren. En dat terwijl het in veel gevallen met de slachtoffers, na een tijd van bezinning, recht naar de ondergang gaat. Ik vermoed dan ook dat het spel daarom ‘MONOpoly’ heet. Maar wat zit ik alweer te zeuren ? Misschien ligt de fout gewoon bij mij. Heb ik eenvoudig de pech gehad om jouw bepaalde planning (verpleegster blijven, één zoon en een manslaaf) op de mij zo eigen manier in het honderd te schoppen. Het was natuurlijk ook een tijd van een totaal  gebrek aan interesse van ongewenste buitenstaanders. Wat ik me soms wel afvraag, de enkele keren dat mijn zwaar beschadigd brein me de tijd terug induwt, is of je wraak op een kind dat er niet eens wilde zijn, of, wat dat betreft, ‘mocht’ zijn, nu echt zoet heeft gesmaakt ? Was het allemaal de moeite waard ? Leef je nu, op je 85e levensjaar, nog steeds verder met de haatdragende glimlach die niemand beter kent dan ik ? Of blijft er toch nog iets over van enige angst, dat de waarheid ooit aan het licht gebracht zal worden ? Weet je wat ik nog steeds het vreemdste van alles vind ? Dat ik tijdens ons onderhoud, 2 jaar na zijn overlijden, nog steeds niet de moed had om alles aan jouw Jos te vertellen ! Ik troost me enigszins met het feit dat de enkele mensen die het nog steeds goed met me voorhebben, het ganse verhaal evenmin kennen. Want eerlijk…hoe krijg je de verschrikkingen uit je jeugd, volledig uitgevoerd door hun eigen ‘oma’, ‘tante’, of – in dit specifieke geval – andere ‘familieleden’, uitgelegd aan die mensen ? Aan je kinderen ? Je kleinkinderen ? Of aan je beide ex-vrouwen ? Aan vrienden, die je me zo veel mogelijk probeerde te ontzeggen ? Of, wat dat betreft, aan godverdomme wie dan ook ? Dus, om even terug te komen op mijn initiële vraag : “Waarom heb ik Jos niet meteen alles verteld ?”. Heel eerlijk : omdat ikzelf het weinige eergevoel dat je me hebt gelaten, nog dagelijks probeer te koesteren ! Helaas, veel is het niet ! Maar mag ik daar zo meteen op terugkomen ? Want – ja hoor, zelfs dàt is je gelukt – soms red ik mezelf met de gedachte dat veel mensen het nog moeilijker hebben gehad : hoe laag kan je godverdomme vallen ? Goh, ik ben zelfs in een inrichting terecht gekomen…maar voor je een doodspolonaise in gang zet : dat was helaas niet enkel door jou toedoen ! Maar je had daar wel de grootste invloed op mij : 6 maanden heb ik door jou opnieuw in angst leren leven ! Niet de schrik dat het afkicken van drank en drugs een onmogelijke zaak zou blijken, want dat heb ik – cum laude – behaald ! Ook niet de geweldige medepatiënten of de dagelijkse sessies met psychiaters en psychologen… Neen, mevrouw ‘B’, het was de onmiskenbare geur van ether…de geur van angst die ik dagelijks mocht opsnuiven als je thuis kwam van je werk in het hospitaal. Een geur, opgeslagen in elke vezel van mijn lichaam, iedere gram die mijn ziel weegt, alle nog werkende bestanddelen in mijn zwaar beschadigd brein. En waar ik pas echt misselijk van werd : je steeds voorgewende ziektes met slechts één enkel doel : de oh zo belangrijke aandacht ! Je hebt nooit geleden aan enige ziekte… je wàs de ziekte, steeds kwaadaardige bacillen verspreidend over de zwakkeren, waar echter niet één medicijn tegenop kon !  Want weet je, mevrouw ‘B’ : een kind mag thuis geen angst kennen : hun ‘thuis’ moet ten allen tijde een beschermde burcht zijn, waar liefde en geborgenheid geen loze woorden zijn, geen opvangcentrum voor zwakkere zielen ! En daar is zelfs je echtgenoot het slachtoffer van geworden : hij mocht zijn eigen laatste maanden doorbrengen in een OCMW hospitaal, terwijl hij thuis nog makkelijk op te vangen was. Was het je vrijheid ? De buurman waar je schijnbaar zo goed mee overweg kan ? Je laatste wraakzuchtige stuiptrekkingen ? Of gewoon de vulgariteit die je altijd in je zieke geest hebt mee gedragen ?   Goh, wat hield ik vroeger veel van sprookjes ! Wat kunnen ze mooi zijn, indien geschreven door Andersen, Perrault, Burton,… Waarom werd het mijne nu precies geschreven door Jacob en Wilhelm Grimm, hun hand geleid door de jouwe, bekeken met je kille blik ! Helaas…mijn spoken en demonen zijn echt, ingegeven door teveel sterke drank, teveel zware drugs en één zieke geest ! Of laat ik dat even terugnemen : het zou je – met veel plezier – té veel eer aandoen ! En hoewel ik enorm mijn best heb gedaan, blijkt dat té veel liefde geven en krijgen ook niet de oplossing is. Ik heb je andere zoon, omringd door zijn engelen, ten onder zien gaan. Trouwens, aan een teveel medelijden kan je ook ten onder gaan. Nee, dan liever mijn lot…Oké, wel in alle eenzaamheid maar wel nog steeds vechtend tegen alle mogelijke infiltranten. En ook al zijn jouw kille, meedogenloze ogen voor eeuwig gebrand op mijn netvlies…Ik heb het geluk gehad om jaren later te mogen kijken in mooie, liefdevolle blikken, waarvan ik nog steeds hoop dat deze het uiteindelijke gevecht  zullen winnen, ook al staan ze inmiddels niet meer aan mijn zijde. Een ‘gebed voor jouw kut’ zal ik nooit kunnen uitspreken. Dat kunnen anderen veel beter en overtuigender ! Je was een kutvrouw, een kutmoeder… en toch…toch zal ik nooit kunnen neerschrijven aan welke onbeschrijfelijke vernederingen je me hebt bloot gesteld… Maar ik wil je laatste gil horen wanneer je verneemt dat ik nog steeds “Alive and Kicking” ben… Weet je, toen jouw Jos een tweetal weken geleden verdween van het terras, opgelost in de menigte, heb ik er nog één gedronken op zijn korte aanwezigheid ! Ditmaal, mevrouw ’B’, drink ik er één op de mijne ! Moge de komende jaren medelijden hebben met jou…Ik heb het niet ! Ik zal vanzelfsprekend niet aanwezig zijn op je naderende begrafenis : mijn uiteindelijke vrijheid zal me daar vertegenwoordigen  ! En tenslotte, mevrouw ‘B’, laat in hemelsnaam uw schamele bezittingen over aan uw andere zoon… Wat ik ooit heb gemist, kan met niks meer goed gemaakt worden ! Vanzelfsprekend is deze brief niet af… Hij zal nooit afgemaakt worden. Eindelijk een besluit dat ik zelf heb genomen. Laat het misschien mijn laatste glimp van medelijden zijn voor je vermoeide ogen, die meer hebben gezien dan ieder weldenkende ouder zich kan voorstellen. Ik verwacht wel één kleine wederdienst : sluit ze…voor eeuwig !

Paul Smeyers
6 0

Folder Collegagroep integratie gemeente en OCMW + begeleidende brief bij versturen brochure opleidingsaanbod 2016

Collegagroep integratie gemeente en OCMW   Is er al een integratie van het OCMW binnen jouw gemeente? Zijn de eerste stappen al gezet? Of is het water nog veel te diep? Hoe dan ook, als het van de Vlaamse regering afhangt, zal de integratie ingang vinden op 1 januari 2019. Om je hier op weg te helpen, starten we in 2016 met een collegagroep rond dit thema. De bedoeling is om je enerzijds meer achtergrond en kennis te geven en anderzijds om maximaal ervaringen met elkaar uit te wisselen.   Programma:Per jaar worden er 4 sessies ingericht, met volgend programma: • Specifiek thema (gekozen door de collegagroep) behandeld door expert.• Intervisie begeleid door procesbegeleider:o Waar is iedereen momenteel mee bezig?o Succesverhalen van de leden.o Hot items.• Thema vastleggen volgende sessie.• Napraten tijdens broodjeslunch.   Doelgroep:Secretarissen, stafmedewerkers of projectleiders die het mandaat hebben om te werken rond integratie gemeente en OCMW. Idealiter neemt het collega-bestuur ook deel (gemeente- en OCMW-bestuur samen).   Data en locaties:Er worden 2 collegagroepen ingericht, die elk 4 sessies per jaar samenkomen. Collegagroep 1:- Locatie: PIVO, Poverstraat 75, 1731 Asse- Data: 19 februari, 24 mei, 22 september en 2 december 2016telkens van 9.00 tot 13.00 uur Collegagroep 2:- Locatie: Provinciehuis, Provincieplein 1, 3010 Leuven- Data: 12 februari, 23 mei, 23 september en 1 december 2016telkens van 9.00 tot 13.00 uur Je maakt een keuze uit één van beide collegagroepen. Je kan tijdens het traject niet van collegagroep veranderen (bijvoorbeeld omwille van de data), omdat we het belangrijk vinden mini-netwerken te creëren.   PrijsHet jaarlijks lidgeld voor 4 sessies bedraagt 350 euro (inclusief broodjesmaaltijd).   InschrijvenJe kan inschrijven via het inschrijfformulier op www.pivo.be of met een mail naar pivo.bestuursschool@vlaamsbrabant.be   Opgelet! • Geen inschrijvingen mogelijk tijdens het jaar (een vaste groep leden voor een volledig jaar).• Om een maximaal aantal besturen de kans te geven deel uit te maken van een collegagroep, kan er maar 1 deelnemer per bestuur inschrijven.   InformatiePIVO-Bestuursschool, Ine Herten, 02-456 89 43, pivo.bestuursschool@vlaamsbrabant.beBeleidsverantwoordelijke, Tom Dehaene, gedeputeerde, 016-26 70 22, kabinet.dehaene@vlaamsbrabant.be   Begeleidende brief bij versturen opleidingsaanbod 2016   Beste secretaris, beste vormingsverantwoordelijke   Betreft: Opleidingsaanbod PIVO-Bestuursschool 2016   Een nieuw jaar, een nieuw aanbod aan opleidingen! In deze overzichtelijke brochure vind je een overzicht van alle opleidingen met locatie, uren, prijs en startdatum. Alle opleidingen staan gerangschikt per thema.Wil je dit aanbod bekend maken in uw bestuur? Hang dan de affiche met de opleidingen van het voorjaar 2016 uit aan de prikklok, in de refter of op het inlichtingenbord voor het personeel. Voor meer info over de doelstelling, de doelgroep en de aanpak van elke opleiding kan je op de website www.pivo.be/bestuursschool terecht. Dit is meteen ook de plek om jezelf of jouw medewerkers in te schrijven!   Ben je benieuwd naar onze nieuwe thema’s? Ze springen meteen in het oog in de brochure. Wil je mee blijven met de actualiteit? Nieuwe opleidingen komen in de loop van 2016 online. Hou dus zeker onze website in het oog!   Heb je een grote groep deelnemers in een thema? Of wil je kosten besparen? Vraag dan een opleiding op maat in jouw bestuur aan. Je spaart bovendien verplaatsingstijd uit en je kan met herkenbare voorbeelden uit jouw praktijk aan de slag. Interesse? Neem zeker contact op met onze opleidingsconsulenten! Samen bekijken we jouw vraag.   En nu aan de slag! Maak van 2016 een jaar vol rijke leerervaringen. Met vriendelijke groet

Ine Herten
5 0

Excuseer meneer (3)

Het was een hete zomer geweest, een voor hem onuitstaanbaar seizoen. De ondraaglijke hitte, het overdreven enthousiasme van de mensen, de lompe toeristen en de zatte tienerkoppen die hun zattigheid ’s nachts onder zijn venster uitbraakten. Hij kon er niet meer tegen. Hij kon niet meer tegen zoveel oppervlakkigheid die de zomer altijd bloot legde. De zomer haalde het slechtste uit de mensen. Iedereen moest op vakantie geweest zijn, iedereen moest dat orange-bruin kleurtje hebben, iedereen moest België uitgegaan zijn. Hij deed er niet aan mee. Brussel was voor hem een vakantie die al die anderen nooit zouden kunnen hebben. Hij kende de geheimen van de stad, geheimen die hij nooit met zijn vrienden zou delen. Ze moesten eens weten…   Maar vandaag was het anders. Het was 26 augustus en het regende. Het regende alsof het november was, of maart. Hij was blij. Vanuit zijn venster zag hij ze lopen, de mensen, verdreven door regendruppels die uit een witte hemel met miljoenen aantal op de Brusselse kinderkoppen neervielen. Tijd om naar buiten te gaan.   Aan zijn deur stonden drie mensen in blauwe plastieken zakken gehuld te schuilen voor de regen. Ook dat nog. Ze schrokken toen hij met opzet het hekken nogal fel opendeed. Ze stonden als een barrière voor hem en een licht excuus zijnentwege deed hen ietwat opzij schuiven. ‘Voorouait, fraach het aan dese meneehr’ zei een ietwat oudere dame tegen een jongeman. ‘Dach meneehr, we sijn op soek naahr de Grawnd Plees’. Naast hem stond een jong meisje verveeld in het rond te kijken. ‘De wat?’ vroeg hij geamuseerd. ‘De Grawnd Plees. Het sou hierh in de buurht moeten sijn maahr ve finden het nerghens’. Sad, oh so sad…   ‘U gaat neemt deze straat naar boven, tot aan het kruispunt. Daar gaat u naar rechts. U neemt de metro richting Erasmus of Weststation, maakt niet uit. U stapt af in Graaf van Vlaanderen. Daar is een grote markt’ zei hij met een glimlach op het gezicht. ‘Nou, dat is heel fijn van u, meneehr!’ joelde de oudere vrouw. ‘Ja,’ vervolgde de jongeman, ‘hartsikke bedankt hoorh’. Het meisje liep in de pletsende regen de straat al naar boven.   Zo, dacht hij, weer een goede daad vandaag en liep langs het straatje naar beneden, de Grote Markt over tot aan zijn namiddagcafé achter het Stadhuis.   http://erwinabbeloos.over-blog.com/

Erwin Abbeloos
0 0

Verloren hebben of verloren zijn

Ze heten Snoopy, Punch, Lady en Mirza. Anderen Tijger, Spoetnik, Garfield en Catherine. Overal in de stad hangen affiches van verloren huisdieren, veelal onze vrienden viervoeters hond en kat. Er worden beloningen uitgeschreven maar er wordt nooit bij verteld wat deze beloning inhoudt. Het kan 50 euro zijn, voor dezelfde moeite krijg je een doos pralines of een fles goedkope wijn. Of een simpel dank-je-wel-merci-beaucoup. Ach wat geeft het, als het diertje maar veilig terug naar huis keert.   De meest vreemde affiches die mensen op de straten hangen gaan niet over huisdieren. Een halskettinkje, een portefeuille, een boek. Noem het en de mensen zijn het kwijt. Ook wel eens gezien : een zetel, een computer, een staanlamp, een paraplu.   Ook in de categorie ‘verloren vreemde voorwerpen’ : een hart – zoals in : ik heb mijn hart aan haar verloren. De tijd zoals in : ik verlies mijn tijd. Zichzelf : ik heb mezelf verloren in deze relatie. Het weekend zoals in : ik heb dit weekend niets gedaan, het is een verloren weekend geweest. Een ontmoeting zoals in : what a waste of time this encounter. Een ziel zoals in : hij heeft zijn ziel aan de duivel verloren. Een oog zoals in : ik ben hem uit het oog verloren. Een job zoals in : ik ben ontslagen, ik heb mijn werk verloren. Een moeder zoals in : ik heb mijn moeder twee jaar geleden verloren. Punten zoals in : ik heb flink wat punten verloren door mijn onoplettendheid in de klas. Geld zoals in : ik ben heel wat geld verloren door deze weddenschap. Belkrediet zoals in : ik heb heel wat belkrediet verloren deze maand omdat ik zoveel naar het buitenland heb gebeld. Maagdelijkheid zoals in : gisteren heb ik voor het eerst seks gehad met de buurjongen en ben mijn maagdelijkheid verloren.   Waar hebben de mensen het hoofd? Zelfs het hoofd wordt verloren, zoals in : ik wist het niet meer, ik was compleet het hoofd verloren. Lopen die mensen dan verder in het leven zonder een hoofd op hun lichaam?   Als we altijd alles voortdurend verliezen, wat hebben we dan nog over? Betekent het dat we alles altijd en overal bij de anderen verliezen, domweg vergeten weer mee te nemen? Neem nu de maagdelijkheid van het meisje en de buurjongen. Gaat ze toch terug de volgende dag om haar maagdelijkheid weer op te halen?   Gelukkig kan je in de meeste gevallen datgene wat verloren is, weer terugvinden. In de meeste gevallen in een andere vorm zoals een job. Ook een hart kan je terugvinden door iemand anders te ontmoeten. Geld is een constante, een overleden moeder komt nooit meer terug. Verloren jaren is pure nostalgie naar een leven dat je misschien had willen leiden. De verloren jeugd is een hele generatie tieners waarmee de maatschappij niet omgaat.   Het is de vergetelheid van de mensen die hen vervolledigt. Het is het hernieuwen en herbronnen. Het is eens iets anders uitproberen. Het is ook ermee leren te leven, zoals het verliezen van maagdelijkheid.   Het mooie aan verliezen en verloren is dat je het kan vervoegen met hebben of zijn. Laten we dat niet vergeten!   http://erwinabbeloos.over-blog.com/  

Erwin Abbeloos
0 0

Twijfelen

Twijfelen, het overkomt iedereen, zelfs de meest eloquente persoon. Alles kan eensklaps in vertwijfeling vallen. Al de muren die je rondom jezelf, je bezittingen en je geliefden gebouwd hebt, kunnen 1, 2 en 3 in brokken uiteen vallen. Het leven is voor iedereen drijfzand en met de beste riemen kan je niet altijd roeien. Angst overkomt iedereen, zelfs de meest verzekerde persoon. Alles kan eensklaps paniek veroorzaken. Alle bescherming ten spijt, vallen die zekerheden weg. We lopen allemaal op drijfzand en in drijfzand kan je zelfs met de beste riemen ter wereld nooit roeien.   Iedereen is irritant. Alles en iedereen kan al eens op de zenuwen werken. Het hysterisch gegil van dronken jongeren die van kroeg naar kroeg naar huis slingeren. Reacties van lezers op artikels. Beste nieuwjaarswensen als lege en zinloze woorden voor een al even leeg jaar. Wat is een jaar… Waarom is die overgang van jaar naar jaar zo belangrijk? Waarom slachten we schapen, waarom knuppelen we nog steeds zeehondjes dood, hoe komt het dat jij zo maar, 1, 2 3 van mij weg kan gaan, waarom zijn alle biografieën van gekende mensen al geschreven terwijl ze nog niet dood zijn, waarom werken er zoveel Marokkanen bij de MIVB, waarom kan een Franstalige Belg van pakweg 40 jaar oud geen woord Nederlands? Waarom respecteren we de nood aan stilte van mensen rondom ons niet? Waarom drinken wij, waarom zuipen wij en verwoesten wij elkaar met woorden als vlijmscherpe messen? Hoe komt het dat het beeld van onze zorgeloze jeugd, met liefdevolle moeders, gespierde vaders en vervelende zussen en broers, waar onze kijk op de wereld en onze verwachtingen van het leven slechts de grootte van een Vlaams dorp hadden, vandaag herleid is tot een tafereel dat we slechts in mijmerij vasthouden?   Mijn hoofd doet zeer, zoals in dat ene liedje waar het lijf van Ann Christy pijn doet en waar ook de pijn mijn vragen versmoort. Handen beven, benen trillen. De slaap is niet meer te vatten. Hooguit drie uur. De peuken in de asbak liggen er in een verwoest landschap van as en afval bij. Puinhoop en stank kleuren de leegte. Het is tijd om te gaan, weg van dit Babylon zonder hoeren, tijd om terug te gaan naar mijn minnaar met zijn sterke schouders, zijn beschermende armen en zijn ziekelijke bezitterigheid. Niet dus.   Het is tijd om naar huis te gaan. Om veilig te zijn. Om er keuzes te maken, in stilte. Om er de wereld te schetsen, de wereld te hertekenen, om er met rust gelaten te worden. Om de wereld te schrijven. Om de wereld opnieuw leefbaar te maken. Om openingen te vinden en deuren te sluiten . Voorgoed. Om de kat eten te geven, om naar het doodsprentje van mijn moeder te staren, om door gebroken vensters de wereld zien voorbij te wandelen, om antwoorden te vinden op futiele vragen. Om oud te worden want oud worden is mooi worden.   http://erwinabbeloos.over-blog.com/

Erwin Abbeloos
24 0

Het mooie verval van een beschadigde ziel

Ik wist dat dit het einde was, zoals het bij iedereen ooit het einde zal zijn of al is geweest. Ik lag in de besloten armen van een onbekende vrouw, op zoek naar troost. Mijn verschrompeld, afgeleefd, uitgedroogd en afgepeigerd lichaam lag als een foetus een beetje stuntelig op haar dijen. Mijn huid droeg geen kleur meer en doorheen mijn breekbaar vel kon je mijn ribben tellen. Wat eens een gezonde bolle buik was, werd nu herleid tot een diepe holte waar al het goede leven leek uitgezogen te zijn. En hoewel ik nooit veel haar heb gehad en de laatste jaren van mijn bestaan door het leven ben gewandeld als een kaalgeschoren man, hingen aan mijn met bruine vlekken bezaaide schedel enkele ongekamde en uitgedunde slierten geelgrijs haar waar deze onbekende vrouw met een sussend geluid enige vorm in trachtte te aaien. De vrouw had iets weg van Kristien Hemmerechts, hoewel haar haren iets korter waren geknipt dan het stijlloze haar van de bekende schrijfster.   Waarom Kristien Hemmerechts? Ik weet het niet, misschien omdat ze onlangs op tv is komen praten over haar nieuw boek en ik ze ook regelmatig zie wegvluchten uit Brussel, tussen de Galerijen en de ingang van het Centraal Station, zoals zovele Vlamingen en andere landgenoten mijn stad snel uitwandelen onder het voorwendsel een trein naar hun dorpen te halen, omdat ze naar Brussel moeten komen, terwijl ze naar andere Belgische steden gewoon gaan.   Mijn ogen die altijd een scherpe en kritische kijk op de wereld hadden, waren nu één en al wazigheid. Net geen honderd jaar was ik en als een hulpeloos welpje lag ik totaal uitgeput van het leven, van het niet genoeg geleefd te hebben, van verdriet, van schaamte en van teveel gegeven hebben, vastgeklit aan de warmte van het lichaam van een vreemde vrouw. Haar zachte handen werkten helend, alsof ze me zeiden dat alles wel goed zou komen. Dat ik niet meer bang hoefde te zijn omdat het leven voor mij hier zijn eindpunt had bereikt. Maar ik was bang. Doodsbang. Ik trilde niet, ik snikte niet, ik braakte niet en doorheen het staar van mijn afdwalende ogen probeerde ik me dat leven te herinneren. Ik probeerde zo goed ik maar kon te kijken naar die hoge muur voor mij, zo hoog als de hemel ver van mij was. Een muur waar alle rood uit was. Deze mistroostige muur was gekleurd als mijn ziel, donker en met her en der zwartgrijze vlekken, met hoeken af, met schubben en met verval. Ik voelde me als deze levensloze muur.   Ik vroeg aan de vrouw of ik nog heel eventjes, echt, niet voor lang, dat leven nog eens mocht overdoen en als dat niet zou kunnen, of zij misschien fijne herinneringen in mijn ziel kon tekenen. Ze keek niet verbaasd op, ze hield me ook niet tegen. In stilzwijgen maakte ik me los van haar strelen en stond op. Ik was helemaal naakt, mijn oud mannenlijf was ronduit lelijk, een afschuw voor het oog en ik stonk naar de dood.   Opeens was ik 47. Opeens stond ik in een ruimte zo groot als een kathedraal, een ruimte die ingericht was als een professionele keuken, zo’n keuken die je in die vervelende TV-programma’s ziet waar een tiental kandidaten kok-in-spe dingen naar een titel, naar een bestaan en naar een belachelijk grote geldsom. Alle materiaal lag, stond en hing er, van het kleinste knoflooksnijdertje tot de grootste Magimix en de grootste fornuizen met wel acht gasvuren per stuk. Alles in blinkend spik-en-span metaal, geen vingerafdrukken, geen vetplekken, zelfs een half leeggedronken glaasje wijn dat iemand benuttigt tijdens het koken stond er niet. Alsof ik in een uitgezuiverde en saaie keuken stond van een modern presidentspaleis. Alles was er mooi opgepoetst en opgehemeld tot het uiterste. Geen spoor van afwas, alles netjes ordentelijk in de hoekjes en de kantjes opgeborgen. Ik merkte dat ik kleren droeg, ik voelde dat mijn vale huid glad was, ik had opnieuw de huid van toen ik 47 was. Overal zag je door de kasten heen. Potten, pannen, glazen en borden stonden netjes in hun rij. Nergens was eten te bespeuren, hoewel ik ook geen honger had. Alleen de donkere hoge muur stak fel af in contrast. De muur domineerde door haar statigheid, haar afbrokkeligheid, haar lelijkheid. Wat haar weer mooi maakte. Ik voelde dat ze hier thuis hoorde. Ze maakte het huis helemaal af ondanks haar verval. Althans ik dacht dat het een huis was. Ik zag nergens andere ruimtes en ik heb ook nooit in zo’n huis gewoond.   Achter mij stond diezelfde Kristien Hemmerechts lookalike. Ze noemde me lieverd of schat, dat weet ik me niet meer zo goed te herinneren. Ik leidde af dat we getrouwd waren. Ik die het altijd met mannen heb gedaan en nooit verder ben geraakt dan de forse borsten van Christine. Mijn vermoeden over onze relatie werd alleen maar sterker toen door diezelfde ruimte twee volwassen tieners gehaast rondliepen, een beetje in paniek om de bus te missen. Ze droegen kleding die deed denken aan strenge schooluniformen en ik vermoedde dat ze die ochtend naar school gingen. Ik begeleidde hen tot aan de enige deur die ergens in een verloren hoek stond afgetekend. Ik liet ze uit en mijn twee tienerdochters stapten in een nogal fel witgeel licht waar ze ingezogen werden en vervolgens veranderden in donkere en doelloze schimmen.   Ik keerde terug naar mijn vrouw maar ik werd onderweg tegengehouden door mijn oude vader die nu zo oud niet meer leek. We stonden in een oude vervallen Vlaamse hoeve zoals je die nog tegenkomt in de Vlaamse velden van Lebbeke ergens begin vorige eeuw. We stonden aan een afgebroken waterput en hoorden vanuit de diepte een wanhopige kreet van weer een andere vrouw. We konden haar heel duidelijk zien, ze droeg een doorzichtige witte jurk, haar lange haren waren iets gekruld en hadden een rode glans, zoals vrouwelijke popsterren dat weleens droegen in de jaren ’70. Met haar houding was zij als ‘De Schreeuw’ van Munch en haar blik wist ons niet echt te vinden. Ze gilde en krijste maar niemand kon haar helpen, zo diep zat zij onder de vochtige grond. Ze had letterlijk haar keel opgezet, zo groot als je ze soms in stripverhalen ziet wanneer een personage iets luids wil communiceren. In deze verhalen staan de kelen ook vaak wijd open getekend.   Ik had het gevoel dat iemand me een tweede kans wou geven om nog eens te leven. Ik wou niet doodgaan tussen de troostende armen van een onbekende vrouw, een echtgenote, een krijsende schone en mijn vader. Ik draaide me om, wilde wegvluchten maar ik werd tegengehouden door een vriend uit Vilvoorde die zich verkleed had in een angstaanjagende nar. Hij overhandigde mij een A4 blad waarop met uiterste zorg titels van elpees en cd’s op gedrukt waren. Ik moest iets kopen, drong hij aan. Maar ik had alles al. Uiteindelijk kocht ik een elpee met goedkope Hollandse discodeuntjes en weg was hij.   En dan werd ik wakker. Ik lag nog enkele minuten stil, de ogen wijd open, te bekomen van mijn avontuur. Toen ik me omdraaide, zag ik dat het tien over vier ’s nachts was, zo’n uur waar je bij denkt : het is te vroeg om nu al op te staan en het is te laat om te hervallen in een diepe slaap, uit angst het geluid van een vrolijke harp dat ik al jaren heb ingesteld om wakker te worden niet zou horen. Ik lag wat te peinzen. Zowat een uur geleden was ik 46 jaar geleden geboren. Ik zit nu al in mijn 47ste levensjaar. Ik peinsde dieper en dieper. In de rubriek ‘doodsberichten’ van de krant zal je lezen, geloof me, dat de meeste mensen net voor of net na hun verjaardag sterven. Zo is het ook met mijn moeder gegaan : gestorven op 5 april, geboren op 10 april.   Maar als die lelijke muur mijn ziel was, de onbekende vrouw mijn troostende moeder, mijn vader mijn eeuwige held, de twee tienermeisjes slechts droomfiguranten waarvan ik één die avond nog in een doktersprogramma over bedplassen op Vitaya had gezien en als de schreeuwende vrouw mijn bevrijding was, dan kon ik mezelf geruststellen : zeggen dat het leven me goed afgaat en ik wenste mezelf een mooie en gelukkige verjaardag.   http://erwinabbeloos.over-blog.com/

Erwin Abbeloos
49 0

De wildernis

Kilometers gleden voorbij – bijna was hij er, op één van de laatste plekjes ongerepte natuur in het land. Kilometerpaal 42, had de oude journalist geschreven. Daar vertrok het pad, niet meer dan een lijntje tussen de varens en de rotsblokken door, steeds steiler wordend. En aan het eind van dat pad moest het liggen: een stuk naaldwoud dat je nog zonder je te schamen ‘wild’ kon noemen, waar everzwijnen en vossen nog ongestoord hun gang konden gaan, waar de afgelopen eeuwen misschien vijf mensen geweest waren. Na kilometerpaal 41 werd de weg kronkelig en hobbelig, slecht onderhouden, vol afgewaaide takken. Gespannen in het stuur knijpend hield hij de rand van de baan in het oog, wachtend op dat verlossende getal 42. Op een door gure wind en zure regen aangetast, verroest plaatje prijkte nog net het getal 43. Onverstoord draaide hij de wagen. Hij moest onderweg een bordje over het hoofd gezien hebben. Kordaat reed hij terug tot de vorige kilometerpaal. Die met nummer 41. Met gefronste wenkbrauwen parkeerde hij de wagen even voor plaatje 41, waar net plaats was voor één auto, en wandelde een keer of drie van 41 naar 43 en terug. Geen paal 42. Dat was het probleem niet: ook geen pad naar het maagdelijke naaldwoud. Nergens was er een helling naar boven. Ongeveer tussen de twee bordjes ontdekte hij wel een smalle spleet tussen twee rotsblokken van zo’n twee meter hoog. Moeizaam wurmde hij zich door de opening en zigzagde tussen de bomen erachter. De helling ging omlaag en gaf uit op een grasveld waar twee koeien hem starend opwachtten. Dat er iets niet in de haak was met de schrijfsels van de oude journalist, was nu wel duidelijk. Vorige week was hij naar het veengebied in het oosten gereden om de waterval te vinden waar slechts een handvol mensen ooit in gebaad hadden. ‘Geen chocoladeverpakkingen, geen lege flesjes of blikjes energiedrank, geen gebruikte condooms,’ had de oude journalist daarover geschreven. ‘Een verademing, dit ongestoord ruisende wonder, één van de laatste overblijfselen van de natuur zoals ze was voor er zelfs maar mensen in ons land kwamen wonen.’ De stukjes van de oude journalist hadden zijn hersenen maandenlang op hol gebracht, tijdens de uren die hij sleet in de kroegen van de stad of op zijn studentenkamer met uitzicht op het keurig aangeharkte en met verpakkingen, lege flesjes, blikjes en gebruikte condooms bezaaide stadspark. Zielsveel hield hij van het gezoem en gebruis van de stad, maar de ruwe, wilde natuur is altijd nog iets anders. Nu was de zomer aangebroken, nu had hij alle tijd van de wereld – of toch tot de herexamens begonnen – om alle goed bewaarde geheimen die de oude journalist had beschreven in zijn column De laatste wildernis op te zoeken. De laatste wildernis was zelf een goed bewaard geheim. Duizenden mensen kochten de weekendkrant en lazen de stukjes over waar ze moesten eten, wat ze moesten kopen, hoe ze moesten vrijen en waarheen ze moesten vliegen. Slechts een handvol mensen las De laatste wildernis, en alleen hij deed moeite om naar die illustere plekjes, de laatste restjes en brokjes wilde, ongerepte natuur in eigen land, te speuren. Maar de waterval in het veengebied bestond niet – niet op de kaart, niet in werkelijkheid. En het zompige eiland in het meer in het heuvelland, waarop ‘dieren en planten voorkomen die in de rest van het land al lang verdrongen zijn door villawijken en dagjestoeristen’, bleken eveneens een verzinsel. ’s Avonds was hij aangekomen aan de oever van het meer, erop gebrand de warmste nacht van het jaar onder de blote hemel door te brengen op het eiland. Op een afgevallen boomstronk was hij over het inktzwarte meer gegleden, niet bang voor de afgrijselijk gillende watergeest die volgens eeuwenoude volksverhalen boven het water zou zweven. Het eiland bereikte hij echter niet. Overtuigd dat hij in het donker iets gemist moest hebben, overnachtte hij in het lange gras op de oever en waagde een nieuwe poging in de koelte van de ochtend. Maar ook onder het licht van de zon lag er geen eiland in het meer. En nu bleek ook het maagdelijke woud, dat onze verste voorouders niet durfden te betreden omdat het tot het jachtterrein van de nachtgodin behoorde, enkel te bestaan in de verbeelding van de oude journalist. Sneller dan hij ooit gelopen had, snelde hij naar de auto en scheurde weg, terug naar de autosnelweg, richting de hoofdstad. Daar, ergens in dat herenhuis met de ronde ramen en de engelenbeelden tegen de gevel, moest hij wonen. Op de tweede verdieping, volgens de namen op de deurbel. Verwonderd opende de oude journalist de deur. ‘Wat kan ik voor u betekenen?’ vroeg hij terwijl hij in zijn ogen wreef. ‘Waar is die wildernis van u?’ vroeg hij zonder zich voor te stellen. ‘De waterval. Het eiland. Het maagdelijke bos. Allemaal bedacht door u.’ De journalist zuchtte en keek naar de vloer. Hij opende de deur wat verder, zodat hij kon binnenkomen. ‘Weet u… Er zijn echt nog wel wilde stukjes natuur in ons land. Alleen… Als ik daarover zou schrijven… Er moet maar één gezinnetje op het idee komen om die plekjes op te zoeken en dat rond te bazuinen. Dan ligt het daar volgende week vol blikjes en condooms. En rijden er mensen met bakfietsen rond.’ ‘Bakfietsen,’ herhaalde hij. ‘Laat me daar niet aan denken.’ ‘Precies daarom heb ik een rookgordijn gecreëerd. Hoe weinig mensen mijn stukje ook lezen, zolang de krantenlezer denkt dat de wildernis in ons land op de plaatsen ligt die ik beschrijf, blijven ze tenminste weg van de echte ongerepte natuur.’ ‘En waar ligt die dan wel?’ De journalist stapte naar zijn bureau, toverde een kaart van het land tevoorschijn uit de tweede lade en bracht er zorgvuldig twee kruisjes op aan. ‘Hier.’ Hij nam de kaart aan en verliet het gebouw zonder afscheid te nemen. Terug in de wagen staarde hij enkele minuten naar de kruisjes, zette zijn aansteker tegen de kaart en gooide vervolgens de nog knisperende resten uit het raampje, voor hij de motor startte.

Felix Sandon
29 0

Mijn roman in Parijs schrijven

Ik was vergeten hoe zorgeloos Parijs kon zijn in de warmste zomermaand van het jaar. Ik herinnerde me alleen nog de pijn die de lichtstad kon geven. Mijn eerste indrukken zijn de sterksten van mijn trip to Memory Lane en staan in deze eerste tekst.   Ik kom twintig dagen schrijven in Parijs. Om het drama gehalte in mijn schrijven te accentueren. Om af te rekenen met Parijs zoals ik 23 jaar geleden afgerekend heb met Brussel.   Ons eerste weerzien gebeurde schuchter. We vibreerden allebei daar in het Gare du Nord. Het was een aangenaam maar ongemakkelijk en verrassend weerzien. Ik had niets gezegd over mijn terugkeer. Aan niemand. Alleen aan Parijs. Parijs, mijn oude vriend die me zoveel geboden heeft, zoveel afgenomen. Parijs die me geperverteerd heeft, Parijs die me getroost heeft. Waar ik de mooiste mensen heb ontmoet, waar… ach, het zal allemaal de komende dagen geschreven zijn.   Nog steeds wandelen Parijzenaren gehaast door de straten zonder iemand een blik te gunnen, nog steeds heerst er chaos, wanorde en ongeduld in de straten. La baguette française smaakt nog even heerlijk en boodschappen doen is een heuse culinaire wandeling langs afgemeten rekken gevuld met rillettes en terrines de campagne. Ik vind mijn sirop d’orgeat terug en vraag me af of de mayonaise hier ook onder bepaalde wetgeving staat. Zelfingenomenheid, attitude en drama sieren de gemiddelde Parijzenaar. La parisienne doordrenkt met de juiste dosis arrogantie. Het kleine kopje koffie aan de toog, het ritme van het spreken, oude vrouwen zien eruit als verloren kunstenaressen en het hipstergehalte is onrustwekkend hoog. De gemiddelde dertiger raast nog steeds krap en knap in kostuum op scootertjes door straten en op voetpaden. Mannen blijven hier mooi, al verandert de charme al snel door de flagrante arrogantie in hun spreken, in hun gestes, gewoon in hun manier van zijn. Seks hangt in de lucht, verleiden blijft een lokale sport.   Het worden twintig dagen van schrijven, herontdekken, ontdekken, kennismaken en mezelf voorgoed feliciteren met wat ik in Parijs ooit heb bereikt. Een ander heeft het nooit gedaan. Waar zou ik mijn standbeeld kunnen neerzetten? Of klinkt dat té Parijs?   En dan, Parijs ’s ochtends? Parijs overdag? Paris by night? Parijs in Summer Night City mood?   Ik weet nu nog niet waar het naartoe leidt. De omstandigheden zijn gunstig : mijn Spotify galmt door een Bose luidspreker, temperaturen gaan boven de 30 graden, het appartement dat ik twintig dagen mag hebben is rustig en heeft een mooi uitzicht. In ruil ben ik dog- en papegaaizitter. De frigo heeft eten en drinken. Er is geen uur. Het is exen terugzien, plaatsen een plaats geven, het is een leven terug glad strijken. Het is afsluiten. Het is een nieuw ander leven durven beginnen met een ander in mijn eigen stad. Het is opnieuw kunnen zeggen aan iemand : ik hou van jou. Het is opnieuw leren aanvaarden dat hij ooit hetzelfde zegt tegen mij. Het is van de warmte van de zomer van Parijs naar mijn eigen Zomer in Brussel gaan. Het is dit boek schrijven.   http://erwinabbeloos.over-blog.com/

Erwin Abbeloos
19 0