Lezen

In Memoriam: BOB The Tooth Brush

In Memoriam Dearly beloved, we are gathered here today to say goodbye and honour our dear friend, BrAun Oral-B Electrical Professional Care Toothbrush (BOB for short). After almost six years of loyal service, our dear friend has chosen the path of light to join George Clooney in the heavens and teach him that drinking coffee is bad for your teeth. Every beautiful morning and each expected evening, BOB looked over our health and timing. He taught us the true meaning of two minutes of Oral Care. Never before I was more aware of four times twenty five seconds and I will cherish every memory, every wonderful moment I had the privilege of sharing with you…   (Volgende paragraaf is niet geschikt voor lezers onder de zestien jaar. U hoort een vervangmuziekje: ik ben mega Mindy! Mega Mindy! ) I will miss your thrilling sensation in my mouth when your strong brush softly touched and stroke my teeth and cleared me of every sin… I will miss your subtle winks to me in the bathroom to let me know you were fully charged and ready for a new service…(Tot hier...)   BOB, my zooming companion in the fight for hygiene, you fought hard during those last days… You even woke our dear mother in the middle of the night, only to say your last goodbyes… We thank you for that… We will now trust your body to the bin, where you will rest in peace and will find your way to the rubbish dump… Goodbye, BOB,  my old friend, and farewell… We will miss you all, but you will live on in our memories… Amen   AN: Dit schreef ik orgineel in het Engels aangezien het een brief was naar mijn zus die destijds (vorige zomer) op een Engelse taalstage verbleef en enkel engelstalige brieven mocht ontvangen. Daarnaast schrijf ik ook gewoon heel graag - lees: onwaarschijnlijk graag en meestal - in het Engels! 

Rumpelstiltskin
2 0

Maanziek, fragment 5 uit het boek 'Maanziek'

Wat voorafging... Mathis heeft nachtmerries. Niet zomaar nachtmerries, maar vreselijke dromen die steeds erger worden. Hij ontdekt dat ze, op één of andere manier, zijn leven beïnvloeden. Dan ontmoet hij Mila, een meisje dat hem helpt om te vechten tegen de dromen. Ze vertelt hem dat hij moet leren om lucide te worden...   < Lucide droom > 'Een toestand waarin de dromer zich ervan bewust is dat hij droomt. Vanaf dat moment kan hij of zij het droomverhaal naar believen veranderen, in goede of kwade zin. Op die manier kan de dromer bepalen wat er precies gebeurt en hoe het verhaal zal eindigen.'   *** Ik [Mila] zit op een klapstoel in de keuken van Mathis. Bij het fornuis staat zijn zus, ze snijdt een tomaat in stukjes en gooit ze in een pan. Daarna begint ze een ui fijn te hakken. Vanaf de bovenverdieping klinkt gestommel, en we kijken elkaar aan met een blik van verstandhouding. 'Hij zal er zo wel zijn', zegt ze, en ik knik. Even later komt hij de keuken binnen en kijkt naar me met een verwonderde blik. Zou hij beseffen dat dit onwaarschijnlijk is? Maar hij schudt lichtjes met zijn hoofd en neemt plaats aan de eettafel. 'Broertje, is er iets aan de hand?' vraagt zijn zus, terwijl ze in de pan roert. 'Nee hoor', antwoordt hij snel. Ik rol met mijn ogen. 'Of misschien wel... Weet je, toen Sam doodging...' Tot mijn ergernis begint zijn zus te lachen.   'Zo te zien kan je wel wat hulp gebruiken bij je opdracht, is het niet?' Mathis staart zijn zus met open mond aan. 'Ik hoop dat je tenminste beseft dat dit een droom is?' Ze giet een mengsel van ei en melk in de pan en ik hoor het sissen. 'Hoe weet jij...' begint Mathis. 'Wacht eens even... Er klopt iets niet! Als dit echt een droom was, dan zou je nooit zéggen dat het een droom was. Dat zou er veel te dik op liggen.' Even staan we allebei met onze mond vol tanden. 'Wat een stomme discussie', zeg ik dan. 'Wil je je eerste lucide droom verprutsen door te onderzoeken of dit echt is of niet? Terwijl we zo veel interessantere dingen zouden kunnen doen?' Hij staart me aan, en ik zie hoe het langzaam tot hem doordringt dat het hem gelukt is.   'Eens even denken... Op welke manier kunnen we bewijzen dat dit wél een droom is?' peins ik. 'Ik weet het! We kunnen gaan vliegen!' Mathis' zus klapt in haar handen en juicht. Hij daarentegen kijkt ons één voor één aan alsof we gek zijn geworden. 'Is dit... Kan dat echt? In een droom?' Op dat moment begint de droom te veranderen. Donkere wolken pakken zich samen boven het huis. Shit, daar zijn ze. Een bliksemflits doorklieft de lucht, de donder rommelt. 'We moeten hieruit zien te komen!' roep ik. 'Maak je geen zorgen, ik heb alles onder controle', meldt zijn zus vrolijk. Ze strooit een handvol kaas over de omelet, haalt de pan van het vuur en slaat er hard mee op Mathis' hoofd. [...]   Wil je meer lezen? Maanziek, fragment 1: http://azertyfactor.be/tekst-lezen/5721/maanziek-fragment-1-uit-het-boek-maanziek Maanziek, fragment 2: http://azertyfactor.be/tekst-lezen/5760/maanziek-fragment-2-uit-het-boek-maanziek Maanziek, fragment 3: http://azertyfactor.be/tekst-lezen/5828/maanziek-fragment-3-uit-het-boek-maanziek Maanziek, fragment 4: http://azertyfactor.be/tekst-lezen/5881/maanziek-fragment-4-uit-het-boek-maanziek   Blijf je graag op de hoogte van de avonturen van Mathis? Volg 'Maanziek' dan op Facebook (Maanziekhetboek) en Twitter (Maanziek_boek)

Eva Linden
4 0

Ontrouw

Van buitenaf had het een goed idee geleken. De handgeschilderde letters "Café Au Jolicoeur" op het vensterglas hadden hem het gevoel gegeven dat ze hem wenkten. Maar zodra Marcel het café binnenstapte, kwam het schuldgevoel aanrollen als een vloedgolf. Hij durfde toen echter niet op zijn voetstappen terugkeren en nam aarzelend plaats op een barkruk aan de toog.   Het café was licht en ruim. Aan een tafeltje bij het raam zaten twee jonge vrouwen samenzweerderig te praten over een onderwerp dat hen af en toe ondeugend deed giechelen. Studentes, vermoedde Marcel, ofwel oud-studiegenoten die kwamen bijkletsen. In hun ogen kon hij zien hoe opwindend het leven kon zijn, en dat sleur voor hen voorlopig slechts een woord was, geen gevoel.   Wat verderop aan de toog zat een vrouw met lange, rode krullen. Ze was elegant gekleed en zat te lezen in een boek dat ze met één hand op de toog opengeslagen hield. Ze droeg geen nagellak en voor zover Marcel kon zien ook geen lippenstift, hoewel hij dat om de een of andere reden van een vrouw als zij net verwachtte. Misschien droeg ze al genoeg rood in haar haren, bestond er een quotum voor dat soort dingen. Marcel glimlachte even. Zaken waar hij nog nooit over nagedacht had. Hij moest toegeven dat het hem plezierde er eens over na te denken. Maar het welbehagen opgewekt door deze observatie kon zijn ongemak niet verjagen.   "Wat zal het zijn?" Hij keek betrapt op, recht in het gezicht van de barman. Het was een jonge kerel met perfect getrimde bakkebaarden. "Een pintje,” mompelde Marcel. Toen zag hij opeens zichzelf, in de spiegel achter de toog. Zijn gezicht rood van schaamte, zijn blik geschokt door de plotse confrontatie. Bewust een fout maken is één ding, maar jezelf ook nog eens recht in de ogen kijken terwijl je ermee bezig bent, is nog heel iets anders. Marcel wachtte niet op het bier. Hij gooide een stuk van twee euro op de toog, en liep snel het café uit.   De daaropvolgende avond ging hij zoals vanouds naar café Den Toren. De weg naar zijn plek aan de toog werd door de eeuwige rookwalmen aan het zicht onttrokken -wat niet deerde want hij kon het traject blindelings afleggen. Zodra hij zich op zijn vertrouwde kruk had genesteld, stond er al een pint voor hem klaar. Langzaam keek hij op. Raymond stond vlak voor hem, de dikke armen over elkaar geslagen, zodat de zeemeermin op zijn rechterarm onder de walvis op zijn linker doorzwom. Marcel prees zich gelukkig dat de tapkast tussen hen in stond.   "We hebben u gemist, gisteren," zei Raymond vanonder zijn snor, op een toon die allerminst de gevoelswaarde van zijn woorden onderschreef. "Ziek, moest thuisblijven," prevelde Marcel. "Jaja," gromde de barman. "Ziek." Marcel zette het glas aan zijn lippen en liet het lauwe bier in zijn mond stromen. Met zijn ellebogen steunend op de toog probeerde hij het biljartspel van Ronny en André te volgen. Het lukte hem van geen kanten.  

Kathleen Verbiest
0 1

Fenix boven Borneo

  achter de vuurzee tierde kleefkruid weelderig zag ik je zonnen op je buik tekenden kaboutertjes de weg   in het roeste bed met luchtpedalen lagen longen bang om uit te hijgen ook een hart moest nog bekomen van de rare vondst   er kwamen donkerloze nachten ruis en wind werden geruild voor stilte die niet slapen kon   geen redding en u kent hem vast dien typ uit Panama van hem heb ik een zweefmachien gekregen waarmee ik wegvloog door de barsten in de hemel   over kindertijden ongeploegde aarde jeugd komkommervelden de gezwollen zeeën en ik zag die Scoone op een zeepaardje Neptunus in een visbokaal   ik zag des mensen lust leed en gesel vergeten troost een school met zwaardvissen ik dacht het scherpe beeld heb ik na maanden weer gevonden echter niet waar ze sliep die meest ondraaglijke tederheid   als een slaapwandelaar viel ik voor de maan nog voor die volop schijnen ging voelde ik het smeulen van de waan de zomer Borealis kwam hij voerde me voorbij verdwaalde streken   ik doolde lang tot bij koelbloedige demonen handelaars in schijn labiele witte steunpilaren bij geluk heb ik de klippen van Kaap Grijsneus op een haartje na gemist   gebroken schepen ver in Borneo daar werd ik door de laatste dodo aangesproken weet nu hoe dat voelt het dode spoor de Grote Oceaan hij zweeg gesmoord die oren van het droomgezicht de lelletjes die ik zo graag toch met het puntje van mijn tong zou kietelen ik heb niet meer gezocht laat staan gebeden van ‘oh gij die van mij houden kunt ik ben niet waardig meer dat gij tot mij komt’   maar schrijf hem tenminste zeven waterletters of zijn voornaam in de neergeslagen damp ja zelfs de postduif bleef in leven   schrijf de ongeschoren gek ‘leid hem in bekoring en hij zal gauw beter worden wederkeren verderzweven op de warmte van je ongeziene lach’       uit de reeks  'Reizen met Robby'

Bernd Vanderbilt
3 0

Gods Wonderen

“Ik ben een vis, ik ben een vis. Ik zwem.” Ze ligt op haar buik op de houten vloer, doet verwoede schoolslagbewegingen en spartelt met haar voeten alsof ze in ademsnood zit. Ze komt geen centimeter vooruit. Een tiental mensen rond haar zitten op hun knieën, voorovergebogen trommelen ze met beiden handen op de vloer . Ze dreunen: “Wij zijn de zee, wij zijn de zee. Wij zijn de golven”. Het meisje blijft ondertussen noest haar schoolslag uitoefenen waar bij ze door de wildheid van haar beweging de haren ondertussen aan het opeten is. De tippen van haar schoenen geven een ritmisch hoog tak geluid boven het geroffel van de groep heen. Zonder gewag op hem te maken doen ze in alle ernst door. Ze zweten, ze brullen, ze stormen.   Vincent vind ze allemaal goed gek. Al vanaf het moment dat hij binnenkwam waren ze bezig met hun toneel. Hij keek snel op het naambordje aan de deur. Dat hij maar niet in een of andere gekke sekte is terechtgekomen, dacht hij. Dit centrum of wat het ook is noemt blijkbaar “Wisper”. Als ik me niet vergis, is dat Engels voor fluister. Iets wat niet echt rijmde met de huidige situatie. Hij staat achter het vensterglas van de deur naar de groep te kijken. Als een bezoeker van de zoo die naar de chimpansees kijkt. Of in dit geval naar het aquarium met de vissen. Hij ziet ze ’s avonds op TV ook wel eens van die losgeslagen gekken. Maar in lijvende leve is het toch wel wat indrukwekkender. Het continue chaotisch samenraapsel van overroepen geluiden is intens. Toch voelt hij zich rustig met zijn dampende kop in de hand. Gebiologeerd blijft hij kijken. Hij moest hier maar zijn voor het aftandse waterboilertje in het verkommerende keukentje terug aan de praat te krijgen. Een klusje van twee keer niets. Oude dingen zijn zo makkelijk te herstellen. Een paar kloppen en klaar. Ze hadden hem een kop thee aangeboden, heet zeiden ze lachend, dankzij jou. Vincent vond het effect van zijn werk soms raar. Alsof hij Gods wonderen deed. Maar omdat hij nog tijd had voor de volgende klus weigerde hij niet. Dus zit hij met zijn linkerhand in zijn zak en met zijn rechterhand omklemt hij de kop thee. Ondanks de herrie een moment van rust. Ze gaan nog steeds door. Al tien minuten lang. Vincent snapt er geen snars van.   Opeens, uit het niets, springt het dikste individu van de mensenzee omhoog en tiert . “Ik ben een net”, en werpt zich met volle overgave op het frêle friemelende meisje. Met een doffe bons land hij bovenop haar.   De vis zwemt niet langer. De zee is stil.

Tim Berghman
16 0

Henry In Al Zijn Glorie

Marie keek vol spanning naar het monolieten uitgangsblok van station Brussel-Centraal, ze hield een koffiekan stevig geklemd tot haar knokkels wit zagen. Om een houvast te hebben. De nervositeit nam elke dag overhands toe. Ze keek snel op de klok aan de muur, zeven uur achtendertig. Rond dit tijdstip kwam hij altijd naar buiten. Zijn haviksneus als eerste. Als een miereneter, die zijn terrein met zijn veilig instrument eerst besnuffelt. Zien of de kust veilig was. Soms miste ze hem. Door een klant. Door An. Door een vrachtwagen. Door een knippering van de ogen. Haar dag voelde dan niet hetzelfde. Ze keek snel opnieuw naar het monolieten blok en dan opnieuw naar de klok en dan opnieuw naar het blok en dan…   Dan was hij daar. De aktetas stevig in zijn geaderde rechterhand geklemd. Zoals iedere keer statig en met rechte rug kwam hij naar buiten. De zwarte ogen priemden. Hij draaide zich edel naar de trappen van de Kunstberg op, negeerde de arme drommel die met haar kind op de arm bedelde. En hem meelijwekkend aankeek. Ze was ongetwijfeld te min voor hem. Hij vatte de dagdagelijkse beklimming met zoveel grandeur en majestueusiteit aan. Alles en iedereen overheersend. Trede per trede dwong hij de berg onder zijn glimmende schoenen. Zijn hoofd recht en zijn blik ongetwijfeld op oneindig. Een arendsblik. Dat moest wel, dacht Marie. De lange zwarte jas wapperde achter hem aan. Zijn overwoekerende zilveren haren op zijn hoofd golfden langzaam mee in de wind. Marie keek vol ontzag hoe die man zich voortbewoog. De man straalde zoveel vertrouwen uit. Hij nam elke trede precies en perfect. De harmonie van zijn lichaam met de grijze uitgesleten stenen trappen vormden een harmonische wals als de schone met het beest. Het greep haar naar de keel. De overige pendelaars die uit het monolieten blok kwamen leken wel een losgeslagen kolonie ratten in vergelijking met hem. Krioelend zonder houvast.   “Marie, vergeet je de klanten niet of ga je de hele dag naar buiten staren?” “Neen An. Maar…” “Och, vergeet die man toch gewoon, waarom ben je zo geobsedeerd door hem?” Hij is gewoon één van die honderdduizenden pendelaars. Een luchtige nozem die hier zijn geld komt verdienen. Net zoals elke godverdomde mens hier. Punt.” “Waarom staat hij nét daar elke dag?” “Breek je kop er niet over, kind. Denk je dat er enkel in Brussel van die rare snuiters zijn? Dat alle pendelaars buiten Brussel compleet normale individuen zijn. Vergeet het gewoon, met het aantal verloren vijzen van al die pendelaars kan je een tweede Atomium zetten. Tel maar.”   An had gelijk, dacht Marie. Niet over het Atomium, ze dacht er niet aan om te beginnen tellen, maar over de rare snuiters in Brussel. In het gehucht Wulmersum waar ze vandaan kwam waren er ook veel vreemde specimen. In haar ogen dan. Volgens haar ouders waren het allemaal hardwerkende boeren en goeie rechtschapen partijen. Marie sloeg op een blauwe maandag op de vlucht. Waarom vragen veel mensen niet begrijpend. De verstikking in een open landschap is iets wat ze niet uitgelegd krijgt aan de stadsmensen. Ze vluchtte naar Brussel enkel met haar rugzakje met daarin wat toiletspulletjes en een hoopje kleren. Nauwelijks van de trein af liep ze letterlijk An tegen het lijf met haar exotische Macchiato in de hand. Haar enige jurk, haar lievelingsjurk met groene en roze bollen, zat onder het bruine kleverige goedje. Voor ze het zelf goed en wel besefte stond ze diezelfde koffie uit te schenken in de kleine koffiebar van An aan het Albertinaplein. Ze kreeg de job net zoals de koffie zomaar in de schoot geworpen. Volgens An omdat Marie dezelfde sproeten heeft op dezelfde plaats als haar en dat de jurk van toen ze negentien was me als gegoten zat. Marie was haar persoonlijke reïncarnatie. En dat ik met zoveel naïviteit in mij geheid in de Aarsschotstraat beland zou zijn voor ik 1-2-3 kon zeggen. An is opgegroeid in Brussel. De spruit van een typische ket. De uitlaatgassen zijn haar ochtendnevel. Ze ratelt en vloekt. Is op elke plek aanwezig en kent bizar genoeg de voornaam van elke klant die minsten drie keer in haar koffiebar is geweest. Ze staat erop. Dat dagelijkse klanten haar ijver negeren en haar eigen naam niet kennen laat ze koud. Het is haar onvoorwaardelijke liefde, de koffiebar en de honderden klanten. Eén man in haar leven zou teveel zijn. Ze heeft steevast wel een aanmerking. Als Marie vragen stelt worden die genadeloos en met takt afgewimpeld. De in begin ijdele hoop dat Marie snel een prins man zou ontmoeten in de Brusselse smeltkroes heeft ze al lang laten varen. De meeste mannen in de koffiebar zijn pendelaars die ’s avonds terugkeren naar hun gezinnetje of snel een rendez-vous hotelletje willen huren met jou om dan daarna toch terug te keren naar hun gezinnetje. De types op straat die oneerbiedig fluiten probeert ze te negeren. Maar die ene man, die ene man met zoveel gratie, intrigeerde haar al van de eerste dag dat ze hem zag. De eerste keer dat hij halt hield. Het was de eerste keer dat ze koffie morste.   Steeds als hij bovenaan de trappen aankwam stopte hij. Keert zich een 180 graden om en richt zich naar het centrum van Brussel. Hij lijkt wel te focussen op de spitse toren van het stadhuis. Zijn blik op oneindig. Voor een vijftal minuten. Altijd. Het maakte niet uit welk weer het is, regen, sneeuw, zon, vriestemperaturen, rukwinden,… Telkens staat hij daar met zijn blik op oneindig. Statig. De aktetas stevig omklemd, rechte rug, hoofd onbeweeglijk. En de zachte deining van zijn grijze haren als het kabelende water bij een idyllisch meer.   Marie had zich al nachten wakker gepiekerd wat er in hemelsnaam door die man heenging. Had hij een trauma te verwerken? Was de Kunstberg een plek van berouw. Een dagelijkse herinnering aan een verloren liefde. De plek waar hij met haar hand in hand op een bankje zat. Stilletjes naast elkaar. De handen losjes in elkaar. Zoals echte liefde zich uit. Geen woorden die moeten verspild worden. Het zijn van elkaar en met elkaar. De volkomenheid van het aanwezig zijn. Het daar zijn. Een simpele aanraking. Haar pink die de palm van zijn hand streelt. Een klein symbool met grote daadkracht. Dan passeert een vrouw die een koets voortduwt. Zij die zachtjes in zijn hand knijpt. Een wens die zachtjes wordt uitgedrukt. De toekomst ontvouwt zich. Het meesterlijke plan van geliefden op aarde. Ze legt haar hoofd op zijn schouder, sluit de ogen. Droomt. Hij kijkt naar de hemel, ziet dat er geen grens is. De blauwe gloed strekt zich tot het oneindige. Sluit de ogen. Droomt. Vervolgens staan ze geruisloos op. Nog steeds hand in hand, de schouders strelen elkaar. Zachtjes zoals hun liefde. Niet hard maar zoals ze één zijn. Volmaakt. Ze wandelen naar de Coudenberg. Hij stopt en zegt achteloos dat zijn veter los is. Ze stopt met stappen, staat op straat, en kijkt om. Een zwarte taxi zorgt voor een zwarte dag. Voor eeuwig en altijd. Of de dagelijkse pijn van een zoontje die groeide als kool en die hij verloor aan een falend hartje. Zijn minuut van stilte aan zijn broeders die hij niet van de dood kon redden in Afghanistan. Een moment van goddelijke zelfreflectie. Ontelbare scenario’s speelden door haar hoofd. Ze vroeg An er over uit. Ze wuifde het weg als een warme bries. Bleef bij hoog en laag beweren dat elke mens wel rare kantjes heeft, de ene al iets opzichtiger dan de andere. En dat het ook gevaarlijk is om op vreemde snuiters in te gaan. Ze richtte haar vinger waarschuwend naar haar als ze dat zei. Vermanend siste ze dan: “Vreemd gedrag kan snijden als een scheermes.” Marie droomde van hem, de hartjes die ze in het koffieschuim tekende waren voor hem. Op de avonden dat ze de slaap niet kon vatten legde ze een hand tussen haar dijen. Daar waar het warm werd als ze aan hem dacht. Ze zocht een plan dat haar hand zijn hand kon zijn.   Henry snelde door de hal van het Brussel-Centraal. Zo snel hij kon. Vermeed vakkundig de friemelde mensenmassa die elk hun eigen weg volgde als blinde mollen in een vierkanten doos. Het was urgenter dan anders. Snel lopen kon hij niet. Snelwandelen wel. Het half uur op de trein was een nog grotere hel dan normaal. Gelukkig was het moment van de verlossing bijna daar. Toen hij de roltrap naar de uitgang nam, nam hij meteen de frisse buitengeur waar. Hij snakte. Hij hunkerde. Hij smachtte. Zoals elke werkdag stapte hij met dichtgeknepen billen de roltrap op. Voorzichtig. Beheerst. Volledige controle. Stapte buiten en draaide naar de trappen toe. Dit was het makkelijkste stuk van de ochtend, want hij zag een twintigtal trappen hoger de verlossing. Dan kon hij alles loslaten. Niemand die aanstoot aan hem nam. Het was zijn publiek geheim in Brussel. Niemand stopte daar. Iedereen snelde hem haastig voorbij. Niemand lette op hem. Iedereen was passant. De anonimiteit van een grootstad in al zijn glorie. Henry in al zijn glorie.   Zijn darmen brulden van genot toen hij alles los liet. Een monsterlijke scheet die minutenlang duurde. Een misthoorn die het waken van de dag aankondigt. Een geurcompositie die snel werd meegenomen door de windstromen op de Kunstberg. Hij legde zijn hoofd in zijn nek en genoot. Met een getekend gezicht van de spanning staarde hij in de ijle ruimte tussen de toren van het stadhuis en de Magdalenakapel. Jaren geleden hadden ze IBS of beter verstaanbaar het prikkelbare darmsyndroom vastgesteld, wat er op neer kwam dat zijn darmen chronisch ontstoken waren. Tot daar het goede nieuws wist Henry nu, hij had meer dan ander patiënten enorme last van flatulentie. Het begon al na het ontwaken, ontbijt of geen ontbijt, de darmen borrelden op de cadans van enkele wildgeslagen Afrikanen met tamtams. Wilde gassen stapelden zich op in zijn darmen en drumden om verlossing. Maar hij hield de billen stijf op elkaar. Want geen mens die graag zwavel ruikt. Dat zag hij aan de mensen. De origami die ze deden met hun gezicht als Henry iets loste. Op een fatale ochtend toen hij een halve wagon onvrijwillig vergaste. Toen hij knakte na een slapeloze nacht tobbend over de papieren veldoorlog die hij voerde met zijn nu ex-vrouw en enkele advocaten. Zij haatte zwavel. Die ochtend zeeg hij moedeloos en verloren neer op een bankje. Hier op, wat nu zijn berg is. Hij loste toen een restje. Trok zijn neus op en rook niets. Loste nog een restje. En rook nog steeds niets. Terwijl zijn haren van voor naar achter en van links naar rechts danste in de wind. Henry glimlachte voor het eerst sinds lang.   Toen hij zich net wilde omdraaien na zijn dagelijks intiem hoorspel zag hij een jong meisje met een koffie uniform en een stapeltje folders in haar hand geklemd haastig de trappen opsnellen. Overduidelijk zijn richting uit.

Tim Berghman
60 0