Lezen

Eric en Anna

Anna en Eric     Eric en Anna speelden verstoppertje in het grote huis. Papa stond boven op een ladder met een hand tegen het plafond. In het midden van het plafond had het pleisterwerk de vorm van een bloem. Papa noemde het een rosette. Deze rosette had allerlei kantjes en randjes en tierlantijntjes. Ze was al oud, de rosette, hier en daar was er een stukje afgebroken. Papa lijmde de kleine stukjes weer terug op hun plaats. De lijm was heel sterk, volgens de reclame op TV kon je er iemand mee aan het plafond plakken. Eric en Anna hijgden van het lopen door het grote huis. ‘Ik wil een snoepje,’ riep Eric. ‘Ik ook,’ riep Anna. ‘Nu niet,’ zei papa, ‘ik ben bezig.’ Zo bezig als ouders altijd zijn, zo bezig was papa. De snoepjes stonden boven op de bruine kast achter een grote rode vaas, de rode dop van de snoeppot blonk verleidelijk. Anna en Eric konden er onmogelijk bij. Plots zagen ze de pot met sterke lijm staan op de tweede trap van de trapladder. ‘Als we nu,’ zei Anna en ze rolde haar ogen richting lijmpot. ‘Wat,’ vroeg Eric. ‘Ik bedacht,’ zei Anna, ‘dat de afstand van de plek waar de ladder staat, vermenigvuldigd met de lengte van papa, met een zwierende beweging net genoeg kan zijn tot op de kast met de snoeppot.’ ‘Hoe bedoel je,’ vroeg Eric. ‘Als we de handen van papa insmeren met de sterke lijm en hem zover krijgen dat hij het plafond aanraakt zodat zijn handen blijven plakken, dan kunnen we, door aan zijn benen te gaan hangen met een zwiep tot op de kast geraken.’ ‘Prima idee,’ zei Eric, ‘goed gevonden Anna.’ Eric nam de pot met lijm en klom op de ladder tot hij met zijn neus tegen de achterkant van de knieën van papa stond. ‘O, help,’ riep hij, ‘de lijmpot gaat vallen.’ Net toen papa reikte naar de pot, sopte Eric de hand van papa er helemaal in. ‘Potverdorie,’ zei papa, wat eigenlijk niet mag want dat is een slecht woord, potverdorie, potverdorie. Anna trok een beetje aan de ladder, zodat papa steun zocht met zijn hand tegen het plafond. ‘Sapperloot,’ riep papa, maar het was al te laat, zijn hand zat muurvast aan het plafond. ‘Het zal wel houden met één hand,’ zei Anna, ‘de lijm is sterk.’ En ze trok de ladder weg. Daar hing papa met één hand aan het plafond. Zijn lange benen bengelden naar beneden. Anna deed twee stapjes op de ladder en sprong vervolgens naar papa’s been. ‘Nu jij,’ zei ze. Eric sprong en greep het andere been, ze zwierden samen op en neer en met een grote zwiep belandden ze beiden op de kast, naast de snoeppot. Papa hield zich vast aan zijn vastgeplakte hand, maar lang zou het niet meer duren. Het plafond was immers al oud. Plots liet het pleisterwerk los en daar ging papa. ‘Potver, potver, potver,’ zei hij, wat drie keer een slecht woord was. Hij viel met een bons op de grond. Anna had net haar hand op de rode ronde bol van het deksel van de snoeppot en trok eraan.’Plop’ deed het deksel en een heerlijke zoete geur  kwam vrij, eerst nam Eric een snoepje en  toen twee en toen stopte hij er wel vijf tegelijk in zijn mond. Anna nam voorzichtig een snoepje en zoog erop als op een zuurstok. ‘Mmmm,’ zei ze. ‘Mmmm,’ zei Eric. Samen keken ze hoe papa met zijn goede hand en de andere met pleister, probeerde om de ladder tegen de kast te zetten.

liezabeth
1 0

Het leven van wat je een mens zou kunnen noemen

    I. ‘Baar mij een zoon en hij zal heersen over de zeven zeeën!’. Spettertjes spuug landen op mijn moeders gezicht. Vader schokt nog een paar keer heen en weer voor het rood aangelopen lijf ineenzakt. Zijn laatste gespoten zaad trekt een sprintje naar de felbegeerde en met hoop doordrongen eicel. Ondertussen wordt het alarmnummer gedraaid. Maanden later ben ik daar. Een postume uitgave. Een dochter.   II. Niek, Jef, Maurice, Robbert en Dennis, de jongens van groep 7. Ze staan in een groepje te giechelen, terwijl hun Umbro shirts beginnen te stinken en de gel in de haren langzaam begint te smelten onder de zon. Ik vraag waarom ze lachen. Domme vraag. Altijd zwijgen en juist nu mijn bek niet kunnen houden. ‘Nou?’ ‘Wil je het echt weten?’ NEE! ‘Ja’ ‘Als je een pik in jou steekt, komt ie er aan de andere kant weer uit.’   III. Een pen, een komkommer, een neef, een kaars, een Barbie, een kipcorn uit de vriezer. Probeer te ontspannen. Lukt dit niet? Wacht niet langer dan een week om naar de huisarts te gaan.   IV. ‘Hij vindt je aardig, ja hè Rakker, dat vindt je hè. Net als het baasje.’ Rakker, wat een aanstellerige kutnaam, zeker voor een hond. Zo heten Golden Retrievers die samen met een kat en een paard in het tropisch regenwoud terecht komen en dan een beetje een panda gaan lopen redden. Walgelijk. Deze rakker is tenminste geen kindervriend. De Engelse buldog blijft vooral kwijlend op de bank liggen. Ik mag hem wel. De plots infantiel geworden man daarentegen. Sta niet zo in je handen klappend op en neer te springen. ‘Moet je naar de wc?’ ‘Hè wat? Wat zeg je?’ ‘Of je naar de wc moet?’ ‘Hehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehe. Nee hoor. Wil je een glaasje rosé?’ ‘Ik wil naar huis.’     V. Ik wou dat ik een junk was. Een echte. In een junk huis vol met junk vrienden, een huis gevuld met de geur van uitwerpselen, zweet en schraal bier. Hier ruikt het alleen naar urine. Niet eens van mijn vrienden, zo zou ik ze niet durven noemen. Nog drie kwartier, dan komt de zuster met een batterij aan pillen. En nog voor de deur achter haar puttige kont dichtvalt, zet ik als dessert zelf de spuit nog eens in mijn arm. Ik hoef toch niet meer mooi te zijn.

Lynn Elshof
0 0

Ergens halverwege hemel en aarde

Maurice ging het restaurant binnen met een bos lichtroze pioenrozen, blij dat hij iets bij zich had om de blikken af te leiden van zijn slechte been. Met het boeket voor zijn borst baande hij zich een eigen weg door de verstilde, felverlichte ruimte. Een zestiger met leesbril loerde even boven de rand van zijn krant en twee geföhnde vrouwen lieten hun spie slagroombiscuit fluisterend links liggen, maar Maurice gebaarde van krommenaas en hield zijn blik strak gericht op het uitgebreide buffet, helemaal aan de andere kant van de zaal. Niet dat hij honger had, want hij had die middag zelfgedraaide gehaktballen in madeirasaus gegeten en dan laat hij zich altijd net iets te veel gaan. Maar hij was hier nu, en hij wilde vooral niet aanzien worden voor een vent die zijn tijd aan een lege tafel kwam uitzitten, dus hij nam een dienblad, veegde het achtergebleven afwaswater weg met de mouw van zijn anorak en zette zichzelf een koffie met melk en een stuk broodpudding met rozijnen voor. ‘Vier en een halve euro durven ze daar tegenwoordig voor vragen’, dacht Maurice, een beetje verbolgen, en hij pikte nog snel een zakje suiker mee, hoewel hij walgde van zoete bakjes troost.   Vanop zijn stoel aan het venster op de vijfde verdieping keek Maurice toe hoe mensen als mieren kwamen en gingen. Hij kon niet uitmaken wie ziek was en wie gezond, zoals dat ook op de begane grond niet zomaar van iemands gezicht af te lezen is. Hij zette zijn tanden in de zompige homp broodpudding en vroeg zich af of hij het vandaag zou durven. De pioenrozen had hij al, hij moest alleen nog zijn moed en het wisselgeld op zijn dienblad bijeenrapen, naar een willekeurige kamer stappen en met de bloemen in huis vallen.   Hij nam een zuinige slok van zijn koffie en zag het helemaal voor zich. Hij zou ‘GOENDAG’ lachen, zoals hij altijd deed bij om het even welke ontmoeting, en hij zou proberen expliqueren dat hij Maurice heette – Maurice zoals Maeterlinck, niet zoals de man achter Lucky Luke. Zijn slechte oren zouden hem wellicht weer parten spelen maar hij zou zijn best doen om niet te hard te roepen, kwestie van patiënt noch personeel levensbedreigende stuipen op het lijf te jagen. Daarna zou hij het boeket op bed leggen, iets articuleren in de trant van ‘want je bent het waard’ en vertrekken met het gevoel zijn tijd en teveel aan genegenheid goed te hebben besteed.   Buiten begon het te schemeren. Vanop zijn stoel op het vijfde, ergens halverwege hemel en aarde, zag Maurice meer en meer auto’s aan-, af- en achteruitrijden op de parking. Wilde hij werk maken van zijn wilde plannen, dan moest hij nu iets ondernemen. Straks waren de bezoekuren voorbij en had hij nog maar eens een dag verspild in dit klinische zelfbedieningsoord.   Voor de vorm nam hij nog een laatste slok koffie. Koud. Een beetje zoals het gezicht van de vrouw tegenover hem, die niet anders dan geconstipeerd kon zijn. Hij legde zijn handpalmen plat op het tafelblad en duwde zichzelf overeind. Zijn knoken knikten, de broodpudding borrelde luid in zijn onderbuik en in zijn hart schreeuwden teveel en tekort tegen elkaar op.  

a little bit of soap
2 0

Verliefd op Suzanne

  November 1959.   Zaterdagmiddag. Over twee maandjes zal ik acht worden.   Twee grote pannen staan midden op de keukentafel. We zitten met zijn achten te smikkelen van het spek, dat zo-even nog aan het pruttelen was op de Leuvense stoof. Zoals altijd is deze lekkernij vergezeld van verse appelmoes die, nog nadampend, uitgeschept wordt uit een kasserole waarin de stoofappels, pas gekocht op de wekelijkse markt, bereid zijn. We leggen de dikke sneden roggebrood van onze favoriete bakker in het vet en de smurrie druppelt op de toile cirée tussen pan en bord. Wat is ons moeder toch een keukenprinses!   Paul Anka, een jonge Canadese zanger, heeft zopas zijn zoveelste hit te pakken en zijn ‘Put your head on my shoulder’ klinkt op de radio. Tussen twee happen door zing ik mee:“Leg je hoofd op mijn schouder …”“Wat is dat?” zegt Albert, de oudste van mijn aanwezige broers, “sinds wanneer verstaat gij Engels?”Hij weet blijkbaar niet dat ook de Vlaamse Brusselaar Ray Franky de Nederlandstalige versie op vynil heeft opgenomen. Ik hou me voor onnozel - daar heb ik geen moeite mee - en doe alsof ik de Angelsaksische taal al machtig ben.   Na dit koninklijke eten ga ik als naar gewoonte spelen bij mijn vriendjes, de twee gebroers Onraedt. Zij wonen met hun ouders, twee broers en twee zussen twee huizen verderop. Met Hubert en Marcel speel ik het meest. Ik doe dat minder met het buurjongetje aan de andere kant. Die kan bijwijlen zo onuitstaanbaar zijn dat ik hem, zoals afgelopen zomer gebeurd is, in het hospitaal zou willen slaan. Niet dat ik toen in ons speelbos zo hard toesloeg, maar hij viel wat ongelukkig in een kapotte fles met opstaande vlijmscherpe rand en moest bloedend als een rund afgevoerd worden. Het rund. Pech voor hem. Het was zeker een straf van bovenaf voor zijn voortdurende ambetantigheid. Maar ik moest de kerk in het midden houden met Robert, want zijn ouders hadden een televisietoestel en bij ons thuis hadden we dat nog niet en ik ging toch graag op woensdagnamiddag bij hen naar Nonkel Bob kijken. Dus dat in het ziekenhuis kloppen, daar moest ik in het vervolg toch mee oppassen.   Maar ik ga dus spelen bij Hubert en Marcel. De een is net iets ouder, de ander net iets jonger dan ik. Hun jongste zus Christiane is even oud als ik. Soms speel ik doktertje met haar. Af en toe ook met Wies, het andere buurmeisje, dat tussen ons twee in woont. Ze hebben altijd veel last van appendicitis. Zeggen ze. Of soms van pijn aan de binnenzijde van hun dijen. Hun lies bedoelen ze, maar dat woord kenden ze toen nog niet.  Zoals je ziet, altijd last met de vrouwen, zelfs al zijn ze slechts zeven, acht jaar.   Ik ga langs de achterdeur de keuken van huize Onraedt binnen. Niemand te zien. Dus klop ik op de volgende deur en doe deze open. Ik zeg goeiedag tegen alle aanwezigen en baan mij een weg door het rookgordijn tot aan tafel waar Hubert en Marcel aan het kaarten zijn. Pa en ma Onraedt zitten ieder in hun oude clubzetels bij de kachel en ze zijn elk aan hun tweede pakje Groene Michel zonder filter van die dag begonnen. Maar wie maakt daar een punt van in 1959? Koolputter Onraedt zou ziek worden moest hij gezonde lucht inademen.   Op de radio wordt, zoals elke zaterdag tussen halftwee en twee, de top-10 uitgezonden. Nummer 3 is aan de beurt: Fabian zingt ‘Tiger’. “Allez Marc, zing eens mee” vraagt Suzanne, de oudste van de zussen. Aan haar kan ik niets weigeren.Een jaar eerder heb ik mijn familie al versteld zien staan door mijn interpretatie van ‘Buena sera signorina’ na het eetfestijn ter ere van mijn eerste communiefeest. Suzanne had ervan gehoord en daarom vraagt ze mij deze keer voor een privé-optreden. Ik neem mijn zangerspose aan en doe mee:“Like a tiger, ooh, ooh, ooh, like a tigerOoh, ooh, ooh, just to see you smile nearly drives me wildI wanna growl wow”.Ik zing als een rockzanger en brul als een tijger. Het lijkt wel echt zoals ik optreed tussen de tabaksdampen.Ze krijgt er zelfs twee bisnummers bij want de daarop volgende liedjes, plaatsen twee en één op de hitparade, kan ik ook meezingen: ‘Personality’ van Lloyd Price en ‘Marina’ van Rocco Granata moeten er ook aan geloven.Suzanne vindt het fantastisch en mijn speelkameraadjes kijken mij verwonderd aan. Ik begrijp ongeveer wat ik zing en mijn namaak-Engels en Italiaans kunnen er ook mee door. Maar deze gave is niet weggelegd voor Suzanne’s broertjes. Op sommige gebieden, met de nadruk op sommige, ben ik een haantje-de-voorste, en zeker als het muziek betreft en het imiteren van zangers of zangeressen. Ik heb, omwille van mijn sopranostemmetje, voor komende maand zelfs de Mariarol toebedeeld gekregen in het kerstspel op school. Was ik al eerder verliefd op Suzanne of was het sinds die dag, dat ze zoveel belangstelling voor mij toonde? Ik weet het niet zeker. Maar kon dat wel, verliefd zijn? Suzanne was tien jaar ouder dan ik. Een liefde die niet kon zijn. Zeker niet toen haar latere echtgenoot op de proppen kwam. Van toen af aan moest ik mijn liefdespijlen op een ander meisje richten.

Marc M. Aerts
5 0

laat me eruit !

Het gaat allemaal traag, daar is niets meer aan te doen. Met mijn looprekje duw ik mezelf de open geschoven glazen deur door, het restaurant binnen. Met tegenzin. Ik kom hier niet graag. Het ruikt hier naar slecht gewassen sokken en Dettol en het is hier allesbehalve gezellig. Veel te veel licht, veel te koel. Ik kijk nergens naar, kijk niemand aan, wil zo vlug mogelijk aan mijn tafeltje plaats nemen en de smurrie die ze me aanbieden achter mijn vals gebit laten verdwijnen. Dan zijn ze blij, want opaatje deed alweer zijn best en dan mag ik naar mijn kamer terug. Daar wil ik zijn na de middag, dat is het mooiste moment van de dag, maar nu eerst deze kantine door naar mijn tafeltje, naast dat van Jef. Zoals steeds klinkt hier een gedempte chaos van kletterend bestek, klinkende glazen, slokkende kelen, kakelende verpleegsters en hier en daar een scheet of een boer. Mijn tafeltje staat bijna in de hoek tegen de muur en daar is het wat aangenamer toeven dan in het midden van de zaal waar ik nu door moet. Vroeger zat ik midden van die zaal, maar op een middag vroeg ik wat zout om het eten wat smaak te geven en sinds dien hebben ze me verbannen naar een uithoekje. Ik herinner me dat nog goed. Dikke Bea, ik noem haar Bella, die steeds de plak zwaait in het restaurant omdat ze de meeste ervaring heeft met eten, had me gehoord, kwam met grote ogen naast me staan, tikte met haar dikke, vuile worstenvingertjes luid op mijn tafel en riep luid "Zout ? Opaatje wenst zout ? Weet opaatje wel wat zout met gezonde mensen zoal doet ?!". Na dat gekijf werd het stil. Alle oudjes keken mijn richting uit, behalve Helga, die is doof en at rustig smekkend verder, en pas toen ik piepend en ineengekrompen mijn excuses aanbood gaf iedereen terug aandacht aan het smaakloze prakje op hun bord. Sinds dien zit ik dus hier dus, naast Jef. Jef die me steeds tussen 2 gulzige scheppen krijsend begroet met de opbeurende woorden : "Awél, zijt gij hier nog ?" waarbij een deel van zijn soep of zijn puree langs zijn kin op zijn broek belandt. Mijn eten wordt gebracht. Gezien ik een looprekje nodig heb kan ik geen bord of plateau dragen. Heb het al geprobeerd, maar het was geen succes, heb weinig gegeten die middag. Niet dat ik nu veel zal eten, dat doe ik hier in het restaurant nooit. Achteraf, ja, terug in mijn kamer, maar nu moet opaatje de verpleegsters gerust stellen en toch enkele scheppen naar binnen wurmen, dan hebben we flink gegeten, dan zijn we allemaal content en mag ik gaan. Wat op mijn bord ligt is kleurloos, zoals steeds : bijna witte puree, bijna beige kalfsblanket onder een smakeloos bijna doorzichtig sausje versiert met iets wat bijna op gekookte worteltjes lijkt. De soep in gemaakt van mos, althans zo smaakt ze, zo ziet ze eruit en zo warm is ze. Kan je al een beetje begrijpen hoe gelukkig ik hier ben ? Ik, die steeds zo graag kookte, die zo graag in restaurants mijn ogen sloot om alle geuren op te snuiven en die in gedachten netjes voor me te leggen en ervan te genieten alsof ze potloden waren met zulke sterke, warme kleuren dat je er de mooiste, vurigste tekeningen mee kon maken. Ik moet hier weg, de glazen deur door, naar mijn kamertje terug. Eerst nog even wachten op mijn glas water en ondertussen staren naar Greet. Zij is blind en doof en zit kromgebogen met haar handen in haar bord te zoeken naar iets wat nog op eten lijkt. Arm mens. Telkens zij haar bord voor zich op tafel krijgt gesmeten komen anderen de beste stukjes vlees wegprikken en verdwijnt haar dessert. Ze ziet dat niet, ze hoort dat niet. Als ze tastend haar bord heeft gevonden ligt daar alleen nog wat puree en stukgekookte groenten op. Met haar kromme dunne vingers schraapt ze dat dan samen en mikt ze dat tussen haar trillende lippen. Mijn glas is leeg, de vrijheid wenkt. Ik hijs me recht, tjok met mijn rekje richting de deur, richting mijn kamertje. Daar wacht me kleur en smaak, daar zal ik genieten. Luna, de zwarte engel die hier de animatie verzorgt houdt steeds haar middagpauze bij mij. Zij is gemaakt van bruine suiker. Zwarte ogen en een stralende glimlach maakt het plaatje compleet. Dan babbelen we honderduit over reizen en maken onmogelijke plannen om hier samen te ontsnappen.  En dat ze elke dag een kleurrijk, smaakvol fruittaartje voor me meebrengt is de hemel ! Dan leef ik, dan kriebelt het, dan vergeet ik mijn leeftijd, dan droom ik. Luna, even geduld, ik kom ! Ga open deur, ik wil eruit !

Nanek
1 0

Het plan

Ze stak de straat over, keek al naar het terras in de verte, misschien zou ze hem herkennen. Met een greep geheugen in haar hand twijfelde ze aan het beeld: een grijze broek en zwarte pull met rolkraag. Dat had hij toen gedragen, het ondergoed onzichtbaar maar waarschijnlijk wit en van goede kwaliteit. In het glas de rode wijn van het huis. Hij maakte zijn plan bekend, wachtte haar reactie af. Slechts een glimlach gaf ze hem. Ze kon onmogelijk vragen naar het bedrag, dat zou misstaan. Er stond dus een vergoeding tegenover. 'Schrijf je veel?' 'Toch niet', zei ze. 'Gedichten?' Dat had hij onthouden, en nu wilde hij zich herinneren hoeveel jaar er voorbij was. Zij gokte. Een jaar of drie. Vier.  'Minstens vijf', beweerde hij. Maar overtuigd leek hij niet.   Zwarte pull...welke man droeg...er zat een koppel aan een tafeltje en aan drie andere zaten drie mannen. Drie types, verschillende leeftijden. Aan de oudste kon ze voorbij; hij was het zeker niet. Aan de aantrekkelijkste man, vroeg ze, aarzelend: 'Ben jij Jan?' Dat voelde alsof ze een speurhond was, klaar om van bijdschap te kwispelen. De man aan de uiterst linkse stak zijn hand voorzichtig de hoogte in. Hij had gezien dat zij op zoek was. Tussen hen is bevond zich iets génant toen ze naar een ander terras wandelden. Zij keek naar het maatpak en zijn das. 'Je bent veranderd!' 'Dat type kledij droeg ik toen niet', beaamde hij. Een lichtgroene das kreeg geen kans het grijze pak op te vrolijken. Het eerste denkbeeldig kruisje er over; ze mocht tenslotte kritisch zijn. Er moest besteld worden. De ober had de bestelling willen opnemen. De drankenkaart hadden ze niet eens aangeraakt. Het dringende van een weerzien hadden ze alle voorrang verleend, de ander in zich opnemend, wroetend in het falend geheugen. Het zonlicht brak nog niet door in deze tweede ontmoeting. Hij was gehuwd, ook daar was zij van op de hoogte. Verder werd er weinig onthuld van ieders privé, behalve dat er nood was aan affectie en aan reizen. Dat laatste konden ze met de eigen partner waarmaken. 'Hoe heet ze?' Die overbodige vraag had ze niet gesteld. Het bespreken van het plan; daar hadden ze de bus en de trein voor genomen. Hij de trein, hij de reiziger, hij de rijpere, hij de man voor wie het woord 'joepie' bij kleuters hoorde. Zij de bus, zij joepie! 'En heb je in die jaren iemand anders...?' 'Nee, niemand.' Hij keek er bij alsof ze loog, misschien ééntje om bestwil.    Toen haar moeder ooit had uitgelegd dat zulke leugentjes toegestaan zijn, had ze zich afgevraagd hoe zwaar die leugentjes van slechte wil wogen. Omdat ze geen enkel bezwaar had, licht bleef in de ogen,  claustrofobische schuld geen bezit van haar nam. Het kwam er dus op aan te achterhalen met welke blik hij keek. Welk licht, welke zwaarte? Ze kon weer rustig ademen en koos voor de mozarella en tomaat. 'Je hebt in al die jaren niemand...?' Ze schudde met het hoofd, dronk de spa rood in één keer uit. Hij is best een aardige man, dacht ze. Ik kan me niet inbeelden dat ik deze man anders zou benaderen, vaker zou toelaten, hem iets in het oor zou fluisteren of het haar op zijn armen zou voelen, dacht ze. Toen ze aanstalten maakte af te rekenen, zei hij: 'Laat maar, het is geen probleem.' Plots besefte ze dat de omgeving aan haar voorbij was gegaan. De tijd die ze had besteed zou nooit meer tikken. Met enkele blikken naar links en rechts, naar de barman en de diensters, het rode vasttapijt, de glazen bol vol paaseitjes, nam ze afscheid van een lelijk interieur. Ze stak haar hand uit.  Ze gaven nog een kus.  

Ingrid Strobbe
0 0

Chevallier de la Barre

De rossige jonge man met uitstaande oren die met gebogen schouders voor de politie commissaris zit, prutst verveeld aan een korst witte verf op zijn duim. Vanonder zijn borstelige wenkbrauwen staart hij onverschillig naar het raam. Op de vensterbank tracht een dikke duif met opgeblazen borst en uitwaaierende staart indruk te maken op een vrouwelijke soortgenoot. De jongen glimlacht. Zijn ogen volgen de vogel die zich koerend en fladderend een plaatsje zoekt op de hoogste tak van de bloeiende kastanjeboom, zo dicht mogelijk bij het vrouwtje dat hem geen enkele blik waardig gunt. “Naam?” herhaalt LeBoeuf. De jongen draait zijn hoofd weg van het liefdespaartje en kijkt de commissaris nietszeggend aan. “Jongeman, ik raad u aan om mee te werken. Het is warm vandaag en als u graag snel weer buiten wil staan dan wil ik nu een antwoord. Naam ..?” “La Barre,.. Gilles.” “Leeftijd?” “Twintig.” Agent Dufour noteert de gegevens van de ondervraagde in het dossier. Voorlopig is er geen enkele aanwijzing dat Gilles iets met de moord op Ginette te maken heeft. Hij bezit een rode wagen. Dat is alles. LeBoeuf gaat meteen in de aanval. “U zegt in uw verklaring dat u Ginette niet kent. Klopt dat?” “Ja ik ken haar niet.” “En is het uw gewoonte om op bezoek te gaan bij vrouwen die u niet kent?” De jongeman bijt op zijn lip. Zijn kortgeknipte haar hangt half voor zijn ogen, alsof hij zelf de schaar gehanteerd heeft met dit rafelige effect als gevolg. Met zijn linkerhand trekt hij de kraag van zijn afgeleefd jeansvestje recht. “U zegt deze vrouw niet te kennen en toch zijn er getuigen die verklaren dat ze uw wagen op haar oprit zagen staan. Vreemd niet?” Dufour trekt onwillekeurig een wenkbrauw op. Hij weet dat zijn baas geen enkel bewijs heeft maar de aanpak lijkt effect te hebben. Gilles La Barre schuift onwennig op zijn stoel. Zijn ogen zoeken de dappere duif die nog steeds luid koerend moeite doet om de aandacht van zijn uitverkorene te trekken. “Het is niet wat u denkt. Ik heb haar niet vermoord.” “U geeft dus toe dat u mevrouw Ginette kent..” “Ja. Maar niet echt.” “U kent haar of u kent haar niet, zo moeilijk kan dat toch niet zijn?” “Ik heb haar maar één keer gezien.” “Ok. Dus u kent haar niet maar u hebt haar wel gezien. Wanneer was dat dan?” “Een paar weken geleden. Rond moederdag.” “En waar hebt u haar gezien?” “Ik was onderweg naar huis. Ik woon in Grandville een paar kilometer verderop. Ze stond in panne met haar brommer en ik heb haar geholpen.” “En hoe hebt u dat gedaan? Kent u iets van bromfietsen?” “Nee. Niet veel. Het was warm en ik zag dat ze moeite had om de kapotte brommer de heuvel op te duwen. Toen ben ik gestopt en ik heb haar een lift naar huis aangeboden.” “En de bromfiets?” “Die hebben we in de berm onder de struiken laten liggen. Ze zou die nadien met haar buurman komen ophalen.” LeBoeuf kijkt over de tafel naar Dufour. Een kleine hoofdknik is genoeg. Terwijl Dufour de kamer verlaat om het verhaal te controleren gaat LeBoeuf verder met zijn ondervraging. De zon straalt nu ongenadig fel door het openstaande raam maar LeBoeuf stopt niet. Hij ijsbeert over en weer voor de neus van zijn slachtoffer. “Laat ons nog eens je verhaal overlopen. Je ontmoet Ginette onderweg op de heuvel. Je neemt haar mee in je auto en je brengt haar thuis. En wat heb je daarna gedaan.” “Ze vroeg mij om binnen te komen. Ze wilde me wat te drinken aanbieden. Het was snikheet.” Gilles likt met zijn tong over zijn droge lippen. “Krijg ik een glaasje water, alsjeblief?” “Straks. Eerst nog een paar vragen beantwoorden.” Gilles hangt onderuit gezakt op de harde stoel. Zijn broek plakt aan zijn billen, een zweetdruppel glijdt tergend langzaam over zijn schouderblad langs zijn ruggengraat naar beneden. Zijn antwoorden worden waziger als LeBoeuf telkens opnieuw in dwingend tempo dezelfde vragen herhaalt. ‘Waar, wanneer, hoe..’ Gilles herinnert zich de ontmoeting met Ginette nog levendig. Elk klein detail.   Het was die dag ook snikheet. Ze had hem binnen gevraagd. Ze vroeg hem in de keuken te wachten terwijl ze even naar de badkamer ging. De hond had van onder de keukentafel naar hem gegromd maar dat maakte hem niet bang. Hij hield van honden. Ze was terug gekomen in een korte short en een wit topje. Ze had mooie benen voor haar leeftijd. Lange, tot bijna aan haar nek. Ze was lief. Ze wilde hem betalen voor de lift maar daar had hij niets van willen weten. Ze hield van bloemen én van schilderen. Hij had haar kunstwerk mogen bekijken. Ze had er eentje in de living hangen, een eerste eigen werk met felle kleuren. Ze had het voor hem van de muur gehaald zodat hij het beter kon bekijken. Hij had de lijnen van haar heupen gevolgd en genoten van het zicht op haar billen maar dat kon hij hier niet vertellen. Ook niet hoe hij ’s avonds in bed genoten had van zichzelf, met haar in gedachten. Hij had sindsdien elke nacht van haar gedroomd, in steeds andere omstandigheden. Ze nam hem mee in haar wereld gevuld met kleuren en genot. Werkelijkheid en fantasie waren niet meer te scheiden. fragment uit manuscript 2015        

Annick G
4 0

De Kandidaat

’En, wat vinden we van ’m?’ ’Geweldig,’ zei Emmy. Voor haar beurt. Er werd dan ook niet op haar uitroep gereageerd. Ik was eerst, dan kwam Theo en daarna pas Emmy. ’Alex, wat vind jij?’ Jacqueline keek me aan met een blik die me weinig keuze liet: ik kon bijna niet anders dan haar enthousiasme bevestigen. Ik kuchte. ’Ik weet het niet,’ zei ik aarzelend. ’Je wéét het niet? Wat weet je niet?’ Jeroen H. beschikte over de juiste papieren, de juiste ervaring en de indruk die hij zojuist had achtergelaten was ronduit sympathiek, kundig en gedreven. Een lot uit de loterij. En dan durfde ik nog ’ik weet het niet’ te mompelen. ’Wat bevalt je niet aan hem? Zijn haardracht?’ Jacqueline lachte schamper. Waarschijnlijk dacht ze dat het zoiets primitiefs was: ik was jaloers op zijn volle bos, terwijl ik mijn schaarse hoofdhaar noodgedwongen millimeterde. Of was ik misschien bang dat Jeroen H. té goed was, vroeg ze vals. Dacht ik dat hij een bedreiging vormde, dat hij me over een jaar of twee voorbij zou streven? ’Onzin,’ zei ik, maar het klonk zwak. ’Het is een gevoel.’ ’Een gevoel.’ Ze keek me afkeurend aan en draaide haar hoofd naar Theo. ’Wat vind jij?’ ’Doen, zou ik zeggen.’ Doen, zou ik zeggen, imiteerde ik het gefleem van Theo in mijn hoofd, maar blijkbaar had ik mijn gezichtsuitdrukking niet in bedwang. ’Ja, nou moet je ophouden, Alex,’ zei Jacqueline scherp. ’Je komt nú met de reden van je twijfel op de proppen, of je houdt je mond dicht.’ Het had weinig gescheeld, of ze had ’bek’ gezegd, maar wist zich nog te beheersen. We gaan hier respectvol met elkaar om. ’Ik vond hem ook erg goed overkomen,’ zei Emmy. Opnieuw te vroeg, maar dit keer werd haar positieve reactie aangegrepen om van mijn getreuzel af te zijn. ’Goed, dan denk ik -’ ’Hij had S5,’ zei ik. ’Sorry?’ ’Jeroen H. Hij had S5.’ Alle blikken waren nu op mij gericht. Ik zag ze denken: S5, S5, S5? ’Waar heb je het in hemelsnaam over?’ ’Of eigenlijk, S3,’ zei ik, maar ik zag direct dat die correctie het begrip niet vergrootte. ’S3…’ Jacqueline keek naar haar Ipad en veegde door Jeroen H.’s sollicitatiebrief. ’Het staat niet in zijn brief,’ zei ik. ’Logisch. Als ik in zijn schoenen zou staan, zou ik dat ook niet doen. Niemand zou dat doen. Het is nou niet bepaald een aanbeveling.’ ’Kun je ons misschien even uitleggen waar je het over hebt? What the fuck is S5, of nee, S3?’ ’Als je in militaire dienst moest, werd je geestelijk en lichamelijk gekeurd. Je kreeg een onderzoek. In het leger kreeg alles een afkorting. LiBoZa stond voor linker bovenzak, een WaWa was een waterwagen… Het onderzoek kreeg de afkorting ABOHZIS: algemeen, bovenste ledematen, onderste ledematen, horen, zien, intelligentie. De S stond voor stabiliteit.’ ’Waar Jeroen H. een 5 voor scoorde, of een 3.’ Ik knikte. ’En dat is niet goed? Een 5, of een 3?’ Ik schudde mijn hoofd. Jacqueline keek me taxerend aan. ’Jij had zeker een negen of een tien?’ Het klonk niet alsof ze me complimenteerde. ’Een één. Ik had voor alles een één.’ Emmy schoot in de lach die ik met een kille blik smoorde. ’Zeven keer een één is de beste score die je kunt halen. Ik was maximaal inzetbaar, op alle fronten.’ ’Op alle fronten,’ mompelde Jacqueline. ’En hoe weet je dat, van Jeroen H.?’ ’Ik heb met hem in militaire dienst gezeten. Beter gezegd: ik zat in militaire dienst en Jeroen was er binnen twee weken weer uit. Hij heeft zich af laten keuren. Vroeger heette dat S5: voorgoed ongeschikt voor het leger. Toen ik in dienst moest, was dat begrip inmiddels veranderd in S3, verminderd plaatsbaar, maar iedereen noemde het nog steeds S5, vanwege de dramatische lading, denk ik.’ Ik keek om me heen, maar niemand scheen die dramatische lading ook maar enigszins te voelen. ’Toen ik H.’s brief las, dacht ik: hé, die naam ken ik. In een plakboek uit die tijd vond ik een lijst met namen die werd opgesteld toen we de eerste twee weken op introductie-bivak moesten. Jeroen H. staat er ook op.’ Ik trok de lijst uit mijn map en schoof hem over tafel naar Jacqueline. Ik had er beter een kopietje van kunnen maken, zag ik nu, want het ding zag er nogal smoezelig uit. Dat kon ook niet anders. De lijst was dertig jaar oud. ’Hoe weet je dat het dezelfde Jeroen H. is?’ Jacqueline raakte het papier niet eens aan. ’Het is nou niet bepaald een veelvoorkomende achternaam,’ zei ik. ’Bovendien is zijn geboortedatum identiek aan de eerste zes cijfers van zijn dienstnummer.’ ’Goed, hij heeft zich af laten keuren. S3. Weet je wat mijn dochter nu zou zeggen, Alex?’ Jacqueline keek theatraal om zich heen. ’Lekker belangrijk.’ Theo maakt een hinnikend geluid. ’Er waren jongens die alles uit de kast haalden om afgekeurd te worden,’ ging ik dapper verder. ’Ze fingeerden chronische rugpijn of slechte ogen, anderen simuleerden psychische klachten. Er waren er bij die hun moeder meenamen naar de keuring, of een schaap.’ ’Een schaap?’ Emmy maakte onbedoeld een bijpassend geluid. ’Jongens die tot zoiets in staat zijn, zullen later… Ze zijn instabiel, niet te vertrouwen, manipulatief.’ ’Maar Jeroen H. werd blijkbaar toch goedgekeurd, anders was hij toch nooit met jou op introductie-bivak gestuurd?’ Theo bloosde om zijn eigen scherpzinnigheid. ’Dat klopt, maar tijdens die eerste twee weken probeerde hij alsnog afgekeurd te worden.’ ’En met succes?’ ’Ja.’ ’Nou, dat had hij dan mooi voor elkaar,’ zei Theo. ’Dat scheelde toch weer twaalf maanden zinloos oorlogje spelen.’ ’Zestien. We werden opgeleid tot dienstplichtig officier.’ ’Officier, toe maar,’ zei Jacqueline. ’Ik wist niet dat jij ooit een hoge pief in het leger was.’ ’Tweede luitenant.’ ’Is dat hoog? Ik heb echt geen idee. Vroeger, als kind, speelde ik wel eens Stratego met mijn broers, maar de volgorde van die poppetjes ben ik even kwijt.’ ’O ja, Stratego,’ grinnikte Theo. ’Jeugdsentiment. Je had toch ook van die bommen? Die kon je alleen opruimen met speciale mannetjes… Kom, hoe heten ze nou?’ Ze keken alle drie nadenkend voor zich uit, Emmy voor de vorm, want zij wist niet eens wat Stratego was. ’Mineurs,’ zei ik. ’Ja, mineurs! En er was toch ook een spion?’ Ze glimlachten nostalgisch. ’Dus jij werd tweede luitenant en Jeroen H. werd niets. Die kreeg 3S,’ zei Jacqueline, de draad weer oppakkend. Ze keken me alle drie spottend aan. ’S3,’ corrigeerde ik kregel, ’maar daar gaat het niet om. Het gaat om de manier waarop.’ ’De manier waarop?’ ’Waarop hij zich liet afkeuren.’ ’Nam hij een schaap mee?’ opperde Emmy. ’Nee, hij ging in de latrine liggen slapen,’ zei ik stuurs. Het bleef een hele tijd stil. Ik nam aan dat ze die situatie nu visualiseerde: Jeroen H. in zijn slaapzak in die latrine. Ik deed dat in ieder geval wel. Na al die jaren trok er nog steeds een rilling over mijn rug. ’Wat is een latrine?’ vroeg Emmy. ’Een latrine is een wc,’ zei ik, ’een openbaar toilet. Stel je er niet te veel bij voor. Tijdens dat introductie-bivak was het niet meer dan een ronde kuil in het bos met een stok in het midden. Vanwege de privacy stond er een scherm omheen, een groen zeil. Jeroen H. vertrok elke nacht met zijn slaapzak naar de latrine om daar te slapen.’ Emmy knikte ernstig. ’Waar was die stok voor?’ vroeg ze. ’Om te richten. Mannen hebben graag iets om op te richten. Vergelijk het maar met zo’n vlieg in een urinoir.’ Ik zag aan haar gezicht dat ze geen benul had waar ik het over had. ’Maar goed, dan praten we over… hoelang geleden? Vijfentwintig jaar?’ vroeg Jacqueline. ’Dertig. Maar dat is niet relevant. Wat ik wil zeggen is dat hij niet goed bij z’n hoofd is. Hij heeft verdorie S5!’ ’Maar hij spéélde het toch? Hij was toch niet écht gek?’ Theo keek me aan alsof hij een kind omzichtig probeerde uit te leggen dat sinterklaas niet bestaat. ’Ja, hij deed het gewoon om niet in het leger te hoeven,’ zei Emmy dommig. ’Ik begrijp zoiets wel, hoor.’ ’Ach, stomme trut! Je weet niet waar je het over hebt! Een minuut geleden wist je niet eens wat een latrine was en nu vind je het wel begrijpelijk.’ ’Alex, ik denk niet -’ begon Theo met zijn zalvende stem. ’Hou jij je er alsjeblieft buiten? Wist je dat types als jij tot halverwege de jaren zeventig sowieso S5 kregen?’ Theo trok wit weg en keek geschokt naar Jacqueline. ’Wat bedoel je daarmee, Alex?’ vroeg ze scherp. ’Met types als jij?’ ’Ja, wat bedoel je daarmee, Alex?’ stamelde Theo. ’Dat zou ik echt heel graag willen weten.’ Ik griste het papier van tafel, schoof het terug in mijn map en stond vloekend op. Waarom zagen ze het niet? Waarom roken ze niet die afgrijselijke stank? Bij de deur draaide ik me om. ’Hij ging met zijn haar in de pis liggen. Zo liep hij de hele dag rond, met zijn gore, stinkende plakhaar. Alleen maar om afgekeurd te worden.’ Jacqueline keek me meewarig aan. Zie je wel, zag ik haar denken, dus tóch vanwege z’n haar.

Grand Foulard
2 0

Verloren - hoofdstuk 1

Hoofdstuk 1 - Dromen en vluchten nu Een zachte wind blies over het groene weiland waar een jonge vrouw en haar dochter aan het spelen waren. Het gras stond hoog en op sommige plekken piepten kleine madeliefjes uit de grond. De bruinharige peuter had een kroontje van de bloemetjes in haar haren en haar kleine handje schoot de hele tijd naar haar hoofd om te voelen of het nog steeds op haar lange haren hing. Een kleine lach sierde de lippen van de vrouw die toekeek hoe haar lieveling in het rond draaide. De handen van de vrouw hielden vol liefkozing de handjes van het meisje vast. Telkens als de vrouw haar optilde en hoog in de lucht zwierde, gierde het meisje het uit van het lachen. De glimlach van de jonge vrouw werd telkens groter en groter bij het zien van het lachende meisje. Na een tijdje ging het meisje moe op de grond zitten en staarde naar de lichtblauwe lucht boven zich, alsof er niets aan de hand was. Alsof niemand hen stond te bekijken. Niet veel verder van het tafereel stond ik te kijken, vanaf het donkere gedeelte aan de bosrand. Ik voelde hoe mijn lippen in een grijns gleden en hoe warmte zich door mijn lichaam verspreide. De liefde die de jonge vrouw aan haar dochter gaf, straalde uit haar ogen. Ik keek toe hoe de moeder van het meisje naast haar ging zitten en mee naar de lucht tuurde. Een steek van jaloezie gleed als een mes door mijn hart heen toen ik hen zo samen zag. Boven mijn hoofd lieten blaadjes zich als stofdeeltjes door de lucht heen zweven om daarna met zachte plofjes op de bosgrond te vallen. Zelfs de zachte neerdaling van de gekleurde bladeren liet me koud terwijl ik met een gebroken hart naar de jonge vrouw keek. Even later keek ik weg van het paar en tuurde de hemel in. Ik had het in eerste instantie niet doorgehad maar de bries die weer over het weiland had neergedaald maakte mijn wangen koud. Toen besefte ik het, dat ik aan het huilen was. Geluidloze tranen rolden als stroompjes over mijn wangen heen en maakten donkere vlekken op de witte stof waarin ik gehuld was. Ondanks dat het herfst was, stond ik in een zomerjapon op mijn blote voeten in het bos. Mijn donkere haren lagen onbewogen op mijn schouders hoewel er nog steeds een briesje waaide. Een zachte stem onderbrak mijn gestaar naar de hemel en met ogen vol kwetsbaarheid keek ik naar de persoon waarvan de stem afkomstig was. Het kleine meisje keek met grote ogen gevuld met nieuwsgierigheid naar mijn verschijning. Geschrokken zette ik een stapje naar achteren en verdween zo snel mogelijk achter een boom. “Je moet niet voor me weg rennen,” haar stem was nog zachter dan de wind. Ik knikte, nog steeds geschrokken en met wilde ogen, naar het meisje. Ondanks dat ik wat wilde zeggen, bleven de woorden in mijn keel zitten. Zonder angst zette het kindje een stapje naar voren en stak haar bleke hand uit. “Wil jij met mij spelen?” Ik keek in de blauwgroene ogen van het meisje en schudde zachtjes mijn hoofd. Teleurgesteld liet het meisje haar handje zakken en met haar grote kijkers wierp ze me een smekende blik toe. Een blik die ik maar al te goed kende. Nerveus beet ik op mijn onderste lip, een vervelende gewoonte als ik zenuwachtig was. “Lieverd? Wat doe je hier?” De stem van de vrouw liet me nog harder schrikken en als een schuw dier probeerde ik me geheel te verschuilen achter de boom. Het jonge meisje draaide zich om naar haar moeder en even dacht ik dat ze mijn schuilplaats ging verklappen, maar verassend genoeg deed ze dat niet. Ze nam de hand van de oudere vrouw vast en schonk haar een glimlach. “Lieverd, je weet dat je niet in het bos mag,” de vrouw wierp een blik naar de boom waar ik me achter verschool. Daarna verplaatste ze deze verder het bos in. “Het is gevaarlijk daar. Dat weet je.” Haar stem werd zachter en ze wreef bezorgd over de donkere haren van haar dochter. Het meisje knikte gehoorzaam en liep weg van de bosrand, met haar moeder voor zich. Maar voor ze de bosrand bereikte, draaide ze zich nog één keer om en schonk me een laatste glimlach toe. “Wacht…” Mijn hese stem was slechts een fluistering maar toch stopte het kindje en diende mij een verwachtingsvolle blik toe. Ik kwam verlegen vanachter de boom vandaan en begaf me met voorzichtige stapjes dichter naar het meisje toe. De oudere vrouw wende zich argwanend om en keek recht in mijn ogen. Mijn geopende mond klapte dicht maar toen zag ik in dat ze niet naar mij keek maar door mij heenkeek. De tranen waren in enkele seconden weer in de hoeken van mijn ogen en dreigden voor een tweede keer over mijn wangen te vallen. Met mijn laatste kracht hield ik mijn gebroken hart vast, in de hoop dat ze niet verder ging breken, en zette een allerlaatste pas naar voren. Zodat ik recht voor de vrouw stond. “Lieverd, ik denk dat het tijd wordt om naar huis te gaan.” “Maar mama…” “Liefje, er valt hier niets te zien…” Het viel me op dat de jonge vrouw haar rechterhand om een hanger rond haar nek heen sloot en prevelend naar het gebied achter mij keek. Ze nam haar dochter in haar armen en na een laatste wantrouwige blik, draaide ze zich om en liep het weiland op. “Mam…” Met mijn hand uitgestrekt liet ik de fluistering over mijn lippen heen dwalen voor het beeld van het paar in barsten uiteen spatte en mijn hart gebroken achterliet, helemaal alleen in het duister met enkel een hanger rond mijn nek die ik vurig in mijn hand drukte.   Badend in het zweet en met een wilde blik in mijn ogen schoot ik wakker. Mijn haren kleefden als natte bladeren aan mijn voorhoofd terwijl koude tranen over mijn wangen rolden. Ruw wreef ik mijn wangen droog, draaide me om en duwde mijn gezicht in het hoofdkussen. Het donkere van mijn gesloten ogen maakte me rustig en ik slaakte een gefrustreerde zucht. Ik had nog nooit in mijn hele leven zo’n levendige droom gehad, zeker niet als het om een herinnering aan mijn moeder ging. Heftig nahijgend van de droom woelde ik om even later rechtop in bed te gaan zitten. Minutenlang staarde ik mijn schemerende kamer in. Mijn gedachten kronkelden ongeloofwaardig door elkaar toen plotseling de deur openvloog en even later voelde ik hoe mijn matras een beetje inzakte en warme armen om me heen gleden die me nog geen seconde later loslieten. “Verona, waaro- waarom gilde je?” De zachte stem van mijn vader deed me ineenkrimpen en mijn ogen draaiden kort zijn kant op, zodat ik nog net zijn bezorgde blik te zien kreeg. Ik had niet eens doorgehad dat ik had geschreeuwd. “Concentreer je op je ademhaling.” Ik deed wat er van me gevraagd werd en probeerde mijn ademen onder controle te houden door telkens tot vijf te tellen. Mijn moeder had het me vroeger geleerd om mijn paniekaanvallen te minderen. Niet dat het altijd hielp, maar deze keer deed de herinnering aan mijn moeder me meer pijn dan ooit. De droom had zo realistisch geleken, alsof ik er echt deel van had uitgemaakt. Na een tijdje had ik mijn ademhaling onder controle en durfde ik mijn vader aan te kijken die ondertussen weer opgestaan was. “Ben i-ik ooit met mam naar een weiland geweest?” Aan zijn gezichtsuitdrukking te zien, wel, maar hij zei niets en sloeg zijn ogen neer. Zoals hij wel vaker deed sinds moeder verdwenen was. Het deed me pijn dat de trotse man die hij ooit geweest was, verdwenen was. Net als mijn moeder. Ik keek hem nog steeds aan, langer dan ik normaal gezien deed. “Pap?” Hij zuchtte diep voor hij zijn handen in de zakken van zijn pyjamabroek schoof: “Ja, een enkele keer. Maar dat zou je je niet kunnen herinneren. Je was vier jaar oud…” Ik slikte de opkomende woordenwaterval weg en knikte. “Waarom vraag je me dat?” “Ik euh, ik dro- ik vroeg me het af.” Zonder verder acht te slaan op mij, keerde zijn bezorgde blik om naar de afstandelijkere versie die ik minder graag had maar waar ik wel beter tegen kon praten. Hij zuchtte, in zichzelf gekeerd, en draaide zich om en liep door mijn slaapkamerdeur heen. Deze liet hij op een kier staan, dat deed hij wel vaker als hij in zichzelf was. Het antwoord van mijn vader stond me niet aan, maar vooral om de echtheid van de droom maakte ik me zorgen. Twijfelend sloeg ik de dekens van me af en trippelde naar de kleerkast. Mijn opkomende tranen inslikkend, greep mijn hand als een automatisme naar de hanger om mijn hals en toen ik de koele steen in mijn hand voelde, daalde er een gerustgesteld gevoel als een deken over me heen. Ik opende de kastdeur en tuurde in de spiegel die aan de wand hing. De hanger was gemaakt van een speciaal soort edelsteen dat mijn moeder altijd al had gefascineerd, de Apachetraansteen. Het had een donkerbruine bijna zwarte kleur die volgens mijn moeder, en vele experts, negatieve energie absorbeerde en droefheid verlichtte. Ik had er nooit met een volledige zekerheid achter gestaan, mij hielp het in ieder geval niet. Maar het was één van de enige erfstukken die ik had gekregen na de tragische verdwijning van mijn moeder. Mijn ogen gleden van mijn hanger naar mijn slanke nek om daarna naar mijn bleke gezicht te glijden om te eindigen bij mijn blauwgroene ogen. Het was een raar contrast, mijn donkere haar en de opvallende ogen. Ook mijn bleke huid deed er niet veel beter op aangezien het mijn ogen nog harder de aandacht liet trekken. Ik zuchtte terwijl mijn aandacht zich verplaatste naar de hoop kledij die zich in mijn kast had opgehoopt tot een hoogte die je kon vergelijken met die van de Mount Everest. Dat deed me eraan denken dat ik dringend de was zou moeten doen voor ik huisarrest kreeg of een andere onnuttige straf die mijn leven hier in Temple nog veel erger zou maken. Na enkele minuten getwijfeld te hebben over het ruitenrokje of de zwarte gescheurde jeans, en gekozen te hebben voor de jeans in combinatie met mijn zwarte hoodie, liep ik de trap af richting de keuken. In de gang die de hal, de keuken en de living verbond, zag je na al die jaren nog steeds de verkleurde vlekken van fotokaders op het behang die mijn stiefmoeder, wat haatte ik dat woord, had weggehaald enkele maanden nadat ze was getrouwd met mijn vader. Zij had ze weggegooid, in de hoop ze nooit meer te hoeven zien maar ik hield nog steeds van mijn moeder en de gedachte zonder haar foto’s in het huis deed pijn. Dus diezelfde dag nog ben ik elke fotokader uit de container gaan halen om ze in een doos te steken die, tot de dag van vandaag, nog steeds veilig onder mijn bed stond. Nog voor ik de deurklink had aangeraakt, hoorde ik mijn naam vallen, doordrenkt onder het sarcasme van mijn stiefzus die mij niet kon uitstaan, en noem het toeval of niet maar ik kon haar ook niet uitstaan. En ving ik net het einde van het gesprek op. “…aait om Verona! Ze hoort hier niet thuis mam, maar daar!” “Lieverd, we weten dat je bezorgd om haar bent. Maak je geen zorgen, straks zal ze de zorgen krijgen die ze nodig heeft.” Mijn mond viel open terwijl ik een diepe zucht hoorde die vermoedelijk uit de mond van mijn stiefmoeder rolde. Ik had nooit iets ergs gedaan waardoor ze op deze manier over mij zouden moeten praten. Mijn hoofd tolde en draaide overuren terwijl ik nog steeds stomverbaasd de deur aankeek. Nog geen seconde later keek ik in de woedende blauwe ogen van een meisje, iets ouder dan ik. “Ga aan de kant. En sluit je mond.” Met mijn ogen vol onbegrip staarde ik haar na nadat ze de trap was opgerend en met een luide klap haar kamerdeur had dichtgegooid. Daarna durfde ik amper de keuken weer in te kijken. “Essie liefje! Reageer zo niet overhaast!” Voor ik ook maar één voet in de kamer had gezet, duwde een mollig persoon me omver om haar dochter achterna te gaan zonder mij ook maar een blik waardig te gunnen. Voor Isabel, mijn stiefmoeder, was ik onzichtbaar, zelfs nog minder dan de lucht om haar heen. Om mijn woede te bedaren, balde ik mijn vuisten en haalde enkele keren diep adem voordat ik de keuken instapte. Aan de andere kant van de ronde ontbijttafel zat mijn vader met een kop koffie en de krant in zijn handen. Alsof hij het voorval van nog geen minuut geleden niet had bijgewoond. Ik slikte zenuwachtig terwijl ik de deur zachtjes achter me sloot om te voorkomen dat hij gestoord werd, maar ik hoorde hem de krant dichtvouwen en voelde hoe zijn zachte bruine ogen me aanstaarden. Voor het eerst in tijden zag ik in zijn ogen een glimp van triestheid die er al jarenlang niet meer was geweest. “Ga zitten Rona.” Mijn ogen schoten open wanneer ik mijn koosnaampje hoorde dat enkel mijn moeder gebruikte, toen ze nog bij ons was. Ik had in lange tijd die naam niet meer gehoord en de herinnering van de droom zat nog vers in mijn geheugen. Na enkele seconden ging ik in de stoel naast hem zitten en vouwde mijn handen in elkaar. Het bleef enige minuten stil tot hij zijn leesbril afzette en mijn hand vastnam. Mijn emoties vlogen op en ik voelde hoe dikke tranen zich in mijn ooghoeken opwelden. Ik voelde dat er iets was en niet op een positieve manier maar eentje die je naar je borst deed grijpen en je in ademnood liet zitten. “Wat is er aan de hand pap?” Hij schudde zijn hoofd en keek schuldbewust naar beneden. “Nee.” Toen keek hij op, “Wat zeg je lieverd?” “Dat gebaar, stop daarmee,” ik slikte toen ik mijn vaders gezicht zag, “Het spijt me pap maar vertel me gewoon wat er is.” Zijn adamsappel bewoog nerveus omhoog en even zei hij niets maar ik zag voor dat hij zijn mond opendeed dat het hem pijn deed om dit te vertellen, wat het ook was. Ik slikte de tranen dieper weg en probeerde zo neutraal mogelijk te kijken. Daarna overhandigde hij me een enveloppe. Mijn wenkbrauwen zonken naar beneden en met onbegrepen blik staarde ik hem aan. “Wat is dit?” “Open hem maar.” De druk in mijn borst nam toe toen ik met trillende handen een stuk papier van de enveloppe scheurde. Met een zachte plof, viel er een dik document op de het houten tafelblad neer en terwijl er enkele seconden verstreken durfde ik het niet aan te raken, bang voor wat het ging zijn. “Verona… Lees het, lieverd.” Mijn bleke hand raakte het papier aan en trillend probeerde ik het open te vouwen. Mijn ogen gleden over het officiële gebruik van mijn volledige naam naar beneden. Vaag hoorde ik mijn vader zich verontschuldigen en voelde ik een arm over me heenslaan maar de wereld rond mij heen verdween en het enige waar ik aan kon denken waren de woorden die op het papier stonden. Ik besefte enkele seconden later dat ik aan het wenen was maar niet uit verdriet maar uit woede. Als een gebeten hond vloog ik op en voor ik alles en wel besefte kletste de stoel op de grond. Met een giftige blik keek ik mijn vader aan alvorens ik de papieren in zijn gezicht smeet. “Hoe… Hoe durf je mij dit aan te doen?” Ik beefde onder zijn aanraking. “Hoe durf je!? I-“ Zijn aanraking brandde en ik kon niet in zijn ogen kijken, zijn ogen die zo vertrouwd voor me waren. Ogen van een wolf onder een lammetjesvel. “Hoe durf je… Hoe durf je jezelf een vader te noemen?” Ik zag hoe hard de woorden hem kwetsten, hoe mijn woorden in zijn ziel sneden als glasscherven maar dat liet me koud. Wat hij me had aangedaan deed pijn en liet mijn hart bloeden. “Het is voor je eige-“ “Hoe durf je? Me naar een gekkenhuis sturen? Wat heb ik je ooit misdaan?” Die woorden uitspugend rende ik de keuken uit en probeerde zoveel mogelijk lawaai te maken. Toen ik de trap op rende, voelde ik de vijandigheid van Estelle en Isabel maar voor ze ook maar één woord hadden gezegd, opende ik mijn mond voor de eerste keer in heel de zeven jaar dat ik bij hen had gewoond. “Hou je bek! Ik moet jullie lullig antwoord niet horen dus hou verdomme je bek!” Estelle nam mijn arm vast en hief haar hand om mij te slaan maar ik was sneller en sloeg haar in het gezicht. Haar ogen keken geschokt mijn kant uit en ik hoorde Isabel een verontwaardigd gilletje slaan. In normale omstandigheden zou ik nu smekend op de grond zitten bedelen om vergiffenis maar deze keer liet alles wat er gebeurde me koud. Ik voelde me voor het eerst voldaan en de moed die ik amper in me had gloeide hevig op. Voor ze konden reageren, was ik mijn kamer al in gespurt en had ik de deur op slot gedraaid. Er was geen enkele mogelijkheid dat ze naar binnen konden komen. Maar de adrenaline die even vurig was opgelaaid, viel als een harde baksteen weer neer en alvorens ik het besefte knikten mijn knieën van spanning. De woede die al jarenlang in me verborgen zat laaide als een vuurtje weer op en als een razende gek greep ik een sporttas uit een andere kast. Ik hoorde hoe mijn vader boos op de deur begon te bonken en de krijsende verwijten van Estelle afwisselend met die van Isabel. Desalniettemin begon ik lukraak kleren uit de kleerkast te trekken en in de zak te proppen. Ook stak ik enkele herinneringen aan het vroegere leven met mijn moeder erbij, een paar foto’s en enige spullen die ik nodig zou moeten hebben. Daarna nam ik de autosleutels van de auto die mijn vader voor mijn zeventiende verjaardag had gegeven en opende het raam. Na al die jaren was ik blij dat ik uiteindelijk niet de zolderkamer had gekregen. Ik sloeg de zak over mijn schouders, zwierde mijn been over de vensterbank en net voor ik klaar was om te springen, hoorde ik de scharnieren van mijn deur openknallen. Zonder nog achteruit te kijken zette ik me af en sprong vanuit de eerste verdieping op het donkergroene gras. Op weg naar mijn uiteindelijke vrijheid.

Yenna
0 0

Geheugenverlies - Een verhaal in vijfhonderd woorden.

Ik kom bij bewustzijn in de badkamer liggend in de douche. Opstaan lukt me niet, de stroom van water die naar beneden giet houdt mijn lichaam aan de grond genageld. Moeizaam breng ik een arm naar de doucheknop, vouw mijn hand eromheen en draai de kraan dicht. Ik glij uit over kotsresten terwijl ik probeer de douche uit te kruipen. Ik werk mezelf een weg uit het braaksel omhoog naar de wastafel. Ik spoel mijn gezicht met koud water en veeg de condens van de spiegel. Ik heb bloeddoorlopen ogen en ben lijkbleek. Om me heen liggen mijn met kots doordrenkte kleren. Er flitsen nachtmerrieachtige beelden door mijn hoofd. In mijn poging mezelf te kalmeren gooi ik nog wat water in mijn gezicht. De beelden wisselen elkaar in hoog tempo af. Alsof ik getuige ben van een leven dat geen chronologische volgorde kent. Is het mijn leven? Mijn hoofd duizelt, ik weet mijn eigen naam niet eens! Is dit überhaupt wel mijn huis? Het zweet breekt me uit. Strompelend loop ik de badkamer uit naar beneden. Elke krakende tree echoot door mijn hoofd. Beneden tref ik een woonkamer in complete chaos aan. De vloer is bedolven onder lege bierblikjes en etensresten. Op de salontafel in het midden van de kamer liggen de gebroken resten van enkele flessen sterke drank en een verfrommeld pakje sigaretten. Ik haal een sigaret uit het pakje op tafel en zak neer op de zwarte lederen bank. Terwijl ik het kalmerende effect van de sigaret op me in laat werken zie ik op de salontafel iets opmerkelijks liggen. Tussen de scherven liggen tientallen fel gekleurde zegeltjes met printjes erop. Lang hoef ik niet na te denken, ik heb lsd gebruikt. Geen wonder dat ik me nu zo naargeestig voel, maar ik voel tenminste nog iets. Aanwijzingen heb ik nodig, dingen die me iets kunnen vertellen over wie ik ben, over wat er gebeurd is. Bovendien moet ik schone kleren hebben. Ik struin het hele huis af, maar ik vind niets. Geen administratieve papieren, geen mobiele telefoon, geen identiteitsbewijs, geen bankpas of kleren. Alles lijkt met voorbedachte raden te zijn verwijderd. Mijn verschrikkelijke honger brengt me naar de keuken, waar ik een briefje op de koelkast zie hangen. ‘Mits het ons is gelukt ben je het overgrote deel van je geheugen kwijt. Ik spreek van ons, want ik hoop dat jij opnieuw kunt beginnen, jij draagt mijn verleden niet met je mee. Dat maakt jou fundamenteel anders dan ik, jij bent opnieuw geboren. Kijk achter de losse steen in de muur van de tuin.’ In de tuin tref ik een grote hoop as aan. Het moet geregend hebben, want een deel is niet goed verbrand. Achter de losse steen ligt een kistje met een klein vermogen erin. De erfenis van een verleden dat ik wilde kwijtraken. Ook zit er nog een briefje bij. 'Nieuwe kleren in de kelder.’ Voordat ik de kleren pak, maak ik met wasbenzine af wat de regen getracht heeft te stoppen.

Atlas
6 0