Lezen

De toeschouwer

Wat voorovergebogen zit hij op de koude tegels. Zijn schouders hangen vooruit, zijn hoofd wat scheef op zijn nek. De enige beweging die hij maakt is het ongecontroleerd en onregelmatig tikken met zijn hand op de vloer naast zich. Achter hem klinkt kindermuziek op een tv waarnaar niet wordt gekeken. Hij staart peinzend de andere kant op. Aan zijn gezicht is niet af te lezen waaraan hij denkt. De dag die voorbij is, de maaltijd die moet komen... Zijn linkerschoen ligt rechts, buiten handbereik, nat door zijn speeksel. Hij draagt een broek vol vlekken met afgesleten stof aan de knieën. Zijn shirt is te groot, zijn mouwloze vest erover tot boven dichtgeknoopt. Tussen zijn benen liggen de sleutels die hij net liet vallen. Hij grijpt die sleutels met zijn linkerhand, terwijl hij met zijn rechter zijn lichaam ondersteunt. Hij krijgt zijn vingers niet onder controle en wanneer hij zijn hand met een ruk opheft schuift de sleutelring van zijn wijsvinger weer de grond op met een schelle plof. Opnieuw. Hij grijpt -met al zijn vingers nu- en heeft beet met ringvinger en pink. Wanneer hij de sleutelring van de grond opheft herhaalt zich op vijf centimeter hoogte het scenario. Zijn blik is vastberaden nu, alle aandacht gaat naar het metaal op de vloer voor hem. Hij haalt uit, grijpt, triomfeert. De sleutels worden op zijn uitgestrekte been gelegd. Even blijven ze daar, balancerend, tot ze er aan de andere kant weer afschuiven. Ze houden nog even zijn aandacht vast, maar hij lijkt zijn focus nu te verplaatsen naar een voorwerp dat verder ligt. Hij draait zijn hoofd om beter te kijken en toont zo de sporen die vingernagels achterlieten in zijn gezicht. Hij wil opstaan. Zijn hand grijpt de rand van de zetel naast zich en traag brengt hij zijn gewicht naar zijn rechterbil. Hij grijpt ook met zijn tweede hand de zetel vast en trekt zich langzaam, voorzichtig, op tot op zijn knieën. Twijfelend, onstabiel plaatst hij zijn eerst voet plat op de grond, zijn tweede volgt, de zetel biedt nog steeds ondersteuning, maar hij draait zich om, zijn blik in de richting van het voorwerp dat verder op de grond ligt. Zijn handen laten los en hangen naast zijn lichaam, hij steunt met zijn bil tegen de zetel. Hij zet een voet in de juiste richting, stabiliseert en laat een tweede volgen. Zijn evenwicht lijkt gevonden, maar na een derde onzekere stap op de rand van zijn voet gaat het mis. Hij valt voorover maar kan zijn armen niet tijdig plaatsen waardoor zijn neus de grond raakt. Een schreeuw volgt en tranen van frustratie. Hij zet zijn ellebogen. De tenen in de voet mét schoen vinden de grond en razendsnel drukt hij zich af. In geen tijd bereikt hij de gsm en drukt zich op tot op hij op zijn knieën zit. Hij slaat met een hand naar de gekleurde knoppen. Willekeurig, want de cijfers kan hij niet plaatsen. Er klinken mechanische tonen, dan is het weer stil. Een schaterlach. Hij grijpt opnieuw, maar zijn tere hand kan het toestel niet houden. Ook de telefoon valt hard op de stenen grond. Vanop zijn knieën zet hij zijn handen voor zich en duwt zijn voeten en kuiten recht totdat hij als een vreemde brug op de vloer staat. Als een trage acrobaat laat hij zijn handen los en richt zijn lichaam op. Een stap, twee stappen, drie stappen. En hij laat zich vallen. Vooruit, in mijn armen. Weer die schaterlach. Wat doet hij dat goed. Mijn ventje wordt een jaar volgende week.

Carolyn Krekels
3 0

Treinenbrij

Treinenbrij   Een ochtend zoals alle anderen. Of toch weer niet. Noodgedwongen kan ik die dag geen beroep doen op m’n vierwielige motorische vriend. Als alternatief kies ik voor de beleving van een ‘comfortabele’ treincoupé.   En daar zit je dan, te midden van honderden pendelende lotgenoten. Gezellig en comfortabel is het niet echt. Eerder het gevoel van een sardientje in een blikje; zonder de zonnebloemolie gelukkig. Ik mis m’n eigen comfortzone, “het geluid” van Q-Music op de autoradio, het feit ook van niet ongemerkt in m’n neus te kunnen peuteren.   Verrassend hoe dan plots een bekende kop naast mij komt zitten. Een collega-filerijder die anders, net als ik, het asfalt van de E19 noodgedwongen aan een minutieus onderzoek onderwerpt; bij voorkeur ergens ter hoogte van Mechelen-Noord. “Hé, leuk om jou ook eens niet van je achterkant te leren kennen”, grapt de man mij toe. “Jij moet mijn filetrotserende kompaan zijn, elke ochtend tussen Leuven en Antwerpen” repliceer ik, hem daarbij de hand schuddend. “Klopt”, zegt m’n gesprekspartner, “mijn vrouw had vandaag de auto nodig, vandaar dat ik maar eens het openbaar vervoer probeer”. “De mijne moest op groot onderhoud; euh… niet m’n vrouw… de wagen bedoel ik”, stamel ik voor me uit. “Vandaar ook mijn keuze voor de trein”.   Na een onderhoudende koetjes-en-kalfjesconversatie sporen we Antwerpen-station binnen. Bijna ongemerkt vervolgen we daarna, samen verderstappend, onze weg doorheen een paar drukke straten van de Antwerpse metropool. “Zeg, waar werk jij eigenlijk?” vraagt m’n compagnon de route. “Wel daar”, wijs ik met m’n vinger in de richting van een reusachtige architecturale creatie, “bij die Telecom-mastodont”. “Je meent het niet”, lacht m’n wandelende metgezel. “Dan zijn wij verdorie collega’s!”   En zo stapten we samen de draaideur van onze werkgever binnen. Twee mensen die een gezamenlijke treinreis nodig hadden om uiteindelijk tot het besef te komen dat ze werkmakkers zijn. Dat heb je met die mammoetmaatschappijen en hun ontelbare subafdelingen. En hun ideaal van groot, grootser, grootst. Collega’s worden pionnetjes op een dambord; een dambord zo groot als een voetbalveld.   Diezelfde avond stonden we bij het invallen van de duisternis terug op het perron te wachten op een trein die ons huiswaarts zou rijden. Tot een mechanisch klinkende stem door de luidsprekers galmde met het bericht: “als gevolg van een spontane actie van het spoorwegpersoneel, moeten wij onze reizigers spijtig genoeg meedelen dat alle treinverkeer opgeschort is tot 06u00 morgenvroeg. Wij hopen op uw begrip en wensen u desondanks nog een prettige avond”.   Waarop mijn collega en ikzelf vertwijfeld naar het stationsbuffet slenterden en er twee pintjes bestelden. Tussen een paar slokken door belde m’n maat zijn vrouw, om haar van deze transportproblemen op de hoogte te brengen. Mevrouw zou meteen de auto inspringen met bestemming Antwerpen en daar twee ‘treinreizigers-voor-één-dag’ uit hun lijden komen verlossen.   Een treinreis: mogelijke bron van nieuw sociaal contact. Af en toe, misschien, is de trein ook een heel klein beetje reizen. Maar vaak, te vaak, reist men… helemaal niet.  

Danny Wouters
0 0

FONS

       Met een welgemikte vingerknip vliegt zijn sigaret tussen de rondpikkende duiven. Even stuiven ze verschrikt op, maar ze kunnen hun nieuwsgierigheid niet bedwingen. De stoutste pikt herhaaldelijk naar de peuk, maar de rook die in haar oogjes kringelt, doet haar telkens weer terugdeinzen. De vrouw die naast hem op de bank zit, beloont hem met een vuile blik, schudt nog wat kruimels uit de verfrommelde broodzak en probeert met wat luide kusjesgeluiden de aandacht van die grijze pleinbeesten af te dwingen. Hij schat haar zo rond de zestig. Ze doet hem aan zijn eigen moeder denken. Even oud, even dik en even onnozel, vindt hij.   Fons moet aan de tijd denken dat hij met haar de eendjes ging voederen in het stadspark. Vroeger, ja, dan kon dat nog. Andere tijden en zo. Hij mocht toen zelfs – zoals de meeste andere kinderen uit zijn klas – een hamstertje houden. Hij was amper acht jaar oud maar verzorgde zijn lief diertje goed. Het was een aanhankelijk beestje: terwijl hij zijn huiswerk maakte, zat Mieke altijd op zijn schouder, tegen zijn hals aangevleid. Die belangeloze vriendschap kwam echter bruusk ten einde bij het begin van de volgende paasvakantie wanneer zijn moeder zei: ‘Fonske,’ want zo heette hij toen nog, ‘jij mag morgen voor een weekje naar Blankenberge bij tante Maria en nonkel Jef. Maar je moet wel Mieke haar vrijheid teruggeven, want ik kan er niet voor zorgen en jij kunt ze ook niet meenemen naar zee. Laat dat ratje’ – ja, dat had ze echt zo gezegd! – ‘maar los in de tuin van de villa op het einde van de straat.’ ‘En die poezen dan? Zullen die Mieke niet opeten?’ ‘Maar nee Fonske, Mieke is vinnig en zal zich wel snel ingraven; en trouwens, katten lusten geen hamsters,’ had zijn moeder troostend gezegd. Even herbeleeft Fons hoe hij toen met Mieke in zijn hand, veilig onder zijn jas tegen zijn hart gekneld, naar de villa snelde. Hij herinnert zich nog levendig hoe hij het diertje nog een dikke zoen op het hoofdje gaf, om het dan, met zijn arm tot aan de schouder door het tuinhek, zo ver hij kon de tuin in te zwieren. Mieke kwam op haar pootjes in het gras terecht, keek schichtig om zich heen, dribbelde wat besluiteloos rond om uiteindelijk iets verderop onder een struik te verdwijnen. Hij bleef nog ruim een kwartier aan het hek staan, maar Mieke kwam niet meer te voorschijn. Fons weet nog dat hij voor het eerst echt verdriet voelde. En schuld. En onmacht. Daarna rende hij als een gek naar huis, denderde boos de trap op en lag urenlang op bed te snikken. Hij is het nooit vergeten. Hij heeft het haar nooit vergeven.   ‘Wettegaddatvoeieren van die vieze rotbeesten strafbaar is, madammeke?’ zegt Fons terwijl hij moeizaam zijn vette lijf omhoog dwingt. ‘Da kan tweehonderd vijftig euro kosten als ze dat zien!’, voegt hij er zuchtend aan toe. Zonder zich verder om het venijnige commentaar te bekommeren, loopt hij dwars door de luid protesterende kudde roekoekende ziekteverwekkers en slentert verder de Groenplaats over, richting post­gebouw. Bij de sokkel van Pieter Paul zitten twee gasten luid te lallen met een Cara-pils in de hand. Aan hun voeten liggen een grote zwarte en een schurftige bruine hond tussen de verkreukelde bierblikjes. Fons staat even stil, steekt een nieuwe sigaret op en bedenkt dat hij eigenlijk ook wel van dieren houdt, hoewel hij er zelf geen meer heeft. Een kat, zo’n eigenwijs, onbetrouwbaar beest, neen da’s niks voor hem, maar hij heeft wel ooit een hond gehad, Bullshit, een lieve en aanhankelijke zwarte straathond. Maar die is reeds na twee maanden weggelopen. Nooit meer teruggezien. Vorig jaar dan maar een aquarium: vissen kunnen niet lopen, blaffen niet en bijten niets kapot. Guppen zijn gemakkelijk te houden en te kweken vertelde de verkoper. Eén mannetje en vier wijfjes, want het is zoiets als een haan en kippen. Het is een genetisch experiment geworden. Een namaakbiotoop waarin kindjes met kindjes, zoontjes met moeders, vaders met kleinkinderen en achterkleindochters met overgrootvaders naar hartenlust vadertje en moedertje konden spelen. Dat deze halsstarrigheid inteelde tot kromme ruggen, bizarre kleuren en lichaamsverhoudingen en hier en daar zelfs tot ontbrekende vinnen en ogen, hoeft niemand te verbazen. Een goede maand geleden brak er een ziekte uit in dit overbevolkte tropische genenlab, met een massale vissterfte tot gevolg. Gisteren heeft hij bij wijze van galgenmaal, verse levende tubifex – een trosje wriemelende wormpjes, net levende rijstmie, maar dan zwart – gekocht. Het was een waardig afscheidsdiner voor de zesentwintig overblijvende gedrochtjes. Gisterenavond nog gaf hij hen de vrijheid terug en spoelde het toilet door.   Bij de kiosk aangekomen peutert Fons een laatste kromme sigaret uit zijn verkreukeld pakje Gauloises en gaat op de hoogste trede van de toegangstrap zitten. Zijn aansteker laat het afweten. Hij loopt het trapje weer af en vraagt een vuurtje aan een taxichauffeur die iets verderop naast zijn vehikel staat te roken. De vrouw die net een friet uit een puntzak grist kijkt even op als hij voorbij komt. Zonder erbij na te denken zegt hij: ‘mm, lekker he?’     De rosse deerne reikt hem het pak aan: ‘eentje proeven?’       Hij kijkt haar aan, neemt een frietje uit het pak, geeft haar nog een knipoog en gaat terug op het trapje zitten. Dat smaakt. Fons kijkt over de Groenplaats hoe de kathedraaltoren in de late lentezon met schaduwen speelt en trekt peinzend aan zijn sigaret. Dan laat hij de rook zachtjes uit zijn mond ontsnappen en ademt hem weer langs zijn neus in en mijmert: ‘Godverdomme, wat een waanzinnige dag is dit toch!’   ***   Alphonse Knaepkens werd die ochtend wakker met de gedachte ‘vandaag is de eerste dag van de rest van mijn leven!’ Hij had ergens gelezen dat iemand dit eerder had gedacht en daardoor zijn leven anders was gaan invullen. Dat leek hem wel wat. Hij was ten slotte bijna veertig en het werd hoogtijd om uit de spiraal van uitzichtloze moedeloosheid te kruipen. Met gulzige goesting probeerde hij om zijn ouwe ‘ik’ nieuw leven in te blazen. Hij begon met de volgorde van zijn ontwaakritueel om te gooien. Eerst spoelde hij de slaap en de ochtenderectie weg onder de warme douche en pas daarna ging hij op de pot zitten om jawel, zittend te plassen in plaats van die eerste moedwillige ochtendstraal het porselein in te mikken. Daarna zette hij koffie, ontbeet en poetste dan pas zijn tanden. Opgewekt stapte hij dan de kouwe grauwe ochtendmist in, op weg naar de snoepfabriek. Aan de halte van lijn 7 nam hij de tram. Hij vond een vrije zitplaats naast een meer dan volslanke vrouw met grote blonde krullen en bolle roze kaken. Wel ja, vrij… Haar zitvlak vulde meer dan de helft van de bank en zijn billen waren zeker niet smaller. Hij perste zich naast haar. Hij voelde de warmte van haar volle dijen doorheen de stof van zijn flanellen joggingbroek en een zoete gloed in zijn onderbuik. Fons overwon zijn verlegenheid en zei bijna fluisterend: ‘Sorry mammezelleke, ’t is hier wat krap hé!’ ‘Ik vind dat niet erg hoor, da’s lekker warm!’ antwoordde ze glimlachend. Hij keek recht in haar bruine ogen en haar bolle lippen waren zo ongelooflijk dichtbij, dat een opkomende angst elke volgende stap in de weg stond. Een paar haltes verder verwarde ze hem nog meer toen ze met hese stem in zijn oor fluisterde: ‘Mijn naam is Rosie en ik neem elke dag deze tram. Misschien tot nog eens?’ De aarzelend aangebrachte zwarte schmink rond haar zaadvragende ogen wekte bij Fons een gevoel van ongebreidelde wellust op, maar zoals steeds, stopte hij dat snel heel ver weg. Hij glimlachte ietwat verlegen. De Fons zat op zijn hoge stoel te staren naar de ‘Purple Parade’, zoals hij dat smalend benoemde en vroeg zich voor het eerst af wat hij hier in feite zat te doen. De lopende band kwam uit de muur links van hem. Aan zijn rechterhand verdween die weer in een metalen bak tegen een andere muur. Rijen purperen tjoepkes passeerden de godganse dag de revue. De cuberdons kwamen uit het ‘démoulage’-atelier ernaast en met een soort speciale kam zette hij de mauve kegels netjes in rijen van acht, mooi uitgelijnd, anders liep de verpakkingsmachine vast. Dat was zijn welomschreven taak. Hele dagen lang. Al bijna twintig jaar lang zag hij die frambozenneuzen op de band voorbijschuiven. Ik heb het echt wel gehad, nu!, dacht hij verveeld. Hij overliep zijn eerste stappen in het arbeidscircuit. Zijn moeder vertelde hem op zijn veertiende dat zijn vader – die hij overigens nooit zag – de laatste tijd geen alimentatie meer betaalde. Hij zou daarom mee voor het huishouden zorgen, op school zitten kost alleen maar geld en dat hebben we niet. Hij kon meteen op leercontract beginnen bij de bakkerij om de hoek en kneedde daar een paar jaar deegklompen tot broden totdat de bloem hem een zware allergie bezorgde. De baas vond dat hij Fonske met die etterende puisten op zijn armen maar beter ver van zijn brood kon houden en besloot om zijn leercontract stop te zetten. Fonske vond dan werk als metsersgast, hij was al zestien toen, totdat hij op een dag met een pak bakstenen boven op een stelling zijn evenwicht verloor en zich nog maar net aan een metalen balk kon vastklampen. Terwijl hij daar twee verdiepingen hoog aan een reling zat te bengelen, volgden de bakstenen de wetten van Newton en kwamen terecht midden in een kinderwagen met een jankende tweeling die daar net voorbij geduwd werd. Fonske kon zich met moeite terug op de stelling hijsen, de tweeling zou eeuwig zwijgen en hij zat weer zonder baan.         En nog eens acht cuberdons en nog eens acht en nog … Met een glimlach herinnert hij zich hoe hij kort daarna - als aanstormende twintiger - roadie was geweest van The Pigs, een Antwerpse punkgroep. Dát was nog eens een prachtige tijd! Fonzie - zoals ze hem daar toen noemden, naar Happy Days, die Amerikaanse successerie met Henry Winkler en Ron Howard - moest de vrachtwagen met geluidsapparatuur mee helpen uitladen. Tijdens de concerten zelf had hij verder weinig om handen en zo kwam het dat hij gretig hapte als de bakvisgroupies met hem aanpapten. Omdat hij degene was die de aandacht kreeg en zelf niet de eerste stap moest zetten, beleefde hij gouden tijden. De giecheltrienen hadden er alles voor over om straks mee backstage te kunnen: hij kon in hun borsten en billen knijpen, zijn handen bezochten al hun geheime plekjes, ze lieten zich in de bloezen kijken, eentje deed hem zelfs binnen achter de geluidstoren terwijl de bassen in zijn nieren beukten. Maar er waren strenge instructies: hij mocht de kleedkamers niet in en mocht niemand doorlaten achter het podium. Nadat de vrachtwagen weer ingeladen was, waren de groupies weg, waarschijnlijk met de bassist of de geluidsman. Vijf maanden lang, een heuse wereldtournee, dwars doorheen het Vlaamse land! Fonzie voelde zich onwaarschijnlijk belangrijk. En dan splitte de groep, alle optredens werden afgezegd en Fonzie werd weer gewoon de Fons… ‘Alphonse! Je bent aan het slapen, man!’ Nu hoorde hij het alarm ook. Biep, biep, biep…  ‘Ja, sorry’ mompelde hij, ‘ik was er even niet bij met mijn gedachten.’ Het was Gilberte, de preutse toezichtster, die hem berispte omdat zijn aandacht verslapt was en hij de machine gevoed had met een paar slordige rijen rotcuberdons. Ook vorige week was dat meermaals gebeurd.        ‘Beschouw dit maar als een serieuze reprimande, Knaepkens!’ Hij kon er zijn aandacht niet meer bij houden. Het was op de duur zo afstompend en zenuwslopend, hij had er gewoon zijn buik van vol, hij kon ze niet meer zien die cuberdinges. ‘Reken maar dat dit de laatste verwittiging was; ik kan je slordigheid niet langer accepteren!’, beet ze nog na met haar bekakt Noord-Hollands accent. Nu werd het Fons echt teveel, hij voelde het bloed opstuwen in zijn slapen, een koude tinteling verlamde zijn handen, hij probeerde nog de volgende rij purperneuzen vlak voor de metalen ingang uit te lijnen, maar te laat: de volgende lading mauvelingen drongen zich ondertussen ook al op waardoor het hele verpakkingsproces in de soep draaide. De machine biepte driemaal en de lopende band viel stil. ‘Godverdomme, stom wijf,’ brulde hij, ‘ge maakt me orendul!’ Met een breed gebaar veegde hij alle cuberdons van de band, stond recht en riep ‘ik ben het kots, kotsbeu! Hier, doe het zelf!’ Hij gaf zijn stoel een ferme duw waardoor die omverviel, draaide zich om en liep naar buiten. Hij hoorde het spichtige scharminkel nog krassend krijsen dat hij niet meer hoefde terug te komen en dat hij morgen ‘zijn sjevier’ mocht ophalen. Opgewonden bleef hij even op stoep staan, zijn lederen jas in de hand. Het was bijna elf uur en zijn werkdag zat er al op, …en zijn baan ook! Hij merkte hoe opgelucht hij zich eigenlijk voelde. Eindelijk!   Fons was al kuierend het park aan de Brilschans ingewandeld en zat daar wat op een bank aan de vijver. Hij keek hoe eendjes opgeschrikt werden door een dartele uitzinnig blaffende hond. Hij stak een Gauloises op en zoog de rook diep in zijn longen. Met een diepe zucht blies hij de rook uit in de helderblauwe lucht en genoot van de warmte van de zon op zijn gezicht. Hij zou morgen of zo wel wat rond horen voor ander werk, maar vandaag zou hij nog wat genieten van zijn vrijheid, zie. Zijn moeder woonde wat verderop aan de Groenen Hoek. Hij zag haar eigenlijk niet zo graag, maar het was toch al sinds Kerstmis geleden dat hij daar nog geweest was. Fons woonde nog bij zijn moeder toen hij negentien jaar geleden bij de confiserie werd aangenomen. Het was uit gewoonte en het was goedkoop. Hij had geen vrienden, ging niet uit, maakte moeilijk contact met anderen en al zeker niet met meisjes. Niet dat hij bang was, maar hij vond zichzelf niet interessant genoeg. Hij gaf haar de helft van zijn loon voor ‘kost en inwoon’ en bracht regelmatig afdankertjes mee van de snoeperij zoals scheefgezakte cuberdons en verslenste chocolade­pralines. Na een paar jaar werd ze ontslagen en ging stempelen want ze had uitgeteld dat ze met de inbreng van Fons ruim genoeg hadden om rond te komen. Ze kwam nog amper buiten en ze snoepte de godganse dag. ‘s Middags had ze haar eerste glas rode port al binnen. Ze was moddervet geworden en haar gebit was verrot gesnoept. Ze zat de hele dag lang vormeloos uitgezakt naar onbenullige programma’s op televisie te staren. Fons was vijfentwintig toen hij haar op een dag aankondigde dat hij alleen ging wonen. Zijn moeder had toen een hele scene gemaakt, dat ze alweer verlaten werd, eerst de vader nu de zoon, ‘alle venten zijn egoïsten, vuile smeerlappen zijn het’ riep ze hem nog na terwijl hij de deur achter zich toesmeet met de bedoeling nooit meer terug te komen. Het was een vlucht, een opluchting maar toch ook weer een leegte. Maar ergernis slijt. En elke maand stortte Fons de helft van zijn loon en van zijn vakantiegeld en van zijn eindejaarspremie op haar rekening. Zonder mededeling. Ze spraken er nooit over wanneer hij af en toe, een paar keer per jaar toch wel, bij haar aanbelde, want zijn sleutel had hij bij wijze van afscheid, plechtig in het rioolputje voor haar deur laten vallen. Hij bracht dan telkens een grote doos met afgedankt snoepsel voor haar mee. Ze spraken weinig, de televisie stond luid te achtergronden en ze dronken een porto of twee. Hij hield zijn jas aan tot hij na een tijdje enigszins afwezig ‘zo, ik stap maar weer eens op’ zei, opstond en de deur achter zich in het slot liet vallen, zachtjes.   Fons belde na enig aarzelen aan bij zijn moeder. Het was haast drie uur. Zijn leven stond op een belangrijk kruispunt, dat wist hij gewoon.      De overgordijnen waren dicht. De lente werd deskundig buitengehouden. Met korte passen schuifelde hij somber achter zijn moeder aan, door de gang, tot aan de eetkamer. De muffe kamer rook naar oud kattenzand en verbruikte lucht. Met een diepe zucht plofte hij neer op zijn stoel. Nijdig schopte hij de kat weg die zich zeurend aan zijn voeten nestelde. Op de tafel waaraan hij jarenlang zijn huiswerk had gemaakt, stond een halve fles rode porto, een uitpuilende asbak en een vaas met stoffige witte zijden rozen. Hij haalde zijn pakje Gauloises uit zijn zak en peuterde er een sigaret uit. Hij klopte op tafel de tabak vast en stak ze op. Het kleine vlammetje vertelde hem dat zijn aansteker bijna leeg was, hij moest dringend een andere kopen, net zoals sigaretten, trouwens. Zijn moeder zette twee glazen op tafel - een portoglas voor hem en een groot wijnglas voor haar - en kwam tegenover hem zitten. Ze schonk beide glazen tot aan de rand vol met porto. ‘Flessengeluk’ zei ze.­            Hij vertelde hoe hij twintig jaar lang een paar duizend cuberdons per dag had zien voorbijschuiven. Dat waren verdorie twintigmaalvijfmaaltweeënvijftigmaaltweeduizend cuberdons, meer dan tien miljoen mauve tjoepen, schrikkeljaren niet meegerekend. En iedere dag dezelfde weg naar de snoeperij, en ’s avonds diezelfde weg weer terug. Maar nu niet meer. Die tijd was voorbij. De lappenkat sprong op de stoel naast hem en mauwde om aandacht. Hij wuifde ze weg, hij haatte katten. De televisie stond zoals gewoonlijk veel te luid. Hij moest ook steeds luider spreken, zijn moeder hoorde niet zo best meer. Hij nipte aan zijn glas en stak nog een Gauloises op. Ze had hem bijna apathisch laten uitspreken, maar besefte dat zij haar geruststellend maandelijks inkomen en de zoethouders kwijt was. Ze steunde moeizaam recht, in haar ene hand de lege fles porto, met de andere hand haar gewicht opduwend en dan gebeurde alles razend snel: haar mollige hand schoof samen met het tafelkleed van de rand, ze verloor het evenwicht, de fles maakte een boog door de kamer, ze probeerde nog houvast te vinden aan de tafelrand maar tolde molenwiekend om haar as. Ze viel languit achterover met een droge krak tegen de omvergevallen stoel. Zijn moeder lag daar wezenloos op de harde keukenvloer. Ze keek haar zoon aan met opengesperde angstige ogen, de mond vertrokken in een pijnlijke grimas. Fons keek verveeld op en stond langzaam recht. Ze wees naar haar heup en kreunde: ‘Bel den 100 manneke, ik denk dat er iets gebroken is!’. De rotkat wou weer geaaid worden.        Een kwartier later was de ziekenwagen daar. Het kostte de ambulanciers heel wat moeite om zijn moeder op de brancard te krijgen, het bleek uiterst pijnlijk te zijn en haar gewicht hielp niet mee. Fons bleef alleen achter.      ***  In de keuken staat een volle fles rode porto. Hij schuift de gordijnen open en zet het raam in de kipstand. Hij schenkt zijn glas vol en steekt een Gauloises op. Vervolgens laat hij zich vergenoegd in 'haar' zetel vallen. De televisie heeft hij al eerder uitgezet. De kat springt op zijn schoot en miauwt. Hij legt zijn hand op haar kopje en ze begint zachtjes te ronken. Hij laat zijn hand wat zakken en masseert haar nek, net achter de oortjes. Het beest ronkt nog harder. Zijn hand zakt nog iets en hij voelt de halswervels tussen zijn duim en wijsvinger. Het is een mager scharminkel. Zo zit hij daar een poosje, hij laat zijn gedachten de vrije loop. Ten slotte doet hij zijn sigaret uit en staat recht terwijl hij de kattin met één hand tegen zijn borst houdt. Hij loopt rustig door de keuken naar het achterhuis waar de badkamer is. Dan staat hij stil voor de wastafel, kijkt naar zichzelf in de spiegel en glimlacht. Hij plaatst de rubber stop in de wasbak en draait de kraan open. Het beest verkrampt bij het zien van het water, maar hij draait zich om en sust haar meteen door nog wat te aaien en achter de oortjes te krabben. De wasbak is nu bijna vol en achter zijn rug draait hij de kraan dicht om meteen het aaien te hervatten. Zachtjes hervat hij zijn massage, eerst achter de oortjes daarna rond het tengere nekje. Het komt er nu op aan om snel, resoluut en feilloos te handelen. Zoals steeds, heeft hij zijn lederen jekker aangehouden en dat zou nu goed van pas komen. Hij draait zich om, kijkt nog even naar zijn spiegelbeeld, voelt met zijn vingers de halswervels en met zijn duim het strottenhoofdje. Rustig maakt hij een vuist. Hoe harder hij knijpt, hoe meer het beest begint te spartelen. Hij knijpt nu uit alle macht en duwt met een snelle beweging haar kop in het water. De kat klauwt tevergeefs in het rond, hij geeft geen krimp en blijft hard knijpend met zijn hand onder water. De klauwen haken in het leer, het water spat in het rond, hij zou dat straks wel allemaal opruimen, straks nadat hij het kreng in een vuilzak zal gestoken hebben. Minutenlang staart hij naar de spiegel.     Het spartelen wordt minder heftig, het weerbarstige beest verslapt en het ruikt plots heel erg naar stront.   Hij doet het natte lijkje in een plastic Lidl zak, knoopt die dicht en steekt hem in een andere en zwaardere Carrefour zak . Dan ruimt hij de wasplaats netjes op, wast de lege glazen en leegt de asbak. Daarna zet Fons het raam in het achterhuis op een kier, zodat het zou lijken of het poesje ontsnapt was en misschien een nieuwe thuis gevonden had in een paradijselijke tuin van een villa, wat verder in de straat…   Alphonse Knaepkens trekt de deur zachtjes achter zich dicht, wandelt terug naar de Brilschans en laat daar de Carrefour zak in een vuilnismand vallen. Dan loopt hij het park uit tot aan de Grote Steenweg waar hij de tram naar het centrum neemt. Hij stapt af aan de Groenplaats en slentert het plein over, zijn versleten joggingschoenen achteloos op de kasseien potend, zijn te grote grijze bevuilde joggingbroek rimpelend bij elke aarzelende stap. Met de blik op oneindig slentert hij tot aan de zitbank voor taverne Rubenshof. Hij plant zich voor de enige vrije zitplaats en laat zich met een zware zucht neerzijgen tussen een liefkozend koppeltje en een oudere vrouw. Door het flanel van zijn broek zie je het vet op zijn billen nog even lillend natrillen. Hij haalt een gekreukt pakje sigaretten uit zijn zak, vist er moeizaam met zijn gezwollen vingers een sigaret uit, en merkt dat zijn aansteker nu echt wel bijna leeg is. Hij vult zijn longen met rook, houdt even de adem op en laat vergenoegd de rook tussen zijn lippen ontsnappen. Wat verder pikken een aantal duiven naar wat broodkruimels...

Guy Lejeune
0 0

Zijden Draadje

Het is een vrijdag net voor valavond in oktober.Ik hang op de bank en kijk uit het raam want dat kan ik goed.Ze zeggen altijd dat je je talenten moet ontplooien.Dat lig ik uitgeplooid te doen.Ik vind dat je je bezigheden tot kunst moet verheffen, dus het is niet gewoon hangen en kijken.Flexibel als menselijke origami probeer ik de beperkte oppervlakte van de bank te benutten en dit met aandacht voor mijn ergonomisch welzijn.Bij het kijken probeer ik ook vooral te “zien”.Ik bedoel dat ik niet alleen ga registreren, maar ook ga nadenken over waar ik naar kijk. Fileuseufeere. De traag drijvende wolken en het tanende daglicht zijn weer eens een bron van mijmerij.Ik slaak bij deze gemoedelijkheid een interne “aah” en eet gezellig een knapperige appel.Zo’n Santana appel waar ik niet van ga overgeven en jeuken met m’n verrekte appelallergie.Wat een sfeervol herfsttafereel.Ik wou dat ik ook een open haard had zodat ik kon vertellen hoe het vuur knisperde.Gewoon omdat ik knisperen een tof woord vind.Terwijl ik me bezin over de eventuele aankoop en besef dat ook een goedkope kaars kan knisperen, valt me wat op. Een spin wappert voor mijn raam.Wapperen vind ik geen tof woord, dus ik ga zeker geen vlag kopen.Maar ik gebruik het toch, want zo geschiedt nu eenmaal.Het web dat het beestje heeft gemaakt, wordt geplayed door een knullig oktoberwindje en zorgt zo dat Spinnemans af en aan in mijn vizier komt.Ik ontvouw uit mijn origamische positie en sta op om hem van naderbij te bekijken.Hij hangt ondersteboven te chillen. Dat noem ik nog eens een webmaster.Deze is niet te omvangrijk.Ik denk terug aan het specimen dat laatst over de voorruit van de auto trippelde terwijl ik over de snelweg reed.Zo groot dat ie makkelijk een dodelijk verkeersongeval had kunnen veroorzaken.Hij had maar toevallig mijn been moeten bekruipen. Iets anders bekruipt me.Het macabere besef dat ik toen net zo makkelijk die spin had kunnen mollen.Hoe je gewoon een leven kan uitvagen door ervoor te kiezen.Denk maar aan elke mug en vlieg die je bewust doodde. Zo triviaal en willekeurig.Je zal verontschuldigend zeggen “ach, zo’n klein dier”.Maar een leven drukt zich niet uit in afmeting of gewicht.Het is de “one size fits all” van al wat bestaat. Is of is niet.Er zit evenveel leven in een olifant als in die vervelende fruitvlieg die op mijn Santana appel aast. Ik denk aan hoe ik ooit heel overtuigd een ander wezen zijn dood koos.Het was zomer en ik was vier ofzo.Ik speelde in het zwembadje in de tuin en een schattig lieveheersbeestje daalde neer op mijn arm.Het liet er een gelig spoor achter dat naar mijn inschatting plas of bloed moest zijn.Dat wakkerde mijn killer instinct aan en ik verdronk het arme dier.Niet eens in het zwembadje. Nee, onder een stromende kraan. Met deze godswaan indachtig kijk ik weer naar Spinnemans.Het is herfst en ik ben negenentwintig ofzo.Ik kies om hem lekker te laten leven.Wapperend op zijn zijden draadje.Het enige dat ik vanavond afmaak is mijn column.

Jasmine Tomballe
12 1

Rij Tuig

Vorige week ging ik weer eens op date met M. M.is een goedgemutste, rood gelipte blondine die het beste voorheeft met de wereld. Ultravegetarisch, open minded, luisterend oor, geduldig, kortweg ‘een lieve meid’. Zet haar echter niet op een fiets. Exit lieve M. Het fietstochtje dat we maakten naar het restaurant werd dan ook een klein slagveld. M. maakte korte metten met iedereen die haar pad kruiste. Juist. Háár pad en niet dat van een ander.   Weet je nog Mozes? En hoe die de rode zee splitste? Zo ging zij dus een drukke baan met tweerichtingsverkeer wel even regelen. Ik was de talmende Joodse achterban. M.‘zes gebaarde me over te steken en keek al die bange auto’s aan alsof ze ’t met hun leven zouden bekopen als ze zich durfden te verroeren. Zwakke weggebruiker, ammehoela.   Een beetje verder kwamen we vast te zitten achter een lijzige bakfiets. Wie niet bakfietst, heeft een godgloeiende rothekel aan die dingen. Wegens te lomp, te hippe-nieuwerwetse-ouder en vooral te traag. Ik had het nooit iemand zo demonstratief horen doen, maar M. zuchtte die bak, die fiets, die hippe moeder en haar Oililykroost gewoon even van de baan af. Wie zucht, die wint.   Bijna op onze bestemming bevond een achteloze pakjesbezorger zich op het fietspad met de rechterdeur van z’n vrachtwagen open. Dat deed de deur dicht. M. ging aan minstens 16km/u door het lint. Haar arme fietsbel, een vrolijk vrouwelijk exemplaar met kleurrijke bloempjes, werd genadeloos verkracht. RINGE- LINGE- FUCKING- LINGGGGGG ! En dan de gevleugelde woorden ; “GAST, JE DEUR!” Ook hem trakteerde ze op een legendarische death stare. Zo, weer iemand een verkeerstrauma bezorgd. Ik kon wel lachen om M’s fietsfurie en illustreerde dat met een grapje van eigen makelij ; “Hee, ik dacht dat jij een pacifietst was?!”. Dit werd gevolgd door de gebruikelijke “haha” van de tegenpartij.   Terwijl ik verder trapte, dacht ik  “Jasmine, steek ook eens de hand in eigen boezem” Dat deed ik. Maar niet letterlijk want dat fietst onhandig . Ik kwam tot introspectie. Verkeer brengt ook mij wel eens op het verkeerde pad, besefte ik. Doorgaans denk ik dat ik best een beschaafde burger ben (met burger bedoel ik lid van de bevolking, niet broodje vlees). Menslievend, voor rechtvaardigheid en gelijkheid, in touch met de natuur enzovoort. Tot ik een autosleutel vastheb. “Tsjiep tsjiep” : transformatie. In de auto voel ik me Koning van de jungle. Ik zeg bewust Koning, want ik word er nogal testosteronnig van. Bijna voel ik dan teelballen indalen. Ik ga stoer kijken, onderuit zakken in de stoel, arm nonchalant op het stuur, veel te vlot en zelfvoldaan m’n rijmoves maken en dan mensen bij hun naam noemen. Of ja meer een soort totemnaam toegekend aan hun specifiek rijgedrag. De meest voorkomende zijn Fucking Idioot, Modder Fokker, Lamme Tak en Jezus Lul. Sommigen krijgen ook nog eens de éénvingerige groet. Of hysterisch getoeter. Echt rij tuig ben ik ook. Met een ruk werd ik weer uit mijn overpeinzingen de realiteit ingeslingerd. M. en ik lagen plots beiden op de grond. Getackeld door Mevrouw Bakfiets die een kortere weg kende.    

Jasmine Tomballe
0 0

Bruxelles, ma belle

  De stad ademt een vieze stank uit. Vuilnis woekert op de trottoirs, dronkaards besproeien gebouwen met hun gal en hun verzuurde pis, auto’s toeteren de stilte weg, vreemde mannen spreken me aan telkens als ik alleen de straat op ga. Overdag zijn er zakenlui, strak in het pak, hippe wijven die in vrolijke bloemetjesjurken rondhuppelen, pendelaars in verfrommelde pakken, en hangouderen: Marokkanen in djellaba’s die thee drinken op terrassen, of die op de stadsbanken zitten.   ‘s Nachts zijn er nachtwinkels en homobars, hoeren in allerlei maten en soorten, zwervers en daklozen, gauwdieven en hangjongeren. Nu zijn het de jonge Marokkanen die de stadsbanken veroveren en er blikjes cola en Red Bull laten slingeren. Dit is Bruxelles.   Maar wij kunnen daar tegen. We zijn immers ruimdenkend. We zijn, uiteraard, multicultureel.   Wat ons betreft wonen wij in een grootstad. Wij laven ons aan het culturele aanbod: videotheken met alle mogelijke arthousefilms, alle klassiekers, alle films die ooit gemaakt zijn, mediatheken, bibliotheken, obscure cinemazalen met stoffige achterafcafé’s, de trendy pubs waar de Dansaertvlaming zich graag laat opmerken, de tweedehandsmarkten voor boeken en strips, de winkels die volgestouwd staan met LP’s, de museumwinkels. We schuimen het allemaal af.   In die stad, in die wijk, in dat appartement, hebben wij ook een keuken. In de keuken hebben we nog zestig centimeter vrij onder het werkblad.               ‘Ideaal voor een wasmachine,’ zeg ik.               ‘Een wasmachine?’ zegt David. ‘Een vaatwasser, zul je bedoelen.’               ‘Nee, een wasmachine,’ benadruk ik.               ‘We gaan toch niet alle dagen de afwas doen?’ schrikt David.               ‘We gaan toch niet elke week een hele zaterdag in het wassalon doorbrengen?’ antwoord ik.     We kopen een wasmachine. En een televisie met videorecorder. Iedereen content.

Jeanne
10 0

Potentie

Een meisje met een hoofddoek stapte op en balanceerde met haar rugzak in het gangpad. ‘Mag ik hem onder de zetels schuiven?’ vroeg ze. Ik tilde mijn voeten op, zij schoof. Toen ze ging zitten mengde haar frisse buitengeur zich met het stof uit de zetels. Ze haalde een rolletje muntjes uit haar zak en bood het mij aan, ‘Ik ben Sara.’   Stef had mij naar het busstation gebracht. Hij vroeg hij of ik echt naar dat congres moest. Ik zei van wel. ‘Ik ga je missen,’ zei hij, ‘ En van de knappe mannen op de bus afblijven.’ Als Stef op zakenreis is, slaap ik in een T-shirt dat nog ruikt naar zijn parfum. Ik vraag mij af wat hij vanavond doet. ‘Maak je geen zorgen,’ glimlachte ik, ‘het zijn gewoonlijk reptielen met een tatoeage en een moeraslucht.’   Omdat ik nooit helemaal zeker ben van mijn adem, pakte ik een muntje aan. Ik vermoed dat Sara onze vriendschap daarmee als geopend beschouwde want binnen de kortste keren wist ik dat ze net zoals ik nog geen maand geleden getrouwd was en dat ze haar man achterna reisde naar Montpellier.   Ik vertelde niet dat ik ben op weg was naar mijn achilleshiel. Sinds ons Erasmusjaar in Madrid stuurden we elkaar plagerige mailtjes. Heel af en toe lukte het om hem te bezoeken. Dan was het vuurwerk in pasteltinten. We aten aan wiebelende tafeltjes op een binnenplaast waar kleurrijke lampionnen in een plataan hingen. Instagram met een retro filter.   Ik pleit onweerstaanbare drang. Als ik bij hem ben, ben ik een andere versie van mezelf. Maar achilleshiel of niet, ik had hem niet op ons trouwfeest moeten vragen. Hij gaf ons een eikenhouten miniatuur van een eik en ging heel vroeg weg. Sindsdien was het anders. Ik wou hem zien.   Tijdens een nachtelijke stop dronken we thee en aten croissants. Wie af en toe knikt lijkt empathisch, dus ik zat het hele verhaal van Sara’s huwelijksfeest uit. Ze proefde het woord ‘echtgenoot’ en gebruikte het in elke zin, alsof ze het wilde testen. Hoewel het triest wegrestaurant was, merkten we aan de de croissants dat we vlakbij Parijs waren. In België bakken ze iets dat er nog vaag op lijkt, in Nederland is het een kwestie van volksgezondheid om op afstand te blijven. Nadat we de laatste schilfers hadden opgepikt met een vochtige wijsvinger, wachtten we op elkaar bij de stinkende toiletten.   ‘We willen binnenkort aan kindjes beginnen,' glunderde Sara terwijl ze haar handen droogde, 'Ik heb een zwangerschapstest gekocht om hem cadeau te doen.’ Ze fatsoeneerde haar lippen met een bordeaux lippenstift en haalde een flesje parfum uit haar handtas. De geur van chloor en urine waren al tastbaar in de bunker waarin de toiletten zatern, maar toen Sara haar parfum verstoof, kreeg ik het benauwd. In twee grote gulpen kwamen mijn thee en croissant er weer uit, over mijn voeten en op de vloer. ‘Shit,’ riep Sara, ‘Mijn god.’ Ik was zelf verbaasd en stapte langs de plas naar de wasbak. Sara deinsde zachtjes achteruit. Ik spoelde mijn mond, droogde hem en depte mijn schoenen zo goed mogelijk droog met papieren handdoekjes. Als een ballonnetje dat ontplofte in mijn hoofd, daagde het mij terwijl ik het zei, ‘Ik denk dat ik zwanger ben.’ ‘O,’ zei Sara, ‘Proficiat. Heb je al getest?’ Ik schudde van niet. Alsof we beste vriendinnen waren, zocht ze in haar handtas en gaf mij haar zwangerschapstest. Er zaten smalle roze en blauwe lintjes rond. Ze wees naar een hokje, ‘Hup, testen!’   Op ons trouwfeest kregen we een kleine eik uit eik. Ik vond dat triest toen. Eik kan bijna alles worden, waarom moet hij dan weer eik worden? Een klein eikje dan nog. Ik nam mijn telefoon, zocht zijn naam en schreef: ‘Kom ons halen, we zijn in Parijs.’

Tine Tytgat
0 0

Ver

Lourmarin: het bleef een lieflijk gezicht. Ik parkeerde dicht bij het kasteel en begaf mij eerst naar café Gaby. Het terras nodigde mij aanlokkelijk uit. Veel plaats was er niet meer. Het kleine dorp trok vele toeristen aan en er waren maar een beperkt aantal zitplaatsen te begeven. Ik behoorde tot de happy few en was niet van plan het eerstvolgende uur mijn zuurverdiende zitje af te staan. Het was altijd amusant het komen en gaan van de wandelaars te bekijken. Meestal was het ook grappig, zoals met die sjieke Amerikaanse dame die geen weg wist met haar dure huur-Mercedes-Benz (ik dacht aan het gelijknamige liedje van Chuck Berry). Mevrouwtje was blijkbaar gewend te parkeren zoals in haar thuishaven met zijn oversized parkings bestemd voor oversized limousines en dat lukte hier natuurlijk niet in dit piepkleine dorpje. Ik bestelde aan de garçon, die er eerder uitzag als een overjaarse gigolo, een frisse pint en une tarte aux poireau. Het heerlijk blonde gerstenat deed deugd, nadat ik de zon zolang gekoesterd had, en was op een wip opgedronken. Toen kwam het eenvoudige, maar lekkere preitaartje en dus vroeg ik ook maar een begeleidend glaasje witte wijn. Ik kreeg het terstond. Het was boordevol, zodat ik er eerst een slokje uit moest puren zonder het vast te nemen. Zonde om er maar een ietsje van te verspillen, dacht ik. Na mijn kleine lunch en een volgende blanc de blanc, strekte ik weer de benen om een bezoekje te brengen aan een mooie geschenkenwinkel. Het was nog steeds dezelfde oudere, deftige Franse dame die haar boetiek uitbaatte. Ik snuisterde wat rond, toen een grote, slanke jongedame met kort zwart haar, gekleed in een lange zwarte zomerjurk, kwam binnengestapt. De dames kenden elkaar en spraken over koetjes en kalfjes. Wel viel mij op dat de mademoiselle een opvallend, buitenlands accent had, dat ik niet direct kon thuiswijzen. Ze verdween opnieuw en een opgetutte en platinablonde Amerikaanse kwam binnen, vroeg wat uitleg omtrent een zilveren theeservies en verdween weer. Ik naderde de kassa en zei tegen de bazin dat ik hier vorig jaar nog geweest was en een fotokader had gekocht. We hadden toen nog een levendig gesprek gevoerd. “Ik dacht, toen u binnenkwam, dat ik u al eens ontmoet had,” zei ze. Ze verwees naar de vorige bezoekster: “Het krioelt hier van de Amerikanen,” merkte ze op, “en ze drijven de prijs van het onroerend goed naar onwerkelijke hoogtes.” Dat had ik inderdaad gemerkt als je in de vitrines keek van de vastgoedmakelaars. Een miljoen euro’s waren niet moeilijk kwijt te geraken. Ik nam afscheid van de vriendelijke dame en begaf mij naar de kunstgalerij die er tegenover gelegen was. Ik staarde onmiddellijk in de donkerbruine kijkers van la jeune femme en noir. Zij was het dus die de galerij uitbaatte. Twee kunstenaars stelden tentoon: een beeldhouwer en een schilder. Le sculpteur maakte enig mooie, menselijke figuren in brons. Ware het niet dat ze zeer prijzig waren, dan had ik graag zo eentje een plaatsje in mijn living willen bezorgen. Le peinteur was Daniel Brousse en zijn werken waren echte parels van de aquarelkunst. Dat heeft natuurlijk zijn prijs. De originelen waren voor mijn beurs onbetaalbaar, maar je kon er ook reproducties, met beperkte oplage, van kopen. En vermits ik nog een open plek op mijn livingmuur op te vullen had, was ik vlug bereid een relatief kleine som neer te tellen. De mooie dame pakte het ‘zicht over Lourmarin’ mooi in, en ze vroeg me waar ik vandaan kwam. “België,” antwoordde ik. “Dat was één van de mogelijkheden waar ik rekening mee hield,” lachte ze me gul toe. Er ontstond een klein brandje binnen in mezelf en ik dacht: pour un flirt avec toi, je ferais n’importe quoi, pour un flirt avec toi. Zij was, je gelooft het of niet, van Alaska. Na een vakantie in de Provence had ze besloten zich hier te vestigen en een galerie d’art te openen. Van het noordelijke Alaska (véél noordelijker kan bijna niet) naar dit zuiderse land moest toch een hele stap betekend hebben. “Maar daar heb ik totaal geen moeite mee gehad,” lachte ze breed uit.Met zo’n smile kom je natuurlijk ver. En ze kwam van ver.Ik was tijdens deze vakantie vele Amerikanen tegen gekomen. Zij was veruit de aantrekkelijkste. By far.

Marc M. Aerts
0 0

Een dag uit het bestaan van Kalypta

Vrijdag 13 juni 2014 Het hele restaurant verstijfde toen hij binnenkwam. Hij zag er dan ook angstaanjagend uit. Een gloeiend rood litteken liep van zijn haarkruin over zijn helblauwe oog tot in zijn nek, waar zijn dikke zwarte haren waren samengebonden met een felrood lint. Hij droeg een bruinleren mouwloos hemd, zodat de drakentatoeages die over zijn gebruinde biceps slingerden duidelijk opvielen. Eronder droeg hij een pikzwarte pofbroek die eindigde in zware leren laarzen. Maar dat was niet waar iedereen naar staarde. Om zijn middel spande een brede donkerbruine riem waar een verscheidenheid aan messen instak. En aan zijn linkerheup hing een lus waarin een zwaard stak dat zo breed en krom was dat het er levensgevaarlijk uitzag. De blauwe ogen van de man flitsten over alle inzittenden en toen liep hij op zijn dooie gemak naar een leeg tafeltje voor twee en plofte neer op de stoel, zijn ogen op de deur gericht. Het duurde even voor de mensen zich weer herinnerden hoe te ademen. Een ober die plots besefte dat hij dienst had, ging met knikkende knieën naar de man toe en vroeg met trillende stem: ‘Wilt… wilt u iets drinken, meneer?’ Hij kreeg een onderzoekende blik terug waar hij zich duidelijk ongemakkelijk onder voelde, want hij deinsde achteruit. ‘Bier,’ zei de man met een zware raspende stem. De ober knikte en maakte zich uit de voeten. Geen van de aanwezigen durfde te bewegen. De enkeling die het toch waagde zijn vork op te nemen omdat zijn hongerige maag en het dampende gerecht voor hem hem moed gaven, liet die kletterend weer vallen na een oplettende blik van de man. Zelfs toen hij zijn bier gekregen had, bleef hij alles en iedereen in de gaten houden. De spanning was te om snijden en even scherp als het zwaard van de man. Toen ontsnapte er een verschrikte kreet aan een vrouw die bij het raam zat. Iedereen keek naar haar, en naar een klein meisje dat met grote ogen naar de man toe schuifelde. ‘Noortje, kom terug,’ smeekte de vrouw, maar niemand durfde een vin te verroeren om het kind te onderscheppen. Ze sloop nieuwsgierig, maar behoedzaam dichterbij tot ze vlakbij de grote man stond. Ze nam hem op van kop tot teen en vroeg toen met een fijn iel stemmetje: ‘Ben jij een piraat?’ Iedereen hield zijn adem in. De man draaide langzaam zijn hoofd tot zijn felle ogen op het kind vielen en zei met barse stem: ‘Nee.’ Het meisje schrok, maar bleef toch staan. ‘Welles,’ zei ze. De man zette met een klap zijn glas op tafel. Hier en daar klonk een gesmoorde kreet of kreun. Hij bracht zijn gezicht tot vlakbij het meisje. ‘Waarom?’ vroeg hij. Ze wees met trillende vinger naar het litteken. ‘En de tekeningen.’ Ze wees naar zijn armen. ‘En je zwaard.’ De man keek het meisje lang aan, leunde toen achterover en zijn mondhoeken plooiden in een grijns. Het litteken trok scheef mee, wat zijn gezicht er niet mooier op maakte. Er klonk een algemene zucht van opluchting. ‘Geen zwaard,’ zei hij, ‘zwaarden zijn recht. Dit is een Skmitar.’ ‘Smitaar?’ ‘Skmitar.’ ‘Mag ik kijken?’ Dat was de druppel voor haar moeder, die het bestierf van de zenuwen. Ze stond bruusk recht en zei met scherpe stem: ‘Nora Verbiest, kom nu onmiddellijk hier!’ Het meisje keek verbaasd om, alsof ze uit een droom ontwaakte. ‘Niet boos zijn, mama,’ zei ze ontwapenend, ‘ik wil alleen maar die sminkar zien.’ Haar moeder wilde antwoorden, maar zweeg geschrokken toen de man zijn kromzwaard met een vlotte beweging uit de schede haalde. Hij legde het op het tafeltje en Noortje kroop op de andere stoel om beter te kunnen kijken.  Ze liet haar kleine vingers over het koele staal glijden en voelde voorzichtig aan de scherpe randen. Haar ogen glinsterden toen ze opkeek naar de man. ‘Jij bent geen piraat,’ zei ze. ‘Nee,’ antwoordde hij. ‘Wat dan wel?’ ‘Wachter.’ ‘Wachter?’ Ze dacht na. ‘Op wie wacht je dan?’ De man grijnsde opnieuw, maar keek het kind toen heel oplettend aan, zijn wenkbrauwen gefronst. Hij boog naar haar toe en fluisterde in haar oor: ‘Op jou.’ Noortje schoot geschrokken recht en wat er toen gebeurde, deed menig mond openvallen van verbazing. De donkere man stond op en knielde voor het meisje dat op de stoel stond. ‘Ik ben uw dienaar,’ zei hij plechtig. ‘Mijn Skmitar en mijn leven zijn de uwe, vrouwe Kalypta.’

Lyne Uytterhoeven
38 0

Op een speciale reis

Alweer een reeks testen is aan ons voorbijgegaan. Ja hoor, we zitten er samen met jou midden in. Deze reis doe je niet alleen lieve Seppe. Samen met je mama en papa ben je op een hele lange speciale reis vertrokken. Toch eens even denken, want in die  zes jaar, hebben al heel wat speciale mensen je handje mee vast gehouden. Je twee grote zussen en je twee grote broers, ze leiden al een beetje hun eigen leven, maar ze zijn er altijd een stukje bij. Een knuffel bij je mams en paps, een pannenkoek bij bomma en bompa. Altijd is het weer een feest voor jou. En wanneer je het even veel te moeilijk vindt en de paniek slaat toe, omdat de wereld veel te groot is voor jou, dan zorgen we voor een douche van rust. Dan gaan we met heel veel liefde zorgen voor wat kalmte in dat hartje van jou. Ons leventje bestaat uit een vast routine, ja, er hangen bij ons kaartjes aan de muur. Een kaartje voor het ontbijt, een kaartje voor de badkamer, en ja hoor, daar is het kaartje voor het aankleden alweer. De dagelijkse trip, achterop mama haar fiets naar school…..elke dag dezelfde bomen, elke dag dezelfde schaatsbaan. Het hoort bij je geruststelling om je dag te starten. Want ook al ben je al een flinke jongen van zes jaar, op je eigen fiets meerijden met mama is nog geen optie. Je zijwielen eraan, dat gaat ermee door voor jou, maar twee wielen, nee, die vlieger mag nog niet mee doen. Daar zijn we dan, in je oude vertrouwde school , waar je al vierde jaar zit. Maar ook bij je vertrouwde juf, waar je al voor je tweede jaar naartoe mag. Ze is er ook elke dag om je te helpen op je speciale reis. Je mag nu nog met je vriendjes spelen, ik zie je elke dag naar ze toe lopen met je armen al wijd open. Ze horen bij jou wereldje. Al deze mensen zien jou om wie je bent, en niet alleen maar om wat je kan. Dat mag je nooit vergeten.                   Als kleine baby was je een zalig en rustig kind. Ik weet nog dat ik dikwijls in je bedje ging kijken of alles nog in orde was, want zelfs daar kon je uren rustig rond kijken en naar je vertrouwde geluiden luisteren, meer had je niet nodig. Voor alles nam je rustig de tijd, op de moment dat je kon zitten, ging er voor jou een kleine wereld open. Ik bedoel dus echt wel een hele kleine wereld, want dat bestond uit het speelgoed dat echt wel binnen je grijpbereik lag. Je had er totaal geen behoefte aan om eens verder te reiken dan je eigenlijk kon. Je was op die moment gelukkig zoals het was. We kregen in die tijd heel dikwijls te horen, als er andere mensen bij ons in de buurt waren, dat je zo een rustig geschenkje was. Eigenlijk als ik zo terug kijk, maakten we ons totaal nog geen zorgen, want zolang je op je plaats zat en je speelgoed in de buurt was…..ach ja er is toch helemaal niets aan de hand !! Ik weet nog goed, toen je 10 maanden oud was…..je papa is afgevaardigde bij de voetballende jeugd. We gingen een heel weekend met de ploeg en heel wat ouders richting Parijs voor een tornooi. Eigenlijk hielden we even ons hart vast, want een andere omgeving….toch heel wat mensen erbij, gaat het wel lukken ?? Maar door het feit dat je op dat moment zelfs nog niet de behoefte had om te kruipen, heb je gewoon van waar je op dat moment ook zat heel het weekend op jou manier genoten, en iedereen dat erbij was van jou . Ja inderdaad , zo was het , je was 10 maanden oud, maar de wereld meer en meer gaan verkennen en kruipen, het zat er niet in. Wat je wel deed, was plat op je buik gaan liggen en je trok je een beetje verder op je armen. En nog hadden we iets van, laat hem maar doen, hij gaat het gewoon overslaan. Ik ben zelf ook een kinderverzorgster en ergens was er wel iets in m’n achterhoofd dat zei , “ nee, hier is iets niet helemaal juist “. Maar je was voor de rest zo zorgeloos, misschien, was je er wel vandaag of morgen ineens mee weg.

Jessy
0 0

Vertrokken en vertrekken

Mijn auto betrad voorzichtig de kiezels van de oprijlaan, en we naderden Château La Canorgue. Ik parkeerde links onder de oude platanen en merkte op dat ik niet alleen was. Er stonden nog twee auto’s, één met Zwitserse en één met Franse nummerplaat. Ik ging de poort binnen en stond op een kleine binnenplaats. Rechts was er een deur die toegang verschafte tot la chambre de dégustation. Ik duwde het houten ding open en betrad het heiligdom. Dadelijk kwam ik oog in oog te staan met een jong Amerikaans koppel. Zij waren het met die huurauto met Frans kentekenbewijs. Het andere, wat oudere paar moest dan wel uit Zwitserland komen. Een mooie, voorname Franse dame trachtte de Amerikaanse jeugd op weg te helpen. De vrouwelijke kant van the American couple was de polyglotte, want zij deed al het vertaalwerk. Het waren hooguit mid-twintigers en ze zagen er uit als zijnde van (be-)goede huize. Hij vroeg telkens aan de kasteelvrouwe een bepaalde wijn te mogen proeven. De gastvrouw gaf tekst en uitleg in het Frans en de Amerikaanse vertaalde het voor haar boyfriend. Neen, getrouwd waren ze vast niet. Ik had de indruk dat hij het ganse wijnarsenaal wilde leegdrinken om daarna – zonder iets te kopen – goed beschonken verder te reizen met zijn vriendinnetje/tolk als chauffeur natuurlijk. Vrouwen kunnen nu eenmaal multitasken. Bij de pientere gastvrouw begon het te dagen en ze wendde zich tot mij. Ik vroeg de Viognier - mijn ontdekking van de avond ervoor - te mogen proeven. Geen probleem uiteraard. Hij was exquis. Tevens zag ik dat ze ook hun Chardonnay en hun rode wijn aanboden, dus vroeg ik ook die andere witte eens te mogen degusteren. Ook deze was voortreffelijk en had hetzelfde prijskaartje. Ik vertelde de châtelaine dat ik haar superbe wijn in een naburig hotelletje had gedronken en dit leek haar wel te bevallen. Ondertussen keek ik even rond in het wat wanordelijke maar gezellige kamertje. Ook de Zwitsers waren met hun proeverij gestart. Ze zagen er niet direct erg happy uit, maar ja die Zwitsers zijn meestal ook zo gereserveerd en ook niet echt vriendelijk te noemen. Anders was het gesteld met de Engelsman die kwam binnenwaaien. Hij hoefde helemaal niet te proeven. Hij wilde enkel zijn voorraad aanvullen. “Ik kom hier meermaals per jaar sinds ik mij hier in de buurt een mas heb gekocht. Hun wijn is uitstekend” verduidelijkte hij aan the American rookie en gaf hem een knipoogje. L’Americano bleef maar uitleg vragen en evenveel drinken. Ik wist genoeg en bestelde vier kartons Viognier. In een wip had de kasteelvrouw mijn bestelling klaar en ze deed er comme cadeau een fles Chardonnay bovenop. Een vrouw die haar wereld kent, dacht ik bij mezelf. Ik betaalde en laadde het bacchusvocht in mijn auto. De koffer, die ik vergroot had door de achterbank weg te kantelen, zat goed vol: een gedemonteerde mountainbike, een bijpassende valhelm, een voetpomp, een schilderij uit een galerie in Gordes, een pas gekochte windgong uit Maussanne, nog wat snuisterijen en dan de Viognier. De vlotte Engelsman kocht zes kartons rode wijn en weer was hij naar zijn Provençaalse woonstee vertrokken. De Zwitsers verlieten het kasteel. De man droeg een karton. Ze stapten in hun auto en vertrokken. Nog voor ik alles had ingeladen was het jonge koppeltje ook buitengekomen. “Het kost te veel om de wijn in Amerika te krijgen” zei het broekventje verontschuldigend tegen de vriendelijke kasteelvrouw. Ze trachtte geen spier te vertrekken.   Ik belandde, via een smalle zandweg, aan de achterzijde van het landgoed waar een vriendelijke man me begroette. Hij leek me wel de kasteelheer, weliswaar niet gekleed in fluweel en brokaat maar in een eenvoudige overall. Enkel op die manier kan je deze delicate wijn maken. Nog een nacht verbleef ik in deze heerlijke landstreek om dan naar huis te vertrekken.

Marc M. Aerts
0 0