Lezen

Een bloedstollend feest

De nacht viel over de dichtbeboste heuvels van het Land Voorbij de Wouden. In een doodse, onheilspellende stilte bescheen een met wolken omfloerste maan het kasteel op de heuvel, en gaf het een griezelige aanblik. Ver weg in het woud scheurde het gehuil van een eenzame wolf de nacht in twee.   Een hobbelige weg dwars door de bossen was de enige toegangsweg naar het kasteel, dat omringd was door een ravijn. De ophaalbrug was opgetrokken, waardoor het slot, met zijn vele spitse torentjes en zijn honderden kamers, als hermetisch van de rest van de wereld afgesloten was. In vele kamers brandde licht, waardoor men vermoedde dat het bewoond was. Niemand had echter ooit iemand zien binnen- of buitengaan en de valbrug werd nooit neergelaten. In het dorp in de vallei leefde het vermoeden dat hier wel eens de sleutel kon liggen voor de vele verdachte verdwijningen in de streek, al had niemand enig bewijs om dit vermoeden te staven.   Van de maan ging een mysterieus licht uit, een seconde maar, niemand die het opmerkte. De stralenbundel richtte zich op het kasteel, zweefde over het ravijn, onder de spleet tussen de arduinen dorpel en de massieve houten poort naar binnen, de krakende trap op naar boven. Als iemand zich al in de buurt had gewaagd op dat ogenblik, zou die zeker verstijfd hebben toegekeken hoe het licht zich een weg naar boven baande, zich door het sleutelgat van de zolderdeur wrong, en daar door een kier onder het deksel van een doodskist verdween.   Gedurende enkele seconden gebeurde er niets. Tot piepend het deksel van de doodskist openging en een witte gestalte uit de kist oprees...   “Hhhhmmmmppffff!!!”, zuchtte de verschijning, die zich weldadig uitrekte en een angstaanjagende lach liet horen. “Aaarghh, wat heb ik goed geslapen vandaag! Maar genoeg gerust nu. Tijd om op te staan!”   De gedaante had een doorschijnend witte huid, holle ogen, zwart haar en lange nagels. Hij kroop de kist uit en stommelde naar de deur en de trap af. “Amai, mijn hoofd tolt en mijn maag voelt als een vat zuur,” klaagde hij luidop, “Stommeling! Waarom heb je vorige nacht ook zoveel groep A gedronken? Je weet dat je het niet kan verdragen.” Wat waar was. Groep A was totaal zijn ding niet. Keer op keer hield hij er een gevoel aan over alsof een vleermuis zijn maagwand aan het opvreten was. Maar het smaakte zo lekker zoet en hij kon er niet aan weerstaan. Hij zou zich beter bij groep B en O houden. En eventueel AB. Daar zat ook nog een beetje van de A-smaak in, maar hij hield er tenminste geen zwarte kater aan over.   Hij stommelde verder naar beneden, ging de badkamer binnen en keek in de spiegel. Niets te zien! Goed zo, alles was in orde. Natuurlijk was het dan wel moeilijker om zijn tanden in te steken en zijn cape juist aan te trekken. Als laatste vertegenwoordiger van zijn roemrijke adellijke geslacht hechtte hij veel belang aan een verzorgd uiterlijk.   “Morana!”, riep hij, en het galmde doorheen het hele kasteel. Spinnen kropen weg bij het horen van zijn stem en de ratten in de kelder bleven stokstijf zitten. Algauw hoorde hij voetstappen naderen. Hij herkende de lichte tred van zijn geliefde Morana, met haar 208 jaar een kleine honderd jaar jonger dan hijzelf, waardoor zijn soortgenoten hem soms groen van jaloezie nastaarden.   “Mijn lieffte Vrykolakaff”, kirde ze bij het binnenkomen, “Ik heb vo heerlijk gedroomd over vorige nacht. Ik fidder van verlangen voor wat onf komende nacht te wachten ftaat!”   “Kan ik geloven”, gromde Vrykolakas, “Maar wil je wel eerst je gebit insteken? Je uitspraak lijkt nergens naar!”   “Oei”, giechelde Morana, en ze haalde uit een ivoren doosje een hagelwit gebit dat ze snel in haar mond stak. “Zo, teerbeminde Vrykolakasje. Wat kan ik voor je doen dat je mij geroepen hebt?”   “Wil je mijn cape halen? Ondertussen vijl ik nog even mijn hoektanden bij. En zorg dan ook maar dat je klaar bent. Je weet dat we een rendez-vous hebben met Graaf Dracula en Adachi-Moor om de feesten in de vallei te gaan opluisteren.” De laatste opmerking ontlokte aan hem een duivelse lach, maar Morana liet een pruilmondje zien.   “Is dat die Japanse vleermuis met wie Dracula tegenwoordig zo opschept? Ik moet haar niet erg, weet je,” pruttelde ze.   “Hoe dan ook, je gaat mee,” sommeerde hij haar, “En je zorgt ervoor dat je je manieren houdt, hoor je.” De laatste keer dat ze ergens de pest in had gehad, had ze Graaf Dracula, een van zijn betere vrienden, en een belangrijke rader in zijn netwerk, beledigd door te zeggen dat zijn toenmalige vriendin naar knoflook rook, en hem later ook nog eens vol bloed gekotst nadat ze teveel gedronken had.   “Zullen Incubus en Succubus er ook zijn?” vroeg ze. En ze was opgelucht toen Vrykolakas bevestigend knikte. Het waren twee onnozelaars, die met hun slachtoffers eerst de liefde bedreven, voordat ze hun levenskracht opzogen. Maar ze trokken zich nergens van aan en je kon er lol mee trappen. Ze zou zich wel met hen amuseren.   Toen ze klaar waren, kropen ze in hun vleermuismobiel en vlogen de heuvel af. In de dichtbeboste vallei was een dorp dat elk jaar zijn doden herdacht met een groot feest. In de hele omgeving hingen lampionnen die het dorp spookachtig verlichtten. De herbergen zaten vol met feestgangers en in de gemeentelijke zaal speelde een orkest ten dans. In de achterafstraatjes echter was waar het echt gebeurde voor de vampieren. Daar lagen de beschonkenen hun roes uit te slapen, speelden occasionele koppeltjes het heimelijke spel van de verboden liefde en keken onvoorzichtige puberknaapjes zich de ogen uit hun kassen, om nog te zwijgen over hun andere, allerindividueelste handelingen. Daar was het echter ook het donkerst, en waren de mensen nonchalant en onoplettend, meer bezig met hun onweerstaanbare verlangens dan met de gevaren die overal loerden. Dat was ook het doel van Vrykolakas en Morana, Graaf Dracula en Adachi-Moor, Incubus en Succulus. Zoals elk jaar beloofde het weer een feestelijke nacht te worden. Het bloed zou over hun hals stromen toen ze hun scherpe hoektanden erin plantten en ze zouden het gulzig en laveloos opdrinken.   Groot was dan ook hun verbazing toen ze merkten dat er in de donkere straten rond het feestende centrum geen levende noch een dode ziel te bespeuren viel. Dit dreigde een afknapper te worden. Vrykolakas vloekte: “Vervloekt zijn de hoorns van Nosferatu! Hier is niemand. Wat nu?”   “Ja, wat nu? Ik heb honger hoor,” kirde Morana. “Ik heb ook hongel,” sprak Adachi-Moor strijdlustig, “Als Mozes niet naal de belg wil komen, moet de belg maal naal Mozes gaan!” “Wat bedoel je, lieverd?” vroeg Graaf Dracula, “Je wil toch niet naar binnen gaan? Stel dat iemand ons herkent!”   “Waalom niet?”, sprak Adachi-Moor, “Ik heb hongel, dolst, en velschlikkelijk veel goesting! En we kunnen nog een feestje meepikken. De mensen weten toch niet dat wij vampielen zijn. En iedeleen is velkleed vandaag.”   Daar hadden ze geen argumenten meer tegen. En hoewel niet erg op hun gemak waagden ze zich toch naar binnen in de dorpszaal waar het orkest speelde. Binnen was het tamelijk donker, de zaal was slechts schaars verlicht met kaarsen die in uitgeholde pompoenen brandden. De mensen zongen, dronken en dansten en letten schijnbaar niet op de vier vreemdelingen die net binnengekomen waren en die op het eerst gezicht niet opvielen. De vier vampieren begaven zich naar het midden van de zaal om een beter zicht te hebben op hun toekomstige slachtoffers. Nog altijd trok niemand zich van hen iets aan. Tot ze in het midden van de zaal aanbeland waren en ze iemand recht op zich zagen afkomen. De man torste een groot kader met zich mee, en toen hij zich vlakbij hen bevond, draaide hij het kader om. Het bleek een spiegel te zijn...   Op dit moment ging de muziek over van een wals naar een steeds sneller en dreigender Slavische dans. De menigte stopte met praten, zingen en dansen en iedereen draaide zich om naar de vier lijkwitte gedaanten in het midden van de zaal. Er vormde zich een dreigende kring rond hen. En voor iedereen die de voorkant van de spiegel zag, kwam de griezelige werkelijkheid als een slag in het gezicht.   De stemming werd nu nog dreigender. De plastieken drietanden, die door de vampieren als feestattributen aanzien werden, bleken omhulsels te zijn voor houten kruisen, onheilspellend voorzien van scherpe punten. De dotjes in het haar van de oude vrouwtjes bleken trossen knoflook te zijn. En terwijl de vier vampieren elkaar verschrikt en in paniek aankeken, ontspon zich voor hun ogen hun gruwelijke lot...   In het kleine dorpje in de vallei nabij het duistere slot in het Land Voorbij de Wouden is  sindsdien nooit nog iemand als vermist opgegeven. Rond het kasteel zijn wel regelmatig onheilspellende stormen. Erna vliegen vleermuizen in groten getale ijselijk krijsend door de vallei, alsof ze op zoek zijn naar iets. De autoriteiten zoeken tevergeefs naar de eigenaars van het kasteel. Maar in geen enkel archief is iets over de herkomst ervan terug te vinden; geen eigenaar, geen bouwheer, geen plannen. Alsof het slot in werkelijkheid niet bestaat.

Koen Vanantwerpen
0 0

röntgen

een loden noot klinkt vooruitwat voor radioactiefs ook wachtverloor bij voorbaat de strijd de naaldhak slaat uitje knie knikt ter plekkevorkt je voet wat met de vloer lusteloos stem je de sigaret afop waar je de hand verwachtzingt een vinger van een glas van uit een diepe bunkervalt licht een vuur binnenslokt de een de ander op wat als oud houten conceptverkozen werd boven aluminiumpiept tot het kraakt over linoleum zo hel weet het licht van onderstebovenhangen pannen de strotten uiten blikken wachten bang in kasten waar de gordijnen durvendroomt de maan er niet vaneen wolf bij het bestek te zetten de kurkentrekker slingert zicheen zompig hoofd uit halsen al wat oogt klikt vals als plastic smeult in microgolfgaat hij zijn gang tot rinkeltwat voeden belooft zo gestoeld in wat langseen betekentblinkt hij in voorhoofden uit rustend op koelkast dan tafelblad dan je linkerschouder van onder een schuine schaduwdwarrelt gekruid gesmeeken een kier in de lippen ingebeeld en als er nu een trein wasdie van voorbijkomen spreken konknipoogt het land daar naar de sfeer wat zinnen zonder worden niet eens vuilgemaaktzwieren niet tussen hoofden takken wegen door onder het gewichtvan het geruisloos geschutdat tegen de borst stuit drukt tot een ei ontploften geen proef meer te nemen valtvan de wijn op de vloer zo staand zwalpend maakt de muren zwartwat het hart wijs is dan zijn rechtse hoek en het as dat je wang vangtverstijft vereeuwigd achterblijftin een verkrampte verbazing vergeet de rat wat schichtig isblijftgekunsteldeen kus het goed maken een echo van nood klein straalt in gevangen bot staat een naam gekerfd

IT
0 0

Transparantie (intro)

Er was niemand te zien die morgen. Niets. De mist lag in dikke lagen over de weiden, zodat je de bomen achteraan niet meer kon zien. De koude, vochtige lucht drong door tot op het bot. 'Maar jij bent altijd vrolijk, nietwaar, Boris?', zei Nicky. 'Vooral als je weet dat je snel eten gaat krijgen'. Nicky zette voor zichzelf koffie en schonk voor Boris een beetje lauw water in zijn drinkbak. Nicky dronk haar koffie rustig uit, de hond dronk gulzig van het water. 'Moet je een paar hondenbrokken hebben? Ja?', beantwoordde ze zijn vragende blik. 'Kijk eens hier! Als je dit hebt opgegeten, kan je er weer voor een tijdje tegen'.   Vaak bracht ze haar ochtenden op dezelfde manier door: pratend tegen Boris, geduldig koffie drinkend. De mist was het enige dat varieerde van seizoen tot seizoen. In de zomer hing er in de plaats van mist soms een zwerm muggen in de lucht, die aangetrokken werden door de beek in het bos aan de overkant. Op zulke dagen was het moeilijk om goed te slapen door de vochtige warmte, terwijl het nu de kilte was die haar 's nachts wakker hield. Een warmer donsdeken zou ze misschien wel kunnen gebruiken, maar de kou leek altijd zo plots te komen en de dichtstbijzijnde winkel die donsdekens verkocht, lag al snel tientallen kilometers verder. Daar kwam nog eens bij dat ze weinig zin had in rijden, zoeken, kiezen, geld uitgeven, … 'Ik heb het goed hier, zoals het nu is', zei ze tegen zichzelf. Boris kwam naar haar toe gelopen. Hij leek het te beamen.   De mist trok maar niet op.

Evelien W
0 1

De achtste vrouw

Ik ben Aimah, achtste vrouw van de hoge Tsoekran. Sinds de dood van mijn tweede zoon vrees ik voor het leven van mijn ongeboren kind. Niemand mag het weten, zelfs de hoge Tsoekran niet. Want het kind is niet van hem.   Toen Rima ziek werd, wendde ik me in wanhoop tot de Aishnaripriesters. Zij worden door het hof geminacht vanwege hun zachtmoedige inborst en liefdevolle levensstijl. Die gebiedt hen ieder te helpen die in nood is. Ik hoorde dat Tsahib, de Meester Aishnari, in de hoofdstad was en zond hem mijn vertrouwelinge. In het grootste geheim bracht ik hem mijn zieke zoon van amper drie jaren. Zodra Tsahib hem zag, schudde hij droef het hoofd. ‘Hij is in de ban van een kwade kracht waar mijn Gezangen geen vat op hebben. Een kwade kracht die in het paleis broeit en de onschuldige prinsen treft.’ Mijn hart brak bij het horen van dat harde oordeel. Het bevestigde mijn bange vermoedens. Ik kon het echter niet aanzien om mijn zoon te zien sterven, niet nog een keer. Ik smeekte en pleitte, huilde en brak. Was er niet iets wat hij kon doen? Het minste om mijn jongen wat meer tijd te geven? De Meester Aishnari zwichtte, nam het kind uit mijn armen en Zong. Het was het mooiste geluid dat ik ooit gehoord had. Het was als het fluiten van de wind door de hoogste toren van het paleis. Maar de klank was voller, zachter en tegelijk zo enorm krachtig. Ik voelde me omringd door een warmte alsof ik mijn moeders armen om me heen voelde en weer kind mocht zijn. Toen de klank uitdoofde, was ik hoopvoller dan ooit. Mijn zoon opende zijn ogen en reikte klagend naar mij. Tsahib zuchtte. ‘Hij zal wat langer leven,’ zei hij, ‘maar niet veel.’ Ik wist niet of ik moest lachen of huilen, dus deed ik beide. Ik weet nog steeds niet waarom, maar ik reikte naar Tsahib en hij sloeg zijn armen troostend om me heen. Even snel verbraken we de verboden omhelzing, maar het zaad van de liefde ontkiemde in mij als een lamp die ik met geen middelen meer kon doven. Elke keer dat Rima de dood nabij was, zocht ik Tsahib op. Elke keer verlengde hij het prille leven en troostte hij mij. Uiteindelijk ging ik meer om hem te zien en zijn Zang te horen dan om mijn zoon, van wie ik langzaam maar zeker afstand nam. Die laatste nacht verleidde ik Tsahib onder het mom van verdriet en hij zwichtte en viel. Rima lag stil en stervend in de andere kamer. Toen ik wakker werd, lag mijn zoon slapend in mijn armen. Hij was voor de laatste keer geheeld van het gif dat zijn lichaam opvrat. Ik wist het, Tsahib wist het, Rima wist het. Alsof hij ouder was dan zijn leeftijd deed vermoeden, sloeg hij zijn ogen naar mij op in een stille smeekbede hem eindelijk te laten gaan. Ik kon het niet. Pas toen ik nieuw leven in mij voelde ontkiemen, was ik klaar om hem los te laten. Hij stierf en ik treurde. De hoge Tsoekran, mijn echtgenoot die ik met veertien andere vrouwen deel, treurde. Maar zijn verdriet was afgevlakt door de vele zonen die hij reeds aan de erfopvolging had verloren. ‘Weer één,’ moet hij gedacht hebben toen hij naast mij stond en naar de rituele verbranding van zijn, mijn zoon keek.   Ik ben Aimah, achtste vrouw van de hoge Tsoekran. Sinds de dood van mijn tweede zoon vrees ik voor het leven van mijn ongeboren kind. De rouw staat me toe me zeven maanden afzijdig te houden. Het vormeloze zwarte kleed zal mijn vormen verhullen. Maar waar kan ik een kind verbergen? Ik heb reeds een week niets van mijn vertrouwelinge gehoord. Ze zoekt Tsahib, de Meester Aishnari. Zal hij mijn, zijn ongeboren kind kunnen redden?

Lyne Uytterhoeven
0 0

Afscheid (2)

Act 2 [Een club. Leuven. Vrijdagavond Enter muziek en melancholie en pintjes met een bonnensysteem, meisjes waarvan ik stiekem notie neem maar toch vooral van haar] cantus ex, hoofdrolspeler klaar voor een onvergetelijke nacht lang geleden dat ik nog zo helder dacht dat moet de alcohol wel zijn [Even terug naar de cantus. Beeld vervaagt.] tijdens de cantus van zo-even vroeg ik je net nog niet ten dans omdat het mij aan lef ontbrak en aan een pint of vier al speelde de gedachte zeker in mijn hoofd alleen toen nog niet het bier nu krijg ik onverwacht een nieuwe kans maar die nog steeds elusieve dans dat is dan maar iets voor morgen of een van de andere dagen waarop het toch niet zal gebeuren(bij mij sluit elke gesloten deur op zijn best geen nieuwe deuren) soit de alcohol had de zorgen nu toch verwijderd uit mijn zijn en ik dacht vlot en helder of wou dat graag geloven alcohol helpt schaamte te verdoven zie je en je inschatting wordt ook niet beter (al kan jij moeilijk nog heter dan je in mijn hoofd al zit) Maar hup, naar het gesprek [Het gesprek zelf.] veel meer nog dan door alcohol startte dit gesprek organisch: de keet liep leeg het gemoed liep vol het besef dat alles nu gedaan is: de nacht, het feest, dit levensdeel ik stemde in met wat je zei je knikte kort, je keek naar mij en daartussen hebben we gepraat in duizendtallen woorden duizend keer een kleine lach duizend welgevormde lettergrepen droefheid die enkel ik in die luchtgeschreven letters zag afscheid dat enkel ik in die Laag-Vlaamse klanken hoorde ik zie nog hoe je met je beker speelt in één beweging ook mijn hart weer steelt en ik heb je zo ontzettend lief ik wens je zon op al je wegen terwijl ik droef met de gedachte speel: ‘kom ik je in dat volgend levensdeel alsje alsje alsjeblief nog een duizendtal keer tegen’

Tim Van der Heyden
0 0

Hier zijn

De zon roept me op, maar ik ben nog niet klaar om wakker te worden. Ik lig met mijn hoofd op jouw borstkas, met mijn kloppend hart tegen jouw warme lijf, met jouw zachte toch sterke armen om mij heen terwijl jouw liefhebbende handen onbewust en dromerig mijn rug strelen. We ademen op hetzelfde ritme. Ik ben rustig, tevreden, volmaakt. Er is geen betere plek op deze wereld om te zijn dan hier. Hier is geen exacte locatie. Hier is bij jou en bij jou kan overal zijn. Als ik niet bij jou ben, dan ben ik nergens. Daarom wil ik ook niet wakker worden. Dat wil zeggen dat de tijd aanbreekt om nergens te zijn tot het weer tijd is om hier te zijn. Ik ben niet graag nergens, want het is daar minder warm dan hier. Ik wist niet dat ik nergens was, tot ik hier was.De zon wordt sterker en wint de strijd met de nacht. Ze wordt verwelkomd door fluitende vogels, drukker verkeer en lachende kinderen die naar school trekken. Ik ben wakker, maar ik ontken het. Ik doe alsof ik nog slaap. Jij ook. Al voelen we beiden dat de ander wakker is. We verkiezen om nog even langer hier te zijn. Om nu te zijn. En niet ergens anders op een ander moment. Op dit moment haat ik tijd. Ik wenste dat ik het stil kon zetten en dit simpele, perfecte moment van geluk pas moest verlaten als ik er klaar voor was. Ik vermoed dat ik er nooit klaar voor zou zijn en dit moment voor altijd zou willen beleven. Ik ontwaak uit mijn sluimerslaap. Mijn bed voelt leeg en koud. Jij bent er niet meer. Ik begrijp niet waarom je er niet meer bent. Ik besef dat ik al een jaar elke ochtend zo wakker word en telkens weer mijzelf afvraag waarom ik niet wakker word in jouw warmte. Ik begrijp niet waarom ik eraan blijf vasthouden. Ik heb het eigenlijk niet meer vast. Wat ik vasthoud is al weg. Ik wil voort, maar jouw herinnering houdt me hier. Hier is nu daar. Daar is niet hier. Waarom doe ik alsof daar hier is? Het enige antwoord dat klopt is dat ik hier wakker word in plaats van nergens. Daarom houd ik vast aan het hier dat nu daar is. Hoe neem ik afscheid van jou? Ik wil verder, ik wil je loslaten. Vertel me hoe ik hier kan vinden zonder jou.  Het enige wat ik wil: hier zijn, maar ik lijk het niet te kunnen zonder jou. 

Voguish
0 0

Superman

De tafel waaraan we onze boterhammen eten, is wankel. Dat is al zolang ik me herinneren kan, maar er is niemand die ernaar omkijkt. Op den duur vergeet je dan ook dat het ooit anders is geweest. Ik hou ervan om, wanneer ik eet, beurtelings met elke hand op het tafeloppervlak te duwen. Als ik daarbij mijn handen ver genoeg uit elkaar spreid, wankelt de tafel harder, zodat de melk in mijn glas beweegt. Ik stel me dan graag voor dat ze er weer uit wil omdat ze heimwee heeft naar het brik. Soms geeft mama me een standje en zegt ze dat ik niet mag spelen aan de tafel. Soms zegt ze niets, en staart ze nietsziend uit het keukenraam naar buiten, waar de blinde muur van het belendende gebouw het troosteloze uitzicht vormt. Na het eten speel ik meestal nog wat in de woonkamer. Ik hield altijd het meest van mijn verzameling steentjes. Ik heb hen vergaard op weg naar school en terug. Elk van hen heeft een speciale vorm en stelt een Pokémon voor uit het tijdschrift dat ik kreeg voor mijn verjaardag. In mijn klas had iedereen echte Pokémonpoppetjes. Die toonden ze aan elkaar op de speelplaats. Ik had enkel het tijdschrift. Ik zei hen niet dat ik geen poppetjes had. Ik zei hen er helemaal niets over. Een keer deed ik dat wel. Ze lachten me uit. Het eindigde met een blauw oog en gesmoord gesnik in mama’s rokken. Ze streelde me over mijn haren. Zei dat ik geen poppetjes nodig had om gelukkig te zijn. Maar ik hoorde het in haar stem. De pijn. De schaamte. Soms waren er van die dagen dat de fantasie niet wilde komen. Dagen waarop het grijs in het zwerk zo ondoordringbaar was, dat het zelfs de wijzers van de klok leek te vertragen. Dan zat ik lusteloos op de grond en rolde wat met de steentjes op en neer. Maar in het doffe licht dat door de ongelapte ramen naar binnen viel, kon ik er met de beste wil van de wereld geen Pokémon in zien. Mama streek dan over mijn haren, en moedigde me aan om het toch te proberen. Soms deed ik dat, maar soms bleef ik nukkig voor me uit zitten staren, de verveling om me heen gedrapeerd als een te dik, verstikkend deken. Het was op een van die momenten dat het mij voor het eerst opviel. Ik wierp een steelse blik op mama. Ik hoopte dat ze misschien naar mij keek en zag hoe ik me verveelde, zodat ze toch Pokémon voor me zou kopen, hoewel ik diep vanbinnen wist waarom dat niet kon. Maar ze keek naar me met een heel andere blik. In haar ogen las ik een mengeling van spijt en bitterheid die haar knappe gezicht lelijker maakte. Die avond hoorde ik haar huilen. Ik greep het lakenpunt vast en balde machteloos mijn vuisten. Boos liet ik mijn tranen de vrije loop en viel uiteindelijk in slaap, gewiegd door de regelmaat van mijn snikken, in dezelfde maat als het gedempte gehuil van mama onder mij. Nadien heeft ze nooit tegen me gezegd dat ik haar zo verdrietig had gemaakt. Het schuldgevoel daarover maakte me beschaamd, zodat ook ik er met geen woord over repte. Maar er veranderde wel iets. Op een dag merkte ik dat mama de krant had gekocht. Normaal deed ze dit nooit. Ze keek ernaar zonder de bladzijden om te draaien, en toen ze mijn blik merkte, legde ze de krant weg en glimlachte afwezig naar me. Iets in de manier waarop ze me had aangekeken, verried een zenuwachtigheid. Ze stond op en wandelde naar de keuken. Ik inspecteerde het blad in de krant dat ze las, maar er stonden geen tekeningen op, en lezen kon ik nog niet erg goed. Het was een bladzijde met allemaal kleine hokjes, die vol stonden met halve woorden waaraan ik geen touw vast kon knopen. Toen zag ik, in een flits, mama’s naam in een van deze hokjes. Maar ik hoorde haar terugkomen, en ging snel weer naar mijn speelgoed toe. Een tijdje nadat de bezoekers begonnen te komen, zag ik dingen veranderen in huis. Mama kocht af en toe eens kleren voor mij of voor haarzelf. Er werd iemand betaald die de ramen kwam lappen. Het licht dat de kamer binnenviel, liet de meubels er helemaal anders uitzien. Had het bankstel altijd al die vrolijke kleur? Op een ochtend stonden de ontbijtgranen in de kast waarvoor ik steeds zeurde in de winkel, maar die ik nooit kreeg. Ik lachte. Mama lachte, want ik was gelukkig. Maar de echte verrassing kwam na een paar weken. Toen ik thuis kwam van school, stond er een grote doos op de tafel. Nieuwsgierig gleden mijn ogen over het zilveren inpakpapier en de gouden strik. Mama had zitten wachten tot ik er was. Zenuwachtig veerde ze recht, drukte haar sigaret uit in de assenbak en presenteerde het cadeau zoals de meisjes in de gezelschapsspelen op tv de vaatwasmachine presenteren aan de winnaar: met wapperende handen en een kamerbrede glimlach. Even aarzelde ik; geloofde het niet. Zulk groot cadeau? Voor mij? Mama moedigde me aan met een trots knikje. Toen viel ik aan. Ik scheurde het papier open en zag wat erin verscholen zat. Een doos met daarin een verzameling van tien Pokémons. Mijn kreten vulden het appartement met een blijdschap die het zelden had gekend. Dagen, weken lang was ik niet weg te slaan van mijn poppenspel. In mijn fantasie speelden zich fabelachtige Pokémongevechten af. De vraag waar mama dit plots vandaan had gehaald, kwam helemaal niet in me op. Daaraan denk ik nu terwijl ik in mijn bed lig. Ik hoef niet op mijn klok te kijken om te weten hoe laat het is. Dat heb ik te danken aan het feit dat de gordijnen van mijn slaapkamerraam te kort zijn. Door de spijlen van mijn bed zie ik een rechthoek, op de vloer getekend door het licht dat onder de te korte gordijnstof door de kamer binnenglipt. Eerst bevindt hij zich bij de deur. Hij tekent een felle vlek op het blauwgrijze linoleum, en naarmate hij opschuift, wordt hij steeds zwakker. Nu is het laat, want de lichtbalk is tijdens zijn reis over mijn kamervloer uitgerekt tot een diffuus, langwerpig vierkant dat steeds minder te onderscheiden is van het duister dat in de kamer oprukt. Het is bijna zo ver. Ik voel de spanning opborrelen in mijn maag. Een tintelen, vol van verwachting en stiekeme hoop. Mijn hand glijdt onder het kussen en strijkt daar over de synthetische stof. Ik weet wat er gaat gebeuren. Mijn hart begint sneller te slaan en ik sluit alvast mijn ogen. Een seconde, twee seconden, drie … Ik hoor haar voetstappen op de trap. Achter mijn geloken oogleden is het duister volledig. Ik hou me zo stil mogelijk, zodat ze niet weet dat ik nog wakker ben. Haar voetstappen worden steeds luider en stoppen tenslotte voor mijn slaapkamerdeur. Zoals elke avond opent ze zo zacht mogelijk de deur; en hoor ik haar binnensmonds vloeken wanneer die deur langgerekt piept, onverschillig voor het late uur. Ze trippelt naderbij en bukt zich over me heen. Haar parfum wolkt in mijn neusgaten op het moment dat ze zich naast me bukt en haar lippen vluchtig mijn voorhoofd raken. Het intense gevoel van rust dat nu over mij komt, is onbeschrijflijk. Al het wachten in de minuten sinds ik in mijn bed geklauterd ben, heeft geleid tot dit moment. Een nachtzoen van mama. Daarna vertrekt mama nog niet meteen. Mijn ogen blijven stijf dichtgeknepen. Ik hoor haar, ze ademt zacht. Ze zet een paar passen in de richting van de kast. Ik hoor hoe ze een paar van de steentjes neemt die Pokémon moesten voorstellen. Ik vraag me af wat ze nu denkt. Een paar tellen later triptrapt ze naar de deur, sluit die zo zacht mogelijk achter zich en loopt de trap af. Pas als ik het slot hoor klikken, besef ik dat ik mijn adem inhield. Daarna bekruipt me het gevoel van onbehagen. Het wachten heeft nu iets gespannen. Komt er vandaag weer eentje over de vloer, of niet?Het blijft enkele minuten stil nadat mama de trap weer is afgedaald. Daarna klinkt heel kort de deurbel, niet meer dan een aanzet tot een echt gerinkel. Wanneer ’s ochtends de postbode aanbelt, klinkt het altijd veel langgerekter. Ik heb me een hele tijd afgevraagd waarom de avondlijke bezoekers niet langer op de bel drukten. Als mama het nu toevallig eens niet hoorde? Maar ze opent de deur keer op keer, en dan hoor ik haar zacht kirren als antwoord op het diepe gebrom van de, altijd mannelijke, bezoekers. Uiteindelijk begreep ik het. Natuurlijk, het was zo simpel…Ze wilden mij niet wakker maken. Nu lach ik erom als ik bedenk dat het enkele weken duurde om tot dit besluit te komen. Ingespannen lag ik toen te luisteren om te achterhalen waarover hun gesprek ging. Maar het duister in mijn kamertje was dik, en sloot het af voor duidelijke geluiden van buitenaf. Soms hoorde ik lachen, soms werd er gewoon gepraat. Wat alle bezoekers echter gemeen hadden, was dat ze na een tijdje niets meer zegden. Ook mama zweeg dan. Meestal verplaatste het geluid van hun stemmen zich ook naar mama’s slaapkamer. De reden daarvan kon ik lastiger vinden dan die van het mysterie van het korte belgerinkel. Toch kon ik ook dit uiteindelijk achterhalen. Bij het eerste cadeau, mijn Pokémonpoppetjes, zag ik het nog niet. Maar toen mijn geliefde pak kwam, ging er een lampje branden in mijn hoofd. Ineens zag ik het allemaal helder voor mijn ogen, alsof ik er zelf bij was. Al de cadeaus die ik kreeg. Ik wist dat mama ’s avonds verkopers uitnodigde om over mijn cadeaus te praten. Wanneer ik op school was, kon ze immers niet naar de winkel gaan, want dan moest ze zelf werken! Nog twee keer schalt het korte, hoge rinkeltje door het appartement. Mijn maag trekt samen. Ik voel me als een tube die iemand leeg wil knijpen. Mijn hart schakelt in een hogere versnelling en ik luister ingespannen. In het begin klinkt alles net als anders. Een mannenstem en mama’s stem in gesprek. Stilte. Geluiden vanuit de slaapkamer. Op dit moment bundel ik al mijn concentratie op wat ik hoor. Ik denk automatisch terug aan die ene keer, maar dat mag ik nu niet doen; ik moet opletten! Toch komen de gedachten, ik kan het niet helpen. Het woedende geschreeuw van de man toen, en het angstige gehuil van mama. De volgende dag had ze een blauw oog, en kreeg ik ook geen cadeau. Toen ben ik gaan beseffen dat sommige verkopers gevaarlijk zijn. Daardoor rijpte het idee om het pak te vragen. Ik ben toch de man in huis. Ik moet mama beschermen. Na een tijdje gebeurde het dus. Ik was al bijna gewend geraakt aan het bijna dagelijkse klingelen van de bel en wat er daarna kwam. Mijn aandacht was verslapt en ik poogde niet meer om de conversaties beneden te volgen. Met een half oor ving ik nog een deel van het gesprek op en hoorde ik de slaapkamerdeur van mama dichtslaan. Mijn ogen sloten zich en gingen weer open. Sloten zich, gingen open. Het was heerlijk warm in mijn bed. Toen gebeurde het. Een snerpende gil en een doffe klap. Ik zat op slag rechtop in bed, klaarwakker. Een kwade vloek steeg op vanuit mama’s kamer en bonsde op mijn deur als een moker. Terwijl de adrenaline door mijn aders gierde, hingen mijn armen en benen er bij als gelatinestengels en weigerden ze alle dienst. Weer een gil. Mama! Ik moest iets doen, ik moest haar helpen! De kracht keerde terug in mijn benen en ik sprong het bed uit. Ik vloog de trap af. Mijn voeten raakten nauwelijks de treden. Ik hamerde met mijn kleine vuisten op mama’s deur en gilde haar naam. Meteen daarna werd de deur woest open getrokken. Een man kwam buiten gestormd. Ik viel op de grond; ik kon zijn gezicht niet zien. Hij banjerde naar de voordeur en sloeg haar met een knal dicht. Daarna hoorde ik niets meer. Alleen een loodzware stilte. Ik zag dat mama op haar bed lag, haar gezicht in het kussen gedrukt, haar schouders geluidloos schokkend. Het duurde een tijdje voordat ze erin slaagde zichzelf van het bed te plukken en naar mij toe te strompelen. Ze nam me in haar armen, en meer was er niet nodig. De tranen kwamen. Hoe lang we daar zo zaten weet ik niet. Ik werd de volgende ochtend wakker in mijn eigen bed. Zoals zo veel andere zaken, werd ook dit voorval niet meer besproken en door mama weggemoffeld achter de glimlach die ze altijd droeg. ‘Mijn kleine held’, fluisterde ze in mijn oor toen ze mijn kom met cornflakes voor me neerzette, en dat was dat. Ondertussen is het volledig donker in mijn kamer. Tot nu toe lijkt alles goed te verlopen. Maar ik blijf alert, sinds die ene keer. Ik heb al vaak geoefend wanneer mama even niet thuis was, en nu overloop ik in mijn hoofd wat er moet gebeuren. En dan zal ik die verkoper eens laten zien wat ik kan als ik mijn pak draag. En dan gebeurt het. Het komt zo onverwacht, dat ik twijfel of ik het wel goed hoorde. Een zwaar geluid, als een stoel die op de grond smakte. Mijn twijfel duurt een seconde, en dan hoor ik mama kreunen, en de man sist woorden die ik niet kan ontcijferen door de twee deuren en de trap die ons van elkaar scheiden. Het klinkt ingehouden, alsof ze niet willen dat ik het hoor. Nu weet ik zeker dat er weer wat mis is. Ik verwacht half en half dat mijn benen dienst zullen weigeren, maar mijn lichaam reageert koelbloedig, en doet precies wat ik ervan verlang. Meteen grijp ik onder mijn kussen, naar het pak, en trek het aan. Het synthetische blauw sluit zich rond mijn benen, de S prijkt op mijn borst. Mama heeft haar Superman nodig. Ik been vastberaden door mijn kamer, ruk de deur open, en ren holderdebolder naar beneden, met twee treden tegelijk. Het gekreun klinkt wanhopiger. Ik kom net op tijd! Mijn hand grijpt naar mama’s slaapkamerdeur. Mijn vingers sluiten zich om de klink en trekken, maar er gebeurt niets. Alleen het geluid binnen verstomt. Ik hoor hoe mama de verkoper tot stilte maant. Ik ruk nogmaals aan de deur, maar ze blijft vastberaden dicht. Ik twijfel even, en wordt bijna weer gewoon een jongen in een pak. Dan hoor ik mijn naam. Het is mama, ze klinkt vertwijfeld. Meteen daarna vloekt de man. Ik reageer bliksemsnel. Superhelden hebben geen deuren nodig om ergens binnen te komen. Mijn hele lichaam tintelt van de opwinding. Ik ren naar de kamer naast die van mama, de rommelkamer. Ik hol voorbij de strijkplank en de stapel wasgoed die erop ligt te balanceren. Ik open het raam en klim onhandig op de vensterbank. Gestommel hiernaast, en opnieuw weerklinkt mijn naam. Ik hoor paniek in mama’s stem en de deur van haar kamer wordt opengegooid. Dat is de verkoper, hij wil ontvluchten! Maar hem krijg ik nog wel te pakken. Eerst moet ik mama redden. Ik sta nu rechtop in de raamopening, de wind buiten strijkt kil langs mijn benen doorheen de stof van mijn superheldenpak. Ik slik. De drukke straat, acht verdiepingen onder me, lijkt even slingerend te bewegen terwijl mijn blik zich aanpast aan de diepte. Ik heb nog nooit gevlogen, maar het is slechts een paar meter naar het slaapkamerraam van mama. Ik mag nu niet nadenken, ik moet vertrouwen op mijn pak. Ik kom eraan, mama! Ik zet me af, en net op dat moment komt er iemand binnengestormd achter me. Mama gilt nu heel dichtbij. Met een ruk draai ik me om, een blik van onbegrip in mijn ogen. Is ze dan niet opgesloten? Ik zie haar op me afkomen in een sneltreinvaart. Ze draagt enkel ondergoed, net als de man die achter haar aankomt. Ik begrijp het niet. Waarom gillen ze zo angstig? Waar zijn hun kleren? Ik wil me volledig omdraaien. Ik verzet mijn voet. Maar ik zet hem verkeerd, er is geen ondergrond. Mijn been glijdt weg, mijn lichaam kantelt en het andere been volgt. De ogen van mama worden nog groter voordat ze uit mijn gezichtsveld wegkantelen. Ik zie de lucht boven me, en voel hoe ik naar beneden val. Ik draai mijn hoofd naar het raam. Mama hangt met haar halve lichaam naar buiten, hysterisch krijsend en naar me graaiend met haar armen. De handen van de verkoper proberen haar weer naar binnen te trekken. Ik zie haar snel kleiner worden. Ik strek mijn armen ook naar haar uit, zodat ik naar boven kan vliegen. Maar het lukt me niet. Waarom werkt mijn pak niet? Ik wapper wanhopig met mijn armen terwijl mijn lichaam begint rond te tollen. De wind fluit in mijn oren en de autolichten op de straat komen steeds dichter bij en een ijskoude waarheid sluipt langzaam mijn hart binnen en ik probeer nog eens uit alle macht mijn armen uit te strekken want ik moet echt vliegen en …

Hans Deckers
0 2

rabin gangadin

Rabin Gangadin heeft furore gemaakt als dichter, schrijver, essayist en literaire criticus. Hij publiceerde in diverse bladen waaronder Yang, Creatief, Dietsche Waranda en Belfort, de Gids, Maatstaf, De Tweede Ronde, Avenue, terwijl hij daarnaast voor opiniebladen schreef als Elseviers Magazine, Hervormd Nederland, De nieuwe Linie, Poeziekrant, Gazet van Antwerpen, Het Algemeen Dagblad etc. Zijn eerste werken aanschouwden het daglicht via uitgeverij De Arbeiderspers nadat schrijver Cees Nooteboom hem als literair talent had ontdekt. Van Rabin Gangadin verscheen in 2011 de experimentele dichtbundel De Stadswandelaar  bij  uitgeverij Holland  en werkt hij thans ijverig aan zijn roman Rustige dagen in Suriname waaruit een hoofdstuk in het literaire tijdschrift Circumplaudo verscheen. Zijn eerste werken aanschouwden het daglicht via uitgeverij De Arbeiderspers nadat schrijver Cees Nooteboom hem als literair talent ontdekte. Sinds 2006 heeft de literaire carriere van hem een deuk opgelopen omdat uitgerekend een hoogleraar in de Caraibische letteren aan de UvA het op hem heeft voorzien. Deze deuk is hoofdzakelijk veroorzaakt door het feit dat de desbetreffende hoogleraar als moderator werkzaam is voor Google Nederland en Wikipedia Nederland. Hoewel deze laatste website zich uitsluitend leent voor neutrale, informatieve en objectieve teksten, staan er toch smadelijke, lasterlijke en op de persoonlijke vete jegens Rabin Gangadin gebaseerde teksten. Deze hoogleraar wendde diens status aan om zijn collega aan de universiteit te Twente te overhalen om Rabin Gangadin met zijn tweede dissertatie op het terrein van de toegepaste  communicatiewetenschappen niet meer te begeleiden. De hoogleraar loopt overal te kladden dat de in 1986 behaalde doctoraaltitel in de sociologie van Rabin Gangadin en de door hem eveneens in 2001 behaalde ingenieurstitel aan de landbouwuniversiteit te Wageningen een fake zouden zijn en waarbij hij volgens de hoogleraar nooit gepromoveerd zou zijn in de sociale-economie aan de Cosmopolitan university te Florida. De hoogleraar meldt echter zelf nergens dat de vijftien promovendie die hij onder zijn hoede had, hem vanwege zijn inhabiliteit de rug hebben toegekeerd.       

rabin gangadin
0 0