Lezen

Levensles

Wanneer we de overdekte parking van de bioscoop inrijden, komt de klank van brullende motoren en gierende banden ons tegemoet. Eerst denken we dat het bij de nieuwe totaalbeleving van het etablissement hoort, maar dan blijkt de bron toch een kluit door testosteron aangedreven kleine autootjes te zijn. Puisterige jongeren staan er verveeld bij te kijken. Voor de film die we willen zien, Gone Girl, blijken we ruim te laat. Ook genieten moet je plannen, met de magie van de film alleen kom je er niet. De inkomhal is leeg, vuil en triestig, en we keren op onze stappen terug. Net voor we de auto weer starten, verschijnt een troep doedelzakspelers op het toneel. Ritme. Stappen, draaien en keren. Ze oefenen hun parade. De jeugd kijkt de andere kant op, en duwt het gaspedaal in. We zijn het gewoon. Voor elk optreden dat echt telt, oefenen we. En voor de andere ook. We proberen, trainen, volgen lessen, vragen feedback. Falen, en proberen opnieuw. Slagen, en herhalen ons kunstje tot het plots niet meer werkt. Dat ons succes duurzaam zal zijn, weten we nooit, en al zeker niet in de liefde, dat belangrijke detail van het leven. Ook de film die we vanavond niet gaan zien vertelt zo'n verhaal. Elke emotie, elke gebeurtenis, elke handeling is een terugblik op de vorige en een oefening voor de volgende. De liefde die een leven duurt, noemen we het mooiste wat ons kan overkomen, maar het is een trieste paradox die tegelijk vrolijk maakt: net omdat we de liefde met zo veel passie oefenen en beoefenen, is ze nooit volmaakt. Het kan altijd beter, tenzij je een pessimist bent, dan is het beste altijd al voorbij. Twee gebeurtenissen ontsnappen aan de wetmatigheid van oefening en herhaling. Geboren worden en sterven zijn nog belangrijker dan de liefde. De manier waarop de doedelzakspelers door de parking marcheren doet me denken aan mijn kindertijd. Ik was een trots lid van het plaatselijke harmonieorkest, en zoals dat hoort namen ook wij regelmatig deel aan optochten. Tussen de café's door speelden we marsmuziek, of ons groot succesnummer 'when the saints go marchin' in'. Alleen bij de oorlogsherdenking op 11 november speelden we treurmarsen, en tergend langzaam schreden we dan naar het kerkhof. Het was altijd ijskoud, de wind onverminderd scherp en de opkomst laag. Zelfs de meest ervaren drinkers hadden op zo'n dag eerst een oxo-soepje nodig voor ze aan het bier begonnen. Het echte werk gebeurde op woensdagavond. Dan repeteerden we voor het jaarlijkse grote optreden in de parochiezaal, met een repertoire van klassieke harmoniemuziek en softe latin jazz. Het is in de week voor zo'n concert dat ik toch probeer een repetitie in te lassen voor het onoefenbare. Ik val hard met mijn hoofd op de ijslaag die de speelplaats bedekt. De kou maakt zich meester van mijn botten, en ik voel me zo slecht dat ik recht meen te hebben op een time-out. En zie, mijn wens wordt verhoord. Een weldadigheid die ik niet ken, neemt het over. Het is warmte zonder vuur, licht zonder bron. Er is een tunnel en ik ga op weg. Er wacht familie op me, aan het eind, en ook al ken ik ze niet, ze staan daar om me te zeggen dat het te vroeg is. Maar dat alles goed zal komen, dat ik me geen zorgen hoef te maken. En met een glimlach vol medeleven sturen ze me terug. Wanneer ik mijn ogen terug open, staat er een grote groep leraars en leerlingen zorgelijk om me heen. Ze helpen me overeind, ik ga even naar de ziekenboeg, maar er schijnt niks mis met me te zijn. Van wat ik heb meegemaakt kan ik niets vertellen, ik heb er geen woorden voor en ze zouden me toch niet geloven. Dit moet mijn geheim zijn en blijven. Ook aan de dokter, later die avond, vertel ik het niet. Er zitten wat hints in de vage antwoorden die ik geef op zijn vragen, maar in de jaren '70 zijn bijna dood ervaringen nog niet zo gemeenzaan bekend. De dokter schrijft me een paar dagen rust voor. En een versterkend vitaminepreparaat. Voor mijn ziel heeft hij niets in petto. Die gaat gewoon verder met oefenen, proberen en falen. Wanneer we de auto starten, zingt Alison Moyet Don't go. Die wakende familieleden van me houden wel van een grapje. Leven doe je voor de dood, zeiden ze. Over daarna zeiden ze niets. Ik zet de auto in sportmodus, grijns, en ben klaar om iedereen in de parking te overstemmen. Dirk Van Boxem Meer op www.bijgekleurd.wordpress.com

Dirk Van Boxem
0 1

De rit van je leven

Mijmeringen Muziek helpt me door moeilijke tijden. Het is de trouwe metgezel die niet blaft als er eten in de buurt is. Het is de vrouw, zoiets moois kan uiteraard alleen van het sterke geslacht zijn, die me altijd binnenlaat, zelfs nadat ik net haar beste vriendin heb binnengedaan. De vrouw voor wie alcohol wel een geldig excuus is. Ze versterkt je gevoelens, positief én negatief, maar laat je altijd achter met hoop. Hoop doet leven. De ingeslagen weg De laatste tijd luister ik vaak naar muziek. Het is een signaal dat ik niet mag negeren. Muziek is naast al het voorgaande ook slechts een oplapmiddel, geen remedie. Het valt in dezelfde categorie als sporten, lang vergeten hobby's hervatten en begraven dromen oprakelen. Het helpt je weer een dag verder in de zoektocht naar en aanvaarding van jezelf. Bijna iedereen onder ons komt tijdens zijn of haar korte tijdspanne op onze blauw-grijze bol op dat punt, sommigen zelfs meermaals. Het punt waarbij we ons afvragen, wie we zijn, of we gelukkig zijn met de weg die we zijn ingeslagen, of het gras aan de andere kant écht niet groener is. Het punt waarop je je heel eenvoudig kan verliezen, jezelf schouderklopjes gevend voor de moed die zo'n beslissing vergt, niet beseffend hoe verregaand de implicaties van beslissingen tijdens zo'n emotionele rollercoaster kunnen zijn. Learn, adapt, evolve. Toch is het dit keer anders. Ik ben ondertussen in een ander station aangekomen tijdens de dolle rit die ons bestaan is. Ditmaal blijf ik mijn gevoelens, ondanks continue impulsen, zo veel als menselijk mogelijk beheersen. Niet alleen omdat ik zelf weinig aan de uitkomst kan veranderen, ook uit puur zelfbehoud. Je zou het volwassenheid kunnen noemen, ik houd het liever op een ingebakken stukje overlevingsdrang. Ik word natuurlijk ook ouder, wat niet noodzakelijk wijzer betekent. Er rest me steeds minder tijd. Naast het zelfbehoud, is er dus ook sprake van egoïsme: ik wil geen tijd meer verliezen aan een hopeloze strijd. Daartegenover staat dat ik des te harder wil vechten voor de ster die altijd extra schittert wanneer ze aan mijn firmament verschijnt. De verlegen, onzekere parel, die net dat duwtje in de rug nodig heeft om helemaal open te bloeien. De eenzame schoonheid die me voor de volle honderd procent kan gelukkig maken. Vechten is soms ook negeren, al je natuurlijke instincten laten voor wat ze zijn en de andere kant uitkijken wanneer de schittering helderder aanwezig is dan ooit tevoren. Het is schoonheid de tijd geven om zichzelf te waarderen en toe te geven klaar te zijn voor het gewone geluk, zonder de letterlijke prins op het witte paard die haar meeneemt naar verre landen, maar die de parel doet opengaan bij de energie die ontstaat als het gevecht uiteindelijk door een duo-eenheid wordt beslecht. Het langste spoor Twee weken lijkt een niemendal, verwaarloosbaar is het groter geheel van het zijn. Twee weken wegkijken, zelfs twee uren, lijken echter eindelozer dan het wachten op een snoepje voor een kind van een jaar of drie. Twee weken van zweven tussen hoop en angst. Hoop doet dus, zoals zo vaak al beschreven in menig klassieker, leven. Hoop op een toekomst, op een teken, hoop dat we allemaal onze ster tegen komen die we extra kunnen laten schitteren. Gelukkig vinden we uiteindelijk allemaal onze weg, naar tranen en geluk, naar eenzaamheid en liefde, tijdens een rit die af en toe een panne heeft, noodzakelijke onderhoudsbeurten durft over te slaan en nooit echt stopt. Een rit die maar in één richting verder dendert en voor iedereen op dezelfde manier eindigt. De rit van je leven.

Zielvlieg
14 0

De wolkendame

Haar naam klinkt als de naam van een lieflijke vrouw. Als een engel die te mooi is voor de aarde. Zo één met lange, blonde haren en een porseleinen gezichtje. Zo één met een lang, wolkenwit kleedje en een gouden harp waar goddelijke klanken uit komen. De wolkendame, een prachtige verschijning voor een prachtige naam. Alleen was ze alles behalve een prachtige verschijning. De wolkendame dankt haar naam aan haar omvangrijke lichaam. Haar buik golft onder haar bebloemde kleed en doet me altijd denken aan wolkjes. Ik stel me voor dat de wolkjes net als springkastelen zijn en ik van de ene naar de andere kan springen en zo meters hoog in de lucht kan vliegen. Ik denk dat als ik op de buik van de wolkendame land, ik hoger vlieg dan de huizen in onze straat. Jammer genoeg mag ik het niet proberen van mama. Op het bolle lijf van de vrouw zit een even bol hoofd dat ik met moeite kan zien als ik te dicht bij haar sta. Aan haar bol zitten grijze krullen en snorharen vastgeplakt. Op de punt van haar neus staat er een brilletje dat veel te klein is voor haar grote hoofd. Haar wangen zijn naar beneden getrokken, al weet ik niet door wie. Het moet wel fijn zijn om eens aan haar wangen te hangen. Jammer genoeg mag ik dat ook niet van mama. Ik mag ook niets. In plaats van handen heeft ze ronde aanhangsels met dikke worstjes aan. Vreemd dat de hond zich nooit vergist, hij eet graag worstjes. Haar achterwerk heeft wat weg van het Himalaya-gebergte waar ik op school over heb geleerd, alleen mag je die niet beklimmen. Enkele keren per jaar komt ze op bezoek, dan neemt ze een hele doos ranzige koekjes mee die ze één voor één in mijn mond propt. Dat ik vel over been ben, zegt ze dan, en of ik wel genoeg te eten krijg? Jongens moeten tenslotte heel hard groeien, in lengte en breedte! Geen enkele vrouw verkiest een mager ventje boven een echte, stevige man. Dat zijn niet de grootste zorgen voor een vijfjarige, zegt mama dan. Pas maar op, anders wordt die jongen van jou maar een schraal mannetje, preekt ze met haar vinger dreigend naar mama. Met grote ogen bekijk ik het tafereel dat zich voor mij afspeelt, zouden ze vergeten zijn dat ik hier zit? Misschien moet ik eens op en neer wippen op mijn stoeltje, of eens wuiven met mijn hand, of heel hard roepen: ‘Hallo, ik ben hier!’ maar ik besluit geen van allen te doen. Hoe het met de buurvrouw ging, want ze ging toch bijna bevallen van haar derde kind? Goed, zei mama, en dat ze al een heel mooi buikje had! Ja oma, bijna net zo dik als jouw buik, draag ik er vrolijk aan bij. Oei, een donderwolk.

Shelly Wagemans
15 0

De onzichtbare rugzak

“Met de jongen met de sproeten mag je nooit verkering hebben. Ooit had ik verkering met hem en hij gaf mij een lelijke tekening met roze pony’s en regenbogen. Je kan beter zorgen dat die grote daar je vriendje wordt, hij geeft schattige knuffelberen aan zijn vriendinnetjes. Je moet vriendin worden met dat blonde meisje daar, op haar verjaardagsfeestje zijn er wel drie verschillende springkastelen! En zie je die dikke jongen daar? Ga nooit naast hem zitten in de klas, hij stinkt erger dan zweetvoeten!” Het is vandaag mijn eerste dag op deze school. Het is altijd wennen, al die nieuwe gezichten. Een groep meisjes heeft zich reeds over mij ontfermd. Ze hebben mij al veel geleerd vandaag. Zoveel regels om te onthouden. Mijn ogen vallen op een meisje met een bolle rug, ze staat alleen aan de rand van de speelplaats. Wat vreemd, ik heb oma’s en opa’s gezien met zo een gekromde rug, maar nog nooit een jong meisje. Het moet erg zijn om zo rond te lopen. Het meisje naast me, ik geloof dat ze Bianca heet, geeft me een stomp in mijn zij. “Kijk niet te lang naar haar, zo meteen valt ze je aan!” Ze kijkt naar het meisje vanuit haar ooghoek en bukt zich dan over mij. “Niemand heeft haar ooit een woord horen zeggen. Ik heb gehoord dat ze als kind haar tong afgebeten heeft. Niemand praat met haar. Je kan maar best uit haar buurt blijven.” De andere meisjes knikken instemmend. “Wat een geluk dat je ons hebt, wie weet was je er anders heen gegaan!” Ik draai mijn hoofd naar het eenzame meisje. Wat moet ze zich alleen voelen. Mijn groepje vriendinnen proest het uit als een knappe jongen onze richting uitkijkt. Ik keer me terug naar de groep en meng me in het gegiechel en gefluister.   “De plateaus plaats je hier op de kar, daarna ga je met de vod over de lege tafel en droog je hem af met een handdoek. Als je klaar bent, zet je de kar maar in de keuken, goed?” Zonder te wachten op een antwoord geeft meester Tom een schouderklopje en stapt hij van me weg. Verward kijk ik naar de plateaus op de tafel. Wat met de kannen water en kartonnen melk die erop staan? Moeten die ook op de kar? Ik krab met mijn vingers in mijn haar terwijl ik naar de tafels staar. Ik hoor de deur openklappen en een geslenter mijn richting uitkomen. Het meisje met de bolle rug neemt de kannen en de melk en zet ze zwijgend onderaan de kar. Ik besef dat ik het meisje aanstaar en wend mijn blik snel af. Ze schuift een vod en een handdoek naar me toe op de tafel voor ons. Ondertussen zit ik al enkele weken op deze school, deze week is het mijn beurt om de refter op te ruimen. Ik kom tot het besef dat ik na die eerste dag school het meisje compleet uit het oog ben verloren. Ik voel mijn wangen branden, ik hoop dat ze het niet merkt. Het meisje zet alles in dezelfde volgorde op de kar. Kan water, karton melk, tassen, bestek en plateaus. Daarna gaat ze naar de volgende tafel en doet ze hetzelfde, ze lijkt wel een machine. Zwijgend begin ik de tafels af te vegen. De volgende dag staan we weer stilzwijgend naast elkaar. Zij zet alles op de kar. Kan water, karton melk, tassen, bestek en plateaus. Ik veeg de tafels schoon. De stilte geeft me een knagend gevoel in mijn buik, alsof ik hem moet verbreken. Ik schraap mijn keel. “Wat is je naam?” breng ik met een kleine stem uit. Het meisje blijft stilstaan voor enkele seconden en zet dan haar taak verder. Kan water, karton melk, tassen, bestek en plateaus. Ik zucht en ga met een handdoek over een tafel. “Het is dus waar dat je niet kan praten,” ik heb al meteen spijt van mijn woorden. Het meisje kijkt met een vragende blik naar mij, ik voel mijn wangen weer branden. Ze slaat haar ogen naar beneden en mompelt: “Laura.” Mijn maag keert zich helemaal om. Wat stom van me, ik had beter niets gezegd. We ontwijken elkaars blik voor de rest van de tijd. Als alles klaar is gaat zij naar haar eenzame eiland en ik naar mijn giechelende meisjeswereld.   “Luna,” zeg ik terwijl we op donderdag de refter weer opruimen, “dat is mijn naam. Sorry voor gisteren.” Laura haalt kort haar schouders op. Het lijkt alsof de volgende minuten wel uren duren. De conciërge zwaait de deur van de refter open en komt met een grote kar binnen. Hij knikt rustig naar ons en zet zijn weg verder naar de keuken.  Als hij aan de bar komt valt in de stilte een oorverdovend geluid. Het hoofd van de conciërge blaast helemaal op en slaat rood uit. Hij haast zich met snelle, korte stapjes weg naar de klapdeur van de keuken. Laura en ik kijken elkaar aan en barsten in lachen uit. “Oh, wat een stank!” schater ik uit terwijl ik met mijn hand de geur probeer weg te zwaaien. “Zeg dat wel,” grinnikt Laura. “Een vuurtje erachter en je had nogal een spektakel gezien!”   Het ijs is eindelijk gebroken. Ik vertel haar over de vele verhuizen van mijn ouders waardoor ik steeds van school moet veranderen, dat ik dat niet fijn vind en dat ik elke keer weer afscheid moet nemen van mijn vrienden. Zij vertelt mij dat ze niet mag  veranderen van school, dat ze graag een nieuwe start zou willen nemen met nieuwe mensen maar dat ze hier vast zit. Dat ik niet liever zou willen dan op dezelfde school te blijven, zeg ik dan. “Mag ik iets vragen?” vraag ik twijfelachtig. “Ik bedoel het niet slecht, maar waarom loop je zo gebogen?” Ze schudt haar hoofd. “Het komt door die gigantische rugzak,” zucht ze. “Welke rugzak?” ik kijk fronsend naar haar maar zie niets dat op een rugzak wijst, enkel haar gekromde rug. “De meeste mensen zien het niet, je moet het willen zien. Kijk maar eens heel goed.” Ik vraag me af of ik haar gek moet verklaren of niet. Ik knijp mijn ogen samen en staar Laura aan. Ja, ze is absoluut gek. Natuurlijk geen rugzak te zien. Dan zie ik de omtrekken van een meterhoge rugzak scherper worden totdat uiteindelijk een gigantische, bruine rugzak te zien is. Ik leun met grote ogen naar achter. Laura trekt haar mondhoeken voorzichtig omhoog. “Je ziet hem nu wel, hé? Iedereen heeft een rugzak, kijk maar bij jou.” Ik ga met mijn handen naar mijn schouders en voel twee riemen. Hoe kan dat? Ik voel een klein gewicht aan mijn rug, de mijne is veel lichter als die van haar. “Wat zit er dan in?” “Dingen die je altijd meedraagt. Erge dingen die zijn gebeurd en die je nooit meer los kunt laten. Die draag je dan heel je leven mee, je hebt geen andere keuze.” Ze kijkt met vochtige ogen naar de vloer. “Ik heb hem al proberen af te doen, heel de rugzak in de vuilbak te gooien, te verbranden zelfs, maar niets helpt.” “Wat erg,” breng ik uit met een zachte stem, “ik wou dat ik iets kon doen voor je, dat moet verschrikkelijk zijn.” Laura glimlacht naar me, haar blik bedankt me. Na een korte stilte vraag ik: “Kan je laten zien wat erin zit?” “Ja, dat gaat wel,” ze neemt haar rugzak van haar rug, haar gebogen rug verdwijnt meteen als ze hem af doet. Als eerste neemt ze er een versleten teddybeer uit. “Als mama en papa riepen naar elkaar, huilde ik altijd uit bij hem,” fluistert ze met een trillende stem. Daarna een kleine, leren koffer. “Toen mijn mama en papa gingen scheiden, moest ik elke week heen en weer met deze koffer.” Dan neemt ze er een leren riem uit. “Hier sloeg papa mijn mama mee, en later ook mij,” Laura haar ogen worden doffer bij elk voorwerp dat ze eruit haalt. Ik wrijf met mijn hand over haar arm, niet goed wetend wat ik anders kan doen. Ik kijk naar de rugzak en dan naar het meisje. “Zal ik het volgende eruit nemen?” Ze blijft voor zich uit staren. Ik reik voorzichtig met mijn hand naar de rugzak en grabbel erin. Ik voel iets duns, maar ontzettend zwaars. Met al mijn kracht trek ik het eruit en vind ik een brief. Hij moet enkele kilo’s zwaar zijn. Ze neemt de brief van me en kijkt hem met lege ogen aan. “Dit is het laatste dat mijn moeder heeft achter gelaten, daarna heb ik haar nooit meer gezien.” Hulpeloos kijk ik haar aan. Kon ik maar iets doen, zeg ik duizend keer in mijn hoofd. Ik kijk naar de gigantische rugzak. Mijn gezicht klaart op, ik doe mijn eigen rugzak af en trek hem open. Dan sta ik op en ga naar de spullen die Laura heeft neergelegd. “Wat ga je doen?” vraagt ze met ogen vol vraagtekens. Zonder te antwoorden stop ik Laura’s spullen één voor één in mijn rugzak. De teddybeer, de koffer, de leren riem en de brief. Ik sluit mijn rugzak en gesp hem op mijn rug. “Zo.” Ze kijkt me net aan alsof ze een spook heeft gezien. “Wat doe je nu?!” “Als we het samen dragen, is het toch minder zwaar. Mijn rugzak is dan misschien iets zwaarder, maar die van jou is lichter. Probeer maar eens.” Laura neemt haar zak op haar rug. Na een paar seconden beseft ze dat ze gewoon recht staat, zonder gebogen rug. Ze loopt enkele meters en weer terug. Geen bejaardenloopje meer. Ze ziet er abnormaal normaal uit zo, met die brede glimlach op haar gezicht.   Sinds die dag dragen Laura en ik samen onze rugzak.

Shelly Wagemans
17 1

Nancy's A cup

het is in geen enkel opzicht te vatten hoe Urbanus, die ook luistert naar de naam Van Anus, het in de kleurrijke jaren 70 al wist. De wereld is om zeep. In de seventies ging je toch gewoon werken, reed je weer naar huis in een auto waarin je verdorie zelf het raampje naar beneden moest draaien, kwam je thuis in je niet geïsoleerde huis met enkele beglazing, draaide je de chauffage op stand 5 (het kostte toch niets) en spendeerde je vervolgens de rest van de avond aan het staren naar een lava lamp? Welke lapzwans durfde in dat decennium dan met dit soort aparte sinistere gedachten rondlopen? Want wees nu eerlijk, op een klepper van een oliecrisis, wat Palestijnen die dachten aanspraak te maken op 5 vliegtuigen, een uit de hand gelopen akkefietje op de Olympische spelen te München en een select groepje Republikeinen die hun grote droom om eens Democraten af te luisteren in vervulling zagen gaan na, was dit toch een vrolijke periode, waarin men al-joint-doorgevend door de aardbeienvelden huppelde?   Neen, beminde gewervelden, de heer Van Anus sloeg hier de nagel op de kop.   Ik weet dat ik veel van jullie vraag, maar ik zou het toch fijn vinden als jullie even meedoen. Sta recht want we springen zomaar even een 40- tal jaren verder. Wees tijdens de sprong voorzichtig in de buurt van de jaren ’80, geen hond die daar wil blijven plakken. Als alles goed is gegaan zetten we nu voet in het jaar 2014. We kijken even rond en we pikken enkele nieuwsberichten mee. Het ziet ernaar uit dat de mensen hier hun eigen problemen hebben. In ons kleine België zitten we met een relatief tot zeer rechtse regering, als we even de Noordzee doorzwemmen en richting Schotland navigeren moeten we goed opletten om niet tegen een separatist te botsen, in Rusland heeft onze kapoen Poetin tussen het berenrijden, mensenrechten schenden en stoer poseren met een zonnebril op door toch nog de tijd gevonden om een schiereilandje tot zich te nemen, en je raadt het nooit: conflict in het midden-Oosten. Het aantal monden die door dit laatste nieuwsbericht openvielen is volgens mij bescheiden. De wereld is ook vandaag nog een beetje als rondwandelen op een kermis om 3 uur ’s nachts: naar welke kant je ook kijkt, het enige dat je ziet is vuil. Komt het ons niet stilaan de oren uit?   Weet je wat ook onze oren zou kunnen uitkomen? Bloed. Omdat originaliteit me nooit prijzen heeft opgeleverd wil ook ik het even over deze epidemie hebben. In tegenstelling tot wat je zou kunnen vermoeden als je de naam “Ebola” uitspreekt, is deze ziekte op het eerste zicht niet zo fijn. Het zal misschien aan mij liggen, maar veel ambitie om met een Kleenex zakdoek het bloed uit m’n oren te peuteren koester ik niet. Kunnen we misschien eens proberen om ervoor te zorgen dat niemand dit ooit nog hoeft te doen? In plaats van onze capaciteiten te gebruiken om golftornooien op de maan te spelen, mensen vanuit de ruimte te laten parachutespringen of zorgen dat Nancy niet langer met haar beschamende cup A rond haar paal moet draaien, kunnen we misschien eerst proberen om mensen daadwerkelijk te helpen?   En dat brengt me terug bij het begin. De wereld is om zeep. Armoede, honger, oorlog, ziekte,… het is even oud als de mens zelf. De ironie van heel de affaire is nu net dat veel problemen op te lossen vallen. Ziektes kunnen genezen worden, honger kan vermeden worden, armoede kan verholpen worden. Er is genoeg geld op de wereld, maar het ligt in verkeerde handen. Zij die geld hebben spenderen het liever aan Nancy’s boezem of om hun tanden te witten om ze vervolgens met ridicuul prijzige sigaren weer naar de kloten te doen. Slaat nergens op toch? We zien dat de stront er ligt, we weten het en wij hebben wc papier. Toch gebruiken we het niet. Zolang we de stront zelf niet ruiken, stoort het niet. Pas wanneer het te laat is, en de metaforische ontlasting zich langzaam maar zeker naar het westen verspreidt, dan gebruiken we ons wc papier. Helaas rijkelijk te laat.

Milan Vandermeulen
0 1

Strabismus

Bruin brood mocht dan wel gezond zijn, maar dat had Valère genoeg moeten eten in de oorlog, tussen het schuilen voor de bommen door.   Nu waren hij en Mariette al lang op pensioen en woonden ze op de vierde verdieping van een chique appartementsblok, waar het leek alsof ze elke dag aan zee waren. Zo was haast alles op een kilometer afstand en vlogen er zelfs meeuwen. Maar zonder de dagtoeristen, dure zeetongen of gezonde jodium. En geen zee, natuurlijk.   De ligging van hun hoekappartement gaf hun veel bekijks. Er waren de mensen van het café, de steenweg met interessant verkeer, de stoet van schoolgaande kinderen, en het plein waar elke maand een groot evenement plaatsvond.   Terwijl Mariette de restanten van een zonsopgang aanschouwde, omhelsde Valère haar. In de hoekramen zag hij twee oude mensen staan. Veel ouder dan hij zich voelde. Hij nam haar handen vast. Ouderdomsvlekken. Streelde haar zachte oude vel. Rimpels. Lang kon hij haar niet vastnemen. Dat deed pijn.   ‘Daar,’ zei Mariette, ‘kan je het zien? Ons oude huis.’   Een jaar geleden hadden ze nog in een villa gewoond. Met een tuin. Maar Valères slechter wordende gezondheid had hen gedwongen doen verhuizen naar wat hij als hun laatste halte beschouwde. Althans de zijne. Was dit het dan?   De kerk konden ze niet zien vanuit hun appartement, maar hij begon er meer en meer aan te denken. Hij maakte zich ongerust dat niet alles in orde zou zijn op zijn begrafenis. Dat er mensen te laat zouden zijn, dat…   ‘Kom, Valère, het is tijd om te winkelen.’ Mariette nam haar zakdoek, dipte die op haar tong, en veegde zijn mondhoeken proper. ‘Je hebt daar nog wat soldatenkoek hangen,’ zei ze vastberaden. Die gewoonte van haar was begonnen in de tijd dat ze nog jonge kinderen hadden. Nadat die hadden leren eten had ze haar opvoeding verder gezet op Valère. En nu deed ze het vele keren per dag, want het dik speeksel dat zich ophoopte in zijn mondhoeken vond ze wansmakelijk.     Eenmaal in de wagen, reden ze de parking uit zonder blikschade, wat Valère normaal optimistisch stemde. Maar niet vandaag, want dat onbehaaglijk gevoel van de laatste tijd bekroop hem weer.   Zijn vrouw reed niet meer met de auto sinds ze dertig jaar geleden eens gebotst was. Zou ze het ondertussen verleerd zijn?   ‘We moeten voortmaken,’ zei zij, ‘want straks komt de oudste van ons Pascale de computer maken.’   Dat maakte Valère nog zenuwachtiger. ‘Hoeveel tijd hebben we dan om te winkelen?’   ‘Een uur.’   ‘Maar, bel hem dan dat we nog maar net vertrokken zijn naar de winkel. Een uur… Mariette, dat is te kort.’ Hij hapte naar adem.   ‘Doe dan voort,’ zuchtte ze.   Iets later kwamen ze aan bij de winkel die eigenlijk erg dichtbij was, maar toch te ver om de boodschappen te voet naar huis te dragen.   Bij het uitstappen stootte Valère weeral zijn hoofd. Hij vloekte, en voelde aan de bult die al jaren was overgroeid door een grote gebarsten korst.   Tot enkele weken geleden spraken ze nog af met een bevriend koppel aan de winkel om een koffie te drinken in het café ernaast. Maar de man was nu dood. Voor diens begrafenis had de weduwe, Irma, gevraagd kleurrijk gekleed te komen. Dat had Valère geweigerd uit principe, maar Mariette had hem ertoe verplicht.   Mariette leek zijn gedachten te lezen. Plots zei ze: ‘We zouden nog eens moeten afspreken met Irma. Ze zit veel alleen de laatste tijd.’   Valère gromde. Hij had met Irma doen, maar het zat hem nog altijd dwars. Een onnozelaar in een kanariegeel kostuum. Op een begrafenis! Hij had verdomme zijn been stijf moeten houden!   Er was slecht weer op komst. Voorzichtig stapten ze naar de schuifdeuren. Vorig jaar was hier nog een vriendin van hen gevallen. De heupoperatie had haar op slag tien jaar ouder gemaakt.   De manier waarop Mariette een winkel binnenkwam deed Valère altijd denken aan de kippenren van zijn vader zaliger. Kop naar voor en achter. Loshangend nekvel. En kakelen.   Nadat ze nog eens met haar zakdoek langs zijn mond had geveegd, ging ze naar de beenhouwer. Dat betekende dat Valère een kar moest nemen om dan bij haar te gaan wachten. Als een onnozelaar.   Al jaar en dag kwam hij in deze winkel, maar de jeugdige bediende aan het rek met karren had hij nog nooit gezien. Die zei: ‘Meneer, kan ik u helpen?’   Valère knikte eens nors terug, wilde een kar nemen, maar die blokkeerde even.   De bediende kwam dichterbij en riep nu in zijn oor. ‘Kan ik u helpen, meneer?’   Valère was geïrriteerd, maar wist niet wat zeggen. Hij vond het steeds moeilijker om te praten tegen nieuwe mensen.   De bediende kwam nog wat dichter en legde begripvol een hand op Valères schouder. ‘Kan ik u helpen, meneer?’   Maar Valère voelde zich getutoyeerd. Hij schudde kwaad zijn hoofd en zijn oude schoolmeesterstem haalde de bovenhand: ‘Het lukt, dank u!’ Hij rukte de kar los en duwde die rakelings voorbij de bediende.   Hij voelde zich opgejaagd. Zijn hart klopte luid en onregelmatig in zijn borst. Hij sloeg in paniek en begon te trillen. En plots… zag hij alles wazig.   Wankelend, steunend op zijn kar, schuifelde hij naar de beenhouwer. ‘Mariette,…’ lispelde hij.   Maar die was druk aan het kakelen.   ‘Heb je het gehoord van Gilbert?’   ‘Ja. In zijn slaap.’   ‘Dat is nog een schone dood.’   ‘Mariette!’   Toen die zich eindelijk omdraaide, slaakte ze een gil. ‘Valère!’   Ze hadden nog nooit zo snel gewinkeld. En de hele tijd had hij niet mogen opkijken van zijn vrouw. Zij had de kar gereden. Zij had betaald. En toen ze bij de auto waren gearriveerd, had zij ook alle boodschappen ingeladen. Allemaal erg ongewoon, maar de ernst begon hem pas te dagen toen zij haar hand had uitgestoken. ‘Sleutels.’   ‘Je hebt al dertig jaar niet meer gereden,’ kreunde hij.   ‘Jaja, sleutels.’   Hij was niet graag passagier. ‘Wat scheelt er met me, Mariette? Ik ben echt niet goed.’   Ze fronste bezorgd.   Eenmaal op het appartement had hij niet de typische ziekenverzorging gekregen. Geen thee, geen pijnstiller, geen lieve woorden.   Mariette stapte uit de slaapkamer met haar maquillagespiegel. Ze aarzelde even, maar hield die dan toch voor Valères gezicht.   En toen zag dat hij scheel keek. Als een otter. Twee keer.   Mariette nam de telefoon.   ‘Wacht!’ zei Valère, ‘wat ga je doen?’   ‘De dokter bellen, tiens. Je kijkt scheel als een onnozelaar. Dat is toch niet normaal?’   Hij zei koppig: ‘Ik ga niet in die wachtzaal zitten.’ Maar Mariette was al aan het bellen.   Ze legde af en zei: ‘Vanavond hebben we een afspraak.’   ‘Maar…’   En ze gaf hem een zonnebril.   ‘Voor straks?’   Ze lachte krampachtig. ‘Zet hem nu ook al maar op. Werkelijk, het is geen zicht.’     Hoe ouder je wordt, hoe meer je naar de dokter zou moeten gaan. Maar elke keer dat je gaat, kan die nog minder doen dan de vorige keer. Daarom at Valère elke dag een appel om gezond te blijven. En een soldatenkoek.   Hij wist dat hij een ondraaglijk humeur had vertoond de laatste weken. Iedereen had ervan moeten lusten. Zijn vrouw, kinderen, kleinkinderen, schoonfamilie, … Zelfs zijn vrienden wilden niet meer met hem kaarten.   ‘Ogen open!’ zei Mariette streng. Een nieuwe dag en weer druppels in zijn ogen, zodat hij niet dubbel zou zien.   Mariette fronste, pakte haar zakdoek en wreef zijn mondhoeken schoon.   ‘Nee!’ zei hij plots en hij sloeg haar hand weg.   ‘Valère!’ riep Mariette geschrokken.   ‘Ik ben geen gehandicapte! Stop met me zo te behandelen!’   ‘Kalm, Valère, …of-’   ‘Of wat? Of ik ga nog scheler kijken? Veel scheler dan dit kan het nochtans niet. Verdomme.’   Hij stapte naar de hoek van het appartement tussen de twee vensters en keek naar het begin van een miezerige ochtend. Hij hoorde Mariette naar de keuken stappen en met gerief beginnen rommelen.   Zijn vrouw had auto gereden, klussen gedaan, … Alles wat zijn pensioen nog betekenis had gegeven de voorbije jaren was uit zijn handen ontnomen.   En hij was dingen gaan vermijden uit schaamte. Zo was hij al weken niet meer mee gaan winkelen.   Mariette kwam uit de keuken en haalde diep adem. ‘We moeten naar de winkel,’ zei ze gerepeteerd.   Het woord viel als een bom.   Even wachtte ze nog, maar zuchtte dan, en nam de autosleutels al van de haak. Ze leek zo kwetsbaar.   ‘Wacht…, Mariette…’ zie Valère, en hij stapte naar haar toe, wreef over haar zachte handen, en nam de sleutels. ‘Laat mij gaan. De dokter zegt dat ik het kan.’   Haar gezicht klaarde op. ‘Hier is het lijstje.’   Hij winkelde niet graag alleen, maar deze keer stond er veel op het spel.     Moe van de autorit, maar tevreden van de overwinning, was de winkel donker met zijn zonnebril. Hij nam een kar en negeerde de jonge bediende die in de buurt stond.   Ze hadden de laatste weken blijkbaar de opstelling van de rayons en de producten gewijzigd. Verdomme, dacht hij, niet nu.   Iets later zat hij nog maar in de helft van zijn lijst en was hij al uitgeput. Hij zocht naar de soldatenkoeken, maar die leken wel verstopt tussen een massa andere merken. Overdaad. In mijn tijd waren soldatenkoeken nog genoeg.   Hij deed zijn ogen dicht om de gonzende hoofdpijn te sussen, en probeerde de juiste koeken te vinden door de verpakking te betasten. Gebukt en gehurkt. Zijn hele lichaam deed nu pijn.   ‘Meneer?’ vroeg plots een fijn stemmetje. ‘Kan ik u helpen?’   Hij deed zijn ogen open en zag een lief meisje van zo’n tien jaar. Voor de eerste keer in weken deed hij zijn zonnebril af.   Dat deed het meisje vrolijk hardop lachen. En ze stopte niet.   Eerst voelde hij zich beschaamd. Maar haar lach was zo aanstekelijk dat al snel de tranen uit zijn ogen stroomden. De pijn ebde weg.   ‘Ik zoek soldatenkoeken,’ zei Valère na een tijdje.   Prompt pakte het meisje een doos koeken uit het rek en gaf die aan hem. ‘Ziezo!’ En ze dartelde weg.   ‘Bedankt,’ fluisterde hij na.   En thuis zou hij merken dat het geen soldatenkoeken waren, maar zachtere koeken met een zoete smaak, en een kinderachtig beertje op de verpakking. Maar hij zou die opeten met smaak.   En erna zou Mariette zijn mondhoeken mogen afvegen.      

Han Hartmoed
0 0

Positief reisadvies voor India

Positief reisadvies voor India:  DE TIEN GEBODEN 1. Gij zult niet opvallen   Neem (liefst onbewust) een aantal van de plaatselijke gewoonten over, kwestie van te integreren, dus camoufleren, dus minder op te vallen. In India betekent dat ondermeer:  - met je hoofd bijna nee schudden (alsof je zou tonen "allez dan, tis goe voor ene keer") wanneer je eigenlijk gewoon 'ja' bedoelt. - bij het drinken van een fles water giet je het water in je mond zonder de opening van de fles met je lippen aan te raken. - je voedsel zo vaak mogelijk met je handen opeten (NVDR: Joachim bedoelt eigenlijk één hand en alsjeblieft je rechter) 2. Loof de Heer (maakt niet uit welke) Vraagt iemand naar je religie? Kies er gewoon 1 uit: Christen, Moslim of desnoods Jehova, maar begin niet te lullen over atheïsme. Het is alsof je het Belgisch federaal systeem zou proberen uitleggen aan een Chinees in het Duits.  3. Vermijd overbodige ongemakken Ga je voor een lange busrit? Laat dan op je GSM een herinnering, genaamd 'rugzak', 15 minuten voor de geplande aankomsttijd afgaan om het bewuste voorwerp zeker niet te vergeten. Gaat de man in de zetel voor je even weg voor een plaspauze, draai dan ongemerkt zijn zetel wat naar voren, kwestie van wat meer beenruimte te scheppen voor jezelf. 4. Verwacht steeds het onverwachte Zelfs als je denkt in alle rust op het strand te liggen kan je wakker worden met een aap op je gezicht, een schijtende (doch nog steeds heilige) koe naast je, en mogelijk passeren er een paar zatte locals die lachend (!) een zeil versleuren met daarop open en bloot de lijken van 2 pas verdronken Indiërs. Dat er 5 minuten later een andere zatlap trots een 2de duim aan zijn rechterhand komt tonen, maakt de onvoorspelbaarheid alleen maar groter. 5. Gij zult nooit onder je bed kijken   Zoek nooit naar ongewenste levensvormen in je kamer. Wat niet weet, niet deert. 6. Wees nooit bevreesd   Voel je niet te snel bedreigd! Zelfs niet als je alleen in een afgelegen automaat geld afhaalt en er 15 Indiers binnenglippen om je hand te schudden, mee te kijken naar het computerscherm en vooral te profiteren van de gratis airco.   7. Wees geeeeeeeeedddddddddduuuuuuuuullllllllllllllllllllllllllddddddddddddiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiggggggggg en adem door je mond   Met een beetje pech sta je met je zweetsleffers en bagage 4 uur aan een stuk recht in een belachelijk volle trein. Met een beetje extra pech word je verdrukt richting een 170cm lage doorgang en sta je het langste uur van je leven in de deuropening van de wereldwijd gerenommeerde, door Unesco beschermde Indische treintoiletten. Nadat je beseft dat een uur je adem inhouden net iets te lang is, word je spontaan jaloers op de 2 zwarte, geurwerende tenten naast je en de moslima's die zich eronder verschuilen. Allah Akbar! Hun man gunde hen zelfs geen oogluikje! Ik kook vanbinnen, maar zie het oogluikend aan (komaan, deze woordspeling schreef zichzelf).    8. Wees mild ten opzichte van schrijffouten De lieve Indiers bedoelen het immers beter dan het klinkt: - French Fried (nee, ze willen echt geen Fransman frituren) - Chess omelet ( de Gary Kasparov onder de eieren) - T-shirt van Iran Maiden (de bekende Perzische Heavy Metalband) - Jackem Stood (rechtstreeks overgeschreven van mijn paspoort en geef toe: het klinkt beter dan het origineel) 9. Gij zult ten allen tijden flexibel zijn   Het moet gezegd: India is hemel en hel, slow motion en fast forward EN dit volgens mij meest diverse land ter wereld (qua cultuur, religie, hiërarchie en natuur) is tevens zowel middeleeuws als hypermodern                               kreupele naast straatkind naast mangoboer naast IT-specialist                     krot naast shopping center                                                                                                                                                                        Gladiator naast The Matrix                                                                                                  en ik ertussen als kameleon. Als je denkt tegen meer dan de helft van bovenstaande geboden te zullen zondigen... 10. Blijf hier weg en geniet ten volle van Belgie

Joachim Stoop
0 0

Witte Jassen

Goed nieuws, op het journaal zag ik, dat er een film is gemaakt over de situaties van de geïnterneerden in België. Mensonwaardige toestanden, een beschaving onwaardig.Het was alsof een archief tot leven kwam. In een flits kwam het allemaal terug. Het moet ergens in de jaren 80 geweest zijn. Bijna 35 jaar geleden.Op werkbezoek bij een geïnterneerde in de gevangenis van Merksplas, de gesloten afdeling nog wel. Door een doolhof van gangen en poorten leek het meer op een afdaling naar de catacomben.Voorbij mensen waar het leven uit weggevloeid lijkt, zij die sterven groeten U.Kleding en meubilair leken afkomstig uit het museum Ghuislain.Eén sociaal assistent, en een half time psychiater voor de “behandeling” van enkele honderden mensen met psychisch lijden.“Ik had liever een veroordeling gehad, dan wist ik wanneer ik buiten kwam, nu zit ik in de vergeetput van Merksplas. Gelukkig zit ik niet In Doornik, daar is het naar schijnt erger”. Waarvan akte, al kon ik me dat echt niet voorstellen.In het jaar des Heren 2014 leken de beelden wel heel  erg hard op deze die in 1980 op mijn netvlies zijn gebrand.Ik had al menige tijd doorgebracht in diverse gevangenissen, dus ik had al wel wat gezien en gehoord. De wc potten, het geluid van rammelende sleutels, van sloten die dicht vielen. Tot twee opstanden toe.En toch was er één opmerkelijk verschil, daar op de afdeling van de geïnterneerden, de cipiers, nu penitentiair beambten, hadden allen een witte jas aan.Zo kon er geen misverstand zijn, hier zijn zieken opgesloten, hier wordt verpleegd.Ik vraag me af, zou dat vandaag nog zo zijn?Kwestie van een verschil te maken.

dirk adijns
0 0

versmeltende chemie

Er waren eens 2 cellen, Cella en Menno, die opbotsten tegen mekaar. Chemie van op het eerste moment. Menno vraagt aan Cella: ' Zullen we de uitdaging aangaan? ' waarop ze antwoordt: ' Het is afhankelijk van waar je de uitdaging legt.' Toch de fysieke aantrekking was zo sterk dat beiden verblind werden door de chemie. De membramen van Cella en Menno raakten mekaar en pats ... de versmelting der cellen was een feit. Cella:  Aantrekking is als een magneet. Maar wat trekt ons zo aan aan mekaar? We kennen mekaar niet eens. 'Het zal jouw schoonheid zijn' , zegt Menno. Cella: Maar dan is de vraag hoelang ik jouw uitdaging blijf? Als wij als 2 cellen uitgroeien tot een luchtbel, spat ie vroeg of laat uiteen. Menno: Zo ver zal het nooit komen.  Cella: Of wat als je vroeg of laat, wanneer je een niveautje hoger gaat, de uitdaging dreigt te verliezen? Als er dan iemand van ons 2 niet ontwaakt, is voordat je het weet, de tegenpartij 'gone with the wind' .... opgezogen door een andere voorbijzoevende magneet. Menno: Dan zal ik jouw duwen tot in de uiterste holle zijde van jouw cel, zodat er een lichtje gaat branden. Als je er dan voor open staat, is er een mogelijkheid samen uit te groeien tot een verrijkende parel. Een parel zo verrijkt, dat hij ondanks de aantrekkingskrachten van de voorbijzoevende magneten, toch niet gaat zweven en met de voetjes op de grond blijft. Want onthou: perfect zal het nooit zijn. Dat is een utopie. Een evenwicht vinden is al een kunst op zichzelf. Het feit dat je voortdurend in beweging bent, zal er nooit een constant evenwicht zijn.

melissa
0 1

Concha's kinderen

Heeft de trein naar Prades vertraging of heeft ze hem gemist vandaag? Concha kijkt eerst naar de stationsklok, dan naar het elektronisch bord en besluit dan dat hij te laat is. In ieder geval later dan gewoonlijk. Op het perron staat niemand aan wie ze het kan vragen, behalve de twee jongetjes die net als zij elke woensdag de trein nemen en bij de tweede halte, in Saint-Feliu-d’Avall, al uitstappen. Het lijkt niet erg praktisch om aan hen te vragen of ze soms weten of de trein vertraging heeft, maar ze gaat toch dichterbij staan. Ze willen immers op dezelfde trein en er is duidelijk iets niet in orde.   Nu verschijnen er rode cijfers naast het vertrekuur op het elektronisch bord. ‘Hij heeft acht minuten vertraging,’ zegt de oudste jongen half tegen zichzelf, half tegen haar. Ze knikt. Er is iets vreemds aan de jongen. Iets dat haar nieuwsgierigheid wekt en haar tegelijk op afstand houdt. Het zijn de flipflops, denkt ze eerst. Het zijn slippers met goudkleurige bandjes, een maat te groot. Misschien zijn ze van zijn moeder, denkt Concha en in gedachten ziet ze een vrouw die haar kind goudkleurige slippers doet aantrekken omdat hij de trein moet halen en hij zijn sandalen niet vindt. Het zijn die kleren ook, dat gebloemde hemd op een geruite short. En dat gezicht van die jongen. Het zijn de tanden. Nu ziet ze het. Hij heeft erg grote tanden.   De jongen glimlacht naar haar. Aan zijn gestalte schat ze hem een jaar of tien. Maar dat gezicht, die oplettende ogen, hij lijkt ouder. Het broertje -zou het zijn broertje wel zijn?- ziet er heel anders uit. Een bleek gezichtje, grote donkere ogen, lange wimpers. Een kind dat nog een kind is. Hij komt naast haar staan en pakt haar hand. Het handje plakt. Ze wil het van zich afschudden maar doet het niet.    ‘Oma,’ zegt het kind. Ze schrikt. Zie ik er zo oud uit? Ze probeert het handje los te laten, maar het houdt stevig vast. Het broertje komt ertussen.  ‘Laat los, Audric! Dat is oma niet. Oma is dood.’ Hij kijkt haar verontschuldigend aan. De trein dendert het station binnen. Acht minuten geleden waren ze nog vreemden voor elkaar. Nu stappen ze op, met hun drietjes. De oudste voorop, dan Concha met Audric aan haar hand.   ***   Voor de kinderen maakt de richting niet uit. Concha zit graag met de rug naar Perpignan en het gezicht naar Prades. Weg van haar werk in het rusthuis waar ze al vierentwintig jaar de vloeren dweilt en de badkamers poetst. Op weg naar haar appartement in Prades, met het gezellige terrasje achteraan en de smalle keuken waar ze vanavond fideuà zal koken voor haar zoon Enrique.             Ze kan nu niet denken aan Enrique en aan wat ze nog moet kopen voor het avondeten -zure room niet vergeten- want de kleinste klimt op haar knieën. Hij knijpt in haar been tijdens het klimmen en het doet pijn, maar nu ze weet dat hun oma dood is, kan ze het niet over haar hart krijgen om hem meteen van haar schoot te tillen. Audric zoekt een plekje dat lijkt op het plekje van oma, ergens in het midden van haar dijen, zodat hij stevig zit en zijn hoofd tegen haar schouder kan leggen zonder om te vallen. Concha’s handen willen hem helpen, hem tegen haar lichaam trekken, maar ze laat haar handen op de zitbank rusten.   Ze vraagt aan de oudste jongen hoe hij heet. De trein zoeft en de wagon rammelt, daarom komt hij naast haar staan.  ‘Fabien,’ zegt hij in haar oor. Fabien en Audric. Ze vragen haar niet hoe ze heet. Voor Audric is ze ‘oma’.   ‘Ben jij een oma?’ vraagt Fabien. Ze schudt haar hoofd. Ze liegt. Ze weet meteen dat ze liegt, ze was het niet vergeten, maar het is te laat, ze heeft haar hoofd geschud. ‘We moeten eruit in Saint-Féliu,’ zegt Fabien. ‘Wonen jullie daar?’ vraagt ze, om iets te vragen, om iets te zeggen, om niet meer te moeten liegen.  ‘Mama woont daar,’ zegt Fabien, ‘en papa woont in Perpignan’. ‘En wij wonen in de trein.’ Hij lacht zijn grote tanden bloot om zijn eigen grapje. Hij blijft naast haar staan in het gangpad, de voeten gespreid om zijn evenwicht te bewaren. Als de trein schommelt, houdt hij zich even vast aan de rugleuning van de bank waarop ze zit. Maar als hij in evenwicht is, houdt hij de handen in zijn zijde. Nog iets wat hem ouder doet lijken, alsof hij gehaast is om bij de grote mensen te horen.   Concha voelt zich ingepalmd, overmeesterd. Ze is te verbaasd om te denken en nog vragen te stellen. Fabien vertelt, de handen op de heupen, over mama’s huis met een tuin en een notelaar, waar ze straks noten zullen rapen -de afgelopen dagen zullen er weer veel gevallen zijn- en waar ze zullen wachten op mama, in de tuin of bij de buurvrouw soms. Audric ligt nog steeds tegen haar schouder. Een handje -niet het kleverige- dwaalt rond haar hoofd, voelt aan haar oorbel en aan de clip in haar haar. De kam komt wat los. Straks, als ze uitgestapt zijn, zal ze haar kapsel wel weer in orde maken   ***   In Saint-Féliu staan ze te zwaaien. Ze blijven zwaaien tot de trein zuchtend optrekt. Concha zwaait tot ze kramp in haar arm krijgt, tot ze uit het zicht zijn.   Waar was ze gebleven? Bij Enrique die vanavond komt eten en de fideuà die ze voor hem zal koken. De inktvis ligt al in de koelkast, vermicelli heeft ze altijd in huis. Witte wijn en zure room moet ze nog halen. Enrique zal haar ophalen en ze zullen samen boodschappen doen. Ze zal zich weer ergeren aan zijn sloomheid. Van wie heeft hij dat? Ze kan zich nauwelijks zijn vader herinneren. Hij was al weg voor zijn zoon geboren werd. Als Enrique nu eens een vrouw vond, een fijne jonge vrouw, een schoondochter. Ze zouden nog kinderen kunnen krijgen. Enrique en de schoondochter die ze in gedachten heeft, ze probeert het zich voor te stellen, maar het werkt niet. Enrique en een vrouw. Het zou een wonder zijn. En dus onmogelijk.   Bijna even onmogelijk als zelf nog kinderen krijgen. Er komen geen kinderen meer. Ook al liegt ze dat ze geen oma is, ze heeft er de leeftijd voor. Ook al ziet ze er jong uit, draagt ze jeans en sneakers, verft ze haar haar donkerrood en draagt ze grote zilveren ringen in haar oren. Ze is oma.   Ciri kent haar oma niet. Ze weet misschien niet eens van haar bestaan. En Concha weet alleen dat ze Ciri heet -aan de naam is ze gewoon geraakt- en dat ze nu negen is. Zou ze vragen stellen aan Blanca, haar mama?   ‘Heb jij een mama? Heb ik dan een oma? Waar is ze dan?’ Ze legt haar moeder op de rooster tot Blanca zwicht en zelfs inziet dat het gedaan moet zijn met die onzin. Dat zij, Blanca en Ciri, samen oma Concha zullen opzoeken. Ze woont nog steeds in dat kleine flatje in Prades. Ze zal niet verhuizen, want ze hoopt dat Blanca op een dag aan de deur zal staan. Ze zullen elkaar om de hals vallen en om vergeving vragen. Wie moet wie vergeven? Ze weten het al niet meer. Ze zullen lachen en huilen, zoals je dat soms op de televisie ziet.   Concha kijkt niet meer naar dat soort programma’s. Ze kent haar dochter. Haar koppigheid. Ze weet niet meer hoe het begonnen was, maar wel nog de woorden. Hoe gewond ze zich had gevoeld. Hoe waar het was dat ze Blanca teveel alleen had gelaten. Dat ze niet had nagedacht over wat met een meisje kan gebeuren, een kind nog. Dat ze soms bij een minnaar was gebleven in de hoop dat hij bij haar en haar zwijgzame zoon en opstandige dochter zou komen wonen. Was ze daarom slecht? Verdiende ze dat woord? Dat woord dat ze zelf nooit zou gebruiken?   De trein vertraagt en maakt een bocht. Tussen Vinça en Marquixanes komt de Canigou in zicht. Hij is grijsbruin en zwart aan de top, het is nog te vroeg voor de eerste kraag sneeuw. Ze houdt van de Canigou, van zijn massieve aanwezigheid, zoals iedereen die hier woont ervan houdt. Hij is troost en belofte voor al wie dat soms nodig heeft. Soms kijkt ze minutenlang naar de bergen vanop haar terrasje en denkt aan het land dat daarachter ligt. Ze is nooit meer de grens overgestoken. Spanje is te groot, waar moest ze beginnen zoeken?   ***   Enrique staat bij het hekje waar hij al die jaren elke woensdag staat. Nadat Blanca vertrokken was, werd het snel een gewoonte. In het begin hadden ze het nog dikwijls over Blanca gehad. Waarom toch? Waarom zo plots? Waarom was ze zo kwaad? Wat had ze misdaan? Waarom zonder adres, zonder telefoonnummer achter te laten? Enrique had geen antwoorden. Hij luisterde en knikte of schudde zijn hoofd. Hij klaagde niet. Hij zei nooit : ik ben er ook nog, mama. Hij zei dat niemand in de streek zo‘n lekkere zarzuela kon maken als zij. Ze deed haar best. Ze wou dat hij bleef komen.   Hij blijft komen. Het is een gewoonte. Nee, het is meer dan een gewoonte, het is trouw. Trouw, dat is het woord dat bij Enrique past. Sloom, maar trouw. En dan hoopt ze weer heel even dat hij iemand vindt die van hem houdt. Een vrouw, of toch iemand.   Zoals hij daar staat, de handen in de zakken. De rust, de kalmte die hij meebrengt als hij in haar richting komt en haar op beide wangen kust. Ze slaat haar armen om zijn nek.  ‘Hijo mío,’ fluistert ze. Hij maakt zich glimlachend los uit haar omhelzing en zegt dat ze laat is.    ‘De trein had al vertraging in Perpignan,’ zegt ze, ‘dat is nog nooit gebeurd. Deze niet.’   Ze ziet weer de rode cijfers op het bord, ze denkt aan de warme adem van Fabien in haar oor, ze voelt nog wat plakkerigheid in haar hand. En ze weet zelf niet zo goed wat haar zo blij maakt.  

Christine Van den Hove
7 0