Lezen

De Rode Duivels

Ik voel me een kunstenaar, een echte. Erkenning voor het werk blijft echter achterwege en ik ram mijn projecten door de mensen hun strot. Ja, ik ben een kunstenaar, op de bodem van de kunstzinnige hiërarchie. Zonder naam, geen faam en ik beperk me tot sloten koffie en honderden sigaretten. Gerolde sigaretten,  want zonder erkenning kan ik me geen echte permitteren.    Een Kafka of Poe ben ik niet, ten minste nog niet , maar alles is mogelijk met een beetje goede wil van mijn fanbase. Al begrijp ik nog niet heel goed wat die fanbase, of de maatschappij als kunst beschouwt.   In keukens verspreid over heel de wereld worden tekeningen en gedichtjes van kleine koters met liefde en enige zorgvuldigheid tentoon gesteld op de koelkast of het prikbord. Ouders en grootouders aller landen, verenigt u, want er is weer een kleine Picasso herrezen in de kleuterschool.  Pff, nu haat ik mezelf, want ik ben jaloers op een tekening van een zon die hoogstwaarschijnlijk zijn tong uitsteekt en zwarte letters 'M' die vogels moeten voorstellen. Vrienden en familie van het kleine wereldwonder kunnen niet anders als de genialiteit bevestigen en de vijf jarige opdonder wordt een succesvolle toekomst gegarandeerd.   In mijn kast en op mijn laptop staan honderden, zo niet duizenden foto's van mijn eigen klein wereldwonder. Foto's die natuurlijk enkel interessant zijn voor hem, mezelf en heel misschien nog wat naaste familie. Voor de rest maalt er niemand eigenlijk echt om. Had ik de kleine vroeger maar in een ijzeren emmer of gieter gestoken alvorens de foto te nemen, dan was ik beroemd. Al moest dat dan blijkbaar wel gebeuren als het kind sliep, anders telt het niet.    Gedichtjes over een dag op de boerderij krijgen een plaats in het lokaal schoolkrantje, de schrijver wordt thuis allicht gebombardeerd tot de nieuwe Hemingway van onze generatie. Kon ik ook maar schrijven over de boerderij of over de inhoud van een boekentas, moeder zou zo trots op me zijn. Eindelijk mijn verhaal op de koelkast. De hele familie zou mijn gedicht lezen en dan zou er een waar volksfeest losbarsten omdat ik zo fantastisch ben. Misschien krijg ik zelfs een nieuwe fiets of mag ik kiezen wat we vanavond eten. Mexicaans olé!!     De verhaaltjes die ik schrijf komen niet op het prikbord, er zijn geen magneetjes meer om ze op de koelkast te delen en zodoende zit Mexicaans eten er weer niet in vandaag. Honger...     Wat ik doe is niet zo belangrijk, schrijvers zijn sukkelaars en mijn droom moet achter slot en grendel worden opgeborgen. Ik moet aanvaarden dat rottend vlees kunst is. Wat zou ik de mensen graag uitnodigen om mijn vuilzak eens te doorzoeken, mijn plaats in het Guggenheim zou verzekerd zijn. Helaas, zelfs mijn vuil is onbetekenend in deze wereld.   Ik troost me met de gedachte dat ik door de titel van dit stuk toch enkele lezers heb weten te strikken. En dat lieve lezers, dat is kunst!  

Chandra Rowe
6 0

Achter de heuvels

‘Ik vertel je een verhaaltje Daniek, eentje voor het slapen gaan, een korte dat wel’. Ik knikte met slaperige ogen en trok mijn blauwe deken nog wat verder over me heen. Papa leunde tegen de muur en schoof zijn benen onder zich. ‘Ken je dat verhaaltje van de mevrouw tussen de groene heuvels?’ Hij wachtte mijn antwoord niet af. ‘In een land hier ver vandaan woonde tussen de groene heuvels een jonge vrouw. Lange golvende blonde haren had ze en haar ogen straalden altijd, alsof de lente in haar woonde. Ze was geliefd onder de mensen tussen de heuvels, vooral onder de mannen en ze vielen als blokken voor haar mooie verschijning. Vaak werd ze meegevraagd naar feesten of andere gelegenheden, maar ieder wees ze af. Eén man wist maar niet van ophouden, hij was donker en knap, elke zondag liep hij langs haar huis om haar een bos prachtige bloemen te brengen en met haar mee te lopen naar de kerk. De vrouw nam de bloemen aan en accepteerde zijn gezelschap, maar wanneer hij haar vroeg om ’s avonds met hem mee te lopen zodat ze de ondergaande zon konden bekijken op de hoogste heuvel van het land, weigerde ze. De tijd verstreek en de jonge vrouw werd ouder, haar glanzende ogen straalden niet meer altijd, ze was eenzaam geworden. Vaak zat ze in haar huisje op een stoel naast het raam en staarde naar de groene heuvels, fantaseerde over de wereld erachter. Ze droomde van de perfecte man, die haar kwam redden uit dit saaie gehucht en haar mee zou nemen naar de mooiste plekken op aarde, met vrolijke mensen die altijd feest vierden en nooit verdriet hadden. Nog steeds kwam elke zondag de donkere man om bloemen te brengen en met haar mee te lopen naar de kerk. De jaren verstreken, de blonde haren van de vrouw kleurden grijs en ze verloor het laatste restje glans uit haar ogen. Ze zat de hele dag op haar stoel met een hart dat groot en zwaar was van de verlangens die erin rondwaarde. Haar hart was zo zwaar dat ze nauwelijks nog uit haar stoel kon komen. Haar rug was krom getrokken en haar gezicht gerimpeld van de opgesloten dromen die tegen de binnenkant ervan duwden en smeekten om een uitweg. Het was zondag en de donkere man kwam aan de deur, de oude vrouw deed niet open. Toen de man naar het raam liep zag hij haar roerloos zitten in haar stoel, haar ogen nog geopend, staarden naar het niets. Hij opende de deur en ging naast haar zitten en wachtte. Toen de middag bijna aan zijn einde was gekomen tilde hij haar uit haar stoel. Ze was mager geworden en haar stijve lichaam was makkelijk te tillen. Hij droeg haar in zijn armen, helemaal naar de hoogste heuvel van het land. Daar legde hij haar neer en keek met haar hoe de zon langzaam naar beneden zakte. In het laatste licht waren huizen te zien uit een land ver weg van de groene heuvels. Duizenden lichtjes waren te zien daar beneden, alsof de hemel zich daar bevond en niet pal boven hun hoofden. Het was een grote stad, met hoge kerken en mooie gebouwen. Het was een stad waar de mensen altijd vrolijk waren en feest vierden en daar in die stad had geen mens ooit verdriet. De donkere man liet zijn bloemen bij haar achter en liep in het donker terug naar huis.' Papa zweeg. Ik zweeg ook, want ik sliep.   Nu ik hem jaren later tref, op dit donkere station, waar hij onderuitgezakt tegen de muur zit op de vieze koude grond, met zijn ogen halfopen starend naar het niets, met de naald nog in zijn arm. Precies nu snap ik wat mijn vader bedoelde met het verhaaltje, wat ik toen maar verdrietig vond en een beetje eng. Ik kijk naar zijn uitgemergelde lichaam, zijn hangende gezicht en het enige wat ik kan bedenken is dat ik hoop dat hij het gevonden heeft in het duister. Zijn paradijs achter de heuvels. De agent naast me kucht ongemakkelijk. ‘Is..of ik bedoel misschien uh..was dit uw vader?’ Ik kijk de agent recht aan en glimlach. ‘Ja, dit is mijn vader’.

anemonemaan
0 0

AGUARDIENTE

een beeld van het groezelige Havana aan de hand van twee tekstfragmenten Mijn gelaat gloeit door de rode bol die langzaam in zee zakt. Quasi het gehele jaar gaat de zon hier tussen zes en zeven onder. Een rozig strijklicht streelt hun gelaat dat verschoten is, verschaald als een lauwe pint. De verweerde façades tonen zich ongegeneerd aan de voorbijgangers. De moordende zon, de regenbuien, de bijtende zoutlucht en de cyclonen hebben het gedaan maar bovenal de institutionele verminking. Badend in de alomtegenwoordige diesellucht werden de neoklassieke gevels grondig gepatineerd. De muren vertonen de strepen en de vlekken van een uitgedroogde fontein alsof ze al sinds de eerste dag onder er een niet aflatend regengordijn hebben gestaan. Arduinen portieken, smeedijzeren ankers, marmeren medaillons, corinthische bladmotieven, alle gevelornamenten zitten onder een aangekoekte laag van roet en stof. Slib heeft zich vast gekorst in de verbrokkelde façades die groezelige solares maskeren. Met een bruusk gebaar stelt Miguel zich recht en gaat buiten een luchtje happen bij Arsenio. Het gepalaver van de habitués blijft nazinderen en El Niño lult wat over het colawinkeltje van zijn grootvader in het Matanzas van vóór de revolutie. (...)   Tijd om de blaas te legen. Het zijn geen viooltjes die ik ruik zodra ik tegen de deur van dit 'zwijnenkot' aanduw. 'La patria o la muerte?'[1] Martelaren voor de vrijheid? Is er iets mooiers dan sterven op het slagveld van de platgetreden soortgenoten? Dat dient de niet zo alerte kakkerlak zich af te vragen wanneer zijn rugschild onder mijn zool kraakt. Met zijn groezelig emaille van aangekoekte fluimen mag de latrine van La Esperanza de plee van El Rapido naar de kroon steken voor een nominatie : “meest pittoreske sanitair van Zuid-Amerika”. Op de donkergele pisbouillon danst een brij van verdronken vliegjes, gehaast schudt ik de laatste druppel af voor ik bezwijk. Ik draai om en kijk tegen een bezweet gelaat, met een zenuwtic op  de ogen, aan. Het is de kerel met zijn ‘dreads’ die mij daarnet nog zat aan te gapen. (...) [1] Revolutionaire slogan : "het vaderland of de dood!"

Philippe Marmenout
18 0

Digitaal DNA

Wie ben ik? Ik ben een nummer, een getal van elf cijfers opgeslagen in een databank, rijksregister genoemd. Vroeger was dat een genummerde fiche, die gevuld was met zwarte, soms onregelmatig geschikte letters van een Remington en die verder verwees naar andere fiches of mappen met fiches op andere plaatsen. Nu ben ik omgezet in nullen en enen. Ik ben een digitaal DNA geworden, een soort Digitaal Numeriek Adres dat mij als individu onderscheidt van andere individuen. Aan dat DNA zijn dan weer nullen en enen verbonden, die vertellen wat ik ben, hoe ik ben, wat ik doe en gedaan heb en ook aan welke andere  digitale  DNA’s ik gekoppeld ben. Wat bezit ik? Ik bezit de klassieke behoefte: geld. Nee, niet onder de vorm van metaal of papier in een kous, kookpot, kast of kluis, maar ergens op een databank, omgezet in nullen en enen op een plaats die ook bepaald wordt door nullen en enen. Allemaal reusachtige getallen, veel langer dan het geldbedrag dat ik voor ogen heb. Mijn geld is dus uiteindelijk ook een  digitaal DNA geworden. Wat lees ik? Ik lees wel degelijk gedrukte teksten, maar die voortgesproten zijn uit nullen en enen en die mededelen wat anderen hebben verteld, meestal gecommuniceerd of verstuurd met nullen en enen. Alle ‘waarheid’ blijkt voortaan vervat te zijn in nullen en enen, in digitale DNA’s. Wat zie ik? Een hele wereld die bepaald, gestuurd en geregeerd wordt door stuurprogramma’s en procesoren die stoeien met de nullen en enen in chips, sticks en disks, waarbij ik al de mogelijkheden in deze realiteit aan de fantasie van de lezer overlaat. En wat als een digitale geneticus in staat is al die DNA’s ongevraagd te manipuleren?   © Bert Bergs, 2014  

Bert Bergs
0 0

Terug naar de kust

Laatst was ik nog eens in België. Ik ben het landje in 2003 ontvlucht maar kom er nog af en toe.  Mijn moeder woont er namelijk. In Knokke dan nog wel. Het mekka van de nieuwe rijken. Waar mannen op zondag in de rij gaan staan bij de bakker en vogue omdat ze gehoord hebben dat daar  de beste pistolets worden gebakken.  Waar Lippens het al jaren voor het zeggen heeft. Waar ik van zijn leven geen voet zou zetten maar door omstandigheden al 48 jaar af en toe verblijf. En mijn  moeder woont er dus.  En ze moest naar het ziekenhuis. Genoeg redenen om dat vermaledijde oord nog eens op te zoeken. Dat ziekenhuis, een angstige moeder, een vochtige kelder, het platte land.  Het mondde uit op een vriendelijke confrontatie met het verleden. Nieuw waren de ooievaars, de uit het niets opduikende kunstwerken en een labrador pup die naar de naam Sean luisterde. En ik heb ook het schoonste strand van Nederland ontdekt, heb er zelfs een wijntje gedronken en ik heb een wereldvredesvlam gevonden in een onooglijk polderdorpje. Misschien heb ik zelfs een vlucht regenwulpen gezien. Het gelijknamige boek heb ik in een vorige leven gelezen. Een vorig leven. Dat is 40 jaar geleden. Het strand aan de Lekkerbek, vlak voor het Zwin natuurreservaat in Knokke-Zoute leek immens. Nee, het WAS immens. Je moest immers wel 20 treden af voor je op het zandstrand stond. En bij laagtij moest je echt wel een eindje stappen alvorens je voeten het zilte nat konden voelen. Hoe dichter je bij de zee kwam, hoe natter en donkerder het zand. Je voeten werden erdoor opgezogen. Het leek wel drijfzand. En je wist dat er een leven bestond net onder dat laagje zand. Dat zag je aan de zandslangetjes die overal verspreid lagen. Slangetjes zand. Afkomstig van een of andere krab. Er waren krabben en massa's schelpen. En amper mensen. Toen waren er ook nog "brislams" (verbastering van het Franse brise-lame) zoals mijn neefjes en ik ze noemden. Golfbrekers zijn dat. Het was er eigenlijk gevaarlijk vertoeven vanwege de stromingen errond. Je gleed er ook ontzettend makkelijk af. Maar het was er zo heerlijk om op avontuur te gaan. En je kon er als het ware de zee opwandelen want als je op het einde van de brislam stond, was de dijk heel ver weg en leek je heel even een deel van de zee te worden. En wat was er veel leven in die plasjes die overbleven nadat het hoogtij was geweest! Mosselen, krabben, scheermessen (je weet wel, die langwerpige schelpen), af en toe een vis. En op het strand zelfs regelmatig haaientanden. Die zouden 40 miljoen jaar oud zijn. Ik herinner me nog erg goed een legendarische storm. Het moet ergens eind jaren zeventig geweest zijn. Mijn oudste neef en ik hadden onze skateboarden boven gehaald. En op de dijk, skateten we, met een plastic zak als windzeil boven onze hoofden. Het ging ontzettend snel! En we lachten als gekken en waren oprecht gelukkig. De zee kwam toen tot aan de dijk, tot aan de bovenste van de 20 treden en nog veel verder ook. In een mum van tijd was de dijk ondergelopen. Die golven tot net achter het huis waren een fantastisch zicht.  Ik keek naar de grijze zee en zag het nog grijzere water kolken. Ik voelde ontzag. En werd bang. Mijn neef maakte het nog erger door me vreselijke verhalen te vertellen over drijfzand, draaikolken en dolgedraaide kwallen. Het regende, woei en kolkte dat het een lieve lust was en het eindigde met een verplichte terugkeer naar ons familiehuis, op de Lekkerbek, aan de Zoutelaan. Want het werd te gortig. Zelfs voor twee tieners met een skateboard.  Ten Putte heette het huis van mijn grootouders. Met op de veranda een emmer water waar we onze voeten in moesten wassen als we van het strand terugkwamen. Dat deed mijn oma natuurlijk om te vermijden dat het hele huis tot zandbak zou verworden. Dat huis met de vele geheime en niet gebruikte kamers staat er al lang niet meer. In de jaren tachtig begon namelijk de waanzinnige immobiliënrace aan de Belgische kust. En oma en opa hebben het nog lang kunnen tegenhouden, tot ook zij overstag gingen en Ten Putte verkochten aan een of andere genadeloze makelaar. De villa, onze villa, een parel uit de jaren dertig, een schoonheid, een familiehuis, een karakterkop moest verdwijnen. Om plaats te ruimen voor zielloze appartementen. Ik ben laatst nog eens gaan kijken naar Ten Putte (ze hebben de naam behouden), naar de Lekkerbek, naar Het Strand. Was het misplaatste nostalgie (ik ben niet echt een nostalg, maar Ten Putte ligt gevoelig, ik geef het toe) dat me dreef, of een denken aan mijn grootouders die al lang gestorven zijn, aan mijn neven en nichten die ik op een enkele uitzondering na nooit meer zie, of was het een gevolg van mijn recente scheiding van een man waar ik meer dan 20 jaar lief en leed mee heb gedeeld, of was het gewoon een opwelling? Ik weet het nog steeds niet. Het huis is weg. Maar onze buren, de ouders van Jacky Ickx, de F1 chauffeur, hebben stand gehouden. Hun huis staat er nog. Dat deed me plezier.  Ik heb jaren een hekel gehad aan Knokke, aan de m'as tu vus, aan de nieuwe rijken, de absoluut niet discrete charme van de bourgoisie, aan de truien op de schouders van mannen met foute schoenen, van de bontjassen en de kakmadammen, van de Avenue Lippens (zoals de Lippenslaan steevast wordt genoemd) die zo leeghoofdig is dat je haast spijt krijgt van die paar neuronen in je hoofd omdat ze je zo verloren laten voelen, aan de volgebouwde dijken enz. En kijk, anno 2014 is dat er allemaal nog steeds. En op de dijk is het nog erger geworden. Hele stranden zijn nu privé domein van de bar-en of restauranthouders. De golfbrekers zijn weg, het strand is opgehoogd; daarvoor zijn miljoen kilo's zand nodig geweest. Dat hebben ze moeten doen om dat de stormen uit de jaren zeventig en tachtig levens hadden geëist. Maar ik heb toch nog het Knokke van mijn kindertijd kunnen terugvinden. Neen, ik ben geen wafel gaan eten bij Marie Siska zelfs al bestaat dit legendarisch eethuis nog, ik heb ook de ijsjes van De Post niet gegeten (die bestaan namelijk niet meer) en zelfs mijn boekhandel Corman is verhuisd en heb ik ook niet bezocht. Maar...en ik geef het node toe...  ik moet toegeven dat Knokke ook wel meer is dan al dat vreselijke dat ik hierboven beschreef.  Ik heb gefietst door het Zoute met de unieke witte huizen met rode daken. En ja, er staan vreselijke Porsches en andere Cayennes voor de deur en waarschijnlijk wil ik 85 % van de eigenaars zelfs niet kénnen, maar de wirwar van straatjes afgebakend door knotwilgen, de prachtige Engels cottage stijl , de eenheid van kleuren en de klank van de meeuwen en de zoute zeelucht...ik geef toe, het is uniek. En dan nog verder naar het Oosten:  het Zwin reservaat. Eigenlijk een oude verzande zeearm dat al sinds de 18de eeuw privé bezit was van de Lippensfamilie maar sinds 2006 een Provinciaal Domein is. Vandaag is het gesloten om weet ik veel wat voor reden, maar het is gelukkig toch deels toegankelijk. Het Zwin is een uniek natuurgebied dat Nederland met België verbindt. Het was 20*c die dag in Knokke. De lucht was knalblauw, de ooievaars van het Zwin in een decadent sociale bui en het strand aan het Zwin was leeg. En als kers op op de taart doemt er totaal onverwacht een gigantische haas op. Het blijkt een kunstwerk van de Britse beeldhouwer Barry Flanagan te zijn.  Eventjes lijkt het alsof kunst de natuurelementen kan verbinden: de Noordzee, de lucht,  het strand en de schorren.  Ik fiets doodgelukkig naar het huis van mijn mama. Overtuigd dat het wel goed met haar komt.En vermijd daarbij zorgvuldig de Avenue Lippens.

Nathalie
14 0

Gebroken lint

Je schreef elke dag naar me. Honderden briefjes heb ik bijgehouden. Stukken papier met gekke droedels, schattige tekeningen en lieve boodschappen. Die eerste jaren ook geile boodschappen, maar eigenlijk niet zo vaak.  We waren jong en de wereld lag aan onze voeten. Alles, echt alles, was nog mogelijk. Muziek spreekt meer dan woorden. Daarom wisselden we cassettes uit. K7 in het Frans. In deze tijd van smartphones kan je je dat amper noch voorstellen. Het is toch allemaal zo veel simpeler geworden! Net als de jongeren van nu maakten we zelf onze muziekmix. Het verschil met anno 2014 is dat je dit in de jaren '80 echt uren duurde. Het was een ambacht. Want als je het goed wou doen, moest je precies afmeten hoelang een nummer duurde. Het vergde echt wel wat vaardigheden om de juiste songs mét de juiste lengte te zoeken, deze dan op een platenspeler afspelen, meteen het goede nummer vinden (en de naald op de juiste plaats weten te plaatsen én er weer afhalen als het liedje gedaan was), op REC duwen en dan weer op PAUSE. En dan weer opnieuw op REC. En dan terug PAUSE. Het moeilijkste zat 'm in de staart. Je had K7tjes van verschillende lengtes. De meest gangbare waren die van 60 of 90 minuten. Ik had een voorkeur voor de langere. Van het merk Maxwell. Goudkleurig. Zo cool. Je had twee kanten op die plastic dingen: een A-kant en ja, ook een B-kant dus. Ieder 45 minuten. Begin maar eens liedjes te kiezen die allemaal samen precies 45 minuten duren! Onmogelijk. Dus werd de laatste song vaak spontaan geaborteerd. Of hij ging gewoon lustig verder op kant B. Ik ben altijd nogal lui geweest. En ik werd er zowaar slecht gehumeurd van. Maar dat was nog helemaal niks vergeleken met een cassette die in de speler bleef steken. Oh helse brij van lint! Je moest dan een potlood of een pen zoeken die precies in één van die 2 gaatjes van de cassette paste om dat lint terug in de muziekdrager op te rollen. En vanaf dan wist je ook pertinent zeker dat je met een verzwakt exemplaar te maken had. Het kon ook nog erger: dat was als er een stuk lint helemaal verkreukt was. Dan werd het stuk totaal onbruikbaar. Dan kwam er papier en plakband aan te pas. Je moest het slecht stuk eruit knippen en vervolgens zeer netjes, om te vermijden dat het lint terug bleef steken, de twee uiteinden aan elkaar plakken. Ja ja ja, dat waren nog eens tijden! Jij en ik wisselden vaak zulke cassettes uit. We hadden zo ongeveer dezelfde smaak. Vaak hadden we trouwens dezelfde nummers. Er was immers nog geen overvloed van muziek beshcikbaar zoals dat nu, in de 21ste Eeuw wél het geval is. De videoclip was pas uitgevonden. Het kostte toen een fortuin om een clip te maken.  We waren aangewezen op hippe Britse bladen zoasl de NME om op de hoogte te blijven van goede muziek. Of van het Hollandse 'OOR". Een Belgisch alternatief was er niet. We ontdekten groepen via festival zoals het fameuze Seaside Festival in De Panne of via hippe nachtclubs in Leuven of Brussel. Iemand nog bekend met de Beau Bruxelles of met de Atelier in Leuven? De inhoud van de cassetjes schreven we op die mini papiertjes die erbij staken. Ik heb er zo eentje bijgehouden. Daar stonden o.a. volgende songs op: -Angie (The Rolling Stones) -The Tide is High (Blondie) - Our lips are sealed (The Gogos) -You better you bet (The Who) - Your kiss is on my list (Hall&Oates) -Rescue (Echo and the Bunnymen) - Spend the night with me (The Kids) Je had heel subtiel (nou ja...) "Spend the night with me" onderlijnd. En ik had de boodschap begrpen. Ik heb die nacht niet met je doorgebracht. Maar wel de volgende. Je maakt geen cassetjes meer voor me. Veel van de muziek die we toen beluisterden heeft de tand des tijds niet doorstaan. Ik luister nu nog meer naar jazz dan ik toen deed. Zo krijg ik bijvoorbeeld niet genoeg van Chet Baker's versie van The Thrill is gone. Uit elke noot stroomt een verlangen naar dat wat voorbij is. Een verlangen naar het verlangen. Naar de eerste van die vele nachten. Maar we zijn 30 jaar verder. En meer dan 9000 nachten. De wereld ligt niet meer aan onze voeten. En niet al onze dromen zijn in vervulling gegaan. Zou het niet leuk zijn, moest ik vanavond een briefje onder je hoofdkussen leggen?

Nathalie
0 0