Lezen

Constant

Daar was haar wekelijkse donderdagavondgast. Het was stipt 7 uur.    „Ha Francine. Gij zijt Francine van de frituur. Ik ben Constant. Ik praat veel. Dat weet ge hè en dat zegt mijn moeder ook altijd en zij kan het weten want ik ben constant bij haar. Hihi, dat is een grapje hè. Mijn vader is dood. Al lang geleden. Mijn moeder zegt dat hij een mengeling was van Onze Lieve Heer en Sinterklaas. Dat heeft ze uit een liedje van Annie M.G. Schmidt, een Nederlandse mevrouw die boeken schrijft. Ze noemt haar AMG. Ik ben CMB. Constant Marc Beddegenoots. Dat is de schoonste familienaam van heel Vlaanderen zegt mijn moeder. Veel schoner dan Jansen of Peeters. Gij heet Peeters hè Francine. Francine Peeters. Francine van de frituur. Ik kan goed moppen vertellen. Kent ge die van dat Vlaams meisje die Miss België wilde worden en daarom een woordje Frans moest praten. Toen ze haar vroegen hoe ze heette en waar zij werkte, zei ze: „Je m’appelle Francine et je travaille dans une friteuse”. Hihi, dat zal wel heet geweest zijn. Ik spreek ook Frans. Ik kan al tot twintig tellen in het Frans. Meer is niet nodig, want ik heb toch nooit méér dan twintig euro op zak.” Francine wist dat ze niet dadelijk de frietjes van Constant moest bakken, noch de frikandellenworst special met currysaus. Het duurde altijd wel een kwartier eer Constant had gezegd wat er moest gezegd worden. „Moet ik uw frietjes inpakken, Constant?” „Jaja en de curryworst ook hè. De curryworst ook hè.” „Dat is dan 4 euro en 20 cent.” Constant had zoals altijd het geld al klaar en legde het op de toonbank. Dan stapte hij fluitend naar buiten. Wat als ik de prijs van de frietjes en de worst eens opsla, dacht Francine, dan zal ik dat toch eerst eens tegen zijn mama moeten vertellen. Een mengeling van Onze Lieve Heer en Sinterklaas. Ik heb Constant zijn vader toch gekend en die trok toch helemaal niet op Sinterklaas en zeker niet op Onze Lieve Heer. Die hadden alle twee een baard en Constant zijn vader toch niet. Tiens, daar moet ik nog eens over prakkeseren, dacht ze ook nog.   De volgende klant bood zich aan. „Ha Marcelleke, wat moet het zijn deze keer? Ne grote met pickles en een vleeskroket? Een verse lading frieten verdween in het dampende ossenwit. Je zag haar denken: Francine travaille dans une friteuse. Wat is daar mis mee?

Marc M. Aerts
0 0

Voor de eerste maal

Het is vrijdagavond en ik zit aan de bar in mijn geliefkoosd bruin café. Onverwacht ontmoet ik Annabel. Vorige week was ze er nog niet. Maar nu is ze er wel, samen met haar zusje en pas gearriveerd uit Frankrijk. Ze verbleef er vier jaar omwille van haar werk. Maar nu is ze definitief terug in het land. Ze is blij. Ze miste haar stad en haar vrienden. Maar die zijn er deze keer niet bij. Enkel dus haar zusje en die stelt mij aan haar voor.„Hallo Rob. Dit is mijn oudste zus Annabel. Zij logeert enkele dagen bij mij”.Het is nog vroeg op de avond en nog niet onder de invloed van enkele glazen alcohol, die mij soms helpen om de juiste woorden te vinden, wil ik haar inpakken met een onbeholpen:„Enchanté Anne, wat ben je belle”.Nog maar net hebben deze woorden mijn mond verlaten of ik heb al spijt dat ik ze uitgesproken heb. Waarom stel ik mij toch aan als een idolate tiener? Maar, wonder boven wonder, heeft mijn puberale begroeting toch een gevoelige snaar geraakt.„Je bent wel direct moet ik zeggen, maar geef toe welke vrouw gaat een complimentje uit de weg” antwoordt zij mij onverwacht. Het ijs is gebroken en de rest van de avond krijgt het ijs in haar longdrinkglas niet de kans om te smelten. „Zonde om die lekkere drank aan te lengen met water. Een beetje ijs mag maar het hoeft enkel te dienen om wat af te koelen” zegt ze verrukkelijk. Ik merk dat ik nog veel kan opsteken van haar. Als haar zus aanstalten maakt om een ander cafeetje op te zoeken, stel ik voor dat ik Annabel naar huis zal brengen. Ik vergeet met opzet te vermelden welk huis ik dan wel bedoel. Mijn thuis dus. Een gezellig appartement in de stad op slechts enkele minuten lopen van de uitgangsbuurt. Annabel is fantastisch en bij momenten hilarisch als ze vertelt over gebeurtenissen in haar jeugd of voorvalletjes tijdens de jaren die ze doorbracht in Toulouse. Voor de eerste maal sinds mijn scheiding ben ik weer verliefd. Smoor op haar zoals die puber van daarstraks. Zij is het einde. Zij is een nieuw begin. Onze handen laten even los als we thuis toekomen en ik de sleutel in het deurgat steek. Voor de eerste maal kus ik haar. Vier verdiepingen lang tot de lift abrupt stopt en onze lippen scheiden. Voor even maar. In mijn appartement vinden we dadelijk de weg naar mijn slaapkamer. Voor de eerste maal sinds ik alleen ben, ben ik niet meer alleen. Annabel is bij mij. In mij. Op mij. Van mij. Wat ben je mooi. Wat ben je lief. Wat ben je niet? Je bent alles. Voor mij. Van mij. Na de liefste vrijpartij van mijn leven, gaan we samen in bad. Het grote gietijzeren tweepersoonsbad. Mijn pièce de résistance. Het veelkleurige badmatje dat er al veel te lang ongewassen ligt schop ik in een hoek. Ik doe beide kranen open en zoek naar de ideale temperatuur. Annabel zoekt een lekker badschuimpje uit en we verdwijnen onder de belletjes. Haar tenen wriemelen aan mijn neus en ze schatert het uit. Voor de eerste maal ben ik weer gelukkig, weer gelukkig sinds lang.„Ik hou van het kuiltje in je kin en van het zout en peper in je haar” hoor ik haar graag zeggen.„Dan moet ik het zeker wassen” antwoord ik en verdwijn met mijn hoofd onder water. Terwijl ik mijn ogen sluit en mijn kruin met shampoo bewerk, hoor ik haar zeggen:„Ik stap er al uit en wacht op je in ons warme bedje”.Haar rechtervoet schuurt even langs mijn been als ze uit het bad stapt. Ik dompel mijn hoofd onder water en hoor een zware dreun. Als ik rechtkom bengelt Annabel’s linkerbeen over de badrand. Terwijl ik probeer recht te komen zie ik haar hoofd in een grote bloedplas liggen op de kale, zalmroze marmervloer. Ik verlies mijn evenwicht en val achterover terug in het bad en stoot mijn linkerslaap met volle kracht tegen de kraan. Mijn bloed vermengt zich met de laatste verdwijnende zeepbelletjes. Voor de eerste maal zijn we samen dood.

Marc M. Aerts
0 0

Nachtmerrie

Het was de stem van God of een of ander Opperwezen, of toch maar God, want destijds geloofde ik nog in Hem. Maar het was niet een zalvende stem, die je toch mocht verwachten, maar een ijzingwekkende, door merg en been gaande, donderende stem die mij ten gronde richtte, mij neersloeg als met een flikkerend zwaard.Niet dat ik iets verkeerd had gedaan. Neen hoor. Ik ging gewoon slapen. Net als elke avond. Maar soms bekroop het mij. „Neen, niet nu, niet vannacht, alsjeblief, niet alweer een nachtmerrie, niet alweer die nachtmerrie”. Maar er was geen verhelpen aan. Zij zou komen. Ja ze was er. Alweer. Ik bestierf het. Ik werd gek van angst. Badend in het zweet lag ik in mijn bed.Ik herinner me dat elke droom net dezelfde was, maar enkel het einde kon ik mij telkens voor ogen halen. Ik moest het mensdom redden door met twee reuzengrote teerlingen te werpen. Die goedertieren God, dat had hij toch moeten zijn, gebood mij met zijn schallende, ijselijke stemgeluid, een toon zo zwaar als lood, dat ik tweemaal 6 moest gooien. Dan en enkel dan zou de mensheid voortbestaan.De zweetdruppels parelden over mijn voorhoofd en ik gooide met de eerste teerling. Een 6. „Alsjeblief, laat de volgende ook een 6 zijn.” De spanning was onhoudbaar. Ik dacht dat ik moest overgeven. Alweer die vreselijke, huiveringwekkende stem. „Gooi”. Het galmde over heel de wereld. Ik gaf een forse duw tegen de teerling. Hij rolde en tolde. Uiteindelijk viel hij stil. 6.Ik schrok wakker. Alweer had ik diezelfde nachtmerrie overleefd. Voor de zoveelste keer.Ik geloof niet meer in God. Toch niet in dat Opperwezen dat men vroeger ons op de schoolbanken voorhield. Maar misschien moet ik toch eens naar het casino gaan. Wie kan immers voorleggen, buiten mijzelf, dat ie keer op keer tweemaal 6 gooit?God? A ja, die. Sufferd !

Marc M. Aerts
0 0

Vriendengesprek

De cafetaria is bekleed met een brede laag sleet en om aan een koffie in een wegwerpbekertje te geraken duw ik de muntstukken herhaalde malen opnieuw in de gleuf, ze vallen er zo door. Ik weet dat Sandra lang naar mijn bezoek heeft uitgekeken. 'De dokter heeft mij het moederschap ontnomen.' 'Met een operatie?' schrik ik ongelovig. 'Ik bedoel, afgeraden. Hij beweert dat, moest ik kinderen hebben, ik gevaar loop ze tijdens een van mijn agressieve aanvallen dood te slaan,' zegt ze intriest, komt uit haar stoel en gaat een wafel uit de automaat trekken. Aan haar slome tred te zien zit ze onder straffe medicatie. Ze keert terug, kiest eender welke stoel uit, wankelt onopvallend en komt toch nog bij mij terecht. Haar cake met chocoladekorst naar binnen schrokken en honderduit praten, het gaat allemaal tegelijkertijd. 'Nu willen die gekken beletten dat ook ik echt vrouw mag zijn. Met welk recht?' fulmineert ze sloom. Terwijl ze aan het praten is, vallen mijn ogen op een man, een veertiger die er hoogst waarschijnlijk dertig is. Hij zit in de andere hoek, de rug gekeerd naar de vensters en de open deur die uitgeven op een geschoren binnentuin met opgebonden stokrozen en een rij chamaecyparis die met hun streuvelgedraaide bladen een afgeleefde muur verdoezelen. De benen gekruist, twee blikjes frisdrank op tafel, rookt hij uit het openliggend pakje voor hem de ene sigaret na de andere. Zonder er nog deugd aan te hebben, gewoon omdat hij niet meer tevreden is met alleen maar lucht, die is leeg, niet de moeite om in te ademen, hij wil lucht met een smaakje. 'Marcel, heet hij,' zegt Sandra mijn blik volgend. De omstanders die aan hem voorbijkomen, rakelings, met een  geplastificeerde wafel, een reep chocola, bruisend water, ze bestaan niet. Heel aandachtig luistert hij naar de andere tegenover hem. Ik zit in het verlengde enkele meters achter de rug van zijn gesprekspartner, die weet net als Sandra ook van geen ophouden. Maar Marcel zuigt alsmaar aan zijn rookstok, laat die andere doordrammen en praat niet. 'Misschien is dat wel zijn ziekte,' denk ik. Hoe moet dat immers in zijn werk gaan tijdens de dagelijkse sessies met de psychiater? Als hij zijn mond niet opentrekt, wie doet dan wat? En erger nog: wie is wie? Beamen, daarin is hij royaal, met schokbewegingen, afgewisseld door de schouders en de elleboog, het snokken van de nek, een trok aan de sigaret, een been opnieuw gekruist. Met dat mager scheenbeen en een te hoog opgetrokken broekspijp gaat de omslachtige tennisschoen als een botsauto op de kermis te keer. Het relaas dat hij beluistert, dat hebben ze kennelijk samen beleefd, een avontuur waar hij nu met een verholen glimlach van verre op terugkijkt, zo van nu zou ik het toch helemaal anders aanpakken. Zijn wenkbrauwen, twee triomfbogen in een vermoeid gezicht, verraden zijn verrassing, gebiologeerd als hij is door de  waarheidsgetrouwe biografie die de onvermoeibare verteller over hem weggeeft. Soms lijkt het er op of zijn blik verder reikt, langs of over de kop heen van de wauwelaar die voor hem aan het tafeltje zit en hij pal in mijn gezicht belandt, mentaal op adem komend om die tijd, die episode, dat epos klaarder voor de geest te halen en de beslagen details op te helderen. Want die klapekster ging er nogal lichtvoetig over, niet bewust van de gaten in zijn kaas. Maar hoe hij ook in mijn gezicht valt, hij ziet me niet. Ben ik voor hem decor, behangpapier? Maar dan wordt het verhaal echt spannend, ik zelf ga er helemaal in op en hoor Sandra, die alsmaar voort kankert, niet meer. Hij is volledig in de ban. Zijn autoscooter botst tegen een metalen tafelpoot, de schouder schokt, het been gaat de lucht in, de nek rekt zich uit en met de elleboog verricht hij emotioneel weerwerk, want de fabulant doet er blijkbaar een epische schep bovenop. Enkele aanwezige koffieslurpers kijken een moment  gefascineerd het gesprek aan. Dan komt er een ontlading, innemend knikken. Ja, hij weet het nog, zonder de gekruide details natuurlijk. Maar ja, blijkt hij de andere gerust te stellen, 't Is ook al weer zo lang geleden. Of niet soms? Want af en toe betrapt hij er zich op dat hij de zin voor de tijd aan het verliezen is. Hoe lang hij nu al in dit centrum zit? Daar kan hij niet meteen op antwoorden. Hij kijkt weer even naar mij, ziet me niet en begint met de vlakke handpalm de as van zijn sigaretten van het tafelblad te vegen, verplaatst met neerhangende pols een van de lege busjes prikdrank, kijkt geïntrigeerd  naar het verleden en schuift dan het andere blikje opzij, denkwerk van een schaakspeler. Dan steekt hij met de gloeiende peuk van de vorige een nieuwe sigaret aan, opgelucht, want zijn gesprekspartner is allang met zijn relaas verder gegaan, zonder een antwoord af te wachten. De groeven rond de mond trekken zich langzaam open. De glimlach die hij te voorschijn tovert is zo fijnzinnig dat hij zelfs de verteller die verder dreint ontgaat. Dan beginnen waarachtig haast wulps zijn ogen te wentelen om onmiddellijk daarna te  verharden. Ruzie om een vrouw?, daar lijkt het sterk op. Een tijdlang staart hij diep nadenkend voor zich uit, niet begrijpend hoe zo iets kon gebeuren. Hij wil een verklaring, verstart, kromt zijn handen tot vraagtekens. Zijn metgezel zet zich schrap. Wat gebeurd is staat op rekening van beiden. Ze zijn er met haar samen op uitgetrokken. En zo’n aanbod kon ze niet afslaan. Onrustig begint hij in de metalen kom van de zitting heen en weer te schuiven, hij lijkt wel last te hebben van madenkriebels in de aars, verwisselt voortdurend de benen over elkaar, haalt de chipszak naar zich toe die al leeg was voor ik hem in de gaten kreeg en wimpelt hem weer weg. Dan richt hij een arm dreigend naar de andere kant van de tafel. Toch dramatischer dan ik dacht? Is ze niet op hun aanbod willen ingaan? En heeft de andere haar daarom… Of is ze juist wel meegegaan en hebben ze haar onderweg…? Ze geven elkaar de schuld. Opgeladen met een overdosis agressie richt hij zich half uit zijn stoel en buigt zich over de tafel. Hij maakt aanstalten om zich op zijn maat te werpen. Een ogenblik denk ik er aan een verpleger te roepen vooraleer het gevecht uit de hand loopt. Op dit ogenblik zit er niemand meer in de zaal behalve hij en zijn metgezel, Sandra en ik. Maar dan kalmeert hij plots alsof hij een injectie gekregen heeft. Toch blijft hij gespannen de tegenstrever tegenover hem aanstaren. Ondubbelzinnig ziet hij uit naar een afrekening. Dat wordt dan een kluif voor de psychiater in de volgende uren, voorzie ik. Opeens schrik ik op. Het gerinkel van een bel scheurt als een alarmsignaal door de cafetaria van het psychiatrisch centrum.     'Tijd voor het avondmaal,' zucht Sandra gelaten. De man in de hoek veert recht, verward, betrapt op een recidiverende overtreding, een dwangbuis waard. Hij kijkt rondom zich. Nu pas is hij zich bewust van onze aanwezigheid. Voor de eerste keer hoor ik hem spreken. 'Het zijn jullie zaken niet.' Haastig loopt hij naar de deur en beent naar buiten. Sandra en ik blijven helemaal alleen achter. 'De dokter gokt maar. Met welk recht? Een kind zou misschien juist mijn vlagen van agressie kunnen intomen,' insisteert ze.

Guido De Schrijver
0 0

Het schema

                HET ZWAARD   Het begon toen zijn vrouw een fles mondwater had gekocht tegen slechte adem en tandplak. Vooral tegen tandplak. Dagen hadden ze geruzied en gediscussieerd. Haar argument was dat het bij de T van tandverzorgingsproducten moest staan. Hij ging voor de M van mondwater. Zij vond dat het dan te dicht bij de producten voor de maag stond, bij de maagtabletjes. Ze wilde geen mondwater in haar maag krijgen. Hij klemde zijn kaken op elkaar, zijn mond in een pijnlijke grimas. Hij had bij zijn standpunt moeten blijven zoals hij altijd deed.  Hij voelde zijn greep op haar verslappen.Het mondwater was uiteindelijk bij de tandbenodigdheden terechtgekomen. In de badkamer stonden 3 bekers. Eén voor de flosdraden, één voor hem en één voor haar. Hoe had ze zo stom kunnen zijn. Het mondwater in de beker van de flosdraden.  Had ze nou toch maar gewoon haar verstand gebruikt en voor de M gekozen. Voorzichtig trekt hij het plastiek los van de lichtblauwe badkamertegels. Er blijft nog wat opgedroogde lijm achter en met zijn nagel probeert hij deze weg te krabben. Hij veegt het witte gruis van de lijm van zijn nagel af maar er blijft nog een wit randje onder zichtbaar. Nog een uur voor hij wordt opgehaald. Hij bekijkt onder het plastiek het schema waar hij met overgave aan werkte en dat hem veel plezier verschafte.  Hij zucht. Heeft hij spijt? Ja en neen. Hoe het zover kon komen? Daarop weet hij het antwoord. Het was begripsverwarring. Van begrippen weet hij alles. Ze geven de dingen een naam en al de rest zijn verzinsels of fantasie. Fantasie leidt nergens toe. Verzinsels zijn tenminste nog bruikbaar, tijdelijk, om je uit bepaalde situaties te redden, waardoor je weer grip krijgt en je weer met de echt belangrijke dingen en met de realiteit kan bezighouden. Structuur. Orde ook. Dat had hij in het leger geleerd. Je voorbereiden op de ergste dingen. Achter elke hoek een vijand. En dat kon er een zijn met een pistool, een geweer of een kalasjnikov. Ken je vijand of zijn wapen zoals je jezelf kent. Dat was zo in het leger en in het dagdagelijkse leven. En laat je niet misleiden door zentoestanden als meditatief boogschieten, want dan schiet je pas aan jezelf voorbij.  Een vizier en een doel , dat heb  je nodig. Alleen zo kan je je mannetje staan. En je mannetje kunnen staan, daar gaat het in het leven om. Ja, zo ziet hij het nu nog steeds. EN DE SCHEDE NATUURLIJK   De periode waarin ze hem graag zag, leek een eeuwigheid geleden. Ze kon het gevoel niet meer oproepen maar wist nog wel waarom ze ooit voor hem viel. Het kostte hem geen enkele moeite de dingen helder te doorzien. Hij had voor alles een oplossing. Die oplossing deed zich in hun verdere huwelijk meer en meer voor als een beslissing.  Een beslissing die hij voor haar nam. Ze had dit vrij snel door, maar had het eerst nog als een onhandigheid van hem gezien. Een poging van hem om haar te sparen. Te weten wat best voor haar was. Hij was er van overtuigd dat discussies haar en bijgevolg hun relatie zouden schaden. Zo lustte hij geen groentesoep. Hij overtuigde haar dat een bepaalde combinatie van groenten een chemische uitwerking had, die slecht was voor zijn gezondheid. Zij capituleerde. Dus maakte ze nog enkel soep van één groente tegelijk. Hij maakte een lijstje van alles wat gezond was. In kolommen. In kolom één alle voedingsmiddelen. In kolom twee de voedingswaarden. En in kolom drie de bijhorende wetenschappelijke formules. De tweede kolom kon ze nog begrijpen, maar het was de derde kolom die haar ontzag inboezemde. Omwille van de kennis. Kennis waarvoor je geniaal moest zijn. Hij deed een poging het haar duidelijk te maken, maar ze voelde zich een kind dat werd berispt. Hij zei dat hij het haar nog eens geduldig wilde uitleggen. De vreemde tekens en symbolen werden gezichten die haar nu eens grijnzend, dan weer spottend aankeken.  Ze keek beschaamd naar de grond. Gelukkig stond de bloemkool die ze die dag gekocht had ook in kolom één. Ze liet een stevige straal kraantjeswater over de bloemkoolroosjes lopen en besloot zich gewoon maar aan het schema te houden.  De routine die ze aannam als hij uit werken was, begon haar te vervelen.   ’s Ochtends maakte ze voor hem ontbijt, bereidde zijn lunchpakket en ruimde de tafel weer af als hij vertrokken was. Daarna ging ze in de keuken voor het schema zitten en bedacht wat ze die dag zouden eten. Haar boodschappen deed ze in de voormiddag. In de namiddag deed ze haar huishoudelijk werk en in de late namiddag begon ze aan de bereiding van het avondmaal. Rond half zes kwam hij thuis.  Dan luisterde ze een half uur naar het relaas van zijn dag. Tussen zes en half zeven las hij zijn krant en bekeek hij de beursuitslagen. Zijn half uurtje “lichaam in rust en verstrooiing van de geest”, zoals hij het placht te noemen.    Ze voelde zich al een tijdje erg onrustig. Na het boodschappen doen, sleepte ze zich weer eens naar de keuken.  Ze was haar antislippantoffels vergeten aandoen en gleed uit over de gladde keukenvloer. De selder viel uit haar mand en tegelijk kletterde de bokaal tomatensaus in stukjes op de grond. Een mozaïek van groene selder met stukjes tomaat. Geen seldersoep vanavond. De tranen sprongen in haar ogen en haar aandacht dreigde naar de boze kolommen te gaan. Huiverend wendde ze haar blik af en begon de boel koortsachtig op te ruimen. Haar aandacht viel op het blaadje dat mee uit haar mand was gevallen. “Hoe kook ik lekker vegetarisch?” stond erop. “Vegetarisch, da’s toch ook gezond”, dacht ze. En het kon ook met slechts één groente tegelijk. Ze trok naar de bibliotheek en haar mond viel open bij zoveel gerechten van verschillende soorten voedingsleer met elk hun eigen filosofie. Dagenlang spendeerde ze daar terwijl ze in de boeken bladerde. Het was spannend alsof ze naar een groot mysterie peilde, alsof ze zichzelf onderzocht. Hoewel ze dat gevoel niet kon  verklaren. In haar zoektocht viel haar oog  op de gerechten, bereid met de voedingsmiddelen uit kolom 1 en hun respectievelijke voedingswaarden. Een vreemde spanning werd haar meester. Dit was het moment, het moment om ze eens goed te onderzoeken. Wat betekenden die voedingswaarden? Ze bestudeerde verschillende gerechten.  Dankbaar dacht ze aan al die zuivere, gezonde producten uit de natuur. Het maakte haar helemaal warm vanbinnen.  Dan dacht ze terug aan de formules in de keuken die haar zo beangstigden. Nù, nu was ze klaar om haar nieuwe kennis te testen.  Ze bekeek de symbolen van de formules. Ze herkende niet veel. Ze bekeek ze nog eens en nog eens. Ze kwamen niet overeen met de symbolen van de voedingswaarden. De W bleek voor arbeid te staan en niet voor water. V betekende volume en had niets met vezels te maken. En op de koop toe  stond C° voor Celcius en dat was helemaal iets anders dan cholesterol. Het was een enorme wolk van teleurstelling die in haar opsteeg en haar mee nam. Ze wist even niet meer waar ze was en het duizelde haar.Verschillende fragmenten uit haar leven trokken aan haar voorbij tot ze weer teruggegooid werd in haar keuken. De plaats waar het allemaal begon. Ze herinnerde zich vaag dat er nog iemand aan deze plaats verbonden was. Haar man, die nu een vreemde voor haar  was geworden. Een kalme zekerheid kwam over haar. Neen, hij mocht hier niets van merken. Hij zou haar woede met zijn radar ogenblikkelijk detecteren. Haar duidelijk maken dat woede niet bevorderlijk is voor de algemene menselijke en geestelijke gezondheid. Beheersing. Beheersing moet er zijn. Ze zag hem snoeien in de tuin.  Zijn rug in een voorovergebogen maaiende beweging. Tussen de berg tuinafval lagen zowel dorre takken als jonge twijgjes. Ze voelde zich misselijk worden. Zij had evengoed tussen het tuinafval kunnen liggen. Door al die jaren met hem was ook haar levendige jonge binnenkant weggehaald. Het verklaarde het uitgeholde gevoel waar ze al lang mee rondliep. Haar enthousiasme door zijn maaiende beheerste snoeischaren weggeknipt. “Zeurpiet”, dacht ze. Er zat een bal in haar keel die ze uit alle macht probeerde weg te slikken. Haar keelholte leek te klein. “Zeurpiet!” Nu begonnen haar handen onophoudelijk op het keukenblad te slaan. Ze skandeerde nu, maar met een dikke, opgezwollen tong.  Alle woede, al het verdriet. Nog altijd ingeslikt. “Seurrpiett…seurrpiett!!” Blaasjes speeksel verschenen op haar lippen en het zweet stond op haar voorhoofd.  Ze klemde haar handen rond de rand van het keukenblad tot haar knokels wit werden, terwijl ze hijgend de woorden verder uitspuwde. “Zeurpiet! Zeurpiet! Zeurpiet!...f beheersing, beheersing...!”   HET OOR VAN DE POLITIE   Van zijn gezicht valt niets af te lezen, emotieloos. Is het zijn tactiek of is hij een psychopaat? Dat zal het psychologisch onderzoek nog uitwijzen. Ze kijkt van niets meer op. Er passeren nog vreemdere gevallen. Hij breekt haar gedachte.“ Structuur is belangrijk”, zegt hij op licht geïrriteerde toon. “Dat heb ik haar al die jaren proberen bij te brengen. Ik dacht dat ze er uiteindelijk wel mee weg was. Tijdens de oorlog opereer je ook niet zonder een plan.”                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                     “Ik begrijp niet wat u bedoelt. Wat heeft dat met het delict te maken?” Ze neemt de man voor haar op. Uiterst vreemde zaak, denkt ze, en een nog vreemdere man. Een militair blijkt uit het dossier dat ze haastig doornam. Ze had het kunnen denken.  Hij is onberispelijk gekleed. Volledig in het grijs hoewel de broek iets donkerder dan de trui en de kraag van zijn hemd in een nog lichtere tint. Gemillimeterd grijs haar en een verzorgde huid. Een dure gezichtscrème, vast en zeker. “Komt u alstublieft terzake.”, zegt ze nu op besliste toon. Verbeeldt ze zich een spottend trekje? Zijn linker mondhoek trekt wat krullend opzij weg terwijl hij verder gaat. “Om 18u30, de Dow Jones  was net met 1,22 % gestegen, ik bekijk altijd de beursuitslagen voor het eten, zag ik dat het groentesoep was toen ik op wou opscheppen. Ik had het haar nog zo gezegd. Groentesoep geeft míj bij de spijsvertering gassen die deze bemoeilijken. Een kakofonie van kleuren. In het leger hou je je ook bij je eigen vlag, bij wijze van spreken. Dat is het basisbeginsel. Het solidariteitsprincipe van elke militair.” De inspecteur heeft vandaag al te veel koffie gedronken en ze voelt haar droge plakkende mond. Ze heeft weer niets gegeten dat voor gezond kan doorgaan. Snel een suikerwafel die haar zure oprispingen geeft. Ze hoort zichzelf smakgeluidjes maken. Natuurlijk denkt er hier niemand aan om een fles water en glazen neer te zetten. “Ik weet inmiddels dat u bij het leger werkt… groentesoep? Laat u zoiets banaals als groentesoep uw huwelijk beheersen? Hoe werkt dat in een huwelijk van bijna twintig jaar?” En dan denkt ze aan Willy, haar eigen man. Hij kookt voor haar en zij houdt niet van zijn kost. Vet. Zoals hij. Die slanke mooie man door de jaren en het huwelijk heen in gewicht verdubbeld.                                                                                                                                          “ Vertel mij eens wat meer over uw leven met uw vrouw.”                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                “Mag ik even mijn verhaal afmaken, u schijnt mij niet te begrijpen.” Het ontgaat haar niet dat zijn stem even in toonhoogte stijgt. “Je ziet wel verschillende vlaggen als er een conferentie is, maar die is aangekondigd. Die is aangekondigd. Transparantie en consequentie, dat zijn belangrijke waarden. Om op uw vraag te antwoorden, ook in het huwelijk.” Er kleuren enkele rode vlekken in zijn hals en tussen de kraag van zijn hemd.  Ze voelt zich weer op het cruciale punt aanbelanden. De hoofdinspecteur zou zeggen dat hier juist de uitdaging van de ondervragingsstrategie ligt. Pokerface spelen en op het juiste moment toeslaan. Gelukkig is hij er nu niet. Ze wil niet begrijpen wat hij hiermee bedoelt. Wat is het juiste moment? Een delict hangt toch van meerdere factoren af? En hij is doof voor wat ze haar vrouwelijke intuïtie noemt. Ze heeft wel eens meer de indruk dat het voor hem alleen maar een spel is dat hij het liefst nog met de dikke rook van zijn dikke sigaren omhult. De man voor haar is het niet gewoon tegengesproken te worden. Daar kan ze nu prat op gaan. Ze richt zich op de muur achter hem. Een zwart-wit foto van een landschap. Een donkere prent waar je vaag een vijver en een bos kan onderscheiden. Het is haar een raadsel waarom hij daar hangt. De kale muur lijkt er nog kaler door. De ruimte leent zich niet tot een vrolijker beeld.                                                                                                                                         Ze haalt diep adem. Ze mag zich hier niet om de tuin laten leiden. Haar spieren voelen gespannen als ze haar schouders recht.  Ze richt haar blik op de rechterhoek van zijn wenkbrauw zodat het tenminste lijkt alsof ze hem in de ogen kijkt terwijl ze verder gaat.                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                         “Laat ons hier klare taal spreken. Daar houdt u  toch van ? Transparantie toch? Over uw huwelijk heb ik al genoeg gehoord. Ik vraag het u een laatste keer. Waarom hebt u haar vermoord?”                                                            “Ik heb haar niet vermoord. Volg toch mijn redenering. Als ze nu gewoon maar de eenvoudige volgorde had gerespecteerd. Dan had ze het mondwater niet in de beker met flosdraadjes gekieperd.”                                     “Dit is opzet en geen toeval. Kom zeg! Sneeuwwitje neemt mondwater en spoelt, maar in plaats van water schiet er een ijzeren flosdraad in haar keel. En dan ligt ze daar. Dood of halfdood te wachten op de prins. Bent u die prins?Gelooft u nu echt in sprookjes? Ik niet. Als u zoals iedereen het sprookje van Sneeuwwitje kent, zal u ongetwijfeld ook wel het verschil kennen tussen schuld en onschuld. Dat kan u in de rechtbank dan even gaan uitleggen.”                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                   “ U weet niet waarover u spreekt. Een soldaat die het leven van een vijand neemt… is die schuldig? Die handelt uit plichtsbesef, met gevaar voor eigen leven…geen vrijblijvendheid toegestaan. U hier vanachter uw bureautje…” Hij is intussen rechtgestaan. “Neen, blijft u maar rustig zitten. Ik zou weleens willen weten of u uw eigen leven zou geven voor de goede zaak, voor het algemeen belang, zoals men dat dan noemt. Ik kan je verzekeren: de laatste blik in de ogen van een strijdmakker vergeet je nooit. Nooit. Gaat u vanavond maar rustig naar huis. U zal er uw slaap niet voor laten. Ú…, ja, ú gelooft nog in sprookjes. Gemakzuchtige theorietjes…over recht en onrecht…Wat is recht, hé…?U bent bang voor diegenen die het heft werkelijk in eigen handen nemen en nu heeft u het lef om zich met mijn huwelijk te bemoeien. Het zijn zaken die u niet aangaan. Waarschijnlijk hebt u thuis een schoothondje zitten, eentje dat beweegt, als u alleen maar met uw manwijfvingers knipt. Wel, ík ben zo NIET! Is dát klare taal?” De mond van de inspecteur valt open maar ze klapt hem snel weer dicht. Ze kijkt nu recht in zijn bloeddoorlopen ogen. Zijn maaiende armen opgeheven.                                                                                                                                                Ze hoort zichzelf roepen.                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                           “Zitten en wel nu!!”   ONT-BOTTEN   Ze kijkt door het keukenraam. Een ritueel dat ze een paar keer per dag graag herhaalt. Ze houdt erg van de lente en als tussen de rozenperken de eerste knopjes verschijnen, verheugt ze zich dat het weer zover is. Nu is het nog het einde van de winter. Zijn stem klonk deze keer onvast toen hij eindigde met “dit is het einde van deze argumentatie”. Hij noemde het nooit een ruzie. De deur ging iets harder in het slot. Een buitenstaander zou het niet gemerkt hebben, maar zij wist dat hij inwendig razend was. Ze merkte het aan de plotse onvastheid van zijn geprononceerde bewegingen. Zijn hand vergat even hoe die een deur moest openen.                                                                                             Ze weet dat ze deze keer gewonnen heeft. Het mondwater zal bij de T van de tandverzorgingsproducten staan. Ze kan zich zijn gezichtsuitdrukking maar al te goed voorstellen. Het tegenovergestelde van zijn ingestudeerde neutraliteit. Ze betrapt zichzelf op een leedvermaak.  Tijdens hun huwelijk nam ze de liefdevolle taak op zich zijn harnas open te breken. Ze wilde niet ophouden de man hierachter te leren kennen. Ze vroeg hem naar zijn vader en moeder. Hij noemde dat psychologische onzin waarmee je niet vooruitkwam. Ze verzekerde hem dat een kind het slachtoffer was in zo’n situatie.  Hij replikeerde dat het zwakkelingen waren die zichzelf ervan weerhielden een deugdzaam en eervol leven te leiden.                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                        Ze wilde begrijpen wat er precies achter zijn maniakale drang schuilging om alles te willen controleren en ordenen. Een onbedwingbare controleoefening was een voor de hand liggende conclusie maar voor haar niet voldoende. Hij wist haarfijn welke kleur lippenstift ze bij een kledingstuk verkoos tot zelfs het nummer ervan toe.  Hij bracht het achteloos. Maar ze wist wel beter. Het had haar gecharmeerd en ontroerd In de eerste jaren van hun huwelijk kwam hij ’s avonds vaak thuis met verhalen. Het amuseerde haar. De groenteverhalen buitte hij lang uit. “Broccoli is goed voor het ijzergehalte, schat.”, zei hij.  Hij vertelde het verhaal van de competitie lopen. Hij had gewonnen. “Het ijzer ging wel flink tekeer in mijn bloed”, zei hij. Ze hield van de blosjes op zijn wangen en de viriliteit die hij uitstraalde.                                                                                                           Later bracht hij een ander verhaal. Deze keer was het het saignant gebakken rundsvlees. Saignant gebakken rundsvlees stond met een uitroepteken in de eerste kolom. Hij had de competitie lopen niet gewonnen. Hij had wel zijn record verbeterd. Ze zag die blosjes op zijn wangen en wilde hem weer in haar armen sluiten. Saignant gebakken vlees was toch goed voor de potentie, dat had hij haar toch zelf verteld? Maar zijn lichaam verstarde. “Teamwork. Teamwork is het belangrijkste in het leger.” zei hij terwijl hij elke lettergreep bijna uitspuwde. “Ja, samenwerken is belangrijk en denk je niet nog meer…het af en toe eens aan de ander durven overlaten?” Ze keek hem in de ogen, hunkerend naar iets van erkenning of iets anders, wat het ook was maar het bleef uit. Hij zou zich weer achter zijn krant terugtrekken en pas bij het avondeten, stipt om 18u30, opnieuw verschijnen. Zijn ogen zouden eerst naar de wijzers van de keukenklok gaan en dan pas naar haar. Alsof hij haar woordeloos wilde laten weten dat hij zich nog liever aan een onpersoonlijk mechanisch ding als een klok overleverde dan aan haar, zijn vrouw van vlees en bloed. Ze had niet langer de kracht om het anders te interpreteren. Haar houding veranderde. Ze vroeg zijn raad niet meer bij het kleden. Ze reageerde niet meer als hij een bijpassende lippenstift noemde en bij het overeenkomstige nummer had ze de neiging om haar oren dicht te stoppen. Hij probeerde haar meer te betrekken als hij iets vertelde. Hij begon haar opnieuw “ schat” te noemen maar ze weigerde nog langer aan die onbeholpenheid tegemoet te komen.   GROENTESOEP   Een moestuin was er nooit gekomen.                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                 Ze begon er enkele keren over. Hij reageerde verontwaardigd. “Maar schatje, je gaat toch niet met die prachtige pianovingers van je in de grond zitten wroeten. Dan gaan ze die betoverende melodietjes van jou er niet meer uitkrijgen, hoor…!”                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                            Dat was het nu net. Ze had vroeger op hoog niveau piano gespeeld. En hij had haar na elk optreden getrouw staan opwachten, haar uitvoerig complimenterend met het talent dat hij in haar zag. Hij was niet van haar weg te slaan. Niemand had haar zo veel liefde betoond.  Hij moest wel de veelbelovende toekomstige zijn.                                                                                                                                                                                                                                        Na 2 jaar samen zijn, legde ze hem stralend voor haar professionele muziekopleiding weer aan te vatten na die stille jaren op het vlak van muziek.  Ze keek verwachtingsvol uit naar dat  enthousiasme dat hij haar na haar vroegere muziekoptredens altijd betoonde maar dat bleef uit.  Ze zouden elkaar niet vaak meer zien als ze zo veel moest studeren. Het was beter het bij een hobby te houden, zei hij. Bovendien was het zo’n harde wereld, waartegen zij niet opgewassen was.                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                   Maar nu zou ze zich niet meer plooien. Al zei hij dat hij haar wilde beschermen tot aan haar dood. Ze voelde zich stikken. Ze zou ze er nog aan sterven ook. Neen, ze zou alles doen wat ze zelf wilde, ook al verbood hij het haar. Intussen was ze een eind in de veertig en ze wist onderhand wel wat goed voor haar was.  En wat ze niet wist, zou ze wel leren. De groentesoep. Haar hart bonsde in haar keel. Ze nam beslist haar grootste winkelmand en begaf zich naar de groentewinkel met het ruimste assortiment fruit en groenten in de omtrek. Ze zou een groentesoep maken uit een assortiment van A tot Z. Hij kon er zeker van zijn dat ze zijn geliefkoosde alfabetische volgorde gebruikte.                                                                                                                                                                  Ze begon aan de opsomming: andijvie, boerenkool, courgette, doperwten, erwten, …Ze aarzelde even. “Hebt u een groente die begint met de letter ‘f’?” De winkelbediende keek haar verbouwereerd aan. “Geeft niet, geeft u dan maar een flinke sla.”                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                   Ook kocht ze een halve kilo kersen. Onderweg genietend stak ze ze een voor een in haar mond, waarbij het sap haar lippen rood kleurde. De pitten spuugde ze op de grond. Alle kanten op en liefst zo ver mogelijk.                                                                                                                                                     Het was alsof ze weer een jong meisje was en ondanks de 20 kilo die ze meedroeg, voelde ze zich lichter dan ooit.  

Fantavero
0 0

Het schema

                HET ZWAARD   Het begon toen zijn vrouw een fles mondwater had gekocht tegen slechte adem en tandplak. Vooral tegen tandplak. Dagen hadden ze geruzied en gediscussieerd. Haar argument was dat het bij de T van tandverzorgingsproducten moest staan. Hij ging voor de M van mondwater. Zij vond dat het dan te dicht bij de producten voor de maag stond, bij de maagtabletjes. Ze wilde geen mondwater in haar maag krijgen. Hij klemde zijn kaken op elkaar, zijn mond in een pijnlijke grimas. Hij had bij zijn standpunt moeten blijven zoals hij altijd deed.  Hij voelde zijn greep op haar verslappen.Het mondwater was uiteindelijk bij de tandbenodigdheden terechtgekomen. In de badkamer stonden 3 bekers. Eén voor de flosdraden, één voor hem en één voor haar. Hoe had ze zo stom kunnen zijn. Het mondwater in de beker van de flosdraden.  Had ze nou toch maar gewoon haar verstand gebruikt en voor de M gekozen. Voorzichtig trekt hij het plastiek los van de lichtblauwe badkamertegels. Er blijft nog wat opgedroogde lijm achter en met zijn nagel probeert hij deze weg te krabben. Hij veegt het witte gruis van de lijm van zijn nagel af maar er blijft nog een wit randje onder zichtbaar. Nog een uur voor hij wordt opgehaald. Hij bekijkt onder het plastiek het schema waar hij met overgave aan werkte en dat hem veel plezier verschafte.  Hij zucht. Heeft hij spijt? Ja en neen. Hoe het zover kon komen? Daarop weet hij het antwoord. Het was begripsverwarring. Van begrippen weet hij alles. Ze geven de dingen een naam en al de rest zijn verzinsels of fantasie. Fantasie leidt nergens toe. Verzinsels zijn tenminste nog bruikbaar, tijdelijk, om je uit bepaalde situaties te redden, waardoor je weer grip krijgt en je weer met de echt belangrijke dingen en met de realiteit kan bezighouden. Structuur. Orde ook. Dat had hij in het leger geleerd. Je voorbereiden op de ergste dingen. Achter elke hoek een vijand. En dat kon er een zijn met een pistool, een geweer of een kalasjnikov. Ken je vijand of zijn wapen zoals je jezelf kent. Dat was zo in het leger en in het dagdagelijkse leven. En laat je niet misleiden door zentoestanden als meditatief boogschieten, want dan schiet je pas aan jezelf voorbij.  Een vizier en een doel , dat heb  je nodig. Alleen zo kan je je mannetje staan. En je mannetje kunnen staan, daar gaat het in het leven om. Ja, zo ziet hij het nu nog steeds. EN DE SCHEDE NATUURLIJK   De periode waarin ze hem graag zag, leek een eeuwigheid geleden. Ze kon het gevoel niet meer oproepen maar wist nog wel waarom ze ooit voor hem viel. Het kostte hem geen enkele moeite de dingen helder te doorzien. Hij had voor alles een oplossing. Die oplossing deed zich in hun verdere huwelijk meer en meer voor als een beslissing.  Een beslissing die hij voor haar nam. Ze had dit vrij snel door, maar had het eerst nog als een onhandigheid van hem gezien. Een poging van hem om haar te sparen. Te weten wat best voor haar was. Hij was er van overtuigd dat discussies haar en bijgevolg hun relatie zouden schaden. Zo lustte hij geen groentesoep. Hij overtuigde haar dat een bepaalde combinatie van groenten een chemische uitwerking had, die slecht was voor zijn gezondheid. Zij capituleerde. Dus maakte ze nog enkel soep van één groente tegelijk. Hij maakte een lijstje van alles wat gezond was. In kolommen. In kolom één alle voedingsmiddelen. In kolom twee de voedingswaarden. En in kolom drie de bijhorende wetenschappelijke formules. De tweede kolom kon ze nog begrijpen, maar het was de derde kolom die haar ontzag inboezemde. Omwille van de kennis. Kennis waarvoor je geniaal moest zijn. Hij deed een poging het haar duidelijk te maken, maar ze voelde zich een kind dat werd berispt. Hij zei dat hij het haar nog eens geduldig wilde uitleggen. De vreemde tekens en symbolen werden gezichten die haar nu eens grijnzend, dan weer spottend aankeken.  Ze keek beschaamd naar de grond. Gelukkig stond de bloemkool die ze die dag gekocht had ook in kolom één. Ze liet een stevige straal kraantjeswater over de bloemkoolroosjes lopen en besloot zich gewoon maar aan het schema te houden.  De routine die ze aannam als hij uit werken was, begon haar te vervelen.   ’s Ochtends maakte ze voor hem ontbijt, bereidde zijn lunchpakket en ruimde de tafel weer af als hij vertrokken was. Daarna ging ze in de keuken voor het schema zitten en bedacht wat ze die dag zouden eten. Haar boodschappen deed ze in de voormiddag. In de namiddag deed ze haar huishoudelijk werk en in de late namiddag begon ze aan de bereiding van het avondmaal. Rond half zes kwam hij thuis.  Dan luisterde ze een half uur naar het relaas van zijn dag. Tussen zes en half zeven las hij zijn krant en bekeek hij de beursuitslagen. Zijn half uurtje “lichaam in rust en verstrooiing van de geest”, zoals hij het placht te noemen.    Ze voelde zich al een tijdje erg onrustig. Na het boodschappen doen, sleepte ze zich weer eens naar de keuken.  Ze was haar antislippantoffels vergeten aandoen en gleed uit over de gladde keukenvloer. De selder viel uit haar mand en tegelijk kletterde de bokaal tomatensaus in stukjes op de grond. Een mozaïek van groene selder met stukjes tomaat. Geen seldersoep vanavond. De tranen sprongen in haar ogen en haar aandacht dreigde naar de boze kolommen te gaan. Huiverend wendde ze haar blik af en begon de boel koortsachtig op te ruimen. Haar aandacht viel op het blaadje dat mee uit haar mand was gevallen. “Hoe kook ik lekker vegetarisch?” stond erop. “Vegetarisch, da’s toch ook gezond”, dacht ze. En het kon ook met slechts één groente tegelijk. Ze trok naar de bibliotheek en haar mond viel open bij zoveel gerechten van verschillende soorten voedingsleer met elk hun eigen filosofie. Dagenlang spendeerde ze daar terwijl ze in de boeken bladerde. Het was spannend alsof ze naar een groot mysterie peilde, alsof ze zichzelf onderzocht. Hoewel ze dat gevoel niet kon  verklaren. In haar zoektocht viel haar oog  op de gerechten, bereid met de voedingsmiddelen uit kolom 1 en hun respectievelijke voedingswaarden. Een vreemde spanning werd haar meester. Dit was het moment, het moment om ze eens goed te onderzoeken. Wat betekenden die voedingswaarden? Ze bestudeerde verschillende gerechten.  Dankbaar dacht ze aan al die zuivere, gezonde producten uit de natuur. Het maakte haar helemaal warm vanbinnen.  Dan dacht ze terug aan de formules in de keuken die haar zo beangstigden. Nù, nu was ze klaar om haar nieuwe kennis te testen.  Ze bekeek de symbolen van de formules. Ze herkende niet veel. Ze bekeek ze nog eens en nog eens. Ze kwamen niet overeen met de symbolen van de voedingswaarden. De W bleek voor arbeid te staan en niet voor water. V betekende volume en had niets met vezels te maken. En op de koop toe  stond C° voor Celcius en dat was helemaal iets anders dan cholesterol. Het was een enorme wolk van teleurstelling die in haar opsteeg en haar mee nam. Ze wist even niet meer waar ze was en het duizelde haar.Verschillende fragmenten uit haar leven trokken aan haar voorbij tot ze weer teruggegooid werd in haar keuken. De plaats waar het allemaal begon. Ze herinnerde zich vaag dat er nog iemand aan deze plaats verbonden was. Haar man, die nu een vreemde voor haar  was geworden. Een kalme zekerheid kwam over haar. Neen, hij mocht hier niets van merken. Hij zou haar woede met zijn radar ogenblikkelijk detecteren. Haar duidelijk maken dat woede niet bevorderlijk is voor de algemene menselijke en geestelijke gezondheid. Beheersing. Beheersing moet er zijn. Ze zag hem snoeien in de tuin.  Zijn rug in een voorovergebogen maaiende beweging. Tussen de berg tuinafval lagen zowel dorre takken als jonge twijgjes. Ze voelde zich misselijk worden. Zij had evengoed tussen het tuinafval kunnen liggen. Door al die jaren met hem was ook haar levendige jonge binnenkant weggehaald. Het verklaarde het uitgeholde gevoel waar ze al lang mee rondliep. Haar enthousiasme door zijn maaiende beheerste snoeischaren weggeknipt. “Zeurpiet”, dacht ze. Er zat een bal in haar keel die ze uit alle macht probeerde weg te slikken. Haar keelholte leek te klein. “Zeurpiet!” Nu begonnen haar handen onophoudelijk op het keukenblad te slaan. Ze skandeerde nu, maar met een dikke, opgezwollen tong.  Alle woede, al het verdriet. Nog altijd ingeslikt. “Seurrpiett…seurrpiett!!” Blaasjes speeksel verschenen op haar lippen en het zweet stond op haar voorhoofd.  Ze klemde haar handen rond de rand van het keukenblad tot haar knokels wit werden, terwijl ze hijgend de woorden verder uitspuwde. “Zeurpiet! Zeurpiet! Zeurpiet!...f beheersing, beheersing...!”   HET OOR VAN DE POLITIE   Van zijn gezicht valt niets af te lezen, emotieloos. Is het zijn tactiek of is hij een psychopaat? Dat zal het psychologisch onderzoek nog uitwijzen. Ze kijkt van niets meer op. Er passeren nog vreemdere gevallen. Hij breekt haar gedachte.“ Structuur is belangrijk”, zegt hij op licht geïrriteerde toon. “Dat heb ik haar al die jaren proberen bij te brengen. Ik dacht dat ze er uiteindelijk wel mee weg was. Tijdens de oorlog opereer je ook niet zonder een plan.”                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                     “Ik begrijp niet wat u bedoelt. Wat heeft dat met het delict te maken?” Ze neemt de man voor haar op. Uiterst vreemde zaak, denkt ze, en een nog vreemdere man. Een militair blijkt uit het dossier dat ze haastig doornam. Ze had het kunnen denken.  Hij is onberispelijk gekleed. Volledig in het grijs hoewel de broek iets donkerder dan de trui en de kraag van zijn hemd in een nog lichtere tint. Gemillimeterd grijs haar en een verzorgde huid. Een dure gezichtscrème, vast en zeker. “Komt u alstublieft terzake.”, zegt ze nu op besliste toon. Verbeeldt ze zich een spottend trekje? Zijn linker mondhoek trekt wat krullend opzij weg terwijl hij verder gaat. “Om 18u30, de Dow Jones  was net met 1,22 % gestegen, ik bekijk altijd de beursuitslagen voor het eten, zag ik dat het groentesoep was toen ik op wou opscheppen. Ik had het haar nog zo gezegd. Groentesoep geeft míj bij de spijsvertering gassen die deze bemoeilijken. Een kakofonie van kleuren. In het leger hou je je ook bij je eigen vlag, bij wijze van spreken. Dat is het basisbeginsel. Het solidariteitsprincipe van elke militair.” De inspecteur heeft vandaag al te veel koffie gedronken en ze voelt haar droge plakkende mond. Ze heeft weer niets gegeten dat voor gezond kan doorgaan. Snel een suikerwafel die haar zure oprispingen geeft. Ze hoort zichzelf smakgeluidjes maken. Natuurlijk denkt er hier niemand aan om een fles water en glazen neer te zetten. “Ik weet inmiddels dat u bij het leger werkt… groentesoep? Laat u zoiets banaals als groentesoep uw huwelijk beheersen? Hoe werkt dat in een huwelijk van bijna twintig jaar?” En dan denkt ze aan Willy, haar eigen man. Hij kookt voor haar en zij houdt niet van zijn kost. Vet. Zoals hij. Die slanke mooie man door de jaren en het huwelijk heen in gewicht verdubbeld.                                                                                                                                          “ Vertel mij eens wat meer over uw leven met uw vrouw.”                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                “Mag ik even mijn verhaal afmaken, u schijnt mij niet te begrijpen.” Het ontgaat haar niet dat zijn stem even in toonhoogte stijgt. “Je ziet wel verschillende vlaggen als er een conferentie is, maar die is aangekondigd. Die is aangekondigd. Transparantie en consequentie, dat zijn belangrijke waarden. Om op uw vraag te antwoorden, ook in het huwelijk.” Er kleuren enkele rode vlekken in zijn hals en tussen de kraag van zijn hemd.  Ze voelt zich weer op het cruciale punt aanbelanden. De hoofdinspecteur zou zeggen dat hier juist de uitdaging van de ondervragingsstrategie ligt. Pokerface spelen en op het juiste moment toeslaan. Gelukkig is hij er nu niet. Ze wil niet begrijpen wat hij hiermee bedoelt. Wat is het juiste moment? Een delict hangt toch van meerdere factoren af? En hij is doof voor wat ze haar vrouwelijke intuïtie noemt. Ze heeft wel eens meer de indruk dat het voor hem alleen maar een spel is dat hij het liefst nog met de dikke rook van zijn dikke sigaren omhult. De man voor haar is het niet gewoon tegengesproken te worden. Daar kan ze nu prat op gaan. Ze richt zich op de muur achter hem. Een zwart-wit foto van een landschap. Een donkere prent waar je vaag een vijver en een bos kan onderscheiden. Het is haar een raadsel waarom hij daar hangt. De kale muur lijkt er nog kaler door. De ruimte leent zich niet tot een vrolijker beeld.                                                                                                                                         Ze haalt diep adem. Ze mag zich hier niet om de tuin laten leiden. Haar spieren voelen gespannen als ze haar schouders recht.  Ze richt haar blik op de rechterhoek van zijn wenkbrauw zodat het tenminste lijkt alsof ze hem in de ogen kijkt terwijl ze verder gaat.                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                         “Laat ons hier klare taal spreken. Daar houdt u  toch van ? Transparantie toch? Over uw huwelijk heb ik al genoeg gehoord. Ik vraag het u een laatste keer. Waarom hebt u haar vermoord?”                                                            “Ik heb haar niet vermoord. Volg toch mijn redenering. Als ze nu gewoon maar de eenvoudige volgorde had gerespecteerd. Dan had ze het mondwater niet in de beker met flosdraadjes gekieperd.”                                     “Dit is opzet en geen toeval. Kom zeg! Sneeuwwitje neemt mondwater en spoelt, maar in plaats van water schiet er een ijzeren flosdraad in haar keel. En dan ligt ze daar. Dood of halfdood te wachten op de prins. Bent u die prins?Gelooft u nu echt in sprookjes? Ik niet. Als u zoals iedereen het sprookje van Sneeuwwitje kent, zal u ongetwijfeld ook wel het verschil kennen tussen schuld en onschuld. Dat kan u in de rechtbank dan even gaan uitleggen.”                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                   “ U weet niet waarover u spreekt. Een soldaat die het leven van een vijand neemt… is die schuldig? Die handelt uit plichtsbesef, met gevaar voor eigen leven…geen vrijblijvendheid toegestaan. U hier vanachter uw bureautje…” Hij is intussen rechtgestaan. “Neen, blijft u maar rustig zitten. Ik zou weleens willen weten of u uw eigen leven zou geven voor de goede zaak, voor het algemeen belang, zoals men dat dan noemt. Ik kan je verzekeren: de laatste blik in de ogen van een strijdmakker vergeet je nooit. Nooit. Gaat u vanavond maar rustig naar huis. U zal er uw slaap niet voor laten. Ú…, ja, ú gelooft nog in sprookjes. Gemakzuchtige theorietjes…over recht en onrecht…Wat is recht, hé…?U bent bang voor diegenen die het heft werkelijk in eigen handen nemen en nu heeft u het lef om zich met mijn huwelijk te bemoeien. Het zijn zaken die u niet aangaan. Waarschijnlijk hebt u thuis een schoothondje zitten, eentje dat beweegt, als u alleen maar met uw manwijfvingers knipt. Wel, ík ben zo NIET! Is dát klare taal?” De mond van de inspecteur valt open maar ze klapt hem snel weer dicht. Ze kijkt nu recht in zijn bloeddoorlopen ogen. Zijn maaiende armen opgeheven.                                                                                                                                                Ze hoort zichzelf roepen.                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                           “Zitten en wel nu!!”   ONT-BOTTEN   Ze kijkt door het keukenraam. Een ritueel dat ze een paar keer per dag graag herhaalt. Ze houdt erg van de lente en als tussen de rozenperken de eerste knopjes verschijnen, verheugt ze zich dat het weer zover is. Nu is het nog het einde van de winter. Zijn stem klonk deze keer onvast toen hij eindigde met “dit is het einde van deze argumentatie”. Hij noemde het nooit een ruzie. De deur ging iets harder in het slot. Een buitenstaander zou het niet gemerkt hebben, maar zij wist dat hij inwendig razend was. Ze merkte het aan de plotse onvastheid van zijn geprononceerde bewegingen. Zijn hand vergat even hoe die een deur moest openen.                                                                                             Ze weet dat ze deze keer gewonnen heeft. Het mondwater zal bij de T van de tandverzorgingsproducten staan. Ze kan zich zijn gezichtsuitdrukking maar al te goed voorstellen. Het tegenovergestelde van zijn ingestudeerde neutraliteit. Ze betrapt zichzelf op een leedvermaak.  Tijdens hun huwelijk nam ze de liefdevolle taak op zich zijn harnas open te breken. Ze wilde niet ophouden de man hierachter te leren kennen. Ze vroeg hem naar zijn vader en moeder. Hij noemde dat psychologische onzin waarmee je niet vooruitkwam. Ze verzekerde hem dat een kind het slachtoffer was in zo’n situatie.  Hij replikeerde dat het zwakkelingen waren die zichzelf ervan weerhielden een deugdzaam en eervol leven te leiden.                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                        Ze wilde begrijpen wat er precies achter zijn maniakale drang schuilging om alles te willen controleren en ordenen. Een onbedwingbare controleoefening was een voor de hand liggende conclusie maar voor haar niet voldoende. Hij wist haarfijn welke kleur lippenstift ze bij een kledingstuk verkoos tot zelfs het nummer ervan toe.  Hij bracht het achteloos. Maar ze wist wel beter. Het had haar gecharmeerd en ontroerd In de eerste jaren van hun huwelijk kwam hij ’s avonds vaak thuis met verhalen. Het amuseerde haar. De groenteverhalen buitte hij lang uit. “Broccoli is goed voor het ijzergehalte, schat.”, zei hij.  Hij vertelde het verhaal van de competitie lopen. Hij had gewonnen. “Het ijzer ging wel flink tekeer in mijn bloed”, zei hij. Ze hield van de blosjes op zijn wangen en de viriliteit die hij uitstraalde.                                                                                                           Later bracht hij een ander verhaal. Deze keer was het het saignant gebakken rundsvlees. Saignant gebakken rundsvlees stond met een uitroepteken in de eerste kolom. Hij had de competitie lopen niet gewonnen. Hij had wel zijn record verbeterd. Ze zag die blosjes op zijn wangen en wilde hem weer in haar armen sluiten. Saignant gebakken vlees was toch goed voor de potentie, dat had hij haar toch zelf verteld? Maar zijn lichaam verstarde. “Teamwork. Teamwork is het belangrijkste in het leger.” zei hij terwijl hij elke lettergreep bijna uitspuwde. “Ja, samenwerken is belangrijk en denk je niet nog meer…het af en toe eens aan de ander durven overlaten?” Ze keek hem in de ogen, hunkerend naar iets van erkenning of iets anders, wat het ook was maar het bleef uit. Hij zou zich weer achter zijn krant terugtrekken en pas bij het avondeten, stipt om 18u30, opnieuw verschijnen. Zijn ogen zouden eerst naar de wijzers van de keukenklok gaan en dan pas naar haar. Alsof hij haar woordeloos wilde laten weten dat hij zich nog liever aan een onpersoonlijk mechanisch ding als een klok overleverde dan aan haar, zijn vrouw van vlees en bloed. Ze had niet langer de kracht om het anders te interpreteren. Haar houding veranderde. Ze vroeg zijn raad niet meer bij het kleden. Ze reageerde niet meer als hij een bijpassende lippenstift noemde en bij het overeenkomstige nummer had ze de neiging om haar oren dicht te stoppen. Hij probeerde haar meer te betrekken als hij iets vertelde. Hij begon haar opnieuw “ schat” te noemen maar ze weigerde nog langer aan die onbeholpenheid tegemoet te komen.   GROENTESOEP   Een moestuin was er nooit gekomen.                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                 Ze begon er enkele keren over. Hij reageerde verontwaardigd. “Maar schatje, je gaat toch niet met die prachtige pianovingers van je in de grond zitten wroeten. Dan gaan ze die betoverende melodietjes van jou er niet meer uitkrijgen, hoor…!”                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                            Dat was het nu net. Ze had vroeger op hoog niveau piano gespeeld. En hij had haar na elk optreden getrouw staan opwachten, haar uitvoerig complimenterend met het talent dat hij in haar zag. Hij was niet van haar weg te slaan. Niemand had haar zo veel liefde betoond.  Hij moest wel de veelbelovende toekomstige zijn.                                                                                                                                                                                                                                        Na 2 jaar samen zijn, legde ze hem stralend voor haar professionele muziekopleiding weer aan te vatten na die stille jaren op het vlak van muziek.  Ze keek verwachtingsvol uit naar dat  enthousiasme dat hij haar na haar vroegere muziekoptredens altijd betoonde maar dat bleef uit.  Ze zouden elkaar niet vaak meer zien als ze zo veel moest studeren. Het was beter het bij een hobby te houden, zei hij. Bovendien was het zo’n harde wereld, waartegen zij niet opgewassen was.                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                   Maar nu zou ze zich niet meer plooien. Al zei hij dat hij haar wilde beschermen tot aan haar dood. Ze voelde zich stikken. Ze zou ze er nog aan sterven ook. Neen, ze zou alles doen wat ze zelf wilde, ook al verbood hij het haar. Intussen was ze een eind in de veertig en ze wist onderhand wel wat goed voor haar was.  En wat ze niet wist, zou ze wel leren. De groentesoep. Haar hart bonsde in haar keel. Ze nam beslist haar grootste winkelmand en begaf zich naar de groentewinkel met het ruimste assortiment fruit en groenten in de omtrek. Ze zou een groentesoep maken uit een assortiment van A tot Z. Hij kon er zeker van zijn dat ze zijn geliefkoosde alfabetische volgorde gebruikte.                                                                                                                                                                  Ze begon aan de opsomming: andijvie, boerenkool, courgette, doperwten, erwten, …Ze aarzelde even. “Hebt u een groente die begint met de letter ‘f’?” De winkelbediende keek haar verbouwereerd aan. “Geeft niet, geeft u dan maar een flinke sla.”                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                   Ook kocht ze een halve kilo kersen. Onderweg genietend stak ze ze een voor een in haar mond, waarbij het sap haar lippen rood kleurde. De pitten spuugde ze op de grond. Alle kanten op en liefst zo ver mogelijk.                                                                                                                                                     Het was alsof ze weer een jong meisje was en ondanks de 20 kilo die ze meedroeg, voelde ze zich lichter dan ooit.  

Fantavero
0 0

Schaduwrijk

Spijt glijdt van het wandtapijt, Vindt geen zandloper, geen exit, Raakt oververhit in dit schemersalon Waar de nacht niet welkom is Zolang mijn geest niet afgesloten. Turend in de spiegel boort De reflectie zijn ijzige blik In het oog van de camera. De lens registreert vage schimmen Wil ze omvatten, omsluiten, Opsluiten in een eeuwig vlies, In een blijvend verkeren. Maar de dood laat zich niet vangen En ik voel het oppervlak Met koude vingers verder af, Wil ontsnappen aan alles wat Me terug in het verleden zuigt. Mijn wijsvinger drukt door het glas, Vloeibaar en veilig, een capitulatie Van densiteit, van fysica, Van al wat zeker en onbetwistbaar, En mijn ticket naar het rijk der dromen. De nacht slokt me op, Met gulzige aversie, En ik stap binnen in De ongastvrije wereld Van haar web ebbende ziel. Ik vraag kom je terug Kom terug naarNaar waar?Naar lege kamersEn blanco bedden?Naar nachten verankerdIn zengende gedachten,In zwijgend sterven?Naar de hel?Moet ik terug naar de hel?Spiegels kennen geen geheimenVoor wie ze kan tarten,En de rol van de dromerIs om het lot te aanvaardenDat de nacht voor hem heeft weggelegd. In deze wereld van schimmen,Van chimères en godinnenBen ik meer op mijn plaatsDan in de armen van een poëet.Kijk over je schouderEn beschrijf wat je ziet.Het is je kamer, verlaten en vergeten.Dit is jouw wereld niet.Die is aan de andere kant van de spiegel,In het rijk der blinden en dwazen,Nostalgisch naar een tijd waarinDe waan van de vrije keuzeAls een mistgordijnHet fatum vertroebelde.Maar nu is het te laatEn jij moet hier ver vandaan,Terug naar je eenzaamheid,Terug naar de spijt die blijftSnijden als de vlijmscherpe tijd. En de reflectie die dagelijksNaar je grijnst nog voorJe eerste kop koffie, laatGeen splinter van twijfel heel.Het is je toekomst noch verleden,Maar de geest van de hypothese,Doodgelukkig hier met mijIn het schaduwrijk der dromen,Van fictie en leugen,En al wat had kunnen zijn.

Gert Vanlerberghe
0 0