Lezen

ingekleurd met koude

van de winter krijg ik erg veel koude binnener wordt op toegezien of ik weldegelijkdat opgelegde gedrag draag onder mijn mantel. een uitgemonde lachstroomt door een gezicht dat dichtslibt en zichtbaar ergens overheen getrokken zit. het bibberen breekt uit deze beenderen, uit de lippen die te dicht tegen elkaar aanliggen die naar wat ze zeggen nooit luisterenin de verzameling van dit lichaam bewaard, badend instuiptrekkingen die op willekeurige tijdstippen instappen en de hele boel vertragen. de trilling versluist zichnaar de seismograaf van huidhaar. rimpels rijpenaan het oppervlak in de boomgaard van ieders nabijheid. buiten kijkt iedereen door doorwaadbaar glasdoor doorwaadbaar gas in aderen van lucht goot men het blauw: een kleur koude, een soort verf gevoeliger, wendbaarder in de zomer wanneer ontdooid het water zich wast.   in de valleien tussen gebouwen kijk ik naar reizigers verdwalend in hun voetstappen teveel, doorweekt van de kou, en ruikend aan slierten adem die ze brouwen (briesen uit neusgaten) en waaraan ze lurken,waarschijnlijk de tong van hun geest waarom anders zo vluchtig en verbleektde taal die jij met me aanknoopt; de versprekingen keken in mijn richting en kwamen me vertrouwd voor het soort ongelijkheid dat tussen ons inlag bleek overbrugbaar maar ik begon met een zucht wat me nog spijtzolang onze lichamen bijpraten, zijn woorden enkel achteraf nodig, eventueel om misverstanden te dempen. mijn silhouet probeerde het licht uit zich weg te duwen, raakte eronder bedolven weet ik nog hoe je was, hoe je op me uitvloeide, tussen varens, tussen het vlasdat meebewoog met wat het uit de woelende wind las?

Tom Asgra
10 0

What kind of fool am I ? Are we ?

I don't know how and why I'm surviving every lonely day When there's got to be  no chance for us Someday Somewhere We'll find a new way of living We'll find a way of forgiving Somewhere There will be a place for us  Someday our sometimes will be gone It depend on the chances we'll take  Someday  There will be a time in our life for believing In the impossible dream in our hearts That one love is shared by two  spirits rise and their dances are unrehearsed  Everybody is searching Hungry for the glamour But it's not money that's buy happiness It's not the shine of silver that put's the heart to rest If you gave me the keys of a kingdom If you dress me in diamonds and pearls It could never compare to the feeling  I feel right now I like to go away, far away To a place where it's just us two With time together Time to spare Time to learn Time to care Where we can just chill and  clear our head When I was walking on a path in the wood one day there were storm clouds gathering overhead I asked myself How could this happen I don't understand Falling in love was not in my plan  This all could be the reason for all my joy and all my pain We have to protect ourselves I thought no one could care But then you blessed my life with your addicted words Made me feel valuable That's why I love you more every day My happiness is just being next to you Your tenderness has touched my soul Sometimes a few words, small talks, A soft and gentle touch, only holding each other's hand. Feeling addicted, affected, desperate, infected, requested, unrehearsed but longing for, Touches like a ton ton, Don't take your love from me Or you will take everything Maybe it's a dream unreal Maybe it was better that we never met... It's hard for us to know That we don't stand a chance In this beauTiful romance We gave all we had to give We both have our own life's to live Maybe we have to face the reality  And keep all of this in our memory Like a dream unreal But I will never forget the way I feel  Loving made me feel like the world's one and only fool Only one difficult beauTiful thing to do We have to enjoy and live the Moment! Am I a fool? Are we foolish?

Raba Tower
0 0

Vreemd land

Er gaat geen nacht voorbij of ik geraak hopeloos in allerlei dromen verward. Nu echter ontwaakte ik uit een niet alledaagse zinsbegoocheling. Ik had er de eerste dag een lange voetmars opzitten. Ik vond, in het donker en bek af, een hotel. Maar, zoals dikwijls in dromen gebeurt, wist ik langs geen kanten waar ik terecht gekomen was. Toen ik wakker werd, was het met een schok en pijnlijk helder, want ik lag effectief in een onbekende hotelkamer, echter niet dat onbekende dat elke hotelkamer heeft als je er voor de eerste keer binnenstapt. Het was wel identiek dezelfde kamer waarin ik de avond tevoren of enkele seconden geleden (een droom duurt maar een tijdsfractie, liet ik me eens gezeggen) mijn intrek genomen had, doodmoe. Het raam omvatte de totale muuroppervlakte van plafond tot vloer en van de linker tot de rechter zijmuur. Dat merkte ik aan het protserig gordijn dat over de hele breedte van de kamer dichtgeschoven was en zich gedwee in een flauw licht liet drenken, haast zeker ochtendlicht. De spierpijnen van de tocht de dag te voren die me uit mijn slaap geroepen hadden, waren plots verdwenen. Ik zal dan toch nog aan het dromen zijn, probeerde ik me gerust te stellen. Meteen wilde ik het weten, met zekerheid. Opzij vond ik het touwtje en begon er aan te hijsen. Het gordijn week plechtig zwaar uit elkaar, ik moest denken aan het doek van een toneelzaal. Een mijlenver landschap kwam te voorschijn, een authentiek toneeldecor. Het panorama was kris kras met opgeschoten betonstaven, masten en staken bezaaid. Opzij lag een korenveld. Tussenin liepen rechtlijnige en verreikende rijen van naar boven gekromde palen voorzien van TL-buislampen. Het leken wel gestroomlijnde walviskarkassen, gepolijste visgraten in sierlijke bochten, spietsende spanten van een schip in aanmaak op de werf. Tientallen Eiffeltorens volgden keurig achter elkaar in het gelid, ze droegen kilometers lange hoogspanningskabels. Een mast stak rode lichtjes op zijn top in een voorbijzeilende wolk. De hoogste van de sensorische schelpen die een andere toren schraagde bereikte ongetwijfeld de donkere kant van de maan, berekende ik benauwd. Aan de horizon rees een verbrandingsoven uit de grond. Bovenop zijn schouw ruste een witte slaapmuts, een roerloze schuine wolk in evenwicht. Hijskranen winkelhaakten de lucht in driehoeken en trapeziums. Bij gebrek aan voldoende plaats verrezen nieuwe masten gemonteerd op deze die er al stonden. Gespannen keek ik toe en zag een constructie van ijzerspaken en balken uit het midden van een paardenstal de hoogte inrijzen. Het hele arsenaal van lansen, speren en spiesen liep verder dan het blote oog zien kon. Het was duidelijk dat de bewoners een titanisch gevecht tegen de wildgroei leverden. Hier en daar waren ze er in geslaagd terrein te winnen op de in de zon blikkerende palissaden, hekken en afsluitingen. Een woning in opbouw was ver klaar. Ook de boom die ze ernaast kweekten gedijde weelderig. Er waren zelfs plekken te bespeuren waar een onvervalst bosje, bij nader toezien van zwarte elzen, essen en sleedoorn, op heldhaftige wijze tussen de PVC-gelederen overleefde. Op sommige locaties waren palen omgegooid en lagen roemloos te roesten. Een sliert populieren verving vermoedelijk een vroegere rij telefoonpalen. Dan weer zag ik hoe het metaal terrein probeerde te heroveren en torenhoge antennes zich als parasieten aan de schoorstenen op de daken van de huizen vasthechtten.       Een droom, dacht ik opnieuw. Toen viel het mij in, hoogst waarschijnlijk had ik mijn verrekijker bij me. Tijdens het opensjorren van mijn rugzak bekeek ik de wanden van de kamer. Ook die konden me niet helpen om uit te maken waar ik aan toe was. Er hing een foto die veel weg had van het Himalayagebergte, ingekaderd en achter glas. Daarnaast hing een aquarel die een groep Afrikaanse dansers voorstelde, benen haaks als sprinkhanen, voeten plat tegen de grond. Na wat rommelen tussen spullen die ik herkende als de mijne, maar waar ik verder niets mee te maken had, vond ik hem. Meestal moest ik wat prutsen om de lenzen scherp te stellen, nu vlogen de beelden er zo in. Meteen kreeg ik de verre asfaltlinten in zicht. Ze slingerden zich als slangen tussen de pijlers door. En jawel, honderden wagens die zich voortbewogen, achteraan, traag als pissebedden. En anderen die vooruitschoten, dicht onder mij, als schichtige kakkerlakken. Ik schrok en voelde het in mijn maag, ze bewogen. Alles zette zich in beweging. De rode lichten in de toppen van de masten flitsten aan en uit en de witte wolk werd in gecondenseerde lagen uit de schouw van de verbrandingsoven geperst en klom verder de lucht in. Door terug naar beneden te focussen kwam een meisje in zicht. Ook zij bewoog. Met wippende haarstaarten zwierde ze in een schommel die aan de dwarse stangen van een van die Eifeltorens achter in haar tuin ophing. Het was dus geen toneeldecor en geen droom, besloot ik paniekerig. Weer probeerde ik mijn onrust te sussen. Dat het echt was wat ik meemaakte was nog niet bewezen, want ook in mijn dromen bewogen de dingen, traag, zo droomtraag als de man, die nu een metershoge beuk aan het planten was tussen metaal afval. Plots brak een stem de alomtegenwoordige stilte. Ik verschoot me een ongeluk, tot ik merkte dat de klank uit het luidsprekertje van een radio in de muur kwam. 'Er ligt een betonnen paal over het hele wegdek van de autosnelweg, alle rijstroken zijn voor onbepaalde tijd afgesloten,' waarschuwde een donkere mannenstem. Ik probeerde ergens een knop te vinden om meer nieuws te krijgen, maar nergens was er een te bespeuren. Eindelijk moest ik maar eens weten waar ik terecht gekomen was. Beducht stapte ik naar de kamerdeur. Onderweg merkte ik dat er aan de zijkant van mijn schoenzolen opgesteven modder kleefde. Die tocht van gisteren was dus wel degelijk reëel, zonk de akelige gedachte in mijn knieën. Ik wikkelde aan de klink. Dat was toch al iets: ik was tenminste niet opgesloten. Blohartig stak ik mijn hoofd door de opening. Voor mij zag ik een lege traphall, voltapijt op de treden met blikken stootranden, proper gestofzuigd en versleten. Doodse stilte. Ik riep iets, en nog eens, veel luider. Maar alles bleef hersenschimmig stil. Hoe moet het nu verder? Vertwijfeld trok ik me terug. Naast de deur stond een schrijftafel, onder het blad vond ik een schuif. Daarin trof ik een toeristenfolder aan. Ik las: ‘Welcome! Visit Flanders, zijn huizen, zijn bomen!’     

Guido De Schrijver
9 0

Love is a story that never ends

Ergens voel ik terughoudendheid te schrijven over hoe groot de impact is van het verlies van mijn lief negen jaar geleden. Bij mij van binnen het idee dat als ik erover schrijf, het een teken is dat het verdriet nog geen plek gekregen heeft. ’Je hebt het nog niet verwerkt’ zijn woorden die soms als een echo van binnen weerklinken. Woorden die me raken. Woorden die ik herhaal en onzekerheid brengen. Ondanks dat ik denk het verlies verwerkt te hebben, brengen deze woorden mij uit mijn evenwicht. En vragen telkens weer om zelfreflectie. Rouwen is een zoektocht naar een nieuw leven zonder fysieke aanwezigheid van mijn lief. Ik denk dat ik het nieuwe leven vorm gegeven heb en het verdriet de juiste plaats. Maar ook al is mijn lief er niet meer, altijd zal hij onderdeel zijn van mijn leven, al is het maar omdat mijn kinderen ook zijn kinderen zijn en iedere dag het levende bewijs van zijn bestaan. En daarom vind ik het niet gek dat er levendige herinneringen zijn, hij niet onbesproken blijft en mijn leven direct en indirect nog steeds beïnvloed wordt door de jaren die ik met hem samen ben geweest. Net zo goed als dat gevoelens van verdriet en ontroering dichtbij het verlies liggen en ik opeens geraakt kan zijn door een herinnering, beleving of door muziek. Ondanks de terughoudendheid erover te beginnen ervaar ik ook de behoefte om deze gevoelens te delen omdat ik de indruk heb dat we in een wereld leven die te weinig ruimte laat voor gevoelens van verdriet. Het is de bedoeling rouwwerk snel af te handelen. Als je na enige tijd nog benoemt dat je het moeilijk hebt, heeft een deel van de wereld zijn interesse al verloren nog te willen luisteren. En vindt ook dat het de hoogste tijd is dat je verder gaat. Kom op! 'schouders eronder en doorgaan' is het advies. Of krijg je soms de vraag of je daar nog steeds mee bezig bent. Ik denk dat mensen steeds vaker een masker opzetten en hun werkelijke gevoelens niet meer tonen. Terwijl uiten van gevoelens een beweging op gang brengt waardoor verwerking ontstaat. Als tegenreactie zijn er mensen die verdriet koesteren. Zij baden in het verdriet liever op het randje van verdrinking dan mee willen gaan in de tendens van deze tijd. Deze mensen laten naar mijn idee ook niet zien wat er werkelijk speelt. Zij nemen bezit van het verdriet en hebben het daardoor net zo moeilijk als degene die het masker hebben opgezet. Rouwen is afzien. Rouwen is doorgaan. Rouwen is de uitdaging authentiek verder te gaan. Hoe dichter je bij jezelf komt, hoe meer kleur het leven krijgt. Ik geloof dat je verlies mee kan dragen op een positieve manier zonder het te maskeren of te koesteren. En dat je vanuit een diep verdriet het leven terug op kan pakken. Dat je kan leven met plezier in het hier en nu, verwachtingsvol naar de toekomst kan kijken en gelijkertijd ook stil kan staan bij wat er is gebeurd in het verleden. Gevoelens kennen geen tijd. Dit erkennen en hier ruimte voor laten is waardoor mijn leven terug betekenis heeft.

Jolie Le Fay
0 0