Lezen

Zweefgetouw

Want in de aankomende talentenjacht weeft zelfs de zwevende kiezer z'n eigen kleverige web. Ik ben ziek in alle bedden, Kom me redden, Maar ik hou m’n mond niet, ’t Is te zeggen. Ik zwijg in talen Die geen ander kan begrijpen En laat de kritiek in mijn Web van woorden rijpen. Ik leef, Ik beef. Een dag niet gestreefd Naar het schikken van de kosmos, Is een dag niet gescheefd. Weef mijn wereld in een andere kleur Dan die van zonnen en planeten, Als je eenieder die zich anders uit Het daglicht niet wil gunnen. Steek die Natie waar geen ster nog schijnt; Wij zijn geen trollen die stinken In enge grotten en teren op eigen sappen, Eigen smerigheid eerst. Wij zijn als pasgeboren baby’s, Klaar voor een wereld die We gedoemd nooit te begrijpen, Als een vrucht die nog moet rijpen, Een onbeschreven blad, Een ongeopend vat Dat boordevol met kansen Die niemand durft te grijpen, Een grote achtertuin die pas leeft Als besproeid met onverdeelde stralen zon, Niet met ’t gif van propaganda, Spraakwater dat smaakt naar beton. Wij staan niet klaar met een meter Of een machine die geld schijt, Steeds bereid om vreugde te verteren, Industrieel te vermalen tot steriel stof, Om er een prijskaartje aan te hangen: Wij niet bijdraagt, is een dief. En in dat uitgerekte gaatje, Is daar nog plaats voor al je bommen En raketten en kwade tongen, Daar waar geen licht kan. Het viseren van een wereld waar slechts vrede, Is als ’t weven van Penelopes kleedje, Iets wat tjeven steeds beleven In hun streven naar meer macht; Het doet de beer dansen En de boer meer stront scheppen, Maar wij zijn er niet voor in de wieg, Want met de troost die zijn ons bieden Blijft niets hoger dan de nood En de helers die we kiezen Wiegen alle kindjes dood. 

Gert Vanlerberghe
0 0

De lift

De lobby van het hotel was overvloedig bekleed met scharlaken fluweel. Een blauwdruk van vergane glorie. We kregen korte aanwijzingen om de lift te nemen naar de 107de verdieping. Daar hadden we een kamer binnen ons karige budget. De miljoenenstad vrat in geen tijd je geld op als je in een deftig hotel wou verblijven. We hadden de grootte van het gebouw niet kunnen inschatten. De foto’s op computer toonden een wat onpersoonlijke wolkenkrabber. Een bescheiden kamer met witmetalen bedden. We waren allebei opgegroeid in een huis met weinig verdiepingen. Het leek alsof we zo ver daarboven geen aarding meer zouden hebben met de grond, alsof we in het ijle zouden leven. We besloten dat de kamers aan deze prijs hoger gelegen waren, waardoor de klanten meer tijd verloren aan de lange trajecten in de lift. Dit nadeel bracht ons een korting op en we vatten weer moed. Onze geanimeerde overwegingen waren onzichtbaar voor het personeel. Zonder levenslust werkten ze voort.  De lift was enorm en eveneens in donkerrood fluweel. Ovaal. Een danszaal eerder dan een lift. Andere hotelgasten zaten her en der verspreid, apathisch. Ze leken overgeleverd aan de tocht. De boy vroeg ons kordaat wat onze verdieping was. Hij drukte op een knop ergens bovenaan. Er was geen liftmuzak, enkel stilte. Een ontzield koppel zat op een ovale bank in het midden voor zich uit te staren.  De anderen, een twintigtal, waarvan iets meer vrouwen als mannen, stonden tegen de beklede wanden en keken elk een andere richting uit. Het was zulk een artificiële opstelling, bestudeerd bijna. Was het geregisseerd, zaten we in een opname? Ik zag aan mijn vriendin dat ze zich dezelfde bedenkingen maakte. Ze snoof een fijne scheut lucht binnen alsof ze haar hersenen wou voeden om dit mysterie te begrijpen. De boy klikte nog enkele andere verdiepingen aan en de lift trad in werking. Vreemd genoeg maakte hij concentrische bewegingen terwijl hij steeg. Bij elke verdieping draaide hij om zijn as. De draaibeweging gaf ons het gevoel dat we opgetild werden, dat de zwaartekracht ons had opgegeven.  Bij de eerste verdiepingen waren we te verbaasd om iets te voelen, maar al snel trad een misselijkheid op die niet te stuiten was. Mijn vriendin ging langs de kant zitten, stelde zich hard op, beslist om niet toe te geven aan haar duizeligheid, maar ze moest al gauw een plastic tasje volkotsen. Ook mijn maag draaide zich om. De andere liftreizigers bleven apathisch gefocust op een punt. Konden ze de draaierigheid hiermee om de tuin leiden? Onze reactie op de trip sloeg hen niet uit hun lood. Niemand snelde ons ter hulp. Ze leken op die paspoppen die melancholisch met hun half geschilderde ogen in het ijle staren, steunend op hun stijve ledematen, maar deze personen waren wel degelijk van vlees en bloed. Ze zagen eruit alsof ze met een zware waarheid moesten omgaan, waarvan iedereen op de hoogte was, behalve wij. We waren naïef. We gaven toe aan onze lichamelijke reflexen, terwijl er schijnbaar iets veel erger aan de hand was. Hoe veraf was het moment waarop we enthousiast het toeristengidsje hadden doorbladerd. De lift stopte even tussen verdieping 53 en 54. We wachtten eerst af wat de volgende verrassing kon zijn, een denderende crash. We wendden ons af van die waanidee en overlegden of we deze trip meermaals per dag konden ondernemen. Hadden we die martelgang over voor een goedkope hotelkamer? Mijn vriendin, die er het ergst aan toe was, vermande zich. Het was veel geld en we zouden iets anders moeten zoeken. We zagen de werkdagen aan ons voorbijgaan die de trip had gekost en besloten dat we het wel gewoon zouden worden. De tweede helft van het traject was zo mogelijk nog erger, alsof de lift onze hoogmoed wou bestraffen. Er kwamen vibraties bij, kleine schokjes. Mijn vriendin vroeg aan een dame naast haar, waarvan de vale strakke rok dezelfde oubolligheid als de lobby uitstraalde, of dit normaal was. Alsof mijn vriendin haar hoogst onaangenaam nieuws had gemeld, wendde de dame haar blik snel af. Uiteindelijk gingen de liftdeuren open. Er waren geen vensters op deze verdieping. Als we geen opwaartse beweging hadden gevoeld, hadden we gedacht dat we naar het midden van de aarde gereisd waren. We zagen een zwarte kerel in uniform: een blauwe broek met een rode lijn en een rode blazer met gouden knopen. We vroegen hem waar onze kamer zich bevond. In zijn bijna kleurloos blauwe ogen zagen we dat ook hij het niet wist.

Pons
0 0

Bad Date

‘Mijn linkerborst is groter dan de rechter.’ Marianne heft het glas en neemt een gulzige slok. Ze voelt haar wangen gloeien, een gezonde blos, hoopt ze. ‘Nu jij.’ ‘Mijn echte naam is Fredericus,’ zegt Fred terwijl hij haar strak in de ogen kijkt. Marianne giechelt. ‘Dat verklaart veel.' Zou hij haar ondeugend vinden? Intrigerend? ‘Wat bedoel je daarmee?’ vraagt Fred terwijl hij haar glas nog eens bijvult. Marianne glimlacht zo mysterieus mogelijk. Ja, wat bedoelt ze nu, daarnet wist ze het nog. Het was gevat en interessant, maar wat was het? Ze laat de wijn in haar glas walsen. Prachtig, die kleur, zo intens rood. ‘Wel?’ Die vage glimlach op zijn gezicht, wat vindt ze die sexy. Marianne legt nonchalant een vinger tegen haar lippen. Wilde dat het zijn lippen waren. Of beter nog, zijn vinger tegen haar mond, afglijdend naar haar kin, haar hals, haar … ‘Filosofie,’ zegt ze met een hoofdknik naar het tijdschrift dat hij meebracht en dat nu naast hem op tafel ligt. Als eerste kennismaking een beetje een afknapper. Wat kon die sobere roodbruine omslag anders verraden dan saaiheid? En dan die foto, zo’n middeleeuws schilderij, daarboven in grote witte letters: ‘Filosofie’. Echt een tijdschrift voor een oubollige Fredericus, denkt ze. Deze Fred lijkt haar nochtans meer iemand voor een sportmagazine, of voor zo’n typisch ruig, mannelijk, macho, … ‘Toch beter dan het cliché van de rode roos, niet?’ zegt Fred. ‘En hiermee heb je tenminste iets te lezen als je date niet komt opdagen.’ ‘Dat is zo.’ Ze legt een hand onder haar kin. De elleboog waarop ze steunt schuift over het tafelblad, tot tegen de rand. ‘Of,’ gaat Fred verder, ‘wanneer je date tegenvalt.’ ‘Hey,’ Marianne gaat weer recht zitten en kijkt hem gespeeld boos aan. Hij plaagt haar, plagen is een goed teken. Het is plagen, toch? Fred lacht. Pretlichtjes in zijn ogen, of is het de weerspiegeling van de kaars die tussen hen staat? Kaarslicht is gunstig, heeft ze ergens gelezen. Het verzacht je gelaat, maakt kraaienpootjes minder zichtbaar. ‘Heb je soms iets tegen mijn ‘Feeling’’ Haar lievelingsmagazine. Straalt vrouwelijkheid uit, vindt ze. Bewust leven, assertief en zacht tegelijk. Toch had ze nog even getwijfeld om ‘Goed Gevoel’ mee te nemen, maar de goedkeuring die dat zou uitstralen had ze iets te voorbarig gevonden. ‘Het verschil in keuze kan alvast aanleiding geven tot een interessant gesprek.’ Opnieuw lacht Fred zijn sexy halflachje. ‘Of in ons geval: de overeenkomst.’ ‘Aha,’ zegt Marianne met een vinger in de lucht. Ze knikt hem veelbetekenend toe. Ze heeft geen flauw idee wat hij bedoelt.

Ruth A
0 0

Ode aan de regen

De regen valt op die straten hij heeft het geluid van de paardenhoeven al lang vervangen.   En wist je het nog niet door die kramen in het centruum, het reuzenraad en die schaatsbaan langs de Schelde en ook niet door het aantal natte Sint's die in 't stad rondlopen - die regen laat geen twijfel toe: het is December in Antwerpen, met Kerst voor de deur.   Het is druk bezig overal en toch overherst die regen zijn geur.   Zo nat, altijd, alles zo nat en toch zo mooi, als dan een zatte gast inmidden van de regen begint  “stille Nacht” te zingen terwijl de regen die stenen op straat wast en ze doet schitteren.   Prachtig hoe het licht in de plassen reflektert, hoe lichtpuntjes dansen op die schoone natte steen.   Hadden wij in Hamburg toch ook nog meer zo mooie oude kasseiwegen - wij zouden houden van onze regen, wij zouden zelfs feesten in het nat!   Maar dit blijft het privileg van 't stad die mijn hart in eens heeft veroverd - ook al is het ook hier soms nat.   Deze regen is zachtjes en hij maakt die stad en die straten schoon. Hij streelt ze en hij streelt ook die zielen van die mensen.   En hij wast ook deze schoon, - wat erg handig is zo vlak voor kerst.   Ik ga hem missen, als ik na norden ga naar het verre Hamburg waar het ofwel regent of zelfs sneeuw valt.   Want daar is het niet zo zacht, niet zo schoon en niet zo warm. Het zal er koud, nat en vies zijn.   En toch hou ik ook daar van want 't is zo vertrouwdt en ik had zesendertig jaar tijd om te leren, van deze regen, die zo hard en ondraagbaar lijkt, te houden - en dat doe ik met heel mijn hart.   Want van regen moet je genieten, van elke duppel die neer valt.   Laat hem maar je stad, je straat en jezelf overgieten.   Je moet er nog van schrikken nog van verschieten maar gewoon van genieten.   En of je nu er van geniet of er over zeurt de regen blijft vallen, druppel bij druppel komt er bij. Wat jij er van maakt die keuze is van jij.   Dus kun je hem beter genieten ga na buiten dans en zing en lach met de regen - hij lert je vast zweven.   Of blijf binnen, geniet van thee en koekjes of waar je anders van houdt -en luister naar die klank van die regen, die op je venster valt.   Druppeltje bij druppeltje vallen ze en geven een gratis concert op elke venster, op elke voetpad en elke straat.   Geniet er van wanneer je het hoort.   Want regen is water en water is leven en leven is liefde. Net zoals jij is regen water, is leven en liefde tergelijk.   Dus omhelz' de regen maar omhelz' het leven en de liefde en jezelf!   Jullie zijn een en ook al vindt je het leven op 't moment misschien helemaal niet leuk en heb je het gevoel niemand houdt van jouw.   Je hebt genoeg liefde in jezelf je hebt de liefde van de regen die hij over je vergiet, je hebt zijn gezelschap zeker hier in het noorden van Europa.   En je hebt de gezelligheid van samen oder een paraplu wandelen van binnen blijven en rustig aan doen van buiten gaan en nat worden om dan in een cafe van warme dranken te genieten of thuis een warm badje te nemen.   Je weet een droge dag pas te appreceren omdat je die regen zo goed kent maar je weet ook; de regen is eigenlijk jouw vriend.   Trouw blijft hij terug komen keer oo keer. Niet alleen in Antwerpen, niet alleen in December.   Hij is jouw begleider jouw excuse en jouw rem jouw wasmiddel voor de ziel hij vragt niks en geeft zo veel.   Als je hem aandacht schenkt hem studert, beschouwt en na hem luistert woordt je verwend omdat hij zo veel geheimen van het leven kent en ze met je deelt, ze in jouw oortjes fluistert, - als je maar luistert.  

Maike Bretschneider
0 0

Als liefde wringt (excerpt)

      Verschillende keren had hij in het loop van het jaar gebeld. En hij haatte bellen. Hij vond het onnatuurlijk een stem te horen en geen lichaam te zien. Niet te kunnen doorgronden wat het lichaam vertelde, en de stem niet onthulde. Telkens beefden zijn handen van nervositeit. Hij voelde zich een televerkoper, hij vond dat gevoel vreselijk, want het ging nota bene over zijn eigen investering, zijn grote droom. Alles had hij gegokt op dat ene moment om zijn naam te zien prijken op de cover van een drukwerk. Rijk hoefde hij niet te worden, wie werd er dan ook rijk van gedichten, ook niet beroemd. Hij wilde zich gewoon schrijver kunnen noemen. Nadat hij in Leuven het contract had getekend, had hij Albert nog eenmaal gezien. In zijn eigen flat te Torhout. De dikke zwarte BMW die Albert Buitendorp voor de deur had geparkeerd, had hem vertrouwen geschonken. De vijftigduizend frank die Arnold zou betalen als tegemoetkoming voor de drukkosten, lag in een keurig stapeltje op de salontafel naast enkele verdwaalde bladzijden tekst die nooit zouden worden afgewerkt. Lang was Albert niet gebleven. Lang genoeg om het geld in zijn portefeuille te steken. Lang genoeg om hem de hand te schudden en hem te verzekeren dat hij zich geen zorgen hoefde te maken. Binnen de maand mocht hij de drukproeven verwachten, zo vertelde Albert hem. Op de achtergrond speelde “Het Testament” van Boudewijn De Groot. Op de zwarte salontafel smeulde een wierookstokje naar zijn einde toe. Hij herinnerde zich nog hoe hij naar de plaats had gestaard, nadat Albert Buitendorp alweer vertrokken was, waar amper minuten geleden een rijkdom had gelegen. Jaren later zou Pieter Aspe tijdens een lezing in een bibliotheek zeggen dat als je er alles voor over hebt, het niet anders kon dan lukken. Hij had zuur gegrinnikt. De vijftigduizend frank was niet enkel een representatie van alles geven; het was letterlijk alles wat hij had; al twee jaar was hij werkloos, en dan had je het niet voor het oprapen. Gelukkig had hij de huur al betaald, maar wat hij de volgende week zou kunnen eten, was een groot raadsel, want nu was alles echt op. De drukproeven hadden twee maanden nodig om hem te bereiken. Neen, hij had in die maand vertraging niet gebeld, al was hij wel ongerust geweest. Twee dagen lang had hij niets anders gedaan dan geredigeerd en verbeterd, hij wilde absoluut dat die drukproeven binnen de week zijn flat verlieten. Dat was in april geweest. Pas in augustus pleegde Arnold zijn eerste telefoontje. Vier maanden later en drie maanden voor de Antwerpse boekenbeurs. “Ja ja, het zal zeker klaar zijn voor de boekenbeurs. Maak je maar geen zorgen, we zijn er druk mee bezig... Moet je trouwens geen toegangstickets voor de boekenbeurs?” In oktober: “Ja, ik vrees dat het niet meer zal lukken voor de beurs. We zijn daar nu al druk mee bezig, weet u, en onze folder is ook al gedrukt! Moet ik tickets opsturen voor de boekenbeurs?” “Ja, maar wanneer zal mijn bundel dan af zijn.” “Meteen na de boekenbeurs beginnen we er terug aan! Maak je maar geen zorgen!” Maar zorgen begon Arnold zich wel te maken. En hij had terug naar het zwarte stukje vierkant op zijn salontafel gestaard, waar zijn rijkdom had gelegen. Drie maanden later had hij nog eens gebeld. “Dit nummer is niet langer in gebruik”, had het bandje hem in vier talen gemeld. Toen wist Arnold hoe laat het was. En opnieuw staarde het zwarte stukje vierkant van de salontafel hem spottend aan.   Zijn kat was bij hem sinds hij amper vijf maanden oud was. Hij had de flat zich danig eigen gemaakt. Het was zijn jungle, en de twee balletjes met bellen waren zijn muizen waarop hij elke dag jaagde. Opvoeden had hij het katertje niet gekund; de poten van zijn stoelen, de leuningen van zijn zetels, overal had de zwarte poes zijn handtekening op gezet. Arnold had goede voornemens gehad; hij zou niet op de tafels mogen en al zeker niet de resten uit de borden mogen oplikken. Arnold had zelfs een sproeiertje gekocht, want hij had gelezen dat je katten dingen kunt afleren door hen te besproeien met water. Zes jaar was P’tje inmiddels. En nooit had hij meer gezien dat het kleine flatje dat ze samen deelden. In het prille begin was het moeilijk geweest zijn vertrouwen te winnen. Hij had gejankt terwijl hij alle hoeken had besnuffeld, om zich vervolgens onder de grootste zetel weg te steken. Op een dag was dat echter veranderd. Arnold lag languit naar een film op TV te kijken, wanneer het poesje de zetel op schuifelde en zich op zijn arm neer vleide. Arnold had niet meer durven bewegen, uit angst het kleine katertje weer weg te jagen. Naarmate hij ouder werd, werden ze beide echte vrienden. Het zwarte katertje volgde hem overal, zelfs naar het toilet. Als hij de deur durfde dicht te doen, bleef hij net zolang tegen de deur krabben en miauwen tot Arnold de deur open deed. Ze waren zelfs minnaars; als Arnold in de winter 's avonds onder een deken kroop bij het kijken naar de televisie, kwam hij steevast Arnolds been bespringen en in zijn tenen bijten. In het begin had Arnold gedacht dat hij kwam spelen, tot het kleine, roze piemeltje had gezien. Om twee redenen had Arnold verzaakt hem te laten castreren; enerzijds was hij doodsbang geweest dat P'tje het hem zou kwalijk nemen. Anderzijds was de kat met geen stokken buiten te krijgen. Arnold had het geprobeerd. Hij had hem op de arm genomen en hem tegen zich aangedrukt, maar naarmate hij naar de trap liep, begon P'tje te protesteren en zo fel te krabben om weg te komen, dat Arnold hem wel moest loslaten. Maar op een dag speelde P'tje niet meer. Een week daarvoor was het begonnen. Hij had zacht gemiauwd alsof hij ergens pijn had, maar zijn baasje er niet mee lastig wilde vallen. Hij was gestopt met eten, en drinken deed hij moeizaam. Eerst had hij zich steeds languit op het tapijtje bij de verwarming gelegd. Arnold had zich in het begin geen zorgen gemaakt. Ook hij had wel eens dagen gehad dat hij zich mottig voelde, en de hele dag in de zetel voor de TV doorbracht. Maar bij P'tje ging het niet zomaar over, en wanneer het katertje zich terug onder de zetel begon te verschansen en zich niet meer toonde, enkel zichzelf liet horen door zacht gemiauw en gekreun, begon Arnold zich wel zorgen te maken, grote zorgen. En wanneer hij op een dag thuiskwam en overal resten braaksel vond, terwijl de zwarte kat languit op zijn zij voor zijn kattenbak lag, was Arnold de wanhoop nabij. De tranen kwamen, hij kon het niet helpen. Hij ijsbeerde door de huiskamer, en wist dat hij een dierenarts moest raadplegen. Teder nam hij P'tje op, die met niet meer dan wat gekreun protesteerde. “Oh schatje toch!” Hij probeerde hem zelfs te dwingen te eten; hij drukte zijn snoetje in zijn bakje met droge korrels. “Je moeten eten, schatje! Zodat je weer beter wordt!” Hij probeerde het met melk waarin hij enkele brokjes brood weekte. Maar P'tje wilde niet meer. Kon niet meer. Het slikken ging hem moeilijk, en waar Arnold hem had neergezet, legde hij zich languit op de balatum. Arnold zag vol afschuw aan hoe zijn kleine lijfje moeizaam op en neer ging. Zijn tong die Arnold bij het thuiskomen altijd op de neus had gelikt, hing half uit zijn mond en zijn ogen leken glazig in de verte te kijken. “We moeten naar de dierenarts, schatje!” zei hij resoluut, en nam het tere, nog amper levende wezentje terug in zijn armen, dicht tegen zijn borst. Onder zacht bemoedigend gefluister en terwijl Arnold voortdurend het kopje van het beestje met zijn lippen streelde, begon hij aan de vervaarlijke tocht naar buiten. P'tjes ogen werden groot van angst, maar hij leek niet meer de kracht te bezitten zijn angst te beantwoorden en terug naar huis te vluchten. Het was koud buiten, en Arnold drukte het schimmetje nog dichter tegen zich aan, om hem te beschermen tegen de koude wind. Bij Arnold kwamen terug de tranen. “Rustig maar... Rustig maar...” prevelde hij constant weer, niet alleen om de kat moed in te zingen, maar ook zichzelf. Arnold wist dat het te laat was wanneer zijn beestje in zijn armen begon te kronkelen van de pijn, als een vis die op het droge naar lucht gapte. Zijn ogen tolden in zijn kassen. Het geluid dat hij maakte leek meer dat van een hond dan van een kat. Ze waren ongeveer halverwege naar de dierenarts wanneer het lichaampje in zijn armen verslapte, en uiteindelijk helemaal niet meer bewoog. “Het is oké, schatje”, snikte hij zacht, nog steeds zijn lippen tegen het zwarte kopje aangedrukt. “Slaapwel, schatje... Je voelt nu geen pijn meer.” Arnold draaide zich om en wandelde verdwaasd terug naar huis.  

Malakh Ahavah
48 0

Zwemles voor meisjes.

Twee vriendinnen.  Op de fiets langs het kanaal Brugse Vaart Gent - Eeklo.  Nicole en Lena, rijden al giechelend langs het veel te kleine fietspad. Zorgeloos voor even.  Lena spurt voorruit en roept Nicole achterna. 'Voor het eerst aan de andere kant van de brug' Het fietswiel raakt de kant. Man overboord. Kind en fiets belanden in het water. Lena schreeuwt. Het meisje gaat kopje onder, kan niet zwemmen. Heeft nooit geleerd haar hoofd boven water te houden. Vader heeft te weinig alcohol in zijn bloed. Dat geeft problemen die hij dringender vindt. Waar zijn kind uithangt weet hij niet. Lena verdwijnt al trappelend in het koude water. Het water is veel te diep. De oever is veel te ver. Lena hapt naar adem en haar natte blonde haren verdwijnen onder het wateroppervlak. Nogmaals en nog een keer. Ze ziet voor de laatste maal haar liefste vriendin aan de kant, huilend om hulp. Nicole ziet, in dat veel te donkere water ,de doodstrijd van haar vriendin. Ze wil haar achterna springen, maar doet het niet. Ook Nicole heeft nooit leren zwemmen. 'Zwemmen is niks voor meisjes' hoort ze haar stiefpa nog zeggen. Het meisje doet het enige wat ze op dat moment kan. Roept, schreeuwt haar stem schor. Zwaait met haar armen als een bezetene naar iedere voorbijganger. Een jonge man ziet Nicole haar wanhoop. Het meisje trekt zich de haren uit haar hoofd. Een vinger wijst naar een kinderhoofd dat voor de laatste maal verdwijnt. De man rent naar de waterkant en springt in het diepe zwarte sop.  Het is te laat. De ontredderde redder brengt het levenloze lichaam met blonde haren naar de waterkant.  Het klein meisje slaat schokkende kreten van wanhoop bij het zien van het lamme natte lijfje van haar hartsvriendin.  Veel later reageert Nicole furieus tegen jongens bij plagerijtjes in het zwembad. Laat haar nooit kopje onder gaan! Ze beseft voor immer dat er een dunne lijn is tussen leven en dood. Ze leert zwemmen. Niet van harte.

Marie D.
0 0

onderlicht 3. water 1.

water in hand. Is't helderheid wat je wil, mijn lief kind, brutale eerlijkheid dan misschien, of gewoon de volgende leugen die je zielig voortbestaan intact laat? zeg het dan, je weet, ik heb naar alles oren, als 't uit jouw mondje wil komen. Je gekwijl en gesnotter, je onbegrepen verdriet, dat voor eeuwig enkel het jouwe mag zijn, god verhoede dat er nog iemand zich als jij voelt, zet je keel open, scherp je tanden aan venijnen woorden, vijl je vingernagels in mansvel, drijf die hielen 't snel zand in, zet je schrap, mijn lief kind, de wind die vangt je van voren, als je je bunker op een duin zet, blijft bestorming niet uit... zijn lijf davert, heeft het duidelijk niet op woede begrepen, zijn gezicht verwrongen staart terug vanuit de kleerkastspiegel, zijn benen zwalpen, zijn armen stijf langs hem af hangend, dit oefenen had hij beter niet voor de spiegel gedaan. de zweem van fictie bekleeft hem in de details. de neergebogen bocht van zijn oogleden, medelijden, wanhoop op zijn bovenlip gezeten, bezorgdheid in't fronsen van zijn kin, na elk gesproken woord, elk diep gehaat verkleinwoord, liefde in mijn lief kind verdringt elke vorm van geprobeerd sarcasme...  ze ziet zo door hem heen en hij weet het. hij staart nog even zijn teleurstelling aan, zakt dan op bed neer. hoofd valt voorover tussen benen in. hij is moe. van jaren moe te zijn, van eerst niet gezien, gemist, dan gezien, niet begrepen, dan denken begrepen, proberen, proberen, proberen moe. "zo is't in't kort gegaan, zie je", je neemt een slok water,"ik heb echt mijn best gedaan"."er is niemand hier die daar aan twijfelt, maar je weet wat ik wil, wat ik van je nodig heb, wat ik van je wil horen".

IT
0 0