Lezen

De Zanger

In heel de stad hing zijn affiche, zelfs tegen afgebrokkelde gevels, klaar voor de sloophamer. Ook onder de grond. De metrotrein stopte, ik stapte uit en zag zijn figuur achter glas tegen de muren geplakt. De ar­tiest, schitterend in glitter, beroemd tot ver buiten de grenzen van het land, kondigde naast zijn uitgebreid repertorium een gloednieuwe song aan, pas enkele dagen tevoren ontworpen. Hij wou de titel niet kwijt. Het moest een verrassing blijven. Ik was erg nieuwsgierig en terwijl ik door de lange tunnelgang stapte om bovengronds te komen ver­heugde ik me al op een weergaloos spektakel later op de avond in de grootste schouwburg van de stad,. Van ver vloeiden  gitaarklanken me tegemoet. De haveloze straatzanger stond zoals gewoonlijk tegen de witbetegelde wand van de tunnel, blootgesteld aan de niet-aflatende kille trekwind en lastige politieagenten. Zijn hond draaide voor de zoveelste keer achter zijn staart aan op zoek naar een zachte plek op de stenen vloer. De instrumentenkast stond te midden van de gang, opengeklapt, ik struikelde er haast over. Op het loshangend rood fluweel lagen geldstukken verspreid, door voorbijgangers van op afstand neergeworpen, haast verontschuldigend. Een deel ervan had hij er zeker zelf ingelegd, om zijn succes bij het publiek te laten blijken. Vlak voor hem bleef ik luisteren. Misschien was ik deze avond zijn laat­ste toehoorder. Hij had een wollen muts op, een flanellen bouwvakkerhemd en daarboven een dikke grijze overjas van het soort dat uitge­deeld wordt door het Leger des Heils. Aan zijn voeten stond een fles bier. Zijn lange haren hingen in reepjes en maskeerden zijn gezicht bij elke schokkende beweging. Als hij zijn ogen oprichtte, staarde hij vlak naast mij naar de muur tegenover hem. Bij het nazinderen van de laatste akkoorden keek hij verzaligd op, hij ontwaakte uit een droom.    ‘Fenomenaal, talent te over,’ riep ik hem verrast toe.   Alvorens aan het einde van de tunnel de trap naar de uitgang te nemen, draaide ik me nog even om. Buiten de straatar­tiest die ongestoord verder zong was er niemand in de hele ruimte te bespeuren. ‘Voor wie staat hij nu muziek te maken?’ dacht ik bij mezelf. Misschien ziet hij, zonder zijn blik van een onbestemd punt op de witbetegelde tunnelmuur af te­ wenden, voor zich een barstensvolle zaal met een lange rij toeschouwers die tot op de trottoirs staan aan te schuiven.             Ik repte me naar huis. Uit voorzorg nam ik het avondmaal vroeger dan gewoonlijk. Ik had nog geen ticket en trok ruim op tijd de stad weer in. Ik kwam inderdaad een uur te vroeg voor de aanvang van de voorstelling, maar er stond een onoverzienbare rij voor de ingang van de zaal aan te schuiven. Eindelijk kwam ik aan de beurt. Pal voor mij stond nog een zestigplusser hardnekkig te vechten om korting op het dure ingangsticket te krijgen. Het leek hem of de kassierster door haar weigerachtige houding een hold-up op zijn portefeuille pleegde. Dankzij de elektronische uitreiking aan vijf  parallelle kassa’s zat de zaal een kwartier vóór de aanvang afgeladen vol en waren de zijgangen met staande toeschouwers dichtgeslibd. Primai­re kleurenbundels dwarsten het duistere podium, doorboord door melkwitte transparante lichtbalken die rook, textielpluisjes en aan de huid geplakt vuil leken op te slorpen. Ineens daverde de ruimte onder een lawine. De wereldberoemde artiest kwam te voorschijn en huppelde in drie elegante sprongen naar het midden van de scène. Daarna werd het stil als in een onderaardse grot. Toen viel er een klank naar beneden, een kristallen druppel van een stalactiet die in een duizendjarig meer plenst. En dan nog een. Aan de manier waarop hij de snaren aansloeg om een laatste keer zijn instrument in overeenstemming met zichzelf en de kosmos te brengen, wisten zijn aanbidders welk lied hij zou aanhef­fen. Een kort zinsverbijsterend gejuich vulde de zaal. Nog voor de snaren het voorspel konden beëindigen, had de zaal reeds de eerste verzen ingezet. De cadans van de muziek regelde als een pacemaker de collectieve hartenklop en verdichtte de opgepakte lijven tot een monsterlijk lichaam dat hevig ging transpireren en zwalpen. Naakte armen aangedreven door de adem van de melodieën, maaiden gelijk wieren in de zeestroming van een mistige oceaan. Plots krulde damp uit de grond en onder een spot bloedrood licht steeg lava op uit de vulkanische bodem. De massa tilde de schouders op en huppelde op het ritme. De artiest wipte hoger en dreigde op een bepaald ogenblik uit zichzelf te springen. In de cimbalen en in de slurven van de saxofoons flikkerden izabelkleurige venussterren. Plots maakte de voetschijf van de microfoonstang zich los en rolde over de vloer de menigte in. Het gejoel werd hard als een muur. De artiest voelde dat het ogenblik gekomen was om zijn splinternieuwe song los te laten. ‘De Gebroken Vlerk,’ bulderde hij de titel door de microfoon. Meteen hield de zaal de adem in, de stilte van de oceaanbodem. Spontaan begon ik mee te neuriën. Verbaasd stelde ik vast dat hij de klanken zo uit mijn oren haalde. Ik kon zelf de muziek geschreven hebben. Na het slotakkoord hief hij de arm in de lucht en zijn hand viel theatraal opzij over de pols, een dode vogel. De menigte was niet meer te houden. Tieners zakten in elkaar, het hart gesmolten. Het buigend fenomeen vreesde voor opstootjes, indien hij naliet tot driemaal toe zijn nieuwste creatie te herhalen. Uit duizend ventielen huilde het collectief monster mee.             Verhit stond ik weer op de straatstenen. Binnen in mij echoden de klanken luidruchtig na. Het kwam mij voor dat aan de overkant de gevels en die enkele schrale boom op een schildersdoek geborsteld waren en daar oud geworden, zo onwezenlijk verstild. De enkele mensen die me voorbijliepen keken me niet eens verrast aan. En ik die dacht dat ik nog nahuppelde. Naarmate ik de ingang van de metro naderde, stierf de wereld helemaal uit. Ik dook de grond in. Een lege grafkelder om mijn eigen begrafenis te beleven, godverlaten. Maar dan klonk bij het begin van de tunnel ineens de bekende melodie. Een paar meters voor hem bleef ik staan. Hij zong met de ogen dicht. Hij leed er kennelijk onder. Ik mikte het wisselgeld dat ik terugkreeg bij de aankoop van het ticket op het rood fluweel van de instrumentenkast. Glijmiddel om hem te benaderen en even zijn leven binnen te vallen. ‘Hoe lang sta je hier al op deze plek?’ vroeg ik hem. ‘Een halve eeuw’, antwoordde hij moe. ‘Ik moet ook pissen, daarvoor ga ik even naar boven. De stank die je waarneemt, ik zie het aan je neus, is niet van mij.’ ‘Hoelang zing je dit lied al?’ ‘Enkele jaren met tussentijdse onderbrekingen. Ik wissel af. Als ik mijn repertorium niet regelmatig verander, geven mijn vaste metropendelaars niet meer.’ ‘Waar haalde je de muziek vandaan?’ ‘Zoals ik zei, enkele jaren geleden. Ik hoorde de melodie in de tuin van een vriend. Ze viel samen met een vogel uit een boom.’ ‘En de titel?’ ‘De Gebroken vlerk.’                                                                                    

Guido De Schrijver
0 0

Tante Magda

'Nu moet ik je toch eens iets vertellen over tante Magda’ zei mijn oudste schoonzus. Met deze openingszin wist ik waar haar betoog begon, maar in de verste verte kon ik vermoeden waar ze mij, aan de hand van haar verhaal, naartoe brengen zou. '‚Je weet wel tante Magda, de vrouw van uw nonkel Arthur zaliger. Tja, in feite was dat niet een echte oom van jou. Hij was de achterneef van bomma Julia, de eerste vrouw van uw grootvader aan moederskant. En je weet dat uw bompapa, zoals jij hem altijd noemde, nog heeft gevochten in de grote oorlog. Aswit was zijn gitzwarte haar geworden toen hij terugkwam van het front. Zoveel ellende had hij gezien en meegemaakt daar achter de IJzer. Zijn coiffeur François van kapsalon Remi in de Stationsstraat kan er van meepraten. Die mens had ook het een en ander meegemaakt tijdens zijn vlucht naar Frankrijk. Hij werd er opgepakt door een compagnie Duitse soldaten, die hem dan meevoerden naar Parijs, waar hij als tolk moest fungeren in de hoerenbuurt van Place Pigalle. Edith Piaf is daarna ontdekt geworden op de hoek van dat plein, toen ze daar haar eerste liedjes begon te kwelen. Kom, kwelen, ik vond dat ze wel mooi kon zingen, met zoveel passie en panache. Het was nochtans maar een kleintje, die Piaf, een echte kleine stadsmus. Die vogeltjes zijn er trouwens niet veel meer hier aan de kanten van Gent. Mijn broer August zegt dat er veel sijsjes in de plaats gekomen zijn, maar hij weet niet waarom. Maar ja, dat is bij zoveel zaken zo. Neem nu, al die mensen die zo gevoelig zijn aan de berkenpollen die tegenwoordig zo in de lucht vliegen. Sommigen kunnen daar tegen en anderen hoegenaamd niet. Daar zijn er die zich te pletter niezen en anderen hebben geen zakdoeken genoeg om hun ogen te deppen. Wel, bij tante Magda is dat ook zo. Dat niezen en dat deppen hé.’   Ik was weer een verhaal rijker.

Marc M. Aerts
5 0

ingekleurd met koude

van de winter krijg ik erg veel koude binnener wordt op toegezien of ik weldegelijkdat opgelegde gedrag draag onder mijn mantel. een uitgemonde lachstroomt door een gezicht dat dichtslibt en zichtbaar ergens overheen getrokken zit. het bibberen breekt uit deze beenderen, uit de lippen die te dicht tegen elkaar aanliggen die naar wat ze zeggen nooit luisterenin de verzameling van dit lichaam bewaard, badend instuiptrekkingen die op willekeurige tijdstippen instappen en de hele boel vertragen. de trilling versluist zichnaar de seismograaf van huidhaar. rimpels rijpenaan het oppervlak in de boomgaard van ieders nabijheid. buiten kijkt iedereen door doorwaadbaar glasdoor doorwaadbaar gas in aderen van lucht goot men het blauw: een kleur koude, een soort verf gevoeliger, wendbaarder in de zomer wanneer ontdooid het water zich wast.   in de valleien tussen gebouwen kijk ik naar reizigers verdwalend in hun voetstappen teveel, doorweekt van de kou, en ruikend aan slierten adem die ze brouwen (briesen uit neusgaten) en waaraan ze lurken,waarschijnlijk de tong van hun geest waarom anders zo vluchtig en verbleektde taal die jij met me aanknoopt; de versprekingen keken in mijn richting en kwamen me vertrouwd voor het soort ongelijkheid dat tussen ons inlag bleek overbrugbaar maar ik begon met een zucht wat me nog spijtzolang onze lichamen bijpraten, zijn woorden enkel achteraf nodig, eventueel om misverstanden te dempen. mijn silhouet probeerde het licht uit zich weg te duwen, raakte eronder bedolven weet ik nog hoe je was, hoe je op me uitvloeide, tussen varens, tussen het vlasdat meebewoog met wat het uit de woelende wind las?

Tom Asgra
10 0

What kind of fool am I ? Are we ?

I don't know how and why I'm surviving every lonely day When there's got to be  no chance for us Someday Somewhere We'll find a new way of living We'll find a way of forgiving Somewhere There will be a place for us  Someday our sometimes will be gone It depend on the chances we'll take  Someday  There will be a time in our life for believing In the impossible dream in our hearts That one love is shared by two  spirits rise and their dances are unrehearsed  Everybody is searching Hungry for the glamour But it's not money that's buy happiness It's not the shine of silver that put's the heart to rest If you gave me the keys of a kingdom If you dress me in diamonds and pearls It could never compare to the feeling  I feel right now I like to go away, far away To a place where it's just us two With time together Time to spare Time to learn Time to care Where we can just chill and  clear our head When I was walking on a path in the wood one day there were storm clouds gathering overhead I asked myself How could this happen I don't understand Falling in love was not in my plan  This all could be the reason for all my joy and all my pain We have to protect ourselves I thought no one could care But then you blessed my life with your addicted words Made me feel valuable That's why I love you more every day My happiness is just being next to you Your tenderness has touched my soul Sometimes a few words, small talks, A soft and gentle touch, only holding each other's hand. Feeling addicted, affected, desperate, infected, requested, unrehearsed but longing for, Touches like a ton ton, Don't take your love from me Or you will take everything Maybe it's a dream unreal Maybe it was better that we never met... It's hard for us to know That we don't stand a chance In this beauTiful romance We gave all we had to give We both have our own life's to live Maybe we have to face the reality  And keep all of this in our memory Like a dream unreal But I will never forget the way I feel  Loving made me feel like the world's one and only fool Only one difficult beauTiful thing to do We have to enjoy and live the Moment! Am I a fool? Are we foolish?

Raba Tower
0 0