Lezen

Bartje en het verkeer

Bartje is dol op zijn nieuwe skateboard. Als hij van school komt, springt hij er onmiddellijk op en zoeft over het voetpad. Dat vinden de andere voetgangers eigenlijk niet zo leuk. Al een paar keer is  hij hard met hen in aanraking gekomen. Eén keer was het een dikke meneer en die kreeg tranen in zijn ogen toen hij pijnlijk over zijn scheen wreef waar Bartje's skate tegenop gebotst was. Bartje wou zich excuseren, maar een wenende meneer met zijn dikke kont omhoog, het was zo'n grappig zicht dat hij zijn lach niet in kon houden.… Een andere keer was het zijn grote zus en die pest hem nog heel gemeen tot op de dag van vandaag als wraak voor de grote blauwe plek op haar enkel. Bartje houdt ook niet van de politieagent die het verkeer regelt in zijn straat. Elke keer weer als Bartje op een goede snelheid is, doet de politieagent hem stoppen, kijkt hem boosaardig aan en wijst naar het verkeerslicht : rood voor voetgangers. Maar hij is toch helemaal geen voetganger! Maar toen hij één keer op de straat zelf skate heeft de agent hem bij zijn jas gegrepen en gedreigd hem mee te nemen naar het politiebureau. Vandaag is hij lekker aan het skaten op het terrein achter hun huis als een stokoud vrouwtje langskomt. Ze beeft en schuifelt heel erg traag vooruit en knijpt haar ogen tot spleetjes als ze rond zich kijkt, precies alsof ze niet goed ziet. “Hé jongen!” roept ze met een oude kraakstem, “mag ik ook ‘ns een ritje op je skate maken?” Bartjes mond valt open. Nu is Bart een beleefd jongetje en aan een oma mag je niks weigeren, zegt mama altijd. Dus antwoordt hij : “Jazeker, mevrouw” en reikt haar zijn skate aan. En ziedaar, de oma flitst weg, met geplooide knieën en perfect gekromde rug, zoals het hoort. Ze rijdt de ramp op, tot boven, laat de skate los die naast haar gezicht vliegt, vangt hem handig met gestrekte arm op en plaatst hem onder haar voeten voor ze weer naar beneden snelt en hop ze is al vertrokken naar de andere kant van de ramp, waar ze hoog in de lucht een dubbele draai maakt. Bart valt achterover op zijn billen in het gras. Als het kon, zou zijn mond nog verder open vallen, maar hij hangt al zo wijd open dat alle vliegen van de buurt er wel een plaatsje in zouden kunnen vinden. En daar is oma weer. Haar gerimpelde oude wangetjes zien vuurrood en ze lacht breed haar valse tanden bloot. “Dat was leuk, jongen!” Ze kijkt Bartje met fonkelende oogjes aan. “Ik denk dat ik je een woordje uitleg moet, hé. Eigenlijk heet ik Mira en ik ben een heks. Vorige week ben ik met mijn bezem tegen een telefoonpaal gevlogen en als boete van de Federale politierechtbank voor Magische wezens mag ik nu mijn bezem niet meer gebruiken.” En ze barst in snikken uit. “Oh, mevrouw” probeert Bartje haar te troosten, “zo’n lieve oma, eh, pardon, heks als u, ze zullen u die wel snel teruggeven…” “Niemendal!” krijst Mira, “ik moet 500 jaar wachten op een nieuwe bezem!” “500 jaar!” daar is Bartje even van geschrokken “jaja, mijn jongen, de verkeersregels voor heksen zijn niet mals, hoor! Maar ’t is mijn eigen schuld, ik was natuurlijk weer aan ’t telefoneren met mijn GSM en dat is –net als bij jullie- verboden.” “Zijn die verkeersregels voor jullie dan precies zoals de onze?” Vraagt Bartje, “want hier zijn ze toch ook eigenlijk niet leuk, hoor…” “Véél moeilijker,” onderbreekt Mira, “Luister, ik zal je een paar regels leren: op een kruispunt krijgen reuzen met 1 oog voorrang van links. Dat is anders dan bij jullie, hé? Hoe is ’t hier weer? … Reuzen met 2 ogen daarentegen, krijgen altijd voorrang. Bij dwergen, hangt dat dan af van de grootte van hun voeten. Elfen moeten altijd het omgekeerde doen van wat de politie zegt. Als heksen voor een rood licht staan, zijn ze verplicht twee kunstjes te doen en draken,…” “Hola, Mira!” onderbreekt Bartje haar, “dat kan ik allemaal niet onthouden, hoor.” Mira’s gsm rinkelt, ze neemt op en spreekt heel snel en stil, zodat Bartje er niks van verstaat. Hij doet nochtans zijn best om het gesprek af te luisteren. Bij mama, papa en zijn zus aan de telefoon lukt dat altijd en dan kan hij ze lekker plagen, door nadien hun stem na te doen. Mira haakt in en reikt Bartje de hand. “’t Was aangenaam, jongen, maar nu moet ik er vandoor. Ik zit zonder bezem en mijn eigen grootmoeder wacht op me. Haar poes zit vast op een regenwolk en ze is te oud om het dier er nog zelf van af te halen. Het beest miauwt de longen uit zijn lijf want het is kletsnat en je weet wat poezen daarvan vinden! En zonder bezem duurt ’t wel een tijdje voor ik er ben. Ik geef je om je te bedanken voor die leuke rit een beetje toverkracht, je hebt ’t al in je hand.”En Bartje voelt inderdaad een warme gloed die kriebelt in zijn handpalm. “Vergeet echter niet dat alles wat je betovert, binnen 1 uur weer normaal gemaakt moet worden anders blijft ’t betoverd… voor de eeuwigheid!” Ze kijkt hem streng aan en laat zijn hand los. Bartje knijpt vlug zijn handje dicht. Mira schuifelt weg, ze is weer een gewoon oud vrouwtje geworden. Bartje wuift haar na, zijn vuistje stevig dichtgeknepen. Dan kijkt hij snel naar wat er in zijn hand ligt en hij is een beetje teleurgesteld, alleen een klein verkreukeld papiertje met daarin wat roze poeder, precies zoals het poeder dat mama op haar wangen smeert als ze er mooi uit wil zien, als ze een vergadering heeft met haar baas bijvoorbeeld. “Toch eens testen”, denkt Bartje. In zijn rugzak heeft hij nog twee mandarijntjes, die mama hem vorige week als vieruurtje had gegeven. Ze zijn nu al een beetje oud en vast niet meer lekker. Bartje strooit er een klein beetje roze poeder op en denkt heel hard aan… twee lekker vettige oliebollen met poedersuiker en zie, daar liggen ze, de oliebollen, ze zijn dampend heet en nog heerlijker dan die op de kermis. Bartje blaast erop om ze een beetje af te koelen, terwijl hij ze laat rollen van de ene hand in de andere om zich niet te verbranden, en eet ze dan snel op, mmmm, heerlijk! HIj doet de rest van ’t poeder in zijn jaszak en vertrekt op avontuur. De agent staat zoals gewoonlijk op het kruispunt, kwaad met zijn armen te zwaaien en woest te fluiten naar auto’s die niet snel genoeg remmen, of te snel doorrijden. Bartje neemt wat poeder in zijn handpalm, brengt ’t naar zijn gezicht en terwijl hij oversteekt en rakelings langs de politieagent wandelt, blaast hij het poeder in diens gezicht. De politieagent schrikt en kucht, dan kijkt hij Bartje gemeen aan, wil iets zeggen , maar het enige wat uit zijn mond komt, is een luide kwaak, als van een kikker. Bartje rent hard weg en gaat even verder tussen twee auto’s zitten. Hij schudde zo van ’t lachen dat hij niet meer verder kon rennen. Hij hoort de politieagent weer kwaken en proest het nog meer uit van het lachen. Hij is nu helemaal opgewonden en skate over het voetpad terwijl hij poeder strooit over de geparkeerde auto’s, ze beginnen te kwispelen en blaffen als jonge hondjes. De langsrijdende bus tovert Bartje om in een rijtje kuikens met de chauffeur als de moeder kip en ze kakelen van jewelste. Maar dan loopt ’t mis, een auto-hondje heeft al in de politieagent-kikker zijn bil gebeten en die moet met zijn gewonde been naar ‘t ziekenhuis, maar geen enkele auto-hond wil ‘m brengen, want ze rijden nu met zijn allen achter de kuikens-bus aan. Mensen schreeuwen en een mevrouw is al flauwgevallen. Blijkbaar is er een beetje van Barts poeder op het zebrapad gevallen en die is toen in een lange, gevaarlijk slissende, kronkelende, witgestreepte slang veranderd net toen de mevrouw wou oversteken. “Help”, denkt Bartje, “wat heb ik gedaan! En ik heb maar een uurtje tijd om het allemaal weer normaal te maken. Hij grabbelt in zijn zak, maar het poeder is op, alleen het lege papiertje blijft nog over. Bartje krijgt een heel vies gevoel in zijn buik, zoals altijd wanneer hij heel erg bang is, wanneer hij iets fout heeft gedaan en weet dat mama hem zal straffen en de tranen schieten in zijn ogen. Maar dit is erger dan alles wat hij al voordien heeft uitgespookt. En zonder toverpoeder blijft het zo… voor de eeuwigheid! Hij neemt ’t papiertje uit zijn zak en kijkt ernaar. En zie, die lieve oude Mira heeft er haar GSMnummer op geschreven. De redding! Als een wervelwind stormt Bartje naar huis. Zijn zus zit op haar kamer over haar huiswerk gebogen. Hijgend rent Bartje haar kamer binnen; “Toe, “ hijgt hij, “het is van levensbelang! Leen me je telefoon!” Ze blijft onverstoorbaar verder lezen en wijst alleen met haar vinger naar haar enkel, daar waar de blauwe plek van zijn skateboard was geweest. Bartje moet ingrijpen. Hij sleurt haar van haar stoel en trekt haar, terwijl ze luid schreeuwt in protest, naar het raam. Wat ze daar ziet, doet haar mond nog dieper openvallen dan die van haar broer, toen hij Mira de heks zag skateboarden. De straat is onherkenbaar geworden. De kuikenbus probeert de muren van de huizen op te vliegen terwijl auto-hondjes alle kanten ophuppelen en met hun lange hondentong doodsbange voetgangers proberen in ’t gezicht te likken. Een gevaarlijk lange slang kronkelt er tussenin. “Dat heb ik gedaan”, zegt Bartje “en als je niet wil dat het zo blijft, moet je me nu je telefoon lenen.” Met haar mond nog altijd wijd open en ogen als schoteltjes reikt Bart zijn zus hem haar telefoon. Snel toetst Bart Mira’s nummer in en zoals hij wel had verwacht, neemt ze onmiddellijk op. Hij vertelt haar wat er gebeurd is. “Niet meer bewegen!” schreeuwt Mira, “mannen, hé, altijd ’t zelfde, ’t is goed, ik kom je redden.” Bartje gaat langzaam zitten voor ’t raam en kijkt naar de chaos op straat. Hij en zijn zus zijn beiden stil. Ze zijn doodsbang. Voor het eerst in Bartjes herrinnering, maken ze geen ruzie. Zijn zus geeft hem zelfs een hand en hij vindt het deze keer best ok die vast te houden. Zo bang is hij. De minuten tikken voorbij. Komt Mira de heks wel op tijd, binnen enkele minuten is het uur voorbij en blijft de straat voor eeuwig een beestenbende! En dan ziet hij haar aankomen… bovenop de grijze regenwolk, die ze stevig met teugels in toom houdt, een natte poes op haar schouder. “Hé jongen, “ roept ze, ’t is dan wel geen bezem, maar op een wolk geraken we ook door de verkeersopstoppingen van het spitsuur. En de wolk regent roze poeder over de hele straat en alles wordt weer zoals het vroeger was. Net op tijd! Ja toch? Want sedertdien, af en toe, terwijl de politieagent het verkeer  regelt, kan het wel eens gebeuren, dat de voetgangers stevig schrikken, want in de plaats van een luid gefluit, klinkt er dan opeens gekwaak van onder de snor van de agent, of is ’t een kikker?

Gail Verhasselt
0 1

het kanaal

Weer geen enkele vis gevangen vandaag. Zal toch een ander plekje moeten zoeken. Het kanaal is niet meer wat het ooit geweest is. Vroeger ving ik snoeken, baarzen, karpers, meervallen en brasems bij de vleet. Het hele dorp keek naar mij op. Ik won de ene prijs na de andere. Ik leerde mijn vrouw kennen op de jaarlijkse visvierdaagse van Oosteeklo. Ik stond op het hoogste schavot, nam een daverend applaus in ontvangst, zag haar staan bij de frigo's. De manier waarop ze naar de diepgevroren kabeljauw keek, raakte mij diep. Ik stapte op haar af en begon over de verraderlijke stromingen bij hoogtij. Twee uur later lagen we uitgeput in bed. Zou een nieuwe hengel soelaas bieden? Een meer gesofisticeerd ophaalsysteem? Genetisch gemanipuleerde wormen met extra vitaminen en mineralen? Ik weet het niet. Vroeger wist ik alles, twijfelde ik nooit. Nu durf ik met moeite een zebrapad over te steken. Auto's vertragen, chauffeurs geven vriendelijk voorrang, maar nog sta ik te drentelen als een klein kind. Wanneer ik dan toch een been verzet, is de verkeersstroom al lang weer ingezet en keer ik terug van waar ik kom, meestal Café de Smos in de Kerrestraat. Mijn vrouw geloofde al lang niet meer in mij. De eerste jaren was ik haar held, niets kon ik misdoen. Ik reisde de wereld rond, gaf demonstraties, lezingen, workshops. Ik werd gevraagd voor debatten, parlementaire commissies, radioprogramma's. Vanaf het woord vis viel, kwam ik op de proppen. Maar plots kwam de kentering en verloor ik mijn mojo. Jaar na jaar ging het bergaf. De top was zo hoog dat de val tergend lang duurde. Pas vorige week bereikte ik het dieptepunt: mijn vrouw verliet mij voor Jan de Mosselman. Ik gaf bijna over van verdriet. Van frustratie. Van zelfmedelijden. Ik nam mijn hengel en fietste naar mijn plekje aan het kanaal. Daarna leek Café de Smos mij een goede optie.

Maarten Verhelst
0 0

schoendoos

Ik stond op de dansvloer, nog niet zat genoeg om zonder schaamte mijn heupen te bewegen. Ik voelde dat iedereen mij aankeek: de vrouwen, de mannen, Jani Kazaltzis. Deze laatste stapte op mij toe en zei dat ik dringend wat meer zelfvertrouwen moest kweken. Ik zei dat het wel snor zat met mijn zelfvertrouwen, behalve dan op een dansvloer met te weinig alcohol in mijn bloed. Hij draaide zijn ogen tot ver boven de ironiegrens en wees al lachend naar mijn kleren. Ik gaf hem een dreun op zijn neus en verliet onder luid gejuich de parochiezaal van Scheldewindeke. De volgende dag wist ik geen blijf met mezelf. Zou ik naar de slager gaan? Naar de grasmachinewinkel? Of zou ik de hele dag op zolder foto's bekijken van ex-lieven in erotische houdingen? Ja, dat kon nog eens leuk worden. Ik opende het zolderluik, ik knipte het licht aan, ik nam de vijfendertig schoendozen met foto's. Beneden werd er aan de deur geklopt. Ik kroop weer door het zolderluik, stapte de trap af, opende de voordeur. Een vrouw vroeg of ik drie balpennen wou kopen ten voordele van het kinderkankerfonds in Bulgarije. Het kostte maar 15 euro. Ik vroeg of ze kon bewijzen dat het geld effectief naar het kinderkankerfonds van Bulgarije zou gaan. Dat kon ze niet. Ik lachte minzaam, zoals steeds. Terug binnen had ik plots zin om de was op te hangen. Helaas was er geen was om op te hangen. Ik ging naar de buren en vroeg of zij geen was hadden die opgehangen moest worden. Ja, dat hadden ze. Ze hadden zelfs aardbeien die dringend opgegeten moesten worden. Dat ging mij toch een stap te ver. Minzaam lachend keerde ik huiswaarts. Mijn vrouw en kinderen waren ondertussen daar. Ik omhelsde hen innig. Naast mijn vijfendertig schoendozen waren zij tenslotte mijn enige reden van bestaan.

Maarten Verhelst
0 2

Lieve maan

Als de maan op zijn plaatsje aan de hemel klimt, is ze niet alleen.  Niet zo ver bij haar vandaan slapen ook een grote en een kleine beer en een poolster kijkt onafgebroken zonder knipperen met haar schitterende oog over de slapende wereld.  Nu komt die grote beer af en toe wakker met een berenhonger en probeert dan een stukje van die romige, ronde maan te bijten.  Als de maan dan wakker is, bijt ze stevig terug.  Maar als de maan dan net zelf aan het slapen is, neemt die gulzige beer snel een stevige hap.  Zo komt het dat de maan er soms steeds dunner begint uit te zien.  Als er dan maar een enkel schijfje maan meer overschiet, wordt de maan zo zwak en ongelukkig dat ze heel hard begint te wenen.  Haar snikken wekken dan de kleine beer.  De kleine beer is veel liever dan de grote beer en ook niet zo gulzig.  Omdat ze het vreselijk vindt anderen ongelukkig te zien, stelt ze er zich tevreden mee alleen van de zwarte dropmaterie van de nacht te eten.  Voor de maans dunne en ongelukkige gezichtje, schiet ze in actie.  Ze giet wat melk van de melkweg in een kom, doet er wat eiwit bij en neemt van alle sterren uit de hemel een snufje van hun heerlijke sterrenpoeder.  Elke ster heeft een sterpoeder dat anders smaakt.  Sommige sterrenpoeders smaken naar anijs, anderen naar zoute koekjes en ga zo maar door.  Dan klopt ze heel snel met een lepel in de kom, tot het maanmengsel stijf wordt, plaatst de kom een hele nacht in de diepvries en de volgende dag vult ze de maans opgegeten rondingen weer aan.  En dan gaat ze terug slapen.

Gail Verhasselt
0 0

TERUG NAAR DE GEBOORTEPLEK

Het vliegtuig maakte een tussenlanding. Hij zat achter een glas pure rum met ijs op een Caribisch eiland te wachten. Een jonge vrouw in witte schort, achtervolgd door een zanikende hummel, liep in het restaurant van tafel naar tafel en vroeg de reizigers of ze hun bloeddruk mocht nemen. Eén dollar. De associatie sloeg in als een snapshot. Als jonge kerel verliet hij Vlaanderen en voer haveloos met een vrachtschip naar de Verenigde Staten van Amerika. Begonnen als letterzetter in een drukkerij leerde hij zijn echtgenote tijdens een campagne voor bloedinzameling kennen. 'Je handen zijn warm', had hij gezegd. 'Je hebt goede aderen. Ik kan de naald er van verre ingooien', antwoordde ze verrast. 'Mag ik volgende week nog eens komen?' 'Je levenssappen moeten eerst terug aangroeien', had ze hem geamuseerd gewaarschuwd. De week nadien troffen ze elkaar in een bar op een vloer die zweette. 'Op de vampier en haar slachtoffer', hief hij schertsend het glas. Kon hij niet dansen zij des te beter. Tijdens de openingsdans op het huwelijksfeest zette hij zich voor de hele zaal te kakken. Naderhand ruilde hij de letters voor de grafische kunsten. Hij was specialist in lithografie toen hij op pensioen ging. 'Passagiers voor Brussel aanmelden aan poort B!'  hoorde hij de luidspreker pal boven zijn hoofd. Hij tuurde door het kleine venster. De boeing vloog een overdekte zaal binnen, wolken tegen het plafond, wolken tegen de vloer en tussenin een holle doorlopende tunnel. De leegte waarin hij terechtkwam na het auto-ongeval was afgrondelijk. Maar hij kon niet zeggen of het met ruimte te maken had dan wel met tijd. In feite was hij drie dagen en drie nachten in coma blijven zweven. Het duurde daarna nog tergend lang eer hij wist dat hij in het ziekenhuis lag en eer hij in staat was naar zijn vrouw, zijn zoon, schoondochter en hun kind te vragen. Een hele stamboom uitgeroeid, kreunde hij nog jaren nadien. De familiekelder waar ze samen gelegd werden noemde hij zijn massagraf. Zijn zoon en kleinzoon wedijverden met elkaar om hem door hun afwezigheid pijn te doen. Hij stond weer alleen in de Verenigde Staten, net als toen hij zoveel jaren terug uit het vrachtschip stapte. Nu pas werd hij er zich van bewust hoe oud hij wel geworden was. Veel tijd was hem niet meer gegund. Hij zat in een op hol geslagen trein, niet te stoppen en die reed met hem recht de dood in. En als hij er nu eens probeerde af te springen? Langzaam aan begon de drang in hem omhoog te kruipen, weg van die trein, teruggaan, in de tijd achteruitkrabbelen, weer kind zijn. Dat moest kunnen als hij maar naar de omgeving waar het allemaal begonnen was weerkeerde. Door op de plaatsen waar het eens gebeurde te gaan staan, zou hij alles opnieuw kunnen beleven.         Het was een klein huis, aan de kant van de straat de 'schone plaats' waar ze nooit inkwamen, daarnaast de eetplaats waar ze leefden, dan de keuken met de groene gietijzeren waterpomp en de kleverige sunlightzeep onder de pompsteen, de wc met het gat in de houten zitplank,  het kippenhok en twee slaapkamers boven. Achter het kriepend poortje van de binnenkoer dat uitgaf op de tuin stond de pruimenlaar. En van daaruit kon hij van de ene in de andere tuin bij de buren lopen. Het poortje van Jeanine stond altijd open. Zo gebeurde het dat hij regelmatig de penis van haar vader met de grijze stoppelsnor zag terwijl  hij stond te plassen. De witte pisbak hing in de bakstenen muur vast gevezen en door roestvlekken half opgevreten. De gele mortel, meer zavel dan cement, sijpelde vergruisd uit de voegen. In plaats van te blijven mikken deed de man zijn hand weg en piste er naast. Zo zag hij de groene ader die door het stijve lid van de vader van Jeanine kronkelde. De man keek niet naar hem, maar hief het hoofd op naar de duiven op het afdakje die vanuit Aras en Saint Quentin prijzen gevlogen hadden.   Aan de horizon zakten de korenvelden in een glooiing en in die gleuf bewoog een onzichtbare trein. Alleen de schouw die zwarte rook uitstootte schoof zichtbaar tussen de halmen voorbij. Vader ging op een bureau in Brussel schrijven, maar ’s avonds plantte hij achter de pruimenboom aardappelen. Als ze in bloei stonden zaten ze vergeven van de coloradokevers. Hij mocht van vader de beesten plukken. Samen met de broer van Jeanine gooide hij de kevers en de paarsbruine gekromde larven in een ovomaltine-doos, de handen vettig van de oranjekleurige ingewandensappen en toen ze vol was staken ze vuur onder de metalen doos. Jeanine was iets jonger dan hij en ze had krulletjes. Hij ging met haar naar het kippenhok. Daar scharrelden acht witte hennen op een weeïg tapijt van keutels met ingeplakte  schavelingen en donspluimen rond. Tussen de starkijkende beesten speelde hij met haar doktertje. Ze was ziek, in het begin niet zonder tegenstribbelen. Ze lichtte toch maar haar rok op. Hij keek in haar broekje en zag onderaan haar spleetje. Met de kurk van een oude  wijnfles, gedoopt in wonderwater, dat hij met een conservenblik uit de regenput vol rode slingerwormpjes geschept had, drukte hij het genezende stempel in haar zachte buik net onder de navel. Daarna mocht zij het bij hem doen. En dan hij weer bij haar, terwijl de kippen een poot halfweg ingetrokken hielden, de glazen ogen wijdopen van verstomming.   Het vliegtuig begon te zenuwtrekken. 'Veiligheidsgordels aangespen', klonk het door de luidsprekers. Spontaan keek hij door het raampje. Misschien viel er iets abnormaal te bespeuren dat de schokken kon verklaren. Maar de krant van de passagier naast hem belemmerde het zicht naar buiten. 'Leraren staken. Scholen staan leeg', las hij de titel van het artikel. En zijn gedachten gingen terug naar de school van zijn eerste levensjaren. Het gebouw stond in zijn herinnering nog vaag overeind: mauve bakstenen vermengd  met witgeblakerde assenschilfers. Arduinen sokkels tot boven zijn hoofd om er gedurende de speeltijd bang tegen aan te leunen wanneer hij een strafbriefje naar huis moest meenemen om te laten ondertekenen. De onderwijzer van het vierde studiejaar stond hem nog het klaarst voor de geest. Een gemoedelijke man, die ’s morgens niet van huis uit vertrok. Wanneer hij op school aanlandde had hij er al een paar uren lijnvissen opzitten. Hij kwam met zijn gerief de klas binnen en beval de leerlingen hun wereldatlas boven te halen. Als taak moesten ze een provincie met een moeilijke naam opzoeken die hij zelf nauwelijks kon uitspreken zonder dat hij bladzijde of werelddeel vermelde. Ondertussen had hij breeduit de tijd om de draden van zijn lijnen te ontwarren en op te bergen. Vis zagen ze nooit. En de provincie met de moeilijke naam ook niet. Hij was niet van de stomste onder de leerlingen en één trimester was ruimschoots voldoende om het hele atlasboek te doorpluizen. En toen begon hij te twijfelen of die provincie wel bestond. Hij had er later ook nooit nog over gehoord.   Op zijn vijftiende zei vader: 'We gaan naar de stad wonen'. Sindsdien was hij nog maar zelden naar het dorp teruggekeerd. Hij ontgroeide het. Je kon niet op je stappen terugkeren, was toen zijn gevoel. Zijn dorp had hij definitief achter zich gelaten. Het was iets voor kleine kinderen geworden, een nest waar hij uitgevlogen was en nooit terugkeerde. Maar nu wilde hij weer jong worden, achteruitkrabbelen om de dood te vlug af te zijn. Een onbekende neef stond hem op de luchthaven op te wachten, een naambordje voor de borst. Zijn voorstel om hem naar zijn geboorteplaats te vergezellen wees hij af. Hij kon moeilijk iemand naar vroegere tijden meenemen, iemand die meer dan een halve eeuw later dan hij geboren was.    'Er is geen station meer in het dorp. Die spoorlijn is jaren geleden afgeschaft. Er bolt wel vanuit de treinhalte van de naburige stad een bus,' waarschuwde de neef hem. Hij zag het stationnetje voor zich met zijn buizenkachel in de winter die tijdens het warme seizoen uitgebroken werd om meer ruimte in de wachtzaal te scheppen. Op de plaats waar hij het meende te situeren stapte hij uit de bus. Er was niets meer te zien. Toch stond hij op de juiste plek, stelde hij vast, want daar liep de oude spoorbedding, een rechtlijnig met asfalt overgoten fietspad. De straten lagen nog op de zelfde plaats, missen kon hij dus niet om het ouderlijk huis terug te vinden. Onderweg groetten de voorbijgangers hem, uit gewoonte, want geen mens kende hem. Hij alleszins geen van hen, hoe hij zich ook inspande om ergens een gelaatstrek te herkennen. Was dit nu zijn straat? Ze was kleiner geworden, nauwer. De tijd doet de dingen krimpen, dacht hij. Misschien kon hij er als kind beter in en uit. Of was het zijn blik die toen niet verder dan enkele huizen reikte waardoor de straat eindeloos leek? Zelfs de weg naar school in het centrum van het dorp was telkens een wereldreis. Het huis was niet te vinden. Er liepen haast geen mensen op straat. Enkelen hadden nog gehoord van de familie, maar waar het huis stond, geen idee. Toch wou hij het niet opgeven. Aan de overkant van de straat duwde een vrouw haar fiets naar buiten. Ja, ze wist er nog van en wees in de richting van een gevel die er niet op leek. Toch maar de kans wagen. De bel klonk luid in de gang.   'Is het voor een bestelling?' vroeg een jongetje van zeven.  Het leek hem of  die snotaap net met Jeanine uit het kippenhok gekropen was. Aandachtig keek hij toe of hij geen donspluimen aan zijn zolen meesleepte en voelde plots warmte van binnen.   'Ik kom van ver', antwoordde hij met zijn Engels accent. 'Mama, een vreemde meneer', riep het jongetje en liep terug naar binnen, een afgedane zaak voor hem. 'Als dit het juiste huis is, ben ik hierboven geboren', zei hij vol verwachting. De terughoudendheid van de dame maakte plaats voor nieuwsgierigheid. Ze bevestigde dat de naam haar bekend voorkwam, uit de akte. 'We hebben het afgekocht van een eigenaar die het van uw familie zal gekocht hebben.' Ze liet hem binnen. Hij voelde de neiging om zich te bukken. Het interieur was niet meer te herkennen. 'Toen we het aanschaften was het nagenoeg een krot. We hebben muren uitgeslagen en de hele woning gerenoveerd'. 'Het kippenhok', zei hij bijna fluisterend.   'Nooit gekend. Kom maar mee', zei ze en stootte een metalen deur open, waar vroeger de keuken was. In plaats van op het binnenkoertje uit te komen stapte hij een ruime zaal vol tekentafels in. 'Het architectenbureau van mijn man', legde ze uit. Hij liep naar het einde van de zaal. 'Hier moet de pruimenlaar gestaan hebben', mat hij met de ogen en keek naar de blinkende tegels. Door een venster aan de zijkant probeerde hij de korenvelden met de glooiing terug te vinden. 'Daar beneden reed vroeger een trein, maar ze hebben de spoorlijn uitgebroken', zei ze. 'Weet ik', antwoordde hij en zijn stem klonk nu indroef, want ook de korenvelden waren verdwenen. Er stond een indrukwekkend plat gebouw. 'Een grootwarenhuis. Voeding,' verduidelijkte ze. Opeens werd het hem te machtig. Hij moest er bij gaan zitten om niet weg te draaien. De vrouw haastte zich om een frisdrankje te halen. 'De plek waar ik geboren ben en als kind rondgelopen heb, bestaat niet meer,' wist hij nu. Zijn ouders zijn er ook niet meer. Die liggen begraven in de stad. En Jeanine en haar vader met de stijve penis en de coloradokevers en de schouw van de trein tussen de halmen. 'Het is er allemaal niet, hier toch niet,' kreunde hij met de handen stevig op de knieën steunend. 'Waar dan wel? Wat maakt dan dat dit terrein mijn bakermat zou zijn? Het staat zelfs niet meer op de zelfde plaats als toen, want de aarde is intussen al miljarden kilometers verderop geschoven in het heelal. Is er dan nog iets dat maakt dat dit het stuk aarde is waar ik begonnen ben? Er moet toch ergens een referentiepunt zijn. Alleen maar het feit dat deze grond op de aardkorst toen en nog vandaag even veel kilometers van mijn villa in de Verenigde Staten verwijderd ligt? Of zou het toch de tijd zijn die mijn geboorteplek verplaatst heeft? Maar waarheen dan? Naar tachtig jaar verderop?' De vrouw schrok toen ze hem zag. 'Je ziet er verschrikkelijk beroerd uit. Zal ik een ziekenwagen opbellen?' riep ze. 'Niet meer nodig,' hijgde hij en zakte door zijn schouders. Hij probeerde haar aan te kijken, maar kon nauwelijks zijn hoofd oplichten. 'Ik ga sterven. Ik heb het willen uitstellen, terug van voor af aan beginnen. Maar het lukt niet,' murmelde hij en viel opzij aan de voet van de pruimenlaar.

Guido De Schrijver
0 1

Zonderling

Het zit me echt niet mee de laatste tijd, misschien is het al jaren zo. Wie weet? Ik heb er nooit echt veel aandacht aan besteed. Wellicht had ik het beter wel gedaan, dan zat ik nu niet in deze situatie. Het probleem is niet onoverkomelijk, ik overleef het wel. Althans dat hoop ik, maar daar ligt ook net mijn probleem. Hoop, optimisme, vertrouwen.   Mensen vinden me raar, niet omdat ik klein ben. Hoewel dat ook zou kunnen, klein zijn is passé, ik val opnieuw uit de boot. Uit een boot vallen is nooit grappig, zelfs niet als het wordt gefilmd. Denk ik.   Denken. Mijn grootste zorg, de oorzaak van alle miserie. Mensen vinden het raar, denken. Ze houden steeds hun hoofd schuin uit onbegrip als ze een gesprek met me voeren. Want ik ben raar. Raar omdat ik niet weet wat er gisteren bij "Komen eten" is gebeurd, raar omdat ik wel de zonsondergang terug voor de geest kan halen. Ik krijg haast meelijwekkende schouderklopjes als ik vertel dat ik geen televisie kijk, soms ook niet. Soms bekijken ze me als iemand met een besmettelijke ziekte. Het antwoord op hoe ik dan mijn tijd om krijg lijkt wel in een andere taal. Ik begrijp niet waar het over gaat als er tien mensen lachen om het geklungel van iemand in een show op tv waar je moet zingen en/of dansen om door te mogen naar een volgende ronde. Nog minder begrijp ik het als ze een week later weer lachen weer om diezelfde persoon, alleen heeft die dan andere kleren aan.   De mensen vinden me raar omdat ik zing en dans zonder op tv te willen komen, ik doe het dan ook zomaar, vrijblijvend en vaak in mijn eigen huis zonder toeschouwers.  De nummers uit de hitparade ken ik niet, al jaren niet zelfs. Maar dat wordt me kwalijk genomen, ik hoor er niet bij. Ik ben een vreemde eend omdat ik muziek wil ontdekken op plaatsen waar anderen niet gaan. Als ik muziek van 60 jaar geleden opzet ben ik meestal ook saai of heb ik geen smaak. Ik vergeet steeds dat populariteit boven kwaliteit staat, ik ben een ramp.  De boeken die ik lees houd ik angstvallig geheim, ik mag niet lezen over waargebeurde verhalen, dat hoort niet. Zeker niet 's avonds als er van alles op televisie is, zaken om mijn brein te verdoven en het denken uit te schakelen. Lezen is voor mietjes wordt weleens beweerd. Behalve de Flair of de Libelle, die mag ik lezen want dat is vrolijk en belangrijk. Vooral de stukken over hoe ik mij moet kleden en een man moet behagen. Al de rest, alles wat te diep gaat is uit den boze.  Verliefd zijn is ook taboe, of toch in bepaalde mate. Ik mag het enkel voelen als ik het aan de wereld deel en ook pas als ik al in een relatie zit. Zomaar verliefd zijn en gelukkig door het gevoel alleen is te moeilijk, dat slaat ook nergens op. Net zoals ik niet mag geloven in het goede van de mens, want dat is naïef. Geduld hebben is ook geen deugd meer, eerder iets waar anderen zich in opjagen als ik geduldig ben en vooral blijf.  In de zomer buiten op een ligstoel naar de sterren kijken is nutteloos. Gilletjes van opwinding slaan als een ster valt is idioot, binnen is er tenslotte voor de duizendste keer F.C. De kampioenen of zoiets op. Of is er een kat verkleed op het internet wat ik zeker niet gemist mag hebben. Sterren, kometen of de maan die zijn gewoon aanwezig, niet om van te genieten. Ik moet ook leren dat kleren de man wel maken, niet de persoon. Een vlekje hier of een scheurtje daar is algemene regel om als persoon niet aanvaard te worden door te maatschappij. Voor mensen openstaan, zonder te veroordelen of vooroordelen bombardeert me meteen tot hippie of treehugger. Uiterlijk is alles, maakt niet uit wat voor persoon je voor je hebt.  De vrijdagavonden die ik thuis doorbreng in mijn eentje, zorgen dat mensen op afstand blijven. Dat ik tot rust kom en mijn geest de tijd geef om te reflecteren is ongewoon. Ongewoon en absurd, want op café gebeurt veel meer, daar heb ik waarschijnlijk gemist hoe iemand iets gek zei, of heb ik gemist dat iedereen op een kruk zat.  Nee het zit me echt niet mee, ik vraag me af of ik mezelf graag zou zien als ik een van hun was want ik val altijd en overal uit de boot. Gelukkig heb ik vroeger leren zwemmen.

Chandra Rowe
0 0

Onschuld

Ik wil u graag een verhaal vertellen, een verhaal over onschuld. Dit verhaal speelt zich af in een tijd lang voor de mijne. Het was een zonnige lentedag en onder een bloeiende kerselaar zat een guitig mannetje. U weet wel hoe die guitige mannetjes zijn, bolle wangetjes, grote oogjes, vuile knietjes en stiekem een vinger in de neus. De protagonist van het verhaal, heeft de leeftijd van 9 zullen we zeggen. Een leeftijd waarop ideetjes worden gevormd en vrienden worden gemaakt. Samen spelen en ravotten, een grapje hier en deugnieterij daar. Boeiende gesprekjes voeren over hun leefwereld en de vriendjes met dezelfde opvattingen. De ouders van ons mannetje, waren hard werkende mensen. Ze hadden niet veel maar probeerden er altijd het beste van te maken. Dat wass niet altijd leuk, zeker niet als je weet dat de buren meer geld hadden, ze hadden zelfs juwelen. De buren waren ook een beetje anders en deden soms gekke dingen. Dingen waar ons guitig mannetje soms weleens heel boos van werdd. Hij zei dan gemene dingen over ze, heel gemeen. Maar de moeder deed het af als gezonde jaloezie en kinderlijke onschuld, niks om haar zorgen over te maken. Op een dag vond hij een boekje, een boekje vol lange teksten maar ook grappige tekeningen. Lezen deed onze jongen niet zo graag, hij ging meteen naar de cartoons. Daar zag hij een tekening van twee Afrikaantjes, maar de tekening was een beetje vervormd leek het. De Afrikaantjes kregen de gezichten van aapjes, ja dat vond hij wel grappig. Ook al had zijn moeder geleerd dat je nooit gemene dingen mag zeggen tegen mensen, ze had nooit gezegd dat lachen met tekeningen verkeerd was. Samen met zijn vriendjes werd er hartelijk gelachen om deze cartoon en naarmate de tijd verstreek vonden meer en meer vriendjes deze tekening grappig. Ze vonden zelfs dat er wel een vorm van waarheid in zat en in al hun onschuld werden Afrikanen nu ook aapjes genoemd. Het duurde niet lang voor het hele dorp de humor er van inzag en als er op bezoek werd gegaan in andere dorpen werd de mop verspreid. De jongens werden op school als echte lolbroeken beschouwd, meer en meer kinderen wilden meedoen bij wat de jongens ook deden. Zo was er een klein ros meisje nieuw op school. Zij kon goed lezen, schrijven en was zelfs best grappig, maar haar rode haren vonden de anderen toch een beetje vreemd. Zo noemden ze het meisje "roskop" en "wortel".  Meisjes plagen is immers liefde vragen, niet waar? Dat het meisje vaak moet huilen vindt iedereen flauw, meisjes kunnen precies niks verdragen zeggen ze. Als op een dag het nieuws komt dat het meisje in de beek is verdronken, moet iedereen huilen. Sommige mensen zijn zelfs boos, al begrijpt niet iedereen heel goed waarom. Een week later zat onze jongen op zijn kamer. Hij was boos, heel boos, de rijke buurjongen was zijn nieuwe kleurpotloden komen tonen. Hij had er wel 20, in alle kleuren zelfs en kan zo dus de mooiste tekeningen maken. Onze jongen wilde ook een tekening maken, zeker nu hij zo boos was. Maar met 2 kleurpotloden, rood en zwart, was het niet zo leuk. Hij nam er zijn dagboekje bij en schreef allerlei dingen op, boze dingen over de buurjongen en zijn familie ook. Ondanks zijn twee kleurpotloden maakte hij toch een tekening, lustig kleurde hij er op los tot zijn mama hem riep om te komen eten. Zijn dagboek en tekening lagen nog op de vloer waar mama ze vond. Ze bekeek de tekeningn, las zijn geraas en besloot: "Onze Adolf, het is er me toch eentje"

Chandra Rowe
0 0