Lezen

Peter

1. ‘Peter, Peter!’ Peter vloekte, trok zijn zwartleren jack recht en maakte zich uit de voeten. Zodra hij de hoek om was, bevrijdde hij zijn schaduw en verstopte zich achter de vuilniscontainer. Zijn schaduw rende verder, gevolgd door de bonte bende gillende meiden die nietsvermoedend langs hem heen liepen. Waar hij ook kwam en ging, ze klampten hem aan en zwermden rond hem als bijen rond een bijzondere bloem. Hoe vonden ze hem steeds maar weer? Had hij soms nectar in zijn haar in de plaats van gel? De schaduwtruc werkte gelukkig elke keer. Meisjes konden toch zo blind zijn. Hij kroop behoedzaam uit zijn donkere schuilplaats en schrok. Hij stond oog in oog met een meisje dat niet in zijn list getrapt was. ‘Peter…’ begon ze. ‘Nee, nee en nog eens nee!’ riep hij terwijl hij snel begon te stappen. Hij lette erop niet in de lichtvlekken van de straatlampen te stappen, zo zonder zijn schaduw. Hij had een lange zoektocht voor de boeg. ‘Peter, wacht!’ riep het meisje hem na. Iets in haar stem maakte dat hij stilstond en verbaasd keek hij om. Snel haalde ze hem in. ‘Waar verblijf je?’ vroeg ze. ‘Dat ga ik echt niet aan je neus hangen,’ zei hij geïrriteerd. Hij maakte opnieuw aanstalten om te vertrekken, maar ze legde haar hand op zijn arm. ‘Héb je een plaats om te slapen?’ vroeg ze zacht. En daarmee viel heel zijn afweer in duigen. Hij zeeg neer tegen de muur en merkte amper dat ze naast hem kwam zitten. Herinneringen aan de laatste jaren kwamen in sneltempo bovendrijven. Niet meer kunnen vliegen, Wendy’s achterkleinkinderen zien opgroeien, zijn vlucht, de motorbende, zwerven van stad naar stad. En telkens die horden meisjes die hem herkenden en naar Tinkerbell vroegen. Hij ging bijna denken dat hij haar nog meer miste dan Wendy. Maar Wendy was er niet meer, en Tinkerbell… Hij merkte pas dat hij in tranen was toen het meisje hem een papieren zakdoekje aanreikte. ‘Eeuwig jong zijn valt niet mee als je de enige bent,’ zei hij snotterend, waarna hij zijn neus snoot. Eeuwig jong, maar akelig volwassen, voegde hij er in gedachten aan toe. ‘Kom,’ zei het meisje terwijl ze hem rechttrok, ‘ik weet een plekje voor jou.’ ‘Maar…’ hij aarzelde om zijn laatste geheim prijs te geven, ‘mijn schaduw…’ Het meisje keek hem verwonderd aan en toen vormden haar lippen een onuitgesproken ‘oh’ terwijl ze zich zijn schaduw leek te herinneren. Was het niet allemaal ooit begonnen met die dekselse schaduw? ‘Geen probleem,’ zei ze vrolijk, ‘wanneer die ziet waar ik je heen breng, zal hij meteen bij je komen. Zo fijn is het daar. Mijn naam is Lotte, trouwens.’ ‘Peter,’ zei Peter met een scheve glimlach. Dat wist ze natuurlijk al, maar ze zei er niets van. Ze glimlachte enkel en dat stelde hem op zijn gemak. Lotte leidde hem naar een deel van de stad waar hij nog nooit geweest was. De huizen waren groter en de straten waren netter. Lotte hielp hem uit het licht van de vele straatlampen te blijven en stopte pas toen ze bij een rij bomen aankwamen. Peter tuurde in het duister voorbij de bomen. Waren dat nog bomen? Hij was niet meer in een bos geweest sinds… tja, Wendy. ‘Eigenlijk mag ik hier na het donker helemaal niet komen,’ fluisterde Lotte, ‘maar ik doe het toch. Met jou ben ik niet bang.’ Haar vertrouwen trof hem op een vergeten plek in zijn hart. Het deed pijn. ‘Ik ben niet meer wie je denkt dat ik ben, Lotte,’ zei hij zacht, maar ze zei ‘shht’ en nam hem mee het bos in. Het was pikdonker, maar ze leek exact te weten waar ze heen moest, alsof ze deze weg al vaak gegaan was. Heel vaak. Ze stopte bij een boom en greep een dik touw vast waar om de meter een knoop in lag. Ze begon te klimmen en Peter grijnsde. Wat was dat lang geleden! Zijn hart sprong op toen hij een eindje hoger uitkwam bij een kleine houten hut. Het voelde als thuiskomen. De vertrouwde nachtgeluiden van het bos openden een poort naar ver weg gestoken herinneringen aan een ver weg gestoken land. Voor het eerst in jaren vond hij een stukje terug van de onbezorgde jongen die hij ooit geweest was. Lotte had ondertussen een zaklamp gevonden en scheen ermee in het rond. De hut was wat vervallen, maar in één hoek lag een hele stapel kussens en dekens en in een andere stond een plastieken bak waar Lotte nu een pak koekjes uit haalde en een zak met iets dat ze in een kom strooide. Peter ging zitten en nam een koekje van haar aan. Op het einde van een hele dag verstoppertje spelen met die bonte bende, kwam het koekje als een geschenk van de hemel. En deze rust ook, en het meisje… Hij keek naar haar. Ze leunde uit het raam, alsof ze op iets wachtte. Ze had kort donker haar en was bijna zo groot als hij. Ze ging gekleed in mooie nette kleren en haar schoenen waren van een bekend merk. ‘Wat doet een meisje als jij in een boomhut als deze,’ vroeg hij zich af. Pas toen ze zich gespannen omdraaide, besefte hij dat hij het luidop had gezegd. ‘Rijke ouders hebben kan soms net zo vervelend zijn als eeuwig jong zijn,’ zei ze met dichtgeknepen stem. Enkele jeugdpuistjes staken fel af tegen haar bleke gezicht. ‘Sorry,’ zei hij snel, ‘Iemand bedanken is niet mijn sterkste kant.’ Ze wilde net antwoorden toen er iets met een plof op het dak viel. Hij hoorde gekrabbel en even later klom er een dikke poes door het raam naar binnen. ‘Dit is dus waarom ik hier zo vaak kom,’ zei Lotte terwijl ze de poes aaide. ‘Peter, dit is Mevrouw Tamara. Mevrouw Tamara, dit is Peter. Vanaf nu gaan jullie deze boomhut delen. Als je dat wilt, tenminste,’ voegde ze er snel aan toe. ‘Voorlopig,’ zei hij voorzichtig. Lotte glimlachte en babbelde verder. ‘Ik vond haar toen ze nog klein was. Maar vader is allergisch voor katten en ik mocht haar niet houden. Dus heb ik haar hier grootgebracht.’ Peter knikte en bekeek Lotte in een nieuw daglicht. Ze was best aardig. Hij wilde iets zeggen, maar zag plots iets donkers binnensluipen in het licht van de zaklamp. Hij gebaarde Lotte geen kik te geven en sprong erop af. Zijn schaduw spartelde in zijn greep, maar hij was na al die jaren erg behendig geworden in schaduwvangen. Een tel later deed zijn schaduw weer gehoorzaam al zijn bewegingen na. ‘Wow,’ zei Lotte. Ze kon haar bewondering niet verbergen, dus leidde hij haar aandacht snel af. ‘Heb je een fiets?’ vroeg hij. ‘Een fiets? Wat wil je daarmee doen?’ Hij grijnsde met een schittering in zijn ogen. ‘Vliegen.’   2. ‘Peter? Peter!’ Peter keek verveeld vanuit de top van de boom naar beneden. Hij lag net zo lekker te soezen. Het voelde zalig aan om terug in de wilde natuur te zijn en met niemand rekening te hoeven houden. ‘Peeeter!’ Behalve met Lotte dan. Hij begon naar beneden te klauteren en moest onwillekeurig denken aan Mevrouw Tamara. Na een paar dagen kwam hij nu even mak als de poes op Lottes lieve geroep af. ‘Ah, daar ben je!’ riep Lotte uit toen hij door het raam naar binnen klom. ‘Kom mee, ik heb mijn fiets aan de rand van het bos staan. Daar had je toch om gevraagd?’ Peter grijnsde. Fietsen, brommers, moto’s. Hoe sneller, hoe beter.   Peter racete de berg af. De wind floot in zijn oren en joeg door zijn haren. Hij kon wel niet meer vliegen, maar dit kwam er toch heel dichtbij. Hij joelde luid en remde krachtig toen hij beneden aankwam. 'Dit is fantastisch!' riep hij uit, maar Lotte keek hem bleekjes aan. 'Wees toch wat voorzichtig,' smeekte ze, 'en zet je fietslicht aan, het wordt al donker.' Peter haalde zijn schouders op en duwde de fiets terug de steile straat omhoog. Toen hij boven kwam, zwaaide hij naar Lotte, die in de verte op hem wachtte. Plots draaide een auto de straat in en Peter schrok zich een hoedje. Dan toch maar dat licht opzetten, dacht hij, en voerde de daad bij het woord. De auto parkeerde verder in de straat. Peter klom terug op de fiets en zette zich hard af. Hij vloog naar beneden. 'Jeeuj!' schreeuwde hij luid, en zo hoorde hij de klik van de deur niet. Het portier ging vlak voor hem open en Peter sloeg er met een vaart tegenaan. Hij tuimelde door de lucht en kwam met een doffe klap op de grond terecht. Er schoot een scherpe steek van pijn door zijn lichaam, die steeds sterker werd, tot hij wegzonk in een allesomvattend duister. … Een loeiende sirene sneed door het duister. Er klonk een zware mannenstem, maar zijn zinnen leken wel in stukken gehakt. ‘Meteen. Gespecialiseerd ziekenhuis. Helikopter opgeroepen.’ Peter voelde zich alsof hij zweefde. Vliegen… de gedachte vervloog in de dichte mist die hem omringde, een dikke brei waar hij niet doorheen raakte. Hij probeerde te kreunen, maar kon zijn mond niet bewegen. Hij wilde zijn ogen opslaan, maar ook dat lukte niet. De inspanning werd hem snel teveel en het duister omspoelde hem terug. … 'Nee, nee! Ik ga mee!' Peter schrok wakker. Hij kende die stem, maar vanwaar? Hij wilde kijken, maar merkte dat hij zich niet kon bewegen. 'Ga naar huis, meisje. Je ouders zullen ongerust zijn,' klonk een strenge vrouwenstem. Gelukkig kon hij wel horen. Hij lag ergens buiten tussen de twee stemmen in, maar kon niet voelen of het warm of koud was. Daarnaast hoorde hij veel herrie die hij niet kon duiden. 'Kan me niet schelen, ik ga mee! Mijn vader is trouwens dokter in dat ziekenhuis.' De vrouw gaf toe en Peter merkte dat hij werd opgetild en weggedragen. De herrie werd luider en hij wilde dat hij zijn oren kon dichtdrukken. Toen hoorde hij een klap van een deur en werd de herrie wat gedempt. 'Peter, we gaan vliegen,' zei de stem van het meisje vlak naast zijn oor. Wendy? Of was het het nieuwe meisje? Hij staakte zijn gedachtekronkels uit angst terug buiten bewustzijn te vallen. Als ze gingen vliegen, wilde hij dat voelen. Hij voelde de hand van het meisje op zijn hoofd en toen voelde hij een druk, alsof ze opstegen. Vliegen, dacht hij blij. Hij wachtte op het vertrouwde borrelende gevoel in zijn buik, maar het bleef uit. Pas toen besefte hij dat er iets ernstigs mis was met hem. Een golf van paniek joeg hem opnieuw het duister in.   3. ‘Peter… Péter…’ fluisterde Lotte voor zich uit, ‘waarom?’ Ze keek uit het raam en zag weer een ambulance wegrijden. Dat was al de derde deze nacht. Een vriendelijke verpleegster had haar naar deze lege kamer gebracht om wat te slapen, maar dat was het laatste waar ze aan dacht. Als het knagend schuldgevoel haar al niet wakker hield, dan was het haar bezorgdheid. Meer kon ze niet doen dan hopen dat de spoedoperatie goed verliep. Ze mijmerde donker voor zich uit terwijl ze haar vingers in de meest onmogelijke knopen wrong. Het was een vreemde nacht, vond ze. Er hing geen wolkje in de lucht en de maan was niet te zien, zodat de sterren helder straalden. Plots leek een sterretje zich los te maken uit het hemelgewelf. Lotte keek fronsend op. Het sterretje flitste de ene kant uit en dan de andere kant. Maar het verdween niet zoals een vallende ster. Integendeel, het leek dichterbij te komen, hoewel het niet groter werd. Het schoot pijlsnel over de grote stad heen. Toen het dichter bij het ziekenhuis kwam, leek het te aarzelen en begon rondjes te vliegen. Lotte wilde net het raam opendoen om beter te kijken toen iemand achter haar de deur opende. Twee verplegers reden een brancard de kamer binnen. Ze verlegden Peter voorzichtig op één van de lege bedden en gingen weer weg. Haar vader kwam naast haar staan. Hij had zijn chirurgenhemd verwisseld voor zijn vlekkeloze doktersjas. ‘Een speciale jongen heb je me daar,’ zei hij, maar zijn stem had een droevige klank. De angst sloeg Lotte om het hart en ze keek haar vader aan. ‘We hebben gedaan wat we konden,’ zuchtte hij. ‘Zijn gebroken ribben en een geperforeerde long kunnen nog genezen, maar er is serieuze schade aan zijn ruggenwervels. Als hij bijkomt, zal hij waarschijnlijk verlamd zijn.’ Verlamd? Lotte beet op haar lip om haar tranen terug te dringen. ‘Het is mijn schuld!’ schoot ze uit, ‘als ik hem mijn fiets niet had geleend…’ ‘Lotte, Lotte,’ zei haar vader snel. Hij legde onwennig een hand op haar schouder en even onwennig liet ze de aanraking toe. ‘Hier heeft niemand schuld aan. Zulke ongelukken gebeuren nu eenmaal, overal en elke dag. Als ik van alle gewonden die hier binnenkomen de schuldigen ook nog eens moet gaan zoeken, zou ik al helemaal niet meer thuiskomen.’ Lotte snoof, maar zo zacht dat haar vader het niet hoorde. Dat deed hij nu ook al niet. ‘Ga je wat slapen?’ vroeg haar vader toen, ‘ik kom je wel halen als mijn dienst erop zit.’ ‘Nee,’ zei Lotte vastberaden, ‘ik wil hier blijven, ik wil bij hem zijn als hij wakker wordt.’ Haar vader keek haar meewarig aan en ze keek snel weg uit angst voor wat die blik haar wilde vertellen. Áls hij wakker wordt… Maar haar vader gaf haar haar zin, dat deed hij immers altijd. Haar moeder, dat was een ander verhaal. Even later was ze alleen met Peter in de steriele ziekhuiskamer met zijn sneeuwwitte muren. Piep… piep… piep…, deed de machine naast Peters bed bij elke hartslag die hij leverde. ‘Blijf piepen, alsjeblieft,’ wenste Lotte zacht. Ze zette zich in een stoel naast Peters bed en nam zijn hand vast. Hij was dik ingepakt in verband van zijn hoofd tot zijn romp. Een reusachtige blauwe plek maakte zijn vredige gezicht er niet mooier op. ‘Oh Peter,’ snikte Lotte. Nu haar vader weg was, begroef ze haar gezicht in haar armen en liet haar tranen de vrije loop. Plots deed een zacht gerinkel haar opkijken uit haar donkere gedachten. Wat was dat nu? Haar blik viel op het raam. Aan de andere kant zweefde het sterretje! Het danste opgewonden op en neer en rinkelde de hele tijd. Lotte haastte zich naar het raam. Ze kon haar ogen niet geloven en drukte haar neus tegen het glas. In het midden van het lichtje kon ze een vrouwenlichaampje ter grootte van haar hand onderscheiden, met twee vleugeltjes die zo snel fladderden dat ze geen moment stil hing. ‘Dit kan niet!’ riep Lotte verwilderd uit. Dat Peter in deze wereld verzeild was geraakt, kon ze nog aannemen, maar Tinkerbell? En toch zweefde het elfje hier vlak voor het raam. Tinkerbell haalde haar uit haar verbijstering door recht naar haar gezicht te vliegen en boos op het raam te tikken. Lotte deed het snel open en in een flits schoot het elfje naar binnen. Zodra ze Peter zag, bleef ze stokstijf in de lucht zweven en keerde zich toen naar Lotte. Ze gebaarde wild, rinkelde als een gek en wees met een beschuldigende vinger naar haar. Lotte deinsde achteruit. ‘Het was niet met opzet, dit heb ik nooit gewild!’ verdedigde ze zich, maar het elfje keerde haar bruusk de rug toe en begon Peter rusteloos te onderzoeken. Ze raakte zijn verbanden aan en zijn gezicht. Overal waar ze hem aanraakte, bleef er een zachte gloed hangen. Hoop sprong op in Lottes hart. Als Tinkerbells elfenstof iemand kon doen vliegen, kon het misschien ook iemand genezen… ‘Kan jij hem helpen?’ vroeg Lotte voorzichtig. Tinkerbell draaide zich met een ruk om en plantte haar vuistjes in haar zij. Ze stak haar kin omhoog en keek Lotte hooghartig aan vanaf het hoogste topje van Peters kussen. Het was muisstil terwijl Tinkerbell haar opnam van kop tot teen. Maar Lotte dacht er niet aan te wijken en keek koppig terug. Ze gaf zeker evenveel om Peter als die kleine elf. Tinkerbell bewoog onwillekeurig met haar vleugels en Lotte meende er een zucht in te horen. Toen kwam het elfje naar haar toe vliegen. Ze rinkelde hoge en lage tonen, maar Lotte zei fronsend: ‘Ik begrijp je niet.’ Tinkerbell gooide gefrustreerd haar handen in de lucht en wees toen op zichzelf, de kamer en Peter. ‘Jij blijft hier?’ vroeg Lotte aarzelend. Tinkerbell knikte. ‘En ik?’ Tinkerbell wees resoluut naar de donkere wereld achter het raam. Lotte begon al te protesteren, maar het elfje was vliegensvlug bij haar en sloot haar lippen. Die tintelden onder de aanraking en Lotte moest de neiging onderdrukken om aan haar lippen te likken. Gelukkig vloog Tinkerbell snel terug naar Peter en Lotte volgde nauwlettend elke beweging. Ze vloog over hem heen en besprenkelde zijn hele lichaam met haar beruchte elfenstof. Lotte keek geboeid toe. Bewoog hij nu? Ja en nee. Het was alsof iets donkers achter hem bewoog. Het schuifelde onder Peters lichaam uit en rekte zich uit, alsof het lang had geslapen. Daarna voelde Peters schaduw aan zijn hoofd, hals en borst, toen keek hij naar Peter. Hij wilde verder weg sluipen, maar zat nog steeds vast aan de tippen van Peters tenen. Tinkerbell ging vlak voor de donkere versie van Peter hangen en wees al rinkelend beurtelings naar Peter, Lotte en hem. Na even aarzelen, knikte hij en Tinkerbell maakte hem los. Lotte verwachtte dat hij meteen zou vluchten, zoals die ene avond toen ze Peter gevonden had, maar dat deed hij niet. Integendeel, hij wenkte haar! Hij sloop naar de deur en Lotte keek aarzelend achterom naar Peter en Tinkerbell. Het elfje gebaarde haar de schaduw te volgen. Lotte slikte, wierp een laatste blik op Peter en volgde.    

Lyne Uytterhoeven
0 0

COMPLIMENTJES

Ze zaten met elf aan tafel, onder wie vier gerenommeerde misdaadauteurs. Trouwens, de overigen hadden ook heel wat spannends op papier gepresteerd. Behalve één iemand, Joris. Hij had zichzelf uitgenodigd als kersvers lid van de auteursvereniging, maar toen hij zag wie daar allemaal aan tafel zat, voelde hij zich klein, zeer klein. Wie was hij? Iemand die eventjes zijn criminal mind op papier had ontvouwd en hoopte dat hier en daar een lezer het einde zou halen van zijn eerste boek, dat hij in eigen beheer had uitgegeven. Joris zei weinig en wou zich absoluut niet profileren in dat exquise gezelschap. Diegene die links naast hem zat, –laten we hem voor de eenvoud Dirk noemen– had weer een nieuw boek geschreven dat net was uitgegeven. Het werk had reeds zeer lovenswaardige kritieken gekregen waardoor die man stilaan zijn plaats zou weten te veroveren naast de vier eerder aangehaalde sterauteurs. De diverse schotels werden vlot na elkaar opgediend. Op een flesje wijn werd niet gekeken. Dirk wist regelmatig de glazen en vooral de zijne te vullen, terwijl Joris voortdurend zijn glas met de hand moest afdekken omdat hij nog een eindje moest rijden. De tafelgesprekken schenen bij dergelijke samenkomsten altijd hetzelfde stramien te hebben: klachten over de uitgevers, die alleen maar oog hadden voor kookboeken, breiboeken en schrijfsels van auteurs, liefst BV's, die weinig te maken hadden met literatuur; klachten over de boekhandels, die te veel de buitenlandse misdaadromans etaleerden ten opzichte van werk van eigen bodem, enz. Zonder aanleiding vroeg Dirk opeens: ‘Wie ben jij?’ Joris trok zijn hoofd in tussen de schouders alsof er in zijn onmiddellijke omgeving een bom ontplofte.Voorzichtig zei hij: ‘Ik ben Joris Vercammen.’ ‘Uw boeken?’ ‘Ik heb net mijn eerste boek uit: Het ijzeren zwaard.’ ‘O ja? Is dat boek van jou?’ Joris wist niet goed wat deze vraag verder zou inhouden en antwoordde bijna onhoorbaar: ‘Jawel.’ ‘Maar dat boek is prachtig’, zei Dirk luid waardoor de tafelgesprekken ineens ophielden. Joris’ hoofd nam langzaam weer de normale hoogte tussen zijn schouders aan. ‘Is dat zo?’, bracht Joris voorzichtig uit. ‘Ja, man, jij hebt talent zeg!’ Joris wou nog vragen ‘Meen je dat?’, maar vond dat hij nu in zichzelf moest geloven en antwoordde zo neutraal mogelijk: ‘Ja.’ ‘Verdomd een goed verhaal en een fantastische ontknoping’, wist Dirk nog toe te voegen. Terwijl alle gezichten van zijn tafelgenoten met de glimlach naar hem keken, beaamde Joris dit weer met een korte: ‘Ja.’ ‘Doe zo voort, man’, zei Dirk nog en draaide zijn hoofd weer naar het gezelschap. De tafelgesprekken gingen weer door. Joris was in gedachten verzonken en hoorde nog nauwelijks wat er werd gezegd. De complimentjes van Dirk deden hem uitermate deugd. De avond kon niet meer stuk. Hij was toch blijkbaar een goede schrijver. Hijzelf en zijn werk waren nu aanvaard door de grote heren. Morgen zou hij aan zijn tweede boek beginnen. Het was tijd. Iedereen stond op. Ze gaven elkaar de hand met een ‘tot ziens’ of ‘tot de volgende keer.’ Joris liep naar de vestiaire en deed zijn regenjas aan. Net voor hij aan de deur kwam hoorde hij achter de jassen iemand zeggen: ‘Dirk was vanavond weer goed aangeschoten.’ En iemand anders zei: ‘Ja, en dan speelt hij altijd dat vervelend spelletje met het tegenovergestelde te zeggen van wat hij werkelijk meent.’ Joris’ hoofd zakte weer tussen zijn schouders. Hij zette zijn kraag van zijn regenjas recht en verdween in de natte nacht.

Bert Bergs
0 0

Roos en de Makelaar in Ontroerende Goederen. Aflevering 4: Een schot in de roos?

Het is net één dag na de dag die me met precisie en feitelijke trefzekerheid vertelt dat ik een jaar ouder word, hetgeen ik uiteraard met verve en kleur en een avond doorbrengen in jonger gezelschap heb trachten te negeren. Luid feestvieren, lachen en dansen overstemmen melancholische gevoelens, al was het maar tijdelijk. Evenzo hard probeer ik te ontkennen dat het pijn doet dat een ex geen verjaardagswensen stuurde en dat ik het betreur dat hij op m’n jaarwisseldag vast met een ander significant vrouwspersoon dineert. Kortom, ik word overmand door een mix van ontkenning, sehnsucht en last but not least: faalangst die me influistert dat heel dit dating avontuur op een fenomenale farce zal uitdraaien. Alsof ze vanop afstand glashelder door me leest, krijg ik een tekstbericht van een vriendin om me moed en succes in te praten. Zonder dat ik erom vroeg, heeft ze ervoor gezorgd dat ze met haar gezin vandaag in de buurt van de plek van m’n eerste afspraak is. Je weet maar nooit dat er vieze verkrachters een pil in Roos’ glas zouden keilen. Ik omhels haar in gedachten. Ik ontmoet Witse in de bar van een trendy museum. We hebben afgesproken om eerst een koffie te drinken, en nadien, bij wijze van afleiding en ongedwongen plezier een korte performance bij te wonen. Dankzij een videobril, trackers en een hoofdtelefoon zullen we een nieuwe realiteit verkennen: een artistiek concept en technologisch hoogstandje dat beleving en illusie in het lichaam binnenbrengt. Ik houd van het idee dat illusies mijn lichaam binnendringen. Maar vooral ook van het idee dat, wanneer de conversatie niet zou vlotten, ik een hoofdtelefoon op mag. Ik heb geen flauw benul naar wie of wat ik moet uitkijken, en twintig minuten voor de afspraak krijg ik een attente sms: “Voila, op weg in mijn fel rode jas, kwestie van herkenbaarheid. Tot straks, Peter”. Ik grinnik even. Duidelijke en grappige communicatie terzelfdertijd. Ik parkeer m’n rode wagen (tja, een rode wagen en een rode jas, het lijkt een match bij voorbaat), en merk dat ik een halve meter buiten de witte lijnen gestationneerd sta. Roos kleurt graag buiten de lijntjes, en maakt hier doorgaans geen punt van. Maar nu vraag ik me toch wel heel even plichtsgetrouw af of dit kan voor een inspecteur van de Federale Politie. Het geeft vast geen bonuspunten. Het flitst door mijn hoofd: “klein, ouder en grijzend, en niet je type, Roos”. Maar ik duw m’n categorizende zelve fors aan de kant, en ga rustig zitten. “Roos. Geef je paard een kans. Of het blijft voor eeuwig op stal.”Ik hinnik even vlotjes en spontaan ter kennismaking en geef me over aan het moment. Met zoekende blik wandel ik de museumbar binnen. Mijn ogen dwalen over de witte tafels, tot plots een man rechtstaat. Geen rode jas -die hangt intussen op de stoel- maar een blauw geruit hemd. “Ik had je vooraf even Gegoogled, zo had ik je meteen herkend”, klinkt het spontaan aan de overzijde van de tafel. “Tja, over jou was niets te vinden”, antwoord ik terug. “Ik werk bij de Federale Politie, yup, Witse”, volgt er met een knipoog. Eh. Dat was wel MIJN bijnaam voor jou, bedenk ik, lichtjes betrapt, maar vooral met veel binnenpret. Eh voila, het ijs is gebroken, de toon gezet, we delen dezelfde humor, praten honderduit, en ik vergeet haast de tijd én de virtuele realiteit die zich zo meteen aan ons zal opdringen. Aan het eind van de namiddag weet Roos alles over witwassen, telefoontappen, ontvoeringen én de ontknoping van de moord op de stiefdochter van Dirk Brossé. Djeezes. Wat een spannend beroep. We spreken af om elkaar vriendschappelijk en ongedwongen terug te zien. Witse is niet meteen een schot in mijn spreekwoordelijke roos. Maar een man met krachtige wapens: humor, ontvankelijkheid, spontaneïteit. En ook: een heel klein beetje ridder voor mijn Ros. Roos

Roos
0 1

Over de functionaliteit van toiletten, in het bijzonder toiletbrillen.

Pennie ontwikkelde in haar prille jeugd een solide haat-liefdeverhouding met toiletbrillen. Vanaf het moment waarop de alwetende moeder besloot dat Pennie in staat diende te zijn haar gevoeg achter te laten in een keramische luier, voerde ze dagelijks een innerlijke strijd die zelden werd gewonnen door de rede. Meestal vond ze te weinig tijd om een gefundeerde winnaar aan te duiden: nog voor ze een eindoordeel kon uitbrengen baande haar brouwsel zich een weg van haar bovenbenen tot haar tenen. Dat ze veel sores kon voorkomen door eenvoudigweg op de toilet plaats te nemen bij het voelen van de drang: dat drong niet tot haar door. Ze moest die immanente krachtmeting voeren.             Pennie’s haat jegens toiletbrillen bestaat voor het grootste deel uit hun kilte, aangevuld met luiheid. Toiletbrillen zijn ijzige voorwerpen, in het bijzonder de toiletbril in haar moeders huis: een plek die geregeerd wordt door dictator Koude. Koude kan er onbelemmerd zijn slag slaan dankzij het streven van Pennie’s moeder naar de ecologische voetafdruk van Klein Duimpje.             Pennie’s liefde ten aanzien van toiletbrillen groeide mettertijd naar aanleiding van het groot aantal aha-erlebnismomenten die zich aan haar blootstelden terwijl zij haar tengere billen tegen de toiletbril duwde.Ze had een bil-à-bil toen ze besloot niet meer te eten, en ook toen ze besloot zichzelf dan toch niet op te geven, en toen ze besloot dat negenendertig kilo aan botten, bloed en huid nog te veel was, maar ook toen ze wist dat ze met haar vierendertig voor een dilemma stond: eten of sterven.          Het was ook daar dat ze het verband legde tussen vrouwen en aantrekkingskracht.           Het was daar dat ze besloot de gevoelens voor haar muze, mevrouw Eygenraam, niet langer te negeren. Het was daar dat ze een plan opstelde om meneer Eygenraam te ontdoen van zijn vrouw haar hart en het naast het hare te planten. Het was daar dat ze zich realiseerde dat mensen uiteindelijk wel zouden vergeten wat er allemaal was gebeurd: als ze zagen dat de liefde tussen de vijftienjarige Pennie en haar vijftigjarige lerares wiskunde oprecht was, zouden ze het moeiteloos accepteren. Ook als Pennie meneer Eygenraam daarvoor zou moeten vermoorden.

Linkervoet
0 0
Tip

Op logies

OP LOGIES Met trillende lillende geagiteerde beentjes en brillende gillende bekeerde hoofdjes werden we afgezet voor het troosteloze appartementsblok naast de autostrade. De krakende stem van grootmoeder botste uit de parlofoon: “Ah, ge zijt er”. Vader reed al weg naar zijn avondles voor grote mensen. We wisten het, maar élke keer opnieuw botsten we met onze keikoppen tegen de voordeur die stokte tegen de voetmat erachter. De schakelaar achter de deur was al jaren kapot en we moesten in het donker de flauw oranje gloed van de schakelaar achter in de gang zoeken. Meestal lag er wel een paraplu, een lege bierbak, een winkelkarretje of een vuilzak in de weg, klaar om onze benen te breken, maar deze keer hadden we geluk. Het was een zacht hoopje kots van de onderbuur van het gelijkvloers. De spaarlamp bibberde aan en de traphal liet zich zien. Ze was van koud staalhard graniet, de muren van beton met van die korrels waardoor je altijd wel het vel van een vinger haalt of een scheur in je jas en balusters met een versiering zo scherp dat je wist dat de maker ervan zijn inspiratie bij een Duitse helm, prikkeldraad, vogelpinnen of ingecementeerde anti-kat glasscherven bovenop een bakstenen muur had gehaald. De plastieken zak met onze pyjama’s, propere onderbroeken en tandenborstels heeft het niet één keer gehaald tot het tweede verdiep denk ik. Grootmoeder brulde “Allee, doe eens een beetje voort” door de gang. Eindelijk boven had ze de deur weer toegedaan. Het licht in de gang bleef nooit lang genoeg aan om tot op het tweede te geraken. Op de tast vonden we de koude klink naar het appartement. “Bomma! Waar ben je?”. Maar we werden overstemd door het volume van de tv. Grootvader zat zoals altijd, na een dag aan de dokken, een zoveelste pils te drinken uit de vuile koffiebeker die hij die ochtend uit de gootsteen had gevist. Wat er op tv was, herinner ik me niet meer. Maar het was wel luid. We sneden ons een weg door de rook die het appartement van vloer tot plafond gevangen hield. Niks aangebrand hoor, Groene Michel of zelf op filter getrokken Nybro’s, dat wel. Grootvader gromde iets, bulderlachte en gaf ons een klap met zijn sloef. Weg van voor de tv, petotters! In de keuken wrongen we ons tussen het papegaaienkot en de formica keukentafel op een krukje voor een boterham met confituur en een peperig groentensoepke. Grootvader plofte zich op de kop en kreeg een boterham met reuzel en zout en een beuling. Hij was goed gezind want we kregen ook een stuk. Spreken werd er niet veel gedaan want de tv stond te luid. De Coco begon zich te moeien en hij smeet zijn lege zonnebloempitten in mijn bord. Eén keer heb ik geprobeerd om hem een pak rammel te geven maar zijn bek staat nog altijd in mijn hand afgedrukt. Dat heb ik wel afgeleerd. Na het eten moesten we onze pyjama aan en onze tanden poetsen. Ik herinner me de badkamer vooral als donkergeel. In de afvoer hoorde je de buizen kloppen, alsof er iemand anders in het blok als een gek aan de leidingen stond te sleuren. De toiletbril stond altijd omhoog, in de duisternis achter het douchegordijn, buiten het bereik van het flikkerende peertje. Nooit ben ik daar op gaan zitten. Ik hield mijn kak wel in als ik de bij de bomma en den bompa mocht gaan slapen. Onze bedden stonden in grootvaders hobbykamer, hij was een getalenteerd schilder. De borstels stonden uit te zweten in de conservenblikken met solventen, op het nachtkastje naast ons kopkussen. Bedwelmd door de giftige dampen, de rook van zware shag, de ademzoen van bompa en het kruisje op ons voorhoofd – God zegene en bewarene – van bomma kwam dan het moment waaraan ik nog elke avond terugdenk. Per vijf centimeter schoof ik mijn koude voeten verder onder het verkleumde laken. Nostalgie tot in de tenen. Dat was een mooie tijd.

Warmwatermuziek
0 1