Lezen

Het magische dal (stukje manuscript )

 Een stukje uit mijn boek     Draco, Santos en Lorenzo draaiden zich om en liepen richting de trap naar boven. Op de boven verdieping aangekomen keken ze naar de nummers die op de deur stonden en wandelende ze verder tot ze voor deur nummer 9 stonden. In de herberg was het stil, alleen beneden hoorde je een vleugje muziek dat de stilte verbrak. Draco kon de geur van de man ruiken en hij voelde zijn woede naar boven komen. Santos sprak in Draco’s hoofd dat hij moest kalmeren. Draco wist dat Santos gelijk had maar de woede overmeesterde zijn geweten. Draco wachtte tot hij wat rustiger werd en duwde toen de deur open. Raf sprong recht uit zijn zetel door het verschieten en keek verwonderd naar de drie mannen in het zwart. Hij stelde zich recht uit zijn zetel en riep op woedende toon ‘Potverdomme, wat komen jullie hier doen? Wie denken jullie wel wie jullie zijn ,zomaar mijn rust verstoren terwijl ik naar de voetbal kijk, je moet maar lef hebben,’ zei de man tegen Draco, Santos en Lorenzo. De man zijn gezicht liep rood op van woede. Hij probeerde zich stoer en dreigend over te laten komen tegenover de drie mannen voor hem. Draco kon zijn woede niet meer in bedwang houden en stormde op de man af  en pakte hem vliegensvlug bij zijn keel. Zo rap dat de man niet eens een de kans kreeg om te bewegen. Draco stak hem hoog in de lucht waardoor zijn voeten los kwamen van de grond. Draco voelde zijn razernij door zijn aderen lopen en zijn ogen gloeide van woede. Wraak was waar hij behoefte aan had, en het was zijn bedoeling om die klootzak te laten lijden voor wat hij Fee had aangedaan. Hij bewoog sneller dan het licht en pakte de man bij zijn keel en sloeg hem toen met volle vuist de grond in. De man lag op zijn rug op de grond naar lucht te hapte. De man schudde zijn hoofd en begon met zijn armen in het wilde weg te slaan in de hoop iemand te raken. Maar zo vlug is een stervelling niet. ‘Stop, stop, ik ken jullie niet, ik heb jullie niks misdaan,’ jammerde Raf. Draco keek gevaarlijk in de man zijn ogen. Terwijl hij hem nog steeds vast hield op de grond. ‘Daar zou ik niet zo zeker van zijn,’ antwoordde Santos meekijkend over Draco’s schouder. ‘Je hebt iemand aangevallen die nauw aan ons hart ligt en nu zal je daar voor boeten,’ glunderde hij. De man keek verward naar de drie mannen en schudde zijn hoofd van nee. Toen hij in Santos gezicht keek kreeg hij een rilling over zijn lichaam van afschuw. ‘Nee, echt ik ken jullie niet,’ antwoordde Raf geschokt. Toen liet Draco Raf los en gaf hem de tijd om recht te staan. Eenmaal Raf recht stond kwamen ze alle drie tegelijk in actie, rapper dan het licht en mensenogen konden zien sprongen ze op Raf af en begonnen ze hem alle drie tegelijk te kloppen en te schoppen in zijn gezicht, maag en ribben. De man viel op de grond en kronkelde van de pijn, hij probeerde zich recht te zetten maar toen vloog Draco naar de man, en nam hem van de vloer met één hand en stak hem weer de lucht in. ‘Je hebt mijn geliefde aangevallen op het strand, begint er al een belletje te rinkelen in die varkens kop van je,’ gromde Draco. De man bepiste hem van schrik en de urine liep langs zijn benen naar beneden. Lorenzo keek naar Raf met een verwonderende blik en zei,’ Da meen je niet man, je bent gewoon in u broek aan het pissen,’ zei Lorenzo verwonderd. ‘Het spijt me echt, wat ik ook gedaan heb, het spijt me ik zal het nooit meer doen,’ jammerde de man. ‘Spijt komt te laat smeerlap, iemand die vrouwen slaat heeft geen recht op compassie. Nu is het mijn beurt om u toe te takelen, en ik ga er met plezier van genieten.’ Gromde Draco met gevaarlijke stem. Hij duwde de man op zijn knieën. In gedachten sprak Draco tegen Santos en vroeg of hij de pook die naast het vuur stond al wou opwarmen in de haard. Draco keek naar de man en hij begon geniepig te lachen naar de man. ‘Ik ga u een lesje geven om nooit meer te vergeten, ik ging je eerst doden maar heb meer plezier aan foltering.’ De zweet parels liepen langs de man zijn gezicht af van angst. Hij wist niet wat hij moest doen om uit Draco’s handen te geraken, zijn keel werd bijna toegenepen en hij kon met moeite nog adem halen. Hij vroeg zich af wat ze met hem gingen doen. “ Oh, laten we zeggen dat het warm aan de poep zal worden,’ antwoorde Draco om de man zijn vraag te beantwoorden in zijn hoofd. De man keek niet begrijpend naar Draco want hij wist zeker dat hij die vraag niet luidop had gezegd. Hij kon met moeite ademen ver van iets te zeggen. Santos pakte de warme pook en gaf die aan Draco. De pook gloeide rood van de hitte. Santos en Lorenzo pakte de man over van Draco. Raf probeerde uit de handen van Santos en Lorenzo te glippen maar ze waren vlugger en veel sterker dan hem. Hij wist natuurlijk niet dat ze vampiers waren, zijn verzet leek hen niets te kunnen schelen. Het was zinloos merkte Raf. Hij verzette zich met al zijn kracht maar hij verroer geen millimeter, het was compleet zinloos merkte hij. Draco nam een doek van uit zijn jas en knoopte die rond de mond van de man zodat hij niet voor heel de buurt zou roepen. Santos en Lorenzo duwden de man zijn hoofd naar beneden zodat ze zijn handen naar achter konden trekken om ze dan vast te binden achter zijn rug. Toen pakten ze zijn voeten vast en bonden die samen met zijn handen. De man kon geen kant meer op. De paniek sloeg in de man zijn ogen. ‘Nu weet je ook eens hoe het aan voelt om niks te kunnen doen om je te verweren, dacht je nu echt dat je ongestraft uw leven kon verder zetten gij varken. Je hebt de verkeerde vrouw toegetakeld en hoeveel heb je er nog geslagen in uw leven. Je bent een varken, eens zien of je kunt roepen als een varken,’ zei Draco naast zijn oor. Draco pakte de pook uit het vuur en trok de man zijn broek uit tot zijn knieën en zette de gloeiende pook op zijn achterwerk. De pook brandde op Raf zijn bloot vlees tot op het bot, Raf kreunde van de pijn en de geur was gewoon niet te harden. ‘Je ziet er niet alleen uit als een varken, nu stink je ook gelijk een varken,’ lachte Draco gemeen. Toen pakte Draco zijn pinnenset en pakte de man zijn vingers vast . Draco nam een ijzeren naald uit zijn set en boorde die langzaam in zijn nagels één voor één in elke vinger. Het bloed droop van onder de nagels van de man, en Raf kermde het uit van de pijn. De tranen liepen langs zijn wangen naar beneden. Draco, Santos en Lorenzo hoorde in de man zijn gedachten dat hij lag te roepen van de pijn en smeekte om te stoppen. Ze moesten lachen omdat de man smeekte als een mietje. ‘Ik ben nog lang niet met je klaar jongen ,dit is nog maar het begin,’ antwoordde Draco in de man zijn gedachten. Toen nam Draco zijn ander hand en priemde de naalden één voor één in zijn ander hand, het bloed liep uit beide handen op de grond.’ Dit is je straf zodat je nooit meer een hand zou opheffen naar een vrouw. Niet aan mijn vrouw en niet aan een andere vrouw.’ Raf ging in schok van de pijn en verloor het bewust zijn. Santos gaf hem een rake klap in het gezicht en direct daarop gaf Lorenzo hem ook een klap langs de andere kant van zijn gezicht en toen kwam de man weer bij. ‘Sorry man, je was in slaap gevallen,’ zei Santos. ‘Sorry, ik moest je langs de andere kant ook slaan want anders kwam je niet in evenwicht, ’grijnsde Lorenzo naar de man . ‘Niet in slaap vallen tijdens de les jongen, dat is heel onbeleefd,’ zei Santos opnieuw met een lach op zijn gezicht. ‘Je zou beter op moeten letten zodat je niks van de les mist.’ Draco keek naar Santos en Lorenzo en moest lachen. Normaal waren ze niet zo wraak zuchtig maar wie aan zijn Fee kwam, kwam aan hen, dus het moest maar. De man keek smekend naar de drie mannen en hoopte dat ze gauw zouden weg gaan. ‘Nee, nee je bent nog niet van ons af, je moet nog één lesje krijgen zodat je ons zeker niet vergeet,’ antwoordde Draco op zijn vraag. Draco keek in de ogen van de man en zocht zijn diepste angst. Toen keek Draco in stilte naar Santos en Lorezo en sprak in hun gedachten. ‘Die vent heeft schrik dat we hem gaan verminken wat denken jullie? Zou hij een been of een hand kunnen missen?’ zei Draco. Lorenzo en Santos keken elkaar aan en knikte van ja. ‘Ik zou zijn hand af kappen,’ zei Lorenzo . ‘Nee, neem hem zijn been af zo kan hij niet weg lopen,’ grijnsde Santos naar Draco. Draco zat in een dilemma, eigenlijk was het eeuwen geleden dat ze zo barbaars waren geweest maar deze man had echt een lesje nodig. Hij had de gruwel op de man zijn gezicht gelezen toen die naar Santos gezicht keek naar het litteken dat over Santos gezicht liep. Daarop besloot hij om de man zijn ledematen te sparen en hem een aandenken te geven dat hij er altijd zou aan herinneren worden aan deze dag ,en dat was een picasso in zijn gezicht geven. Draco keek naar de man en haalde zijn dolk tevoorschijn. Hij zag de man angstig naar hem opkijken in afwachting wat er ging gebeuren. ‘En dit mijn jonge heer zal u voor de rest van u leven achtervolgen,’ zei Draco toen en haalde uit naar de man zijn gezicht en gaf hem een diepe snee over de lengte van zijn hoofd. De snee begon van boven zijn oog zo over zijn neus en lip. Het bloed kolkte eruit als een pul ketchup die open sprong en de man viel in schok neer op de grond. Santos en Lorenzo lieten de man vallen en ging naast Draco staan. ‘Zo onze les zit erop, je was een goed meewerkende leerling,’ zei Draco waarop hij hem om draaide en de kamer uit liep gevolgd door Santos en Lorenzo. Op de gang veegden ze het bloed van hun handen en gezicht en gingen rustig naar de trap naar beneden. Draco zag dat de jongedame nog steeds op haar plaats zat en nog altijd rustig in haar tijdschrift zat te lezen gelijk dat hij haar had op gedragen. Nu zou hij eerst haar geheugen moeten wissen zodat ze zich niks meer kon herinneren van hun komst. Hij zette zijn mooiste lach op en liep naar de jonge dame toe en tikte met zijn vingers op de toog. Het meisje haalde haar ogen van het tijdschrift en keek scheef van haar blad op om te kijken wie er voor de toog stond. Toen ze zag dat het weer die knappe man was sprong ze recht van haar stoel en glimlachte breed naar de man. ‘Heb je hem gevonden,’ vroeg ze vrolijk aan Draco. ‘Ja dank u, u was een voortreffelijke hulp,’ zei Draco glimlachend naar haar terwijl hij diep in haar ogen keek en mooie herinneringen in haar hoofd prentte. Dat ze hen nooit had gezien maar dat ze drie mannen waren van uit haar tijdschrift dat ze had over gelezen en over had gefantaseerd. Het meisje glimlachte naar hem zette zich terug neer en las verder in haar tijdschrift. Draco draaide zich om en voegde zich bij Lorenzo en Santos. Die waren onder tussen al naar buiten toe gegaan om te kijken of de kust veilig is om te vertrekken. Draco keek naar zijn neven en zuchtte voldaan. Zijn woede was weg voelde hij, nu wou hij zo vlug mogelijk weer bij zijn Fee zijn. Santos en Lorenzo keken hem aan en gaven het teken om te vertrekken. Zo vlug een vampier kon, vlogen ze de duistere nacht in terug naar huis naar zijn geliefde, zijn Fee. Onderweg naar huis dwaalden zijn gedachten steeds naar Fee die thuis op hem zat te wachten. Hij kon haar schrik voor hem voelen hoe dichter hij bij zijn huis kwam. Hij zou haar in zijn armen nemen en kussen tot ze er genoeg van had. Hij voelde zich van binnen blij worden, dat gevoel heeft hij lang gemist, hij kon zich niet meer herinneren wanneer hij zich voor het laatst zo goed had gevoeld bij iemand en zo naar iemand verlangde. Fee liep gelijk een opgejaagd dier in de leefruimte. Ze liep van de ene kant naar de andere kant. Het was al tegen vier uur ’s nachts en ze waren nog niet terug, ze hoopte maar dat alles goed ging met Draco en de anderen. Wat als Draco gewond was?  Rosallia las Fee haar gedachten,’ Je moet niet ongerust zijn lieverd,’ zei Rosallia. ‘ Het zal niet lang meer duren hoor, ik voel hun aanwezigheid steeds sterker worden, ze zijn op terugweg naar huis.’ Fee draaide zich om naar Rosallia en zei,’ Zijn ze gewond? Is alles ok met Draco en de anderen?’ Ze was er niet gerust in. ‘Ja Fee, volgens mij zijn ze in orde,’ antwoordde Rosallia met een tevreden blik. ‘Draco, Santos en Lorenzo hebben al voor hetere vuren gestaan hoor, je zou ze vroeger eens moeten hebben gezien tijdens de oorlog, het waren de sterkste krijgers van het leger, iedereen had schrik van ze, als ze hen zagen toekomen,’ antwoordde Lucillia fier tegen Fee. ‘Lucillia je moet Fee nu niet banger en ongeruster maken dan dat ze al is,’ zei Rosallia streng tegen Lucillia. ‘Kom mijn kind zet je hier bij ons in de salon, ze zijn op komst en kunnen hier elk minuut toekomen. Als Draco je zo ziet zal hij boos op ons zijn dat we u niet laten rusten hebben,’ zei Rosallia. Dankbaar knikte ze en zei toen,’ Hoe kan ik nu rustig blijven als ik weet dat Draco achter die man aan zit die me heeft pijn gedaan? Toen Draco vertrok voelde ik zijn woede tot in mijn lichaam,’ antwoordde Fee ongerust.’ Ik hoop dat ze er gauw zijn. 'Draco, Santos en Lorenzo kwamen eindelijk aan de verborgen grot. Ze liepen de donkere gang door tot de tuin, opende de kasteeldeuren en gingen naar binnen. Toen draaide Draco zich om naar zijn neven. ‘Santos, Lorenzo ik wil wel hebben dat je niks verteld tegen Fee wat we met die klootzak hebben gedaan. Ik wil niet dat ze schrik krijgt van ons of van mij,’ zei Draco ernstig. ‘Je hebt het zwaar te pakken hé, neefje,’ zei Santos. ‘ Je hebt je hart verloren aan een sterveling.’  ‘Wat ga je nu doen, ga je haar overbrengen naar onze kant?’ vroeg Lorenzo terwijl ze de lange gang in wandelde. ‘Ik weet het niet, ik kan toch niet verlangen van haar dat ze alles achterlaat en haar familie nooit meer te zien? Ik weet dat ze me leuk vind maar ik weet niet of ze van me houd,’ zei Draco kijkend naar zijn twee neven.                                                                       ‘Ze houd van je man, dat maakt dat je dat nog niet gelezen hebt in haar gedachten?’ vroeg Santos vragend aan Draco....

Cynthia
0 0

Kom dat nu tegen zeg

Lucas heeft zijn zoon Dylan uitgenodigd om te komen eten samen met zijn nieuwe vriendin. Dylan wordt vandaag 21jaar en hij zou iets speciaals klaarmaken. Hij was ook benieuwd naar Dylan nieuwe vriendin want iedere keer hij achter haar vraagt doet Dylan steeds geheimzinnig en begint hij over iets anders. Hij zou het wel zien vanavond, eerst moest hij nog een cadeau kopen voor zijn zoon. Dus nam hij de sleutels die op het kastje liggen in de gang en reed toen naar het shoppingcentrum. Aan het shopping centrum aangekomen wandelde Lucas direct naar de roltrap naar het eerste verdiep waar de juwelier zit. Hij wou namelijk een speciaal cadeau voor zijn zoon, je wordt tenslotte maar één keer 21jaar. Hij wist dat Dylan al heel lang een gouden armband wild, dus zou hij die voor hem kopen. Eindelijk stond hij aan de vitrine van de juwelierswinkel, er was veel volk in het shoppingcentrum en hij wou hier zo snel mogelijk vandaan voor hij iemand bekend tegen het lijf liep waardoor hij veel te veel tijd zou kwijt geraken door te staan praten. Daar ligt hij, de armband dat hij zocht, een gouden armband met zware schakels met een plaatje erop zodat hij Dylan zijn naam kon op laten graveren. Toen hij naar de prijs keek werd hij lichtjes ongemakkelijk maar ja hij heeft maar één zoon dus stapte Lucas de juwelierswinkel binnen. Voor hem staat een vrouw met lang blond haar met een weelderig figuur en strak kontje. Wauw, als haar voorkant er even prachtig uitziet dan is het een knap madammetje. De dame draaide zich om bij het horen van de winkelbel en keek Lucas aan en glimlachte naar hem en praatte dan gewoon weer verder met de winkelier. Ze was ongeveer zijn leeftijd schatte hij. Moest hij niet zo weinig tijd hebben dan zou hij haar vragen om met hem een potje koffie te gaan drinken. Het was ondertussen tien jaar dat zijn vrouw is overleden en volgens zijn zoon word het dringend tijd dat hij weer eens de bloemetjes buiten zet. ‘ Kan je alstublieft mijn vriend zijn naam in graveren? Het is namelijk een heel speciaal cadeau voor mijn vriend!’ zei Nica tegen de winkelier.                                                         ‘ Natuurlijk mevrouw, we kunnen dit direct doen, en welke naam zou dat moeten zijn?’ vroeg de winkelier.                                                                                                                   ‘ Zijn naam is Dylan en ik zou het graag in sierschrift willen als dat mogelijk is? Ik wil namelijk een mooier cadeau hebben dan zijn vader, ik wil in de smaak vallen bij zijn vader. Vanavond is het namelijk de eerste keer dat ik zijn vader ga ontmoeten dus ik wil een goede indruk nalaten,’ zei Nica met een glimlach naar de winkelier. ‘ Natuurlijk mevrouw, geen nood ik ga er iets moois van maken ik kom direct terug het duurt maar tien minuutjes.’ Lucas schrok op uit zijn dagdromen bij het horen van Dylan zijn naam. Dat is ook toevallig dat deze dame hetzelfde cadeau wild kopen en met dezelfde naam. Hij luisterde het gesprek mee en stond in schok.                                                                     'Hum, hum, eu mevrouw sorry dak u stoor maar mag ik u iets vragen?' vroeg Lucas beleefd. De dame draaide zich om en keek Lucas aan. 'Sorry dat ik u nu een onbeleefde vraag ga stelen maar die Dylan dat u net een cadeau voor aan het kopen bent is toch niet toevallig Dylan Piccaar?' vroeg Lucas beetje aarzelend.                                                                                                                             'Ja, kent u hem misschien?' vroeg de vrouw verwonderd.                                                     'Ja, toevallig ben ik zijn vader. Nu weet ik waarom hij zo geheimzinnig doet over u. Je bent potverdomme ver even oud of mij. Oké dame, ik hem mijn zoon eens voor te lachen gezegt dat men op een oude vélo moet leren rijden maar op zo'n oude vélo nu ook weer niet hé! Je kunt zijn moeder zijn. Hoe oud denkt u dat mijn zoon wordt vandaag?' Lucas  begon kwader en kwader  te worden,' Waar zit mijn zoon zijn gedachten?'                                                                                                                         Nica stond perplex door de uitval van Dylans vader maar ze ging zich nu niet laten beledigen ook. Dylan had haar al gewaarschuwd voor zijn vaders reactie.                         'Kijk meneer Picaar, wat jij er ook van denkt dat kan me geen barst schelen, ik zie uw zoon graag of je nu kwaad of blij bent interesseert me niet. Je hebt nog een ganse namiddag om aan het idee te wennen en je erbij neer te leggen. Je mag kwaad of blij zijn we blijven toch bij elkaar wat uw mening ook is!' Nica keek uitdagend naar Lucas voor een tegenreactie maar daar kwam de winkelier al terug en ze draaide zich om zonder Lucas antwoord af te wachten. Nica betaalde de winkelier en nam het zakje met haar cadeau van de toog en draaide zich om om naar buiten te gaan. Ze keek nog even naar Lucas,' Zo meneer Picaar ik en uw zoon kijken al uit naar vanavond, volgens Dylan kan je fantastisch koken. Ik wens u nog een fijne dag verder.' zei Nica met wat spot in haar stem en weg was ze. Lucas stond met open mond naar de deur te kijken, hij stond gewoon aan de grond genageld. Wat moest hij hier nu mee aanvangen? Moest hij zijn zoon zijn beslissing respecteren? Of moest hij zijn zoon is goed op zijn plaats zetten? Nu zat hij toch in een dilemma. Oké, op verliefdheid staat geen leeftijd, maar toch komaan hij zou zelf met die dame op date gaan. Ze is potverdikke zijn leeftijd, nee, dat kon niet zijn. Hij zou haar is zijn gedacht vertellen wat hij over deze hele situatie denkt. Hij moest die dame tegenhouden hij moest haar eerst spreken voor ze vanavond bij hem thuis zou zijn, hij mocht haar niet uit het oog verliezen dus rende Lucas de deur uit op zoek naar Nica. Lucas keek van links naar recht en zag in de verte een dame met lang blond haar en hij rende naar haar toe. Ze stapte bijna de lift in toen Lucas haar bij de arm nam en de vrouw omdraaide. 'Sorry dame maar je bent nog niet van me af,' zei Lucas wat buiten adem. Maar toen de vrouw raar naar hem stond te kijken besefte hij ineens dat dit niet het lief van zijn zoon is.'Sorry mevrouw, ik dacht dat u iemand anders was.' verontschuldigde hij zich. Lucas keek gauw rond hem maar zag niemand lopen die aan de beschrijving deed van Nica. 'Lap, ik ben haar kwijt!' Nu zal ik toch moeten wachten tot vanavond, dat zal vonken geven.  

Cynthia
0 0

Het Rennerke

Als ik niet vol in de remmen had gemoeten voor een slippendevoorganger, ik was er pardoes voorbij gefietst. Eén seconde heb ik nodigom te weten welk klein dingetje daar van op de grond een straal zonlichtin mijn ogen flitst. Een mini-fietser, een wielrenner van plastic, drie op driecentimeter klein. Een rennerke. Mijn hart klopt in mijn keel zoals de fietsvan Tom Boonen over de kasseien van Parijs-Roubaix dondert. Eenrennerke! Ik ontwijk de fietsers die achter mij komen en zet mijn mountainbike tegeneen boom. Ik doe mijn handschoenen uit en pak het rennerke vast. Hij zitonder de modder. Ik geef hem een verkwikkende douche met mijnspeeksel en droog hem af met de mouw van mijn jasje. Hij ziet er prachtiguit. Hij draagt een witte koerstrui met korte mouwen en een zwartekoersbroek. Zijn sokken hebben dezelfde kleur als zijn gladde benen enzijn schoenen hebben dezelfde metaalkleur als zijn fiets. De witte pet opzijn hoofd verraadt dat het een rennerke uit mijn jeugd moet zijn toen ervan verplichte valhelmen nog geen sprake was. Het is zondagochtend, nog geen negen uur en het vriest boomwortels uitde grond. Maar ik spring niet terug de fiets op om mijn tocht door deHerentalse bossen verder te zetten. Ik zet mij op de dichtstbijzijndeboomstronk terwijl de andere deelnemers van de toertocht mij passeren.Ik vang af en toe een “ça va?” en een “pech?” op maar echt registrerendoe ik dat niet. Het rennerke palmt mij zodanig in dat ik mijn handen zelfsniet voel verkleumen. Mijn gedachten fietsen nu in sneltempo achteruit om aan te belanden bijmijn kindertijd in ons huis in de Marialei. Ik zit aan de eettafel en mamaspreidt het blokjestafelkleed uit. Ik open mijn doos met rennerkes.Zorgvuldig plak ik een nummer op de rug van elke deelnemer ennauwgezet noteer ik namen en nummers in mijn koersschriftje. En danklinkt het startschot. Ik gooi met de twee dobbelstenen en zet rennerke narennerke vooruit op het tafelkleed. In stilte geef ik commentaar enco-commentaar bij de wedstijd. Ik zit volledig in mijn eigen koerswereld.Drie tussensprinten, twee bergprijzen en één massale valpartij later (mijnkleine broer vond het nodig aan het tafelkleed te trekken …) is het tijd omde prijzen uit te delen aan de meet. En dat alleen maar omdat mama mijnparcours nodig heeft om de avondmaaltijd op te serveren. Ach ja, danorganiseer ik na het eten wel een nieuwe rit. Ik ontwaak uit mijn dagdroom omdat mijn achterwerk het, ondanks datzemen vel in mijn broek, nu verdomd koud krijgt op die boomstronk. Iksteek het rennerke in het sleutelvakje vooraan in mijn koersbroek enspring gezwind op mijn fiets. Nu ben ik zelf een rennerke. Ik gooi mijninnerlijke dobbelstenen naar tweemaal zes ogen en ga als een bezetenetekeer. Ik vlieg elk heuveltje op om punten voor de bergprijs binnen tehalen, ik haal vol risico andere fietsers in om toch maar die ingebeeldetussensprinten te winnen. In de laatste kilometer krijg ik mijn kompanenwaar ik die ochtend mee gestart ben in het oog. Ik haal ze in en met eensplijtende demarrage laat ik ze achter. Helemaal warm vanbinnen bereikik alleen de aankomst. “Wat had jij ineens?” vraagt een vriend terwijl ik al aan het aanschuivenben aan de afspuitstand. “Tja, een goeie dag zeker?” antwoord ik.Onopvallend tast ik naar het rennerke in mijn broek. Een hele goeie dag!

igordaems
3 0

Beer heeft een probleem.

“Loes, ik wil zo graag bij jou in bed.” “Ik weet het Beertje,maar dat kan nog niet.” “Waarom niet,Loes?” “Dat weet je best,Beer, je plast nog in bed.” “Loes?... ben je boos?” Loes stapt uit bed, aait Beer over zijn kop en geeft hem een zoen. “Nee, hoor Beer, ik ben niet boos. Ik houd toch van je.” “Loes, weet jij hoe het moet?” “Wat?” “Droog zijn.” “Ik weet het wel, maar het is moeilijk uit te leggen. Je houdt, denk ik, gewoon je plas op.” “Waarom lukt het mij dan niet?” “Ik weet het niet,Beer. Misschien ben je gewoon nog te klein.” Beer pruilt. “Ik ben niet klein.” “Zo bedoel ik het niet, Beer. Misschien lukt het je morgen.” “Ik denk het niet, Loes.” Een grote traan rolt over Beer zijn wang. Loes neemt Beer op schoot. “Weet je wat, Beer. Ik zal je helpen. Ik bedenk wel iets.” Loes gaat op pad. Zij gaat op bezoek bij de directeur van haar school. Hij is haar vriend en hij is heel slim. Hij weet zeker hoe ze Beer kan helpen. “Het spijt me, Loes”, zegt de directeur.  “Ik weet het ook niet, maar loop eens langs bij Nelleke.” “Bij Nelleke? Ze zeggen dat Nelleke een heks is. Dat durf ik niet,hoor.” “Ach Loes, je hoeft niet bang te zijn. Mensen praten maar wat. Zij kennen Nelleke niet. Zij heeft een goed hart en met haar kennis heeft zij al vele mensen geholpen.” “Ik doe het!”, zegt Loes kordaat. Een beetje bang belt Loes aan bij Nelleke. Bijna onmiddellijk gaat de deur open. Loes kijkt Nelleke angstig aan. Zou ze durven het te vragen? “Ik ken jou”, zegt Nelleke! “Jij bent Loes.” “Hoe weet jij mijn naam, Nelleke?” “Nelleke weet veel, Loes, maar vertel eens, waarom kom je tot hier?” Hier komt bijna nooit bezoek.” “Ik heb een probleem, Nelleke.” “Ach zo, ik luister.” “Beer wil graag bij mij in bed slapen, maar…”, Loes fluistert:, “Hij plast nog in bed” “Luister Loes, veel beertjes en veel kindjes doen het nog. Dat komt omdat iedereen op zijn manier groter wordt. “Wat wil dat zeggen, Nelleke?” “Dat wil zeggen, dat de een al wat meer tijd nodig heeft dan de ander, om dingen te leren, en af te leren.” “Zoals bedplassen?” “Precies.” “Dus eigenlijk kan ik Beer niet helpen met zijn probleem en moet hij gewoon nog wat wachten?” “Er zijn heel veel trucjes die soms helpen om het wat sneller op te lossen. De kunst is, om het juiste trucje te vinden. Beer mag zich niet teveel zorgen maken. Hij moet gezond eten en ook drinken. Bij het avondeten nog een flinke slok, maar dan is het genoeg. Hij moet een plasje doen, voor het slapen gaan. Meestal worden bedplassertjes moeilijk wakker. Ze voelen niet wanneer het moet”. “Ken jij Maarten?” vraagt Nelleke en dan vertelt ze. “Hij woont wat verder om de hoek. Toen hij nog een kleine jongen was wilde hij zo graag leren fietsen. Echt fietsen, zonder zijwieltjes, maar hoe hij ook probeerde, het wilde niet lukken. Hij was zo verdrietig dat hij zijn fiets wilde opbergen, maar dat vond zijn mama geen goed idee. Daarom vroeg ze of ik Maarten kon helpen. Ik gaf hem een piepklein toverwieltje dat hij diep in zijn zak kon verbergen. Niemand wist dat het wieltje hem overeind hield. Op een keer zat er een gaatje in zijn broekzak en het toverwieltje was verdwenen. Maarten fietste bergop, bergaf, straat in, straat uit en geen enkele keer was hij gevallen. Toen wist hij dat hij zonder het toverwieltje even goed overeind kon blijven. Begrijp je wat ik bedoel? Soms hebben we een beetje extra steun nodig. We moeten in onszelf geloven. En dat is, wat er mis is met beertje. Hij gelooft niet dat hij droog kan zijn. Ik geef je een spreuk mee. Die moet je opzeggen, voor hij gaat slapen. Die spreuk zal hem helpen, om in zichzelf te geloven.” Nelleke pakt haar grote toverboek en bladert. “Ha, hier heb ik het”, zegt ze blij.   Pimpedie pampedie poet Beertje ontwaakt als hij plassen moet   “Nelleke, je bent heel erg bedankt. Mag ik je af en toe bezoeken?” “Natuurlijk, Loes.” “Tot kijk.”   Loes vertelt beer over Nelleke. Ze vertelt over de toverspreuk, die ze heeft meegekregen. Beer is blij. Hij is heel ongeduldig.   “Het is tijd, hoor. Ik moet slapen” roept Beer.  Loes lacht en brengt Beer naar boven. Ze stopt hem warm onder de dekens en geeft hem een zoen. “Doe jij nu je oogjes maar toe, dan zeg ik de spreuk.”   Pimpedie pampedie poet Beertje ontwaakt als hij plassen moet.   De volgende morgen.   “Loes! Loes! Word wakker, Loes!” Beer schudt Loes door elkaar, geeft haar een kanjer van een zoen, en springt op haar bed. “Kijk, Loes, kijk dan toch… mijn broekje is droog, mijn bedje ook.” “Mag ik nu bij jou slapen?” “Ja hoor, Beer. Kom jij maar gauw hier.”

bielieke
28 1
Tip

De vliegtuigspotter

Het gebeurt weer. Tijdens de vergadering zet ik de problemen en mogelijke oplossingen op een feilloze flamboyante manier uiteen. Ik glimlach, kijk de juiste mensen aan en dit allemaal op automatische piloot. Ik hoor mezelf praten op die eeuwig enthousiaste manier, die ik mezelf eigen heb gemaakt alsof het onderwerp me nauw aan het hart ligt. Mijn gedachten, echter, zijn zo ver mogelijk verwijderd van dit moment. Ik denk aan mijn dromen van vroeger, aan mijn verleden, aan die grote liefde die je altijd bij jou zal dragen… Plots krijg ik een vraag en voor even keren mijn gedachten terug. Ik kijk de persoon aan en herken het vriendelijke gezicht van mijn collega. De glimlach, de vriendelijke ogen die me groeten, maar die niet kunnen zien dat ik eigenlijk ergens anders ben. Ik geef de gevraagde informatie en kan weer met mijn gedachten wegdriften naar herinneringen. De vraag die weer rijst, is hoe ik hier ben gekomen? Hier wou ik toch niet zijn. Ik ging het leven van mensen veranderen, mensen inspireren, gelukkig en eeuwig verliefd zijn. Ik zou nooit over suikerwolken en zeekoeien hoeven te spreken want ik zou een innig gelukkig leven leiden. Een avontuurlijk, romantisch, geïnspireerd leven. Ik overloop even de voor- en nadelen van mijn huidig bestaan en voor de buitenwereld heb ik een goede score. Ik heb een werk waar velen jaloers op zouden zijn, ik ben getrouwd, heb een zoon en een mooi, gezellig huis. Ik heb geen reden tot klagen.   Ik zie het nochtans in anderen hun ogen. Zo zie ik in mijn man zijn ogen dat ook hij last heeft van de doelen die hij nooit zal bereiken, maar hem blijven achtervolgen. Dolgraag zou ik ooit vragen “jij doet dat ook?” maar daar praten we niet over. Wij praten over onze carrière en onze zoon en het alledaagse. Wij maken plannen voor de toekomst en daarmee bedoel ik de veilige plannen zoals volgend jaar gaan we de woonkamer opnieuw schilderen of donderdag ga ik naar de tandarts. En ik zou nooit met een anekdote naar huis komen zoals de tandarts heeft aan mijn oor gelikt. Neen, ik kom naar huis met een tand die getrokken is en ik begin eten te maken. Soms denk ik dat hij het door heeft, mijn man bedoel ik. Dan zegt hij plots: “Ben je weer aan het solliciteren voor vliegtuigspotter?” Daarmee bedoelt hij dat ik weer naar boven aan het kijken ben en niet echt aanwezig ben. Ik vraag me af waarom hij nooit aan me vraagt aan wat ik denk? Misschien is hij bang voor de waarheid, zoals ik ook bang ben voor de waarheid.   Wat ben ik bang om uit te spreken dat hij mijn grootste liefde niet is, dat ik eigenlijk niet gelukkig ben en ook niet weet hoe ik gelukkig moet zijn. Ik ben bang om te horen dat hij ook niet gelukkig is en we beiden tot de realisatie komen dat ons leven een grote leugen is en we ook geen oplossingen hebben om daar iets aan te veranderen. Ik verdenk ook andere mensen van stiekem ongelukkig te zijn, maar dat kan je niet vragen. Soms hoor ik het aan een stem of de manier waarop ogen me aankijken, maar het wordt nooit uitgesproken. Dus zal het bij me vaker gebeuren dat ik wegdrijf met mijn gedachten en een zogenaamde vliegtuigspotter word, want een vliegtuigspotter droomt van te vliegen, maar zal nooit piloot worden. Ja, ik ben een vliegtuigspotter, maar zijn we dat niet allemaal? Stiekem?

Ellen De Rycke
24 1

PASSAGE

Luk zat aan een tafeltje bedekt met een wit tafelkleedje. Hij keek voor zich uit en observeerde het voetvolk dat langzaam voorbij schreed. Dat deed hij dikwijls samen met Lutgarde. Van op een terrasje turen naar het passerend volkje. Het was dan een eenrichtingsverkeer in hun blikken. Zij bekeken de passanten, maar het omgekeerde mocht liefst niet. Ze konden dan als tijdverdrijf commentaar geven op al wie niet voldeed aan de conservatieve esthetische normen die ze voor zichzelf hadden vastgelegd. ‘Zie je die daar met dat verticaal gestreept kleedje? Ze is al zo mager.’ ‘Moet je die groeven in dat gezicht eens zien, precies de Grand Canyon. Die oude heks kleedt zich alsof ze twintig is met dat rokje een flink stuk boven de knie.’ ‘Dat jasje en die broek hebben nu toch ook kleuren die niet samengaan, wel?’ ‘Dat jonge fastfood-meisje daar, met haar uit de kluiten gewassen achterwerk; bijna niet te geloven dat er jeans in die maten bestaan.’ ‘Hoe is ’t mogelijk, zo jong en zo dik. Wat zal dat worden op latere leeftijd?’ ‘Kijk es, die mijnheer daar met dat donker jasje; gelijkt sterk op onze nonkel Fons.’ ‘Ja, maar zijn kapsel is anders.’ ‘Het is duidelijk een pruik. Kijk maar, zijn echte haar die er onderaan uitsteekt heeft een andere tint. En dan die artificiële scheiding, die geen hoofdhuid laat zien.’ ‘Zie die daar op haar hoge hakken. Ze loopt precies op eieren.’ ‘Ja, schijnt slecht te zijn voor de rug.’ ‘Dat mens daar is ook serieus geschminkt. Kijk eens naar haar ogen. Ze komt net uit de kolenkelder.’ En al dat commentaar werd gekruid met een neusreutel als het wat komisch was en als de tegenstelling met hun eigen visie te grof was, met een afkeurende ‘maar’ dat kortweg als 'moa' werd uitgesproken. Nu was het evenwel anders. Totaal anders… Luk zat er zonder zijn vrouw. Links naast hem zat een jonge heer en rechts een al wat oudere dame, elk aan zo’n tafeltje bedekt met een wit tafelkleedje. Alle drie observeerden zij het volk dat voor hen passeerde en dat ietwat reikhalzend uitkeek naar het gebeuren een eindje verder. Hoewel nogal wat mensen van uiteenlopende pluimage de revue passeerden, had Luk geen zin om daarover maar iets op te merken in zijn gedachten. Nee, hij wou nu eerder dat de passanten naar hem keken, dat zij aandacht voor hem zouden hebben. In tegenstelling tot de keuring van op een terrasje, moesten de blikken nu in beide richtingen gaan. Hij verlangde hevig dat regelmatig uit de mensenstroom iemand naar hem zou komen, zich op de stoel voor hem zou zetten en een blijk van interesse zou tonen. Ja, ze mocht te dik of te mager zijn. Ja, het mocht iemand zijn wiens jas qua kleur niet paste bij zijn broek. Ja, ze mocht overdreven geschminkt zijn of iemand met een gezicht waarin diverse zijrivieren van de Colorado hun weg hadden gebaand. Daarover zou hij absoluut geen commentaar bedenken. Maar, in de twee uur dat hij daar zat beperkte de interesse in zijn richting zich tot af en toe iemand, die slechts een kortstondige blik wierp naar het kaartje op de tafel waarop zijn naam gedrukt stond en dat blijkbaar weinigzeggend was. Hij stond op en zuchtte. Dat was nu eenmaal het lot als je boek niet aanvangt met 'Ingrediënten voor vier personen', dacht hij. Volgend jaar beter. Gelaten verliet hij de Boekenbeurs.

Bert Bergs
3 1