Lezen

Reinhoudt

Ik ben hier al vaak geweest, en toch ziet de statige gevel er nog altijd donker en dreigend uit. De makelaar is al tien minuten te laat en mijn het zonlicht prikt fel in mijn ogen. Dat laatste wijntje gisteravond was duidelijk te veel. Hoe graag wil je het pand verkopen als je er zelfs niet in slaagt op tijd te komen? Ik laat mijn blik terug over de gevel gaan, het woord ‘monumentaal’ komt automatisch bij me op. De rozige glas-in-lood ruitjes zijn zo vuil dat je er bijna niet meer door kan kijken. Ik kan me nog levendig voorstellen hoe ik vroeger kerst vierde aan de andere kant van het raam. Grootmoeder toverde er elk jaar opnieuw in om een gigantische kerstkalkoen met truffelvulling op de tafel. Als kind keek ik met een mengeling van bewondering en afschuw toe terwijl ze tijdens het koken haar arm tot bijna aan de elleboog in het achterste van de vogel liet glijden om hem te vullen. Ik kreeg dat beeld maar niet uit mijn hoofd, ook niet wanneer ze het intussen krokant gebruinde gevogelte enkele uren later op de overdadig gevulde kerst tafel zette. Ik durf haar nog steeds niet te vertellen dat ik vegetariër ben geworden. ‘Excuseer voor de vertraging, ik vond nogal moeilijk parkeerplaats in deze buurt.’ Een man met warrig haar en een stoppelbaard steekt zijn hand naar me uit. ‘Ik ben Kevin, de makelaar. Heeft u het makkelijk gevonden?’  Terwijl ik zijn hand schud, valt mijn oog op de rouwranden aan zijn vingernagels. Er zit een vlek op de kraag van zijn iets te strakke hemd. Moest ik echt interesse hebben gehad in het huis, zou dit een afknapper van formaat geweest zijn. ‘Zullen we naar binnen gaan?’ vraagt hij vrolijk.  Ik knik zonder iets te zeggen en volg hem het portaal in. In de hal zie ik meteen de glooiende stenen trapleuning waarvan mijn broer en ik altijd naar beneden gleden. Een seconde lang denk ik aan het litteken op mijn knie dat ik overhield aan die ene keer dat mijn kousenbroek bleef haken.‘Zoals u kan zien mevrouw: een prachtige hal met alle authentieke elementen uit de jaren twintig. De trap is opgetrokken uit massieve kalksteen en de vloertegels zijn ook nog de oorspronkelijke. U voelt in de hal al meteen de klasse die het pand uitstraalt. Een zeer mooie burgerwoning.’ Ik kijk naar de charmante vloertegeltjes  die onder de bruine plekken zitten of gebarsten zijn. De stenen trap en de majestueuze luster aan het plafond vullen de ruimte. Maar de muren, ooit stijlvol wit, zijn in de loop der jaren lelijk vergeeld en staan vol zwarte strepen. De vergane glorie stemt me triest. Ik wil zo snel mogelijk naar de kamer zien waarvoor ik gekomen ben, zodat ik hier weg kan. De makelaar zwijgt even en lacht me hoopvol toe, maar ik weet niet wat te zeggen. Hij knikt en gebaart me hem te volgen naar de woonkamer. Die ziet er nog helemaal uit zoals ik me ze herinner. Ouderwets bloemetjesbehang, een fraaie visgraat parket en grootmoeders robuuste, lange buffetkast van kerselaar tegen de muur. Zou de afstandsbediening van de tv nog altijd in het bovenste schuifje liggen? De eiken planken kraken theatraal onder mijn voetstappen. Het ontroert me. In gedachten zie ik grootmoeder traag naar de eettafel lopen om de schaal violettes te nemen. Ze had er altijd wel eentje in haar mond, op eender welk moment van de dag. In het rusthuis krijgt ze er geen meer, de verpleging zegt dat ze aan haar suiker moet denken. Aan het raam staat nog steeds het ziekenhuisbed waarin ze de laatste jaren sliep. Het doet me denken aan een artikel dat ik onlangs las. Blijkbaar worden rolstoelen en ziekenhuisbedden vaak als verkooptruc gebruikt in de immosector. Maar ik heb dit huis nooit zonder het bed geweten. De ruimte is donker en muf, maar groter en plechtiger dan ik me herinner. Ik kijk naar de ornamenten aan de lambriseringen die het hoge plafond omranden. Het moet zeker twintig jaar geleden zijn dat ik hier nog ben geweest. ‘Dit is de ideale ruimte om mensen te ontvangen, vind u niet? Mooie houten vloeren, hoge plafonds, originele glas-in-lood ramen. U hoeft eigenlijk alleen te schilderen om de kamer een modernere toets te geven.’ Dan aarzelt hij even. ‘Zoals ik u aan de telefoon al zei is er ook nog een deel dat aan vernieuwing toe is. Dat laat ik u nu zien. Hier moeten nog wat kleine renovatiewerken uitgevoerd worden, maar dat heeft dan wel weer als voordeel dat u dat volledig naar uw eigen wensen kan doen.’  We komen aan in wat ooit grootmoeders imposante keuken was. Tot mijn ontsteltenis staat er alleen nog een oud, gietijzeren fornuis. De blauw betegelde vloer plakt. Uit het plafond komt een oude, gesmolten elektriciteitskabel. De muur eronder is zwartgeblakerd. Ik begrijp niet dat dit pand zo te koop wordt gesteld, van deze keuken neemt elke potentiële koper meteen de benen. Het is niet te geloven dat het huis tot voor kort nog bewoond werd. ‘De elektriciteit werd volledig afgekeurd, deze kabels dateren nog uit de jaren zeventig. Zoals u ziet is er eens een kortsluiting geweest. Wat er juist allemaal moet gebeuren, weet ik niet vanbuiten. Dat staat op het keuringsverslag. Misschien is het wel opgelost met wat kleine ingreepjes.’ zegt hij op nonchalante toon.  Ik laat mijn wijsvinger kraken en klem mijn kaken op elkaar. Het is wel duidelijk dat hier meer nodig is dan enkele kleine ingreepjes.  ‘En u kan zelf een keuken naar keuze laten installeren. Tegenwoordig kost dat niet zoveel geld meer.’  Ik draai mijn rug naar hem toe en kijk naar het plafond.  ‘Persoonlijk,’ gaat hij in een adem verder, ‘zou ik de muur tussen de keuken en de woonkamer eruit halen en een grote, moderne leefkeuken laten plaatsen. Zoals u ziet zijn de mogelijkheden eindeloos.’ Hij krabt in zijn warrige haren en zorgt daarmee voor een spoor van witte huidschilfers die op zijn schouders neer dwarrelen.  Ik kan me niet voorstellen dat mijn kokette grootmoeder, die op regelmatige tijdstippen drukte op het feit dat ze uit een familie van aristocraten afkomstig was, in deze omstandigheden heeft geleefd. Ik moet hier zo snel mogelijk terug buiten. Zo gauw ik oom Reinhoudt’s kamer heb gezien, ben ik hier weg. De makelaar moet mijn ontsteltenis hebben gezien, hij lacht zenuwachtig.  ‘Zoals u ziet was hier al enige tijd niemand meer geweest. De eigenares van het pand was niet goed te been en verbleef uitsluitend in de voorkamer.’  Arme grootmoeder. Waarom heb ik nooit iets gedaan? Ik probeer mijn neus zo onopvallend mogelijk dicht te knijpen kijk even kort rond om interesse te veinzen. Naarmate het einde van de rondleiding nadert, voel ik zenuwen opkomen. Ik kan niet verklaren waarom ik zo graag de kamer van mijn dode oom wil zien. Ik weet niet wat ik juist verwacht of wat ik hoop te vinden, maar het is mijn enige kans om uit te zoeken wat er allemaal gaande is in mijn familie. Ik wil weten wat voor man oom Reinhoudt was en waarom mijn moeder rode vlekken in haar nek krijgt wanneer zijn naam wordt genoemd. Want hoewel ik hem al twintig jaar niet meer gezien heb, krijg ik zijn beeld maar niet uit mijn hoofd. Die glanzende donkere ogen en de wilde baard. De donkere pijp in zijn rechtermondhoek, de bril met de vettige glazen die altijd een beetje scheef op zijn neus stond. Zijn luide ademhalen, zijn trillende handen en zijn verlegen glimlach. Het dunne lijntje speeksel op zijn kin als hij ons moeizaam dag zei. Als kind begreep ik niet waarom hij zo stotterde, ik heb lang gedacht dat hij het voor de grap deed. Van de hele familie had ik hem het allerliefst. De laatste keer dat ik hem zag, was net na mijn zesde verjaardag. Ik mocht mee naar zijn collectie miniatuurtreintjes op zolder komen kijken. Het was indrukwekkend. Met de grootste precisie had hij een landschap met treinsporen, een station, een slagboom en stopborden na gemaakt. Net echt. Hij had er speciaal stukjes mos voor uit Noorwegen laten komen, vertelde hij. Ik weet nog steeds niet wat er juist gebeurd is, maar op een bepaald moment bleef hij op zijn kamer zitten wanneer we op bezoek kwamen bij grootmoeder. Een geschil met mijn moeder, blijkbaar. Grootmoeder zei dat het wel zou overwaaien. Dat deed het niet. Dat jaar met kerst bracht zij een bord met eten naar zijn kamer. Ik weet nog goed hoe boos mama werd toen ik vroeg waarom hij niet meevierde. Dat ik een lastig kind was, had ze gezegd, en dat ik niet altijd overal mijn neus in moest steken. Papa zei dat hij een vreemde man was en dat we niet op hem moesten letten. Dat hij liever aan zijn miniatuurtreintjes werkte dan ons te zien. Sindsdien heb ik nooit meer een vraag over oom Reinhoudt durven stellen. ‘Er is nog een laatste kamer, maar die kan ik u helaas niet laten zien, mevrouw.’ zegt de makelaar zacht zacht. Hij lijkt onzeker. ‘Zoals ik u vertelde aan de telefoon woonde de volwassen zoon van de eigenares in deze kamer. Toen hij onlangs kwam te overlijden is zijn moeder meteen in een home geplaatst, waardoor er een aantal praktische zaken nog niet in orde zijn gebracht. De kamer is verzegeld door de politie, het onderzoek is nog maar een paar dagen geleden afgerond.’ Ik knik langzaam. De kamer van oom Reinhoudt. De reden waarom ik hier ben. ‘Ik begrijp dat het moeilijk ligt meneer, maar ik zou de kamer toch graag zien. Ik moet een inschatting kunnen maken van welke werken er nodig zijn, en hoeveel dat zal kosten.’Kevin de makelaar glimlacht, hij had deze vraag duidelijk verwacht. ‘Ik begrijp dat kandidaat-kopers alle ruimtes in dit pand willen gezien hebben, maar dat is in dit geval helaas niet mogelijk. De kamer is qua grootte en indeling zeer vergelijkbaar met degene die op het eerste verdiep. En ik kan u verzekeren dat de nodige werkzaamheden ook in lijn liggen met de rest van de woning.’ ‘Kunt u echt geen uitzondering maken? Ik kan best tegen een stootje. Bovendien had u me gewaarschuwd aan de telefoon. Die ruimte bepaalt immers hoeveel mijn potentiële bod op deze woning bedraagt. Ik ben erg geïnteresseerd.’ Bingo. Als hij het pand ooit echt verkocht krijgt, hoop ik dat hij zijn commissie aan een manicure en een kappersbeurt uitgeeft. Hij haalt diep adem en recht zijn rug.  ‘Misschien kunnen we al een tweede bezoek vastleggen, wanneer de kamer is schoongemaakt. Dan heeft u de tijd gehad om even na te denken.’ ‘Dat ligt moeilijk, meneer. Mijn huidige huurwoning is verkocht, ik word er weldra uitgezet. Ik heb dus geen tijd te verliezen, ik moet zo snel mogelijk een nieuwe woning vinden.’ ‘Goed dan. Normaal gezien organiseren we enkel bezoeken wanneer het pand schoon is gemaakt, maar in dit geval moest het snel gaan omwille de kosten van de home.’ Hij aarzelt even. ‘Ik moet u wel waarschuwen, mevrouw. Wat zich achter deze deur bevindt, is gerust schokkend te noemen. Ik reken op uw discretie, ik doorbreek hiermee mijn belofte aan de eigenares van de woning.’ Mijn hart maakt een sprongetje. Hij duwt de deur open en neemt een stap opzij, zodat ik binnen kan gaan.  Aan weerszijden van de muur hangen politielinten. De makelaar heeft niet gelogen, de kamer is effectief verzegeld. Een warme walm van vocht en onhoudbare stank slaat me in het gezicht. Het lijkt alsof ik elk moment op zijn ongekoelde lichaam kan stuiten. De soep van deze middag baant  zich langs mijn slokdarm terug een weg naar boven. Ik kan maar net op tijd slikken. Op de muren staan in verschillende kleuren onverstaanbare boodschappen en formules gekrabbeld. Overal staan bruine handafdrukken, ik kan niet uitmaken of het in bloed of in kak is. Ik krijg het plots ijskoud. De vlekkerige parket is omgeven van de omver gevallen stapels kranten. In een hoek van de kamer ligt een berg kleren, tot ongeveer een meter hoog. De waanzinnige stank nestelt zich in mijn neusgaten. Ik heb altijd een hekel gehad aan horrorfilms over huizen. Die typische films waarin een gezin een oud huis koopt en af te rekenen krijgt met de boze geest van de vorige bewoner die er zelfmoord pleegde en daarom niet naar het hiernamaals kan. Ik het gevoel dat ik middenin zo’n film zit. Ik hoopte op een aanwijzing, maar de aanblik van deze kamer schept alleen verwarring.  ‘U ziet het: ook hier is een grondige make-over nodig. Al ziet het er erger uit dan het is. Structureel gezien is deze kamer helemaal in orde, hoor. Alleen de muren en de vloer moeten stevig aangepakt worden.’ Ik knik en richt mijn blik naar het plafond, hopend op een rustpunt in deze allesovertreffende chaos. Maar ook dat staat vol bruine handafdrukken, geen idee hoe hij daar is geraakt.  ‘Oké.’ zeg ik aarzelend. ‘U had me gewaarschuwd.’ ‘Laat u niet ontmoedigen door deze kamer, mevrouw. Na wat klus- en schilderwerk zal het er hier weer prachtig uitzien. U moet eens kijken naar de lambrisering en naar die prachtige rozetten op het plafond. Die zijn allemaal perfect te redden.’ Ik probeer enkele boodschappen op de muur te lezen, maar het kronkelige handschrift is op enkele a’s na onleesbaar. Daarom wilde moeder dus niet dat ik naar het huis zou komen kijken. Die ‘slepende ziekte’ waaraan oom Reinhoudt zogezegd is gestorven, staat letterlijk over de muren uitgesmeerd. Daarom die  vreselijke en onpersoonlijke begrafenis.  ‘Wat is hier eigenlijk gebeurd?’ Ik werp een blik in de stoffige spiegel die op de grond staat. Knokig en bleek, kleine, afhangende borsten, grote oren. En een kille, eenzame blik. ‘De man die hier woonde leed aan een bijzondere vorm van schizofrenie. Daarom woonde hij bij zijn moeder, hij kon niet zelfstandig functioneren. Toen ze te oud werd om voor hem te blijven zorgen, is het fout gegaan.’  ‘Wat vreselijk.’ Ik mompel het eerder tegen mezelf dan tegen de makelaar. Een lullige opmerking, maar ik weet niet wat ik anders zou moeten zeggen. De makelaar vervolgt op vrolijke toon dat dit renovatieproject erg interessant is. Hij vertelt iets over zes procent BTW en over renovatiepremies, maar ik hoor amper wat hij zegt. Ik moet naar buiten.

Annelies Leysen
30 0

Dagdagelijks

Mijn dagelijkse wandeling was blijkbaar toch niet zo dagelijks als ik gehoopt had. Het was een wandeling bedoeld om een gewoonte te zijn. Maar toch. Het was niet meer dan een grauwe dinsdag ergens in februari. Ik stond die dag vol goede moed op – niet anders dan de andere driehonderdvierenzestig dagen in het jaar. Snel een kop zwarte koffie en een boterham met nog net niet vervallen salami. Nadat ik mijn bruine lederen schoenen aangetrokken had, moest ik haastig op zoek naar mijn sjaal. Waar lag hij toch? Het was nu niet dat ik al overal gezocht had, maar veel verder dan de kapstok kon hij toch niet liggen? Ik bukte om onder mijn leeszetel te kijken, maar ook daar lag hij niet. Bij het rechtkomen stootte ik mijn hoofd aan de kapstok. Onbewust spuwde ik een te hoge kreet uit. Het zou toch niet waar zijn. Was ik mijn goede oude sjaal dan echt ergens kwijtgespeeld? Ik keek de kapstok aan en pas op dat moment viel me op met hoeveel trots hij daar eigenlijk stond. Het was een donkere, eikenhouten kapstok waaraan er plaats was voor wel vijf jassen. Hoewel de statige kapstok ernaar verlangde om vier andere jassen te dragen, gebruikte ik de meeste tijd slechts een van zijn armen. De sjaal was nog steeds nergens te bespeuren en een keuze drong zich plotseling bij me op. Ga ik naar buiten zonder sjaal voor mijn ochtendwandeling of neem ik nog een kop van de heerlijk sterke koffie? Snel schoten alle voor- en nadelen door mijn hoofd. Niet veel later sloeg ik de deur achter me dicht en draaide ik het slot om. Ik stond in het trappenhuis en vroeg me heel even, hoogstens een seconde of twee, af of ik niets vergeten was. Het zij zo, dacht ik terwijl ik mijn voet zachtjes op de eerste trede richting het gelijkvloers zette. Terwijl ik steeds verder naar beneden ging, merkte ik niet op dat ik ook steeds trager ging. Getallen schoten door mijn hoofd. Drie verdiepingen tot ik weer beneden was. Dat waren dan zes trappen met elk dertien treden. Dat kwam dan neer op een totaal van achtenzeventig treden. Ik deed er net minder dan een seconde per trede over, wat maakte dat ik – met de draai tussen de trappen – iets meer dan anderhalve minuut nodig had om van de deur van mijn appartement de voordeur van het gebouw te bereiken. Midden op de eerste trap bleef ik staan, want ik hoorde onder mij een geluid. Het was het typische gepiep dat de opengaande deuren van dit perfect onderhouden gebouw maakten. Ik boog me voorzichtig over de trapleuning, hopend om een glimp op te vangen van mijn medebewoner. Ik stond net op het punt een trede lager te gaan om beter zicht te krijgen op de deur, wanneer hij met een luide klap dicht vloog. Mijn hoofd schoot angstig weg van de trapleuning. Ik voelde mijn hartslag toenemen, mijn adem versnelde. Het geluid van hakken weergalmde door het trappenhuis. Opnieuw bracht ik voorzichtig mijn hoofd naar de rand van de trap. Het getik van de hakken kwam steeds dichterbij tot het opeens overging in zacht geschuifel. Pas dan zag ik goed wie het was: Marleen van de tweede verdieping. In plaats van naar beneden te gaan, kwam ze naar boven. Wat moest ze daar in hemelsnaam? Normale mensen gingen naar beneden en buiten een wandeling maken, Marleen duidelijk niet. Ging ze misschien Karel op het appartement recht tegenover het mijne vragen om een bus melk?  Of kwam ze weer bij mij aankloppen omdat ze geen suiker meer had voor op haar rijstpap? (Dat kon dan mooi tegenvallen, aangezien ik niet thuis was). Wacht, ze zou me tegenkomen in het trappenhuis en me aanspreken. Opnieuw versnelde mijn hartslag. Ze kwam dichter en dichter. Ik bleef roerloos staan op de trede waarop ik ondertussen al enkele minuten stond. Het zou nu echt niet lang meer duren voor Marleen me zou opmerken. Gelijk kreeg ik, want voor ik het wist stond ze op de onderste trede van de trap. Ik ademde diep in en uit – ik hoopte dat ze mijn zachte zucht niet gehoord had. Ze bleef de trap beklimmen en net voor ze oogcontact met me maakte, hoestte ze even. Niet veel later stond ze bijna op dezelfde trede als ik en zei ze kort: ‘Goeiemorgen’. Ik voelde hoe een plotse opluchting zich meester van me maakte. Ik gaf haar haastig een kort knikje terug. Zonder er verder op te reageren liep ze door.  Toen ze (eindelijk) uit het zicht was verdwenen, keerde de rust langzaam terug binnenin mijn lichaam. Marleen, de dame van middelbare leeftijd met altijd wel een verhaal te vertellen, had niets gezegd. Ik vond het maar vreemd, maar net daarom werd de situatie er enkel maar beter van. Toch bleef ik nog een tijdje staan. Ik sloot mijn ogen en probeerde op mijn ademhaling te letten. Diep inademen, even vasthouden en dan zachtjes uitademen. Dat patroon herhaalde ik enkele keren tot ik merkte dat ik terug normaal kon functioneren. Langzaam zette ik mijn tocht door het trappenhuis verder. Ik was net de eerste trap af toen ik in de draai – het platte stuk dat kwam voor de volgende trap – bleef stilstaan bij het brandblusapparaat. De rode blusser hing ter hoogte van mijn middel en pas die dag viel het me echt op dat zo’n apparaat wel echt knap in elkaar zat. Ik kon zoveel vragen bedenken om aan de persoon die dit apparaat net op deze plaats had gehangen, te stellen. En dat allemaal terwijl ik niet eens wist wie dat gedaan had. Wie weet hoeveel van die brandblussers had die man – het kon evengoed een vrouw geweest zijn – al opgehangen. Ik kon er helemaal geen antwoord op geven. De kans was ook tamelijk groot dat die persoon het zelf niet eens wist; misschien hield hij het aantal blussers niet bij. Ik vroeg me plotseling af hoe ik zoiets zou aanpakken. Als ik zou weten dat ik de hele dag brandblussers zou moeten ophangen, zou ik dan een lijstje aanleggen om te tel bij te houden? Persoonlijk zou ik het leuker maken. Na elke tien opgehangen brandblusapparaten zou ik gewoonweg een pauze nemen. Dat was nog leuker, en bovendien nuttiger, dan eindeloze lijstjes aanleggen. Ik vond het fascinerend hoeveel vragen en ideeën er in me opkwamen bij het zien van zo’n simpel dagdagelijks voorwerp.  Ik was net de tweede verdieping voorbij toen ik besloot op mijn stappen terug te keren. Ik merkte voor de eerste keer sinds ik in het gebouw woonde op dat er vier deuren waren. Op de derde verdieping waar ik verbleef waren dat er maar drie. Ik realiseerde me dat ik niet eens wist hoeveel appartementen er in totaal in het gebouw waren. Ik zou zo dadelijk nog langs de eerste verdieping lopen, dus dat was snel te achterhalen. Maar over de vierde verdieping kon ik niets zinnigs zeggen. Daar was ik nog nooit geweest. Misschien was er maar één appartement, maar het konden er evengoed vijf zijn. Het was niet dat ik het per se wilde weten. Ik was gewoon nieuwsgierig en het was een leuk weetje geweest mocht ik het weten. Maar er actief naar op zoek gaan, neen, dat was ik niet van plan. Ach, ik maakte me waarschijnlijk zorgen om niets. Of er nu één, twee of zes deuren waren op welke verdieping dan ook, ik trok me er niets van aan. Terwijl ik aan de afdaling van de volgende trap begon, had ik niet door dat ik nog maar net over de helft was. Hoewel je af en toe een flits kon waarnemen, was het licht in die trappenhal zo goed als kapot. Het was zoals een hartspier. Het trok samen en liet weer los; het doofde uit en sprong weer aan.  Ik hoorde een deur dichtslaan. Opnieuw, dacht ik. Dit keer leek het geluid van verder onder me te komen. Het kon niet anders dan de voordeur van het gebouw zijn. Ik hoorde het geluid van voetstappen dichterbij komen, dit keer op een sneller tempo dan ik gewoon was. Het leek wel of iemand de trap aan het op lopen was. Het geluid kwam steeds dichterbij. Ik stak – zo nieuwsgierig als ik was – mijn hoofd over de trapleuning. Een verhelderende schok ging door mijn lichaam heen. Het was Peter, ik had het wel gedacht. Peter was veruit de sportiefste van het gebouw. Iedereen noemde hem de marathonman, want hij deed niets liever dan elke dag in het park zijn vaste traject lopen. Wat ik dan weer niet begreep, was het feit dat hij na zijn loopsessie nog eens doodleuk de trap op liep. Man, waar ben je toch mee bezig, dacht ik vaak. Na een traject van vijftien, misschien twintig kilometer nog eens lopen tot op de vierde verdieping. Hij moest wel gek zijn. Ik wist exact wat er stond te gebeuren. Zo dadelijk bij het kruisen zou hij geen woord tegen me zeggen. In plaats daarvan brabbelde hij onverstaanbare, onvolledige zinnen. Dat allemaal deed hij terwijl hij aan het hijgen was en op de koop toe zou zijn tong bijna op zijn tenen hangen. Ik was blij dat ik geen sportief type was. Op de eerste verdieping was het dan zover. Peter kruiste me al hijgend en liep steeds trager verder naar boven. Toen hij uit het zicht was, versnelde ik mijn pas. Er was niemand meer in het trappenhuis.  Iedereen die ik niet wilde tegenkomen, was ik tegengekomen. Wat een goed begin van de dag. Ik opende de voordeur en liep langs de brievenbussen het gebouw uit. Ik bleef even staan voor de gevel. Het was best al een oud gebouw. Dat zag je duidelijk aan de witte stenen die helemaal niet meer zo wit waren. Toch vond ik dat ik best mooi woonde. Ik verbleef op een mooie verdieping in een knus maar gezellig appartement. Er was niemand die zei wat ik moest doen, niemand waar ik ook maar een moment last van had. Aan de overkant van de straat was park. Ik zag de groene bomen en grasperkjes vanuit het raam van mijn appartement. Het regende niet, maar de grijze lucht vertelde me dat er tegen de avond wel wat druppels konden vallen. De baan die ik over moest was een best gevaarlijke weg. Gelukkig lag er een zebrapad vlakbij het gebouw. Ik wilde net mijn voet van de stoep op de baan zetten, toen ik op mijn horloge keek. Ik schrok. Er waren al ruim veertig minuten voorbij sinds ik ontbeten had. Dat was dan ook meteen het einde van de wandeling. Ik kon toch moeilijk elke dag in het park gaan wandelen. Het verplichte halfuur was verstreken en ik keerde terug naar de deur van het verouderde appartementsgebouw. Ach, morgen was er weer een nieuwe dag.

WoordenWeb
0 0

Haast en spoed

Tien minuten. Langer duurde het niet meer. Nog even wachten en de werkdag zat er alweer op. Het laatste halfuur van de dag was meestal rustiger, samen met het eerste uur dat de winkel open ging. Veel in de winkel stond hij niet; zijn werk bestond vooral uit werken in het magazijn achteraan. Daar zetten hij alles op orde en leverde bestellingen uit aan klanten. Enkel als het te druk was in bij het verkopen in de winkel, stuurde zijn baas hem soms naar voren om zijn collega’s een handje toe te steken. Nu het niet lang meer was voor hij naar huis kon, nam hij alvast zijn rugzak. Als die al klaar stond, kon hij straks wat tijd besparen en sneller naar huis gaan. Hij nam zijn brooddoos en drinkfles, om ze vervolgens in de rugzak te steken.   Gezoem. Het is niet waar, dacht hij. Zeven minuten voor sluitingstijd komt iemand zijn meubelstuk nog afhalen. En dat terwijl de winkel de hele week is open geweest. Hij zette zijn bril recht en haastte zich naar de poort van het magazijn – in de hoop de klant zo snel mogelijk verder te kunnen helpen. Het bleek vlot te gaan. Een nachtkastje, meer had de vriendelijke dame met tienerzoon niet nodig. Op minder dan drie minuten was de bestelling afgehandeld. Met nog vijf minuten op de klok, zag hij zijn baas aan komen lopen. De man begeleidde zijn enige magazijnier naar een van de gangen in het kleine magazijn.  Die gang had hij die dag helemaal herschikt. Hij slikte. Zou de baas het niet goed vinden?De woorden ‘goed gewerkt, ga maar naar huis’ wenden nooit, zeker niet als ze onverwacht kwamen. Hij kon zijn vreugde amper verbergen, maar glimlachte toch maar kort in de richting van zijn baas. Hij begaf zich terug naar de refter, nam zijn rugzak en verliet het gebouw langs de achteringang. Hij sprong op zijn fiets en plaatste de dynamo tegen het voorwiel. Het was eind november en al behoorlijk donker op dit uur.   Enkele ogenblikken later reed hij in volle vaart het parkeerterrein af. Hij kon bijna niet sneller; hij wilde namelijk zo snel mogelijk genieten van een rustige avond en de daarop volgende vrije dag. Elke zondag – wanneer de kleinste meubelwinkel van de stad gesloten was – kon hij uitrusten van de voorbije week. En dat was meestal een zware week, ook toen. Zijn lichaam verlangde naar rust. Een hele week heen en weer lopen gecombineerd met het tillen van zware dozen woog na een tijdje zwaar op het lichaam. Vanavond samen met haar en een pizza voor televisie zitten, beter kan niet. Hij remde even af om een straat in te slaan en versnelde vervolgens weer. In de smalle Kerkstraat met geparkeerde wagens langs beide kanten was het altijd opletten. Er moest maar één iemand zijn die zijn autodeur opende zonder te kijken en de kans op een val was daar. Hij had het nog nooit meegemaakt, dus fietste hij met volle snelheid zelfverzekerd door. Die dag was anders. Een straatlantaarn verlichtte een dame van middelbare leeftijd die plotseling uit haar wagen kwam. Gelukkig had hij het gezien, waardoor hij kon vertragen. Wat hij in eerste instantie echter niet gezien had, was de wagen die uit de andere richting kwam aangereden, recht op hem af. Hij drukte de rem steviger in en kwam tot stilstand vlak bij de geopende deur. De vrouw keek verbaasd op. De fietser gaf haar een kwade blik en reed verder.   Er stond een kilometer of zes op de teller en dus had hij er nog drie te gaan. Zijn snelheid naderde ondertussen de dertig kilometer per uur. Hij reed langs te grote baan die de stadskern met de buitenwijken verbond. De fiets met de gehaaste man op vloog over het kruispunt. Helaas was hij niet de enige die met een hoge snelheid het kruispunt op reed. Piepende autoremmen en een harde klap, gevolgd door een verbazingwekkende stilte op een anders zo luidruchtige zaterdagavond. Alles lag verspreid over de rijbaan. Links een fiets en rechts een man met rugzak waaronder zich een steeds groter wordende bloedplas bevond. In de goot aan de rand van de weg lag een bril. Daarin weerspiegelde nog steeds het rode verkeerslicht.   De vrouw van de grijze wagen stapte uit, helemaal in paniek. Ze wist niet wat eerst te doen. Gelukkig snelde een toevallig passerende voetganger haar te hulp en belde het noodnummer. Het duurde even voor de ambulance er was. Maar eenmaal men de man op de draagberrie legde, werd het pijnlijk duidelijk: een avond die zo mooi moest worden, eindigde abrupt.

WoordenWeb
0 0

Kopzorgen

Nu de teddyberen allemaal terug tussen de mottenballen zitten en we de bruine vlaggen weer wit hebben gewassen alvorens ze op te bergen, kunnen we eindelijk weer met onszelf bezig zijn. En dan nog gunnen die zeurende zorgverlenertjes het ons niet en willen ze meer, met hun constante schreeuwen om aandacht en hun gebedel voor overheidsgeld. Het lef ook. Eerst kunnen ze ons coronaleed met geen enkel medicijn verzachten, moeten wíj heel onze maatschappij omgooien om hun werk behapbaar te houden en staan we er nóg elke avond voor te applaudiseren tot we er blaren van krijgen. Maar 15 minutes of fame smaakten naar meer. En nu we allemaal terug onze eigen problemen kunnen aanpakken, kunnen die mediageile verpleegstertjes het niet laten om nog een portie spotlight te eisen. Toch is er goed nieuws. Twee dagen geleden hoorde ik op het nieuws dat ze hun opslag krijgen. Hopelijk bespaart dat ons ervan dat ze wanhopig naar aandacht blijven hengelen, bijvoorbeeld door massaal deel te nemen aan Blokken, The Voice van Vlaanderen en De Mol. Zo'n verwijfd verplegertje dat op witte Crocs door de Mexicaanse woestijn huppelt zou het misschien goed doen qua entertainmentwaarde, maar we weten allemaal dat je nog sneller een potje schaken verliest van een alpaca dan dat een verpleger een puzzel van Gilles De Coster oplost. Je moet die alpaca's echt niet onderschatten. Maar genoeg over de zorgsector, terug naar ónze zorgen. Eén van de problemen waar we ons opnieuw elke dag het hoofd over moeten breken is wat we in vredesnaam weer gaan eten morgen. Daar was in volle lockdown geen sprake van. Toen aten we wat er nog in het winkelrek lag. De mentale rust dat dat met zich meebracht, was onbeschrijflijk. Oké, een pak rijst kostte je al snel meer dan een pallet door civetkatten uitgescheten koffiebonen, maar toch. Niemand durfde te klagen, want je wist dat wie voor jou boodschappen had gedaan, zijn of haar leven had geriskeerd voor dat laatste pak pasta in de Colruyt. Tenzij je natuurlijk in het ziekenhuis lag. Dan moest je het doen met wat de wandelende face shields je voorschotelden en had je alle reden tot klagen. De ziekenhuiskost was namelijk nog ranziger dan anders, want koken kunnen die verplegers sowieso al niet en naar het schijnt hadden ze het druk met andere zaken. Ja, zo maar één probleem hebben in het leven, onszelf gezellig zitten vervelen thuis, heerlijk lege straten, met in de verste verte geen grijspaars gecoiffeerde dinosaurussen en hun portemonnees vol ros geld om het begrip traagheid naar een hoger niveau te tillen door gepast te willen betalen, zorgverleners die zich nog geen goden waanden ... Ik durf bekennen dat ik soms met weemoed naar die lockdown terugkijk. Al geef ik toe dat zaken als jezelf van de wereld zuipen in een café vol steeds knapper wordende vrouwen ook z'n plek in onze maatschappij verdient. Dat deed ik gisteren nog eens en ik kan je zeggen dat ik geen greintje dankbaarheid voelde voor de ambulanciers die mijn maag aan het leegpompen waren, nu ik weet dat ze allemaal op slag miljonair zijn geworden. Laat ze maar werken voor hun fortuin, ik heb m'n eigen kopzorgen. Ik weet godverdomme nog niet eens wat ik morgen weer van eten moet maken.

Hans Verhaegen
32 0

Belofte maakt schuld

Mannen , allemaal hetzelfde. Veel beloven en alleen maar kwetsen. Ook hij was zo. Onze allereerste ontmoeting was niet meer dan een snelle blik in een overvolle bus. Een korte blik, gevolgd door zijn betoverende glimlach. Ik keek naar mezelf en vroeg me af hoe het kwam dat ik die dag zo in de smaak viel bij mannen. Talloze keren werd ik nagefloten in de drukste straat van de stad. Was het mijn zwart stijl haar? Mijn rood gelakte nagels? Misschien was het wel mijn kleding. Of neen, mijn kledingstijl was in de meeste gevallen niet zo populair. Alternatief noemden ze het soms. Niet alleen mensen op school, ook familie leverde regelmatig commentaar. Maar ik was wie ik was en net daarom maakte het niet uit hoe ik was. Hij was verkocht en ik kon zijn hemelsblauwe ogen niet meer uit mijn gedachten krijgen. Zijn eindhalte kwam eerder dan de mijne, maar lang moest ik niet meer in de bus zitten. Ik concludeerde dat hij ook van mijn dorp afkomstig was. Hij liep naar het middenstuk van de bus om uit te stappen, de plaats waar ik ook stond. Zijn slimme zet van toen veranderde alles. Op dat moment liet hij een kaartje in mijn tas vallen – de gluiperd. Achteraf zou blijken dat er naast wat kleine krabbels ook een nummer op stond. En ik was zo dom om hem diezelfde dag nog te bellen, vol overtuigd van wederzijdse interesse. Wat er volgde was een relatief aangenaam gesprek. Gepraat, gelach, eigenlijk een perfect eerste contact. Maar meteen voelde ik dat hij veel sneller wou gaan dan ik. Zijn overtuigingskracht en charmes leidden ertoe dat ik de volgende avond aan de kerk in het dorp stond. Hij daagde op (niet dat ik het anders verwacht had) en kwam meteen naar me toe zonder een moment van aarzeling. Ik denk dat we nog geen drie zinnen tegen elkaar hadden gezegd, toen hij plotseling veel dichter kwam. Ik zette wat stappen achteruit, maar ver kon ik niet gaan. Weldra stond ik tegen de muur van de kerk. Hij stopte niet. Integendeel, hij bleef dichter komen tot op het punt dat onze lichamen elkaar raakten. Ik voelde zijn ene hand naar mijn keel grijpen, terwijl de andere via mijn buik tussen mijn benen belandde. Paniek. Ik probeerde los te komen. Aanvankelijk lukte dat niet, maar toen hem een krachtige slag met mijn onderarm gaf, verzwakte zijn greep. Ik slaagde erin te ontkomen en zette het op een lopen. Wonder boven wonder volgde hij me niet, maar ik liep door. Mijn mascara liep uit – net op die ene keer dat ik me mooi opgemaakt had – en mijn ogen waren rood betraand. Zo trok ik mijn conclusies. Mannen zijn allemaal hetzelfde. Veel beloven en alleen maar kwetsen. Hij beloofde me de hemel, maar in plaats daarvan liet hij me zelf niet achter op aarde, maar bracht me rechtstreeks naar de hel.

WoordenWeb
2 0

Leopoldheisa

Zijn we nu nog altijd over de standbeelden van Leopold II bezig? Ik dacht dat dit niemendalletje na een week wel uit de nieuwsberichten zou verdwijnen om plaats te maken voor echt nieuws over standbeelden. Zoals Dries Van Langenhove, die gespot werd in het Citadelpark, waar hij achter het standbeeld van de vechtende tijgers door twee kolossale zwarte piemels, respectievelijk in z'n anus en z'n mond getijgerd werd. Ontspoorde scoutsleiders hebben ook recht op hun pikante fantasietjes, denk ik dan, ware het niet dat de veiligheidsraad deze week duidelijk gezegd heeft dat seks in de parken pas terug mag vanaf juli en alleen wanneer je de 1,5-meter-afstandsregel respecteert. (Vlaanderens favoriete fils-à-papa beriep zich zoals altijd op het fake news-argument en bleef volhouden dat die gedroogde plek in z’n mondhoek skyr was.) Soit, gezien mijn miljoenen lezers me blijven bombarderen met vragen over wat ik van die Leopoldgekte vind, zal ik hier mijn mening delen. Ik was op de hoogte van de verschillende verwezenlijkingen en “successen” van het Leopold-gezelschap, maar ik wist eerlijk gezegd niets van standbeelden en ik kan heel goed begrijpen dat dat mensen tegen de borst stoot. Ook voor mij is dat erover. Geen enkele stad gaat architecturale prijzen winnen door zo'n opgeblazen kikker als Patje Krimson in het brons op de Grote Markt te verankeren. En wat heeft Erik Goossens buiten z'n verdiensten als frontman, z'n rol in Familie en het presenteren van Kan Dit?! gedaan dat hij de eeuwige roem waardig is? Om maar te zwijgen van de drummer, waarbij zelfs niemand ooit de moeite heeft genomen om die knul z’n naam te vragen. En dan is er de hele geschiedenis met de uitbuiting, de slavernij, de handhakkwestie, de verkrachtingen ... We gaan er niet onnozel over doen. Ja, de heren hebben ons uitgebuit door ons kutsingle na kutsingle te doen kopen voor 200 frank in de platenzaak. Ja, het gruwelijke synthesizerwerk van Patrick Claesen rechtvaardigde ons om de man z’n handen af te hakken en het wringt nog altijd dat we dat niet hebben gedaan voor het kwaad was geschied. Ja, het nummer Volle Maan, hun cover van de hit Maid of Orleans, was een van de ergste verkrachtingen ooit, die we als volk keer op keer moesten ondergaan telkens wanneer het op de radio gedraaid werd. En ja, er moesten lijfstraffen staan op nummers maken met titels als Vergeet-mij-nietje. Niemand zal ontkennen dat er bloed heeft gevloeid, en dat uit menige oren. Maar om hen nu echt enkele miljoenen doden in de schoenen te schuiven… Zeg nu zelf, gaat dat niet een beetje te ver? Wat mij nog het hardst stoort is het erbarmelijke niveau van de Belgische nieuwssites. Tegenwoordig schrijft één krant een artikel en de rest kopieert. Wat is er gebeurd met kwaliteitsjournalistiek? Onderzoek doen en feiten checken? Alle media blijven maar berichten over Leopold II, terwijl ik er altijd zeker van geweest ben dat de groepsnaam Leopold 3 was. En dan schrikken ze ervan dat Dries Van Langenhove zo makkelijk wegkomt met z'n fake news-excuus. Was de muziek van Leopold een zwarte bladzijde in de geschiedenis van België? Absoluut. Was de reünie in 2010 een slag in het gezicht van iedereen die nog steeds vecht met de herinneringen aan hoe de groep ons in de vorige eeuw geterroriseerd heeft? Daar valt allemaal iets voor te zeggen, ja. Maar heel deze historie ligt ondertussen zo ver achter ons, dat het nutteloos is om hier nog energie aan te verspillen. Het was een andere tijd. Daarom vraag ik jullie om de standbeelden van Erik Goossens, Pat Krimson en de drummer waarvan niemand de naam weet gerust te laten. Het feit dat hun nummers op de streamingdiensten staan, maar we al jaren gezamenlijk doen alsof ze er niet zijn, lijkt me een voldoende zware straf voor dit koninklijke gezelschap en hun historische wandaden.

Hans Verhaegen
10 0

Hatsjoem

Nu die andere genadeloze ziekte, hooikoorts, terug in het land is en ik mezelf dagelijks een whiplash in m'n elleboogholtes nies, durf ik al helemaal m'n kot niet meer uit te komen. In deze tijd krijg je minder vuile blikken wanneer je in niks dan een Bumbamasker en Birkenstocks door Planckendael wandelt, dan wanneer je in het openbaar aan je neusprikkels toegeeft. En ik kan het weten. Deze week ging ik naar de brievenbus en kon ik, ondanks de uitvoerige gelaatsgymnastiek, een krachtige hatsjaowhizazz toch niet onderdrukken. Ik had dan wel een mondmasker op, maar dat weerhield de buurman uit het appartementsblok verderop er niet van om onmiddellijk de politie te verwittigen. Ik wens je in de weinige jaren die je nog resten een hardnekkige pollenallergie toe, Maurice. Ja, bovenop je prostaatkanker, Maurice. Noem me harteloos. De vrienden in het blauw maakten meteen rechtsomkeer toen ze zagen dat ik blank was. Dus begaf ik me terug naar binnen en dat is waar ik nog altijd het meest van de tijd zit. Te niezen, schrijven, lezen, dwangmatig bomen te schudden in Animal Crossing en mezelf zes keer per dag af te beren als een halvezool. Vier keer voor de seks en twee erna. Af en toe kan ik echter niet anders dan de cocon te verlaten en dan besef je dat je daarbuiten, zoals Michael Van Peel het ooit zei, nog altijd door je medemens in het gezicht wordt geswaffeld alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Zo kon ik er niet onderuit dat m'n auto naar de keuring moest. Dus stuurde ik hem eerst langs de garage voor een keuringcheck en een groot onderhoud. 700 euro – m'n garagist had me op het hart gedrukt dat zo'n dubbel flapdrolventieltje écht de officiële naam is en het écht overal € 360 kost – en een weekend later rij ik naar de autokeuring, waar men mij vertelt dat mijn achterbanden aan het scheuren zijn en dat zoiets goed is om mezelf klapbandsgewijs naar de eeuwige jachtvelden te katapulteren. Nog een geluk dat ik een dag ervoor niet een paar uur tegen 120 km/u over de autosnelweg aan het vlammen was. Oh, vergat ik te vertellen dat ik dit weekend een paar uur met een vijfkoppige bubbel tegen 120 over de autosnelweg aan het vlammen was? Wie mij kent, weet natuurlijk van mijn grenzeloze assertiviteit en kan al raden wat er zich daar in die Hyundai-garage heeft afgespeeld. Geloof me, de man aan het onthaal is er nog niet goed van. Terwijl ik me voor de derde keer stond te verontschuldigen voor het extra werk dat ze ertussen moesten nemen met m'n banden, voelde ik een niesbui opkomen. En ik was zó stoutmoedig, dat ik de natuur gewoon volledig z'n gang heb laten gaan, zonder excuses of iets. De man durfde zelfs niet anders dan 'gezondheid' te zeggen. Lesje geleerd, denk ik dan. Cynisch als ik ben, kon ik het thuis toch niet laten om dat dubbele flapdrolventieltje nog eens even op te zoeken. En natuurlijk klopte m'n voorgevoel. Ook daar was ik serieus in m'n gelaat gepiemelklapt. Je kan dat onderdeel gewoon op Amazon bestellen voor € 40, verzendkosten inbegrepen! Ik heb getierd, gehuild, geschreeuwd, gemasturbeerd en geniesd. Want als er één ding is waar ik écht allergisch voor ben, dan zijn het leugenaars. En dan te denken dat ik dat allemaal had kunnen voorkomen door gewoon in m’n kot te blijven zitten.

Hans Verhaegen
10 0

Een beeldhouwwerk van het leven

Rouwen startte niet de dag dat mijn moeder stierf. Of de week volgend op de begrafenis. Het rouwen begon op de dag dat ze in een aparte kamer werd gelegd. Het beginpunt was het moment dat de deur openging, de oncoloog binnen kwam, op de voet gevolgd door een jongeman die zichzelf voorstelde als de psycholoog. Zijn naam intussen een vergeten herinnering. Twee dagen geleden was de zoveelste kamergenoot, de tel waren we al lang kwijtgeraakt, verhuisd naar diezelfde kamer. De kamer waar mensen stierven. Waaruit gezinsleden kwamen met zwaarbepakte zakken vol herinneringen. De kamer die we in de laatste maanden angstvallig vermeden hadden. Ons zou dit lot gespaard blijven. We waren vechters, overwinnaars. Eén maand nog. Twee hoogstens. Dat was het maximum. Meer kon de oncoloog er niet uit halen. Met sondevoeding, een maagsonde in de neus en vier sondes in de buik die na vijf operaties niet meer dichtgenaaid was, was dat zijn hoogste bod. Daar, in die kamer, op dat moment stierf een stukje van mijn hart. Niet veel, niet genoeg om de hartslag te stoppen. Een klein deel, voldoende om nooit meer te helen. Het duurde zes weken, hoewel we een gevecht aangingen voor acht weken. ‘Het gaat niet meer.’ Waren de laatste woorden ooit die ze in mijn oren fluisterde. Het klonk als een verontschuldiging enerzijds, een verlossing anderzijds. Zes weken hadden we samen, waarin we elke avond afscheid namen, waarin ze berustte, als de sterke vrouw die ze was. Wij hadden tijd om afscheid te nemen.                 Rouwen was zo hard huilen in het mortuarium, daar naast haar koude lichaam, dat mijn zus de kamer verliet.               Rouwen was zo hard wenen op de begrafenis, op het kerkhof, dat je dacht dat je geen tranen meer zou overhebben voor verdriet dat nog moest komen.               Rouwen was het eerste uur bij de psycholoog zitten en geen woord kunnen uitbrengen, het was een uur van snotteren, tranen met tuiten, zakdoek te nat om je neus in te snuiten.                 Rouwen eindigt nooit. Het verandert alleen van beeld.

Jenka
9 1

Koude Koffie

Ik merk hoe ze stilaan ongeduldig wordt.'Waar zegt u? Hoe komt u daarbij? Neen, vorige week in de wasplaats, meneer.'Ze loopt heen en weer door de kamer, voor het raam waar zware overgordijnen de middagzon buiten houden. 'Ja, hij stond er verdorie naast. Die vent is gewoon naast hem neergevallen, zomaar, ineens. Morsdood was hij.’Ik hou mijn blik strak op het zwakke gloeilampje boven de ontbijttafel.Toch zie ik hoe ze me aankijkt met ogen die even naar een punt hoog in de kamer verdwalen. Ik zucht. Ze verlegt haar mobieltje naar het andere oor.‘Ja…’ aarzelt ze en ze knijpt in haar paardenstaart tot haar vingers wit zien.Ach, ze doet maar wat ze niet laten kan. De koffie is koud. ‘Ja, daarom juist… ja…, neen…, luister nou even, meneer de direc… neen meneer, onze zoon heeft gewoon in paniek het verkeerde gepakt!’Ze kijkt weer met opgeslagen ogen en briest verder op en af door de kamer.‘Neen, het lag daar vóór hem op de wastafel, naast het andere. Je weet toch ook wel hoe onze Bert is.’ En nu gaat ze de overbezorgde moeder gaan spelen, zie. Ik doe alsof ik het niet merk.‘Heel gevoelig, ja. En snel van zijn melk. Je zou voor minder hé? Die jongen lag daar met halfopen mond naast hem op de grond. Met een straaltje kwijl op zijn kin, zo zei hij het. Hij is daar erg van geschrokken.’Ze kijkt me met een veelzeggende grijns aan terwijl ze met haar vinger een paar keer heftig naar haar mobiel wijst. Ze wisselt weer van oor, luistert even en zegt gelaten:‘Hij heeft het in zijn zakdoek gedraaid en is naar zijn kamer gelopen. Ja, zo vertelde hij het me gisteren.’Ik glimlach flauw en concentreer me op het kopje koude koffie. ‘Neen. Nee, pas de volgende dag. Bij het middagmaal, ja. Nee, hij kon niet eten.’Ze zucht nu erg luidruchtig.‘Maar neen, het past gewoon niet. Absoluut zeker!'Ze houdt haar hand over haar mobiel en fluistert me toe: 'Hij probeert ertussenuit te komen, maar 't gaat niet pakken, zie!'Ik roer wat in het kopje. 'Ja, precies, dat bedoel ik nou net, het is tenslotte toch een zorgcentrum daar bij jullie, of niet soms? U kent ons Bertje toch ook? Nee, zó snugger is hij nu ook weer niet.’Mijn vrouw kijkt aandachtig naar haar voeten en haalt diep adem.‘Ja, dat snap ik wel.' zucht ze. 'Nee… en is die jongen ondertussen reeds begraven, zegt u?'Haar ongeloof groeit zienderogen.'Maar ons manneke is wel zijn gebit kwijt hé! Dat heeft me vorig jaar nog twaalfhonderd euro gekost!’Ze danst nu opgewonden van het ene been op het andere.‘Neen, natuurlijk niet. Neen, je kan hem niet terug boven spitten! Ja… Nee, dat snap ik, meneer de directeur. Oké, daar reken ik dan op. Ja…, ja, neen, prettige dag nog…ja… en alvast bedankt.' Ze klapt haar mobiel dicht, geeft me een knipoog en kijkt me triomfantelijk aan.Ik mompel: ‘Jij ook nog wat hete koffie, schat?’                  

Guy Lejeune
12 0

De spieren van de radioloog.

Mevrouw + familienaam: zo spreekt hij me aan. Ik zit al op de ontsmette bank wanneer hij binnenkomt. Onmiddellijk heeft hij de muis in zijn rechterhand, kijkt naar mijn rechterschouder, haalt het bh-bandje naar beneden terwijl hij naar het scherm blijft kijken en met de muis over mijn schouderblad rolt. Wat ziet u? Ik wil zo spoedig mogelijk weten waar hij naar kijkt. Zit het kwaad daar? Niet in mijn hart, gedachten of gedrag, maar daar, onder de vette muis? Schuilt het kwaad in de kom van mijn schouder, leeft het ondergdoken onder spieren, achter een muur van weefsel? Hij neemt mijn bovenarm vast alsof hij me gerust wil stellen, merkt luidop op dat ze...ja hij zegt het zonder woorden. Ik begrijp dat mijn bovenarmen rond zijn, breed zijn, mollig. Atrofie? Ik doe alsof ik vergeten ben wat dat woord betekent, dwing hem zijn gedachten uit te spreken. Nu is het duidelijk; hij denkt dat mijn armspieren aan het afsterven zijn! Waaaat? Sporten, mevrouw! Pak dit aan, ga sporten! Hemel bij god nog aan toe, denk ik. Het is voor dat gezwel op mijn schouder dat ik hier op uw vuil ontsmette bank zit! En waar is uw masker? Ik vraag u waar uw masker is, mijnheer de radioloog. Het gezwel is niet kwaadaardig. Dat nieuws is goed en lucht me op, ik vergeet onmiddellijk dat zijn insinuaties niet echt flatterend waren. Doe aan sport, vervolgt hij, in groep, een aantal dames, pilates, ja PILATES! Ik kijk hem aan, benadruk dat ik zwem en jog en fiets en veel wandel. U bent een verstandige vrouw, repliceert hij. Eet gezond. Ik eet gezond, beste mijnheer. Nog even en ik verander in een banaan, pif poef paf en de man gaat af. Bijna elke avond ligt Pascale op mijn bord nadat ze in de oven opwarmde. Er zit al maanden een heerlijke LEO in mijn handtas om zo nu en dan naar te kijken. Ik heb de paarse lekkernij niet uitgekleed noch op mijn tong laten smelten. Als extraatje zet hij de muis op mijn buikvet, glijdt daar rondjes op gel alsof het een ijspiste is. Hij nodigt me uit te kijken. Niet naar mijn buik, naar het scherm. Dat zijn spieren (twee cm) en dat is buikvet (vier cm) zegt hij. Hij stelt me gerust; het vet is uitwendig vet. Ik kan er niet ziek van worden. Voor een ijdeltuit als ik is dat geen grote geruststelling. Maar ik besef dat gezondheid het allergrootste goed is. Hij veegt mijn schouder schoon met een papieren doek dus loopt het onderzoek op z'n einde. Ik wil naar de kleedkamer maar hij houdt me staande met de woorden 'wacht eens even'. Staat u scheef? Ik zucht. Ik ook, bekent hij. Dat komt door mijn job, ik sta niet recht. Terwijl ik naar huis wandel vraag ik me af wat de man bezielde. Hoe is het gesteld met zijn spieren? Volgt hij PILATES of dwingt hij zijn vrouw naar de lessen? En natuurlijk ben ik heel erg blij dat het maar een vetbult is, wat niet wil zeggen dat ik net als een kameel dat vet kan verbranden om mezelf te voorzien van energie.

Ingrid Strobbe
60 2
Tip

Nachtwake

‘Dolf es duud.’‘He?’‘Dolf…es duud’‘Ja?’‘Ja.’‘Diene mens leefde niet geiren.’‘He?’‘Hij leefde niet geiren, diene mens.’‘Nieje?’‘Nieje.’‘Ja.’‘Ja ja.’ Fré’s vader kwam binnen, ging voor het raam staan en begon te roken.   Hij slofte naar de kelder. Rookte nogmaals en dronk. Wij stiekem ook. Door de Westmalle waren onze geesten even beneveld als de omliggende velden die door slierten duisternis de nacht in slingerden. Fré en ik hielden vanuit de living de wacht. In de stal stond een koe onrustig te trappelen. Het was augustus en er zouden kalfjes geboren worden. Wij speelden play-station en rookten sigaretten. We zakten steeds verder weg in de vergeelde statige zetel, de klok tikte zacht, seconde na seconde verdween in een onmetelijk diepe put. Wij hadden niet veel meer dan elkaar. We hielden er beiden van om gewoon te hangen. Soms keken we elkaar zoekend naar erkenning en veiligheid aan. We lagen dan wel dicht tegen elkaar in die zetel, maar nooit als onszelf. De nacht sluierde ons. Had maar iemand een ontwapenende zin kunnen zeggen.  Had het allemaal gekund, we hadden geschreeuwd, geblaft als honden die met bloeddoorlopen ogen rechttoe rechtaan op hun prooi stormden. We waren bang elkaars jager te zijn. Later die nacht zou het kalfje geboren worden. Met zijn zakmes sneed de buurman de navelstreng door en schilde daarna met datzelfde mes een appel. Er was jenever. De fles ging rond. Iedereen dronk. Er werd gelachen. Alles was goed.      

Thomas De Mulder
107 5