Lezen

Tip

Er vloog een meeuw in haar keel

Er vloog een meeuw in haar keel. Ze voelde hem zitten, hij was op haar strottenhoofd geland en streek er nu zijn veren glad. Hij was schoon en zacht, met plukken dons in zijn verentooi. Ze probeerde er kleuren in te onderscheiden, maar er was alleen wit. Wittig beige net als de muren van haar kamer in de stad aan het water. De meeuw keek haar met een kraaloog aan en even leek het alsof het zwart haar opslokken zou. Ze wilde hem grijpen en net toen ze haar handen uitstak om de vogel uit haar keel te trekken opende hij zijn snavel en riep luidkeels dat het over was. Ze was bezweet. Haar haar plakte aan haar hoofd en nek en toen ze erdoor streek bleef een pluk aan haar hand kleven. Ze schudde de klit van haar vingers. Het was donker, het maanlicht priemde doorheen de blinden en onttrok flauwe schaduwen aan de bank naast de boeken. De boeken. Hij kocht ze op de markt, toen die net open was op een vroege winterochtend en het kraakte onder hun voeten. Het kraakte toen ook onder hun wereld. Ze kende elke letter uit het hoofd al las ze nooit een woord. Hij las ze voor. Ochtenden en avonden versmolten op het ritme van zijn adem en wanneer de nacht hun lichamen zwart kleurde bleef ze roerloos hopen dat ze wakker was. Toen was er nog alles. Hij en haar en de beige kamer in de stad aan het water. Nu was er alleen nog diezelfde kamer, het bed waarop ze lag en het legpuzzelschilderij aan de muur. Het was er stil. Zij was stil. Ze hield haar adem in om het nog stiller te maken en sloot haar ogen. Ze dacht aan het strand. Er moest licht zijn en water, maar toen zij er stond was het donker geweest, koud, en vooral te stil. Ze had de haai in de golven gezien, maar hij had haar bloed niet geroken. Dat was vroegtijdig in haar aderen gestold toen haar hart versteende bij het dichtslaan van de deur. Bij het uitademen vervloekte ze de kortstondige ademloosheid. Ze sloeg haar ogen op naar het schilderij uit duizend-en-één stukken dat ze samen legden. Het was een kamer voor twee, met niets dan een bed met houten spijlen met van die draaiknoppen op waar je niet aan draaien kan. Ze dacht aan haar terras en aan het zonlicht dat er nu vast opviel. Fel, direct, zonder vrees neerzengend op de al verdorde planten. Dor was niet dor genoeg. Het beeld van een zomer die er niet was kleefde op haar netvlies. In gedachten liep ze weg, weg van haar kamer in de stad aan het water, over kusten nergens, want er was niets meer, alles was weg, net als zij. Alleen het stallinkje van kerst stond nog naast de bank met een opgebrande kaars ernaast. Ze dacht aan het gras en hoe groen het nu was, zo groen als hoop zijn kon of nog groener misschien, als pas verschenen lentegras dat nog volop denkt seizoenen te overleven. Door de blinden heen waaide nu een flauwe zucht wind. Ze rilde even, ook al was de wind warm en zuiders. Het laken waarop ze lag verdroeg haar huid niet meer. Toen ze haar arm om zich heen legde viel Jezus uit zijn kribbe op de koudbruine vloer. Het stof brak zijn val en zijn kroon. Daar ergens in de stad was hij, net als zij, maar waar zij was was niets meer en waar niets meer was wou zij zijn. Ze waarden rond haar, de geesten, zoals enkel geesten rondwaren kunnen in gedachten en hoofden van mensen die op bedden liggen en staren naar wat was. De wind waaide weg uit haar kamer in de stad aan het water. Het was beige daar, en stil.

Sara Greet
0 9

Twaalf mei

In gedachten kocht ik je een boeket gele zonnerozen en liet ze inpakken met bruin papier. Ik droeg de ring die ik een jaar eerder voor je kocht en wreef erover alsof het een oosterse lamp was. Ik zag je voor me, je gezicht wijd als open vlaktes en je lachte wetend naar me. Je verkiest koffie omdat koffie zwart is als je nachten. Het houdt je wakker en dat vind je best, want slaap is iets voor rustige mensen, mensen die zomaar geboren worden en hun dagen aan elkaar rijgen met gestage alledaagsheid. Je ontstond net als ik in verwondering, in de onverwachte verwachting. Ik voel je. Als ik niet weet waar je bent sluit ik mijn ogen en zie ik je naar je auto lopen. Je draagt je tas net als ik aan je rechterschouder en laat die wat afhangen. Je kin is onbewust net zo omhoog gekanteld, wat ons soms hautain doet overkomen, maar het is de onbewustheid van de beweging die ons draagt, niet de arrogantie. Je hebt een stevige pas die verzacht onder het wiegen van je heupen. Je draagt charme als een sjaal die zijn parfum in de wind wappert. Je haar zit altijd opgestoken. Alleen ’s avonds, net voor je gaat slapen, laat je ze je schouders raken. Je probeert er niet naar te kijken. Het herinnert je aan hoe jong je was toen je volwassen werd en je houdt niet van de losse onzekerheid dat elke haar een andere kant op kan. Ik kijk in de spiegel en zie je rimpels zich naast mijn ooghoeken stempelen. Hoe je blik door mensen valt en hoe mannen naar je kijken als was je onbereikbaar. In één seconde bouwen ze een feloek en varen ze voorbij hun realiteit, op zoek naar jouw kusten waar het zoet aanmeren is in paleistuinen minnekunst. Woorden werden voor jou uitgevonden. Jouw naam oversteeg tijd. Er wordt nog steeds over je geschreven. Er is iets met mijn lippen. Als ik ze op elkaar hou, een beetje naar voren tuit en dan mijn mondhoeken krul, trekken mijn jukbeenderen omhoog en denk ik aan je. Altijd. Het is een soort glimlach geworden waarmee ik mezelf optillen kan als de dag te zwaar om mijn schouders hangt. Het grondt me in de wetenschap dat ik net als iedereen geboren ben en niet uit de lucht kwam vallen als een dode ster. Toen ik je zag viel de lucht op mijn kop en stal mijn adem duizend wolken zuurstof. Er is geen mooiere vrouw. Je keurde me als een welp dat uit het nest viel en duwde je neus in mijn haar. Ik rook naar de wereld. Je sprak met de bedachtheid van een licentie rechten en vouwde je handen met de berusting van de Boeddha terwijl in je het noodweer al je schepen op mijn klippen sloeg. Hier op het strand, laat ik de zonnerozen in bruin papier aan de zee en haar tijdingen. Ik kom nog wel eens naar de horizon kijken, of je er al verschijnt en ik misschien een vuurtoren voor je aansteken kan.

Sara Greet
0 1

Na de opdracht

Het was reeds nacht. We bevonden ons in een kamer die enkel verlicht was door een kandelaar in het midden van de tafel. In de kandelaar bevonden zich vijf kaarsen, slechts half brandend en reeds kaarsvet druipend. Recht tegenover mij zat Jos. Links van hem Axel en rechts Gino. Voor elk van hen lag een pistool, geen idee wat voor pistolen, ik ben er tegen. Gino had een heimelijk lachje op zijn gezicht. Hij kon zich waarschijnlijk niets heuglijker inbeelden dan hier tegenover mij zitten aan deze tafel. Mij angst inboezemen alsof ik een klein, fucking meisje was dat al weken op zoek was naar haar mama. Hij kon niets beter bedenken dan dat ik zo’n domme fout zou maken. Een fout van leven of dood. Aan Axels gezicht zag ik dat hij zich schaamde. Dat hij teleurgesteld, trots, woedend en nog zoveel andere dingen tegelijk. Maar schaamte was het gevoel dat hij het meeste voelde, schaamte in mijn plaats. Schaamte dat hij mij had vertrouwd met deze opdracht en dat ik ze zo stevig verkloot had. Hij had mij op voorhand reeds gezegd dat hij trots op me was, tot ik hem vertelde hoe het verhaal afliep. Nog nooit had ik hem zo razend gezien als toen. En dan Jos nog. Jos toonde niet vaak emoties. Nog maar één keer tot nu toe, toen hij mij zijn knuppel gaf. Toen was hij ontroerd, trots en blij dat iemand hem –naar zijn woorden- waardig kon opvolgen. Ik vraag me af hoe daar nu over denkt. Ook zijn knuppel ligt hier op tafel. De knuppel ziet er even verslagen uit als ik. Bloed over gans zijn lengte, barsten in de top en het voelt alsof hij gaat ontploffen. Jos bekeek de knuppel even als hij binnenkwam, maar gunde hem nadien geen blik meer. Alsof hij zichzelf verafschuwde dat hij hem ooit aan mij had gegeven, al weet ik dat dat niet zo is. Plots staan de drie mannen recht, hun aangezicht slaat lijkbleek en het voelt alsof ze zo meteen één voor één gaan neervallen van angst. Zo had ik ze nog nooit gezien. Axel kijkt me recht in mijn ogen zonder dat zijn gelaat een krimp geeft. Ik besef dat ook ik moet gaan rechtstaan, dus dat doe ik. De deur achter me gaat open met enig gepiep en een lichtstraal die langs me heen ontstaat en zich voortplant over de tafel. Een schaduw wandelt binnen. Ze torent hoog boven mij uit, neemt en stoel en plaatst zich achter me. Ik durf niet omkijken uit angst wat ik zou te zien krijgen. Ik voel me in een slechte, té amerikaanse actiefilm, maar durf me niet verzetten tegen het gevoel om te zwijgen en te luisteren. Het angstzweet breekt me nu dan toch uit. Ik voel hoe mijn lichaam klam en nat wordt en ruik de geur van niet enkel mijn, maar ook het zweet van de drie mannen tegenover me. Ze gaan terug zitten. Ikzelf wil ook terug op mijn stoel plaatsnemen, maar Axel kijkt me weer in de ogen met dezelfde blik als daarnet. Mijn knieën krijgen het zwaar en de stress begint me teveel te worden, nog heel even en ik val tegen de grond. Een zware stem, afkomstig van de stoel achter me beveelt me ta gaan zitten. De stem verteld me wat ik allemaal voor de organisatie heb gedaan. 34 opdrachten en 53 ritten. ‘En dat allemaal op 1 jaar 3 maanden en 12 dagen.’ Zegt de stem, ‘Indrukwekkend.’ Ik durf niet te antwoorden. Wat moet ik hierop antwoorden? Ik weet dat ik hier niet zit om complimenten te ontvangen. Ik zwijg. Axel kijkt me in de ogen, maar probeert het niet te laten merken aan de rest. Hij doet teken dat ik moet antwoorden. ‘Maar ik weet niet wat’, spreekt mijn blik voor zich. ‘Awel, Komt er nog wat van?’ Een harde tik ramt tegen de achterkant van mijn hoofd en zorgt er bijna voor dat ik van mijn stoel glijd. ‘Ja! Ja, ja. Dat ben ik, dat heb ik allemaal gedaan.’ ‘Ah, Toch nog. Wat was dat gisteren man? Godverdomme he!’ roept de stem. ‘Iemand dat zich zo inzet kunnen wij hier blijven gebruiken ze. En wat nu? He? Nu kunnen we u ni meer bij ons houden he. Godmiljaar!’ Wat bedoelt hij daarmee? Waarom kunnen ze mij niet bij hun houden? En waarom liggen die drie metalen schiettoestellen op tafel? Ze gaan mij kapot maken he?! Ik Voel het! Wat moet ik nu doen? Weglopen, of wat? Ik weet niet meer wat te denken. Ik voel een druppel van mijn halflange lokken op mijn neus druipen en tot op mijn bovenlip lopen. De stem ging verder. Hij zei me dat hij kon begrijpen dat ik mijn koelheid al eens kon verliezen, maar dat ik wel mezelf altijd onder controle moet houden. Dat ik niet zo mag reageren als nu. Dat wat ik nu gedaan enorme gevolgen gaat hebben. Niet enkel voor mij, maar ook voor de organisatie. Dat als ze mij nu niet zouden verwijderen dat ik binnen de korste keren achter slot en grendel zou zitten, en dat ik dan niet in verband mag komen met de organisatie, in geen enkel geval. Ze moeten mij losknippen, mij wegbonjouren en nooit meer achterom kijken. Een steek diep binnen in mij, dat kan ik je wel vertellen. Een hand glijd mijn rechterschouder op, knijpt er in. Mijn hoofd wil zich draaien. De bron van de stem recht in de ogen kijken en daarna vluchten. Vluchten in de lichtbundel die door het sleutelgat van de deur achter mij de kamer binnen schijnt en zich aan baan tot aan mijn voeten vecht. Als ik daar nu eens zou kunnen in wegzwemmen, recht naar de zon. Wat zou ik nu graag overal zijn, zolang het maar niet hier is. Ik zoek de kracht, of überhaubt een kracht om recht te springen, de stoel die mij een plaats biedt op te nemen en er mee in het rond te zwaaien tot de vloer zich heeft verscholen onder de plas bloed van de vier mannen die mij in de kamer vergezellen.

Senne
0 0
Tip

Dilbeek

Vandaag was ik in Dilbeek. Omdat ik uit een Vlaams nest kom, denk ik er meteen de woorden ‘waar Vlamingen thuis zijn’ bij. Zoals ‘iedereen komt, als je Leo roept’, bij iemand die Leo heet. Maar Dilbeek dus. Ik had er een afspraak met een mogelijk nieuwe klant. Een prospect heet zoiets in de taal waarin ik betaald word. ‘Spreekt u Frans?’, vroeg de man me bij het binnenkomen. 'Oui, oui, bien sûr,' zei ik. Ah oui, car je suis Belge, wilde ik er nog aan toevoegen, maar de laatste keer dat ik dat zei, was tegen een erg aimabele Waal, waarop die zich wat geviseerd voelde door mij, omdat hij ook Belg was, maar geen Nederlands kon, of toch niet zoals ik Frans kan. 'Le plus important, c’est qu’on se comprend,' zei ik. En dat meende ik ook. Toen tegen die Waal, en nu tegen die Dilbekenaar. Het werd een beleefd technisch gesprek met de patron en zijn rechterhand over potjes vol olijven waarop een ingenieus etiket moest komen. Er borrelden spontaan prijstechnisch interessante ideeën in mij op, die ik losjes uit de pols op tafel gooide. Eensgezindheid alom, en in het vlotte taaltje dat ik me de voorbije twintig jaar eigen heb gemaakt, nam ik even gezwind afscheid als ik hen had begroet. De versnaperingen die een secretaresse op drie borden op tafel had gezet, had ik onaangeroerd gelaten. De laatste keer dat ik ad fundum Griekse hapjes had genuttigd, nu toch zo’n 15 jaar geleden, ben ik er een week ziek van geweest. Ik wil er gerust een etiket op kleven, maar het ook nog eens eten, is iets anders. Opnieuw in de Vlaamse buitenlucht, lachte een Belgische zon me hartelijk toe. Ik heb altijd de neiging te denken dat de zon in het land waar ik ben alleen van dat land is. Zoals de zon die ondergaat in de Noordzee toch onmogelijk dezelfde kan zijn als die van de Middellandse zee? Het is een zienswijze die ik graag volhoud. Het zorgt ervoor dat ik er op vakantie foto’s van maak. Kijk eens wat een zon we daar hadden. Zoiets. Enkele ogenblikken later reed ik met mijn prospecterende auto opnieuw doorheen de propere Dilbeekse straten. En toen, toen herkende ik het. Als een foto uit mijn album van 1973. Die heuvelende straten, de appartementsblokken van vier hoog en hun zonnewerende terrassen van gefumeerd glas. Hier was ik als kind vaker geweest. Deze glooiende voetpaden kende ik. Ooit had ik er onwennig met mezelf op gehinkeld. en gerolschaatst. Ja, ik was een krak als het op echte jongensspelletjes aankwam, toen ik acht was. Er passeerden flarden hevige zonneschijn in mijn hoofd en een korte blauwe sponsen broek. En ook gesprekken met voorbijgangers die ik niet begreep. En de lieve ogen van mijn moeder, die me af en toe een blik gunde vanuit het keukenraam van het appartement drie hoog, waar ze een Franssprekend nichtje hielp met wat Vlaamse huiselijke arbeid. Heel even aarzelde ik, wilde ik de auto parkeren, en het appartement zoeken waar ik vanop het terras ooit naar beneden had gekeken, in een stralende zomerzon, met een veelkleurige lolly in de hand, angstig om zoveel zonnige hoogte. En heel even, heel even maar, kon ik het zuur in mijn keel proeven, en hoe de lolly aan mijn bezweette jongenshandjes begon te kleven. Dat die beelden na bijna veertig jaar nog in mijn buik en hoofd geparkeerd zitten, dat mag een wonder heten. Een Fransman schreef er een verplicht platgelopen stuk over. Ik weet het. Niks nieuws onder de Europese zon. Heel even had ik zin om patisserie Lejeune binnen te gaan, daar op de hoek. En dan te zeggen: ‘Un koffiekoek, s’il vous plait’. Ik krijg er in deze streken altijd gegarandeerd een serviette bij. Ze horen immers dat ik van ver kom, en de koffiekoek in de auto zal opeten, vooraleer ik me weer naar een volgende prospect begeef. Een serviette is dan handig. Het gaat anders zo aan het stuur kleven. Le plus important, cest qu’on se comprend, denk ik nog. En met een zurige krop in de keel, word ik wat verderop één met de avondspits.

Jan De Palmeneire
66 4

Dorp

Er is een dorp, in Frankrijk, waar we vaak komen. Als ik mémoires had, dan zou ik ze daar schrijven. Zo'n dorp is het. Voor een huis, op een groot zwart bord, schrijft men met wit krijt: 'poisson, demain, 9 h' En soms ook niet. Dan is er geen vis. Dat soort dorp is het. Er zijn huizen met nog veel asbest. En als je iets verbouwt, dan breekt men de asbest er wel uit. Men doet dat gewoon. En men brengt het weg. Geen idee waarheen. Zo'n dorp is het. Zaterdagmiddag worden er in een weide soms banden verbrand, en een hele hoop rotzooi. Weg is weg. En de lucht is van iedereen. Er zijn huizen met gaz de ville. En er zijn huizen zonder. Op de parking van de Carrefour kan je butagaz kopen. En soms ook bedden en matrassen. Super conditions. Ik loop er graag te strandjutten. Oranje nylon, blauwe bussen, rode stukken plastic. Er zijn planken met perfecte rondingen die op duizend golven gedreven hebben. Dat neem ik mee. In een zak van de Aldi. Kwestie van wat bij het landschap te horen. Er is drie keer per week markt. Mannen met handen als schoppen verkopen dan synthetische bloemende bloezen aan vrouwen die op hun hond lijken. Er is een kraam met toutuneuro. Ik loop er wat in te neuzen. Er zijn dingen die ik koop, en later vastknoop met oranje nylon aan rode stukken plastic en op ronde planken timmer. Dan waan ik me de koning te rijk. Het zijn werken die ik in open lucht tentoonstel aan de meeuwen die er krijsend hun afschuw over uiten. En we fietsen. Naar het oosten. Naar het westen. Naar het zuiden. En steeds opnieuw, omdat we altijd weer vergeten waren hoe fijn de dagen er zijn. Het is iets om naar uit te kijken. Zoals de lente.

Jan De Palmeneire
16 4

Omdat hij het is

Ik loop door de bijna verlaten stad. Gelukkig, ik ben er bijna. Ik vertraag mijn stap om wat bij te komen van het avontuur. De laatste trein naar Amsterdam en uitstappen op een bijna verlaten perron. Ik merk dat ik mijn adem inhoud. Gauw de hal nog door en dan de deur naar buiten. Er rijdt geen tram. Het gevoel in mijn buik alsof mijn darmen zich samenpersen wordt sterker. Jongleren op het Spui! Het lijkt wel een weddenschap van durf ik wel of durf ik niet. Ik hou van reizen. Ik hou van circus maar ik ben niet in het circus geboren zoals hij. We hebben enkel die vreemde passie gemeen. Het gooien van allerlei dingen in de lucht en dit combineren met praten over dingen in de wereld maar vooral over wat ons bezig houdt. Ik voel me weemoedig worden of is het verliefdheid? Een mengelmoes van verliefd zijn op het verleden en weten dat dit nooit meer terugkomt. Ik zie hem nu weer onverwacht voor de deur staan. De herkenning en meteen de klik en mijn ja zonder nadenken tegen de uitnodiging. Ik ga wat harder lopen op de muziek van de straatmuzikanten in de verte en zie hem zwaaien. We zijn precies hetzelfde. Het zweet loopt over mijn rug en staat op mijn voorhoofd. De schmink zal wel doorlopen. Achter mijn vermomming houdt de angst zich schuil en alle andere gevoelens. De koffer met ballen zeul ik voort en ik voel nog even of mijn hoedje goed zit. Het elastiekje om mijn kin knelt. De gele pruik met krullen jeukt verschrikkelijk. Hee hoor ik mezelf roepen en stap veertig jaar terug.

Nellie
0 0

Moordenaar

Ik staar in de spiegel. Heel mijn lichaam staat vol met dezelfde, donkere zwarte letters die samen dat donkere, vuile woord vormen. Mijn armen, mijn buik, mijn benen. Mijn hele lichaam staat er mee vol. Naar mezelf durf ik niet kijken, wil ik niet kijken. Een zonnestraal verblindt me. Ze schijnt via de spiegel in het lemmet van het grote keukenmes in mijn rechterhand in mijn ogen. even knijp ik mijn ogen toe, vergeet ik dit alles, maar al vlug overvalt de realiteit me weer. Daar zie ik mezelf weer staan. De letters op het ontblote lichaam. In de spiegel zie ik alles. Hoe klein ik ben in de gigantische slaapkamer. Waarom zou ik deze kamer verdienen? Ik hoor hier niet! Hij hoort hier! Niet ik! Ik verdien het grote, zilverkleurig bed niet dat bijna rijkt tot aan het pas wit geverfde plafond. Of de antieke bruine kast. Een kast met al meer ervaring, al meer verhalen dan ikzelf. Maar minder dan hij er had. Minder verhalen dan de verhalen die hij nu niet meer heeft, maar heeft doorgegeven aan zijn beminden. Waarom zou ik het tapijt verdienen, het gigantische tapijt waar ik als kind wel vaker op in slaap viel. Op de uitkijk naar de monsters onder het bed. Mij zouden ze niet verrassen, ik stond altijd paraat. Hoe kon het dat zo’n lief kind was uitgegroeid tot het monster dat hier nu voor de spiegel staat. Dit monster, momenteel getekend door de letters op zijn lichaam. Eeuwig geketend door zijn herinnering. Weer schijnt de zon in mijn gezicht. Ditmaal volgt hij het traject omgekeerd: via het mes in de spiegel, tot in een traan die over mijn wang rolt. Ik laat mijn blik nog voor een laatste keer op mezelf vallen. Nat van het zweet en de tranen sta ik te trillen, te beven voor de spiegel. Lees nog één keer de woorden die mij doen beseffen dat ik het hoogtepunt van mijn monster-zijn heb bereikt. Hoe vaker ik de letters lees hoe meer ik besef wat ik gedaan heb en hoe meer ik vindt dat mijn plan de juiste daad zou zijn. Het roestvrije stalen lemmet van het keukenmes wacht. Het wacht om tussen het vet rond mijn polsen te dringen en diep in mijn slagaders te dringen. Het wacht om de redder van mijn bloed te zijn, de verlosser van mijn geheugen. Het zal zowel mijn bloed als mijn herinneringen doen ontsnappen, ze laten gaan. Ik zou wel willen, maar kan het niet. De vogels die ik hoor fluiten achter het witte raamkozijn herinneren me aan mijn familie. Wat moet ik hen schrijven, hen nalaten? Wat kan ik hen als reden geven van mijn vertrek, van mijn plotse gaan? Ik kan mijn moeder toch niet vertellen wat haar zoon gedaan heeft.

Senne
0 0

Wachten op jou

Zeven dagen wachten op die glimlach van jou doet mijn  hart bevriezen van ellende in de kou   Zonder jou, zonder jou schijnt de zon veel minder fel zonder jou, zonder jou gaat het leven mij te snel zonder jou kan ik niet dromen zonder jou kan ik niet gaan en toch blijf ik zitten hopen dat je weer terugkomt… en gauw   Die dag vertrok je je sloeg de deur achter je dicht na een week zou je weer keren zei je sussend in mijn gezicht ik geloofde jou… met mijn ogen dicht maar ik besefte na twee dagen dat je me tot wachten had verplicht   Zonder jou, zonder jou vullen de dagen zonder hoop zonder jou, zonder jou ontneemt mijn leven zijn beloop zonder jou kan ik niet dromen zonder jou kan ik niet staan dus hier zit ik nog te wachten tot je weer terugkomt… en gauw   Ik belde je op zoals het hoorde niet te vroeg en niet te laat maar toch leek het je te storen toen ik vroeg hoe het met je gaat het kwetste mij... je koud verwijt dat ik niet wist dat al mijn twijfels enkel maar bitterheid vergaart   Zonder jou, zonder jou behoudt de zon nog steeds zijn schijn zonder jou, zonder jou zitten mijn gedachten op één lijn zonder jou blijf ik toch dromen zonder jou moet ik nu gaan waarom zit ik nog te hopen dat je weer terugkomt… en gauw   Ik moet je iets vertellen ik hoop dat je me niet haat toch lijkt het mij verstandig dat ik het verder zo laat je vertelde mij… dat je keren zou maar na zes weken wachten neem ik het niet meer zo nauw   Zonder jou, zonder jou vullen de dagen zich met hoop zonder jou, zonder jou neemt mijn leven zijn beloop zonder jou kan ik nog hopen zonder jou zal ik door gaan dus blijf ik niet meer dromen dat het nog goed komt… met jou

BartDR
0 0