Lezen

Vloeiend

 Minutenlang vroeg ik me af waarom we het zover hadden laten komen. De kus leek het onafwendbare einde van een tragedie. De katalysator die het verval in gang zette. De doodsteek voor onze uitzonderlijke band. Tot gisteren was alles zo eenvoudig mooi geweest. Niets hoefde en niets was uitgesproken. We waren de beste vrienden voor altijd. We konden over alles praten. Over alles behalve over de liefde.   De liefde was taboe voor ons. Niet omdat we er niet wilden over praten, maar net omdat er niets meer over te zeggen viel. We wisten het; van onszelf en van elkaar. Ik had haar al meermaals zien wegzinken in mijn ogen, terwijl ik me verloor in haar lach. Op zulke momenten was ze niet meer in staat te horen wat ik zei en bewoog ik mijn mond op automatische piloot. De hersenloze klanken waren voor ons minstens even belangrijk als onze complexe gesprekken. Het waren de klanken die ons de mogelijkheid boden onszelf te verliezen en op te gaan in een wereld die van ons was. Een wereld die niemand begreep en niemand kon betreden.   Dag na dag verlangde ik ernaar haar te zien. Elk uur wilde ik haar goddelijke stem horen. Haar hersenloze klanken waren veel mooier dan de mijne en haar gedachten kon ze op zulke verfijnde manier weergeven dat ik me schaamde over mijn eigen gebazel. We zagen elkaar en we praatten. Elke keer weer. Zonder meer, want dat was voldoende. Meer hoefde het voor mij niet te zijn en ook niet voor haar. We hadden het goed zonder gebonden te moeten zijn, zonder de inherente onzekerheden. Zonder verbond waren er immers geen zekerheden die zichzelf tot onzekerheden konden bombarderen. Alles zweefde en vloeide. De klanken en het leven. De woorden en de daden.   Ik hoefde haar niet aan te raken om gelukkig te zijn. Zij hoefde mij niet te kussen om te voelen wat ze voor mij betekende. We hadden die bevestiging niet nodig. Samen zijn en praten was het allerbelangrijkste. Zolang er woorden kwamen die betoverden, inspireerden we elkaar. We waren elkaars bron, elkaars begin en einde. De enigen die konden vatten wat er met ons gebeurde. Het kriebelende gevoel in onze buik was niets vergeleken met de lichtheid in onze hoofden.   De toverdrank die ons gevoel kon bottelen, zou dodelijk zijn. Te heftig voor onervaren zielen. Te gevaarlijk voor zuivere hedonisten. Het was de oermagie waar wij dag na dag mee flirtten. Haar kracht zat niet vervat in het streven naar het aardse of ondermaanse. Wij gingen verder. We lieten de zon achter ons en verloren onszelf in elkaars duisternis. We waren elkaars wegwijzer. De fonkelende sterren op de eindeloze tocht. We gingen door zonder te weten waar we zouden uitkomen, of er een einde was, of het ooit zou stoppen.     De meesten begrepen onze relatie niet. Die zuiverste vorm van samenzijn was hen vreemd. In onze hoofden waren we echter een geheel. Bijna volmaakter dan de oneindigheid van de lepel gingen we door het leven. Eindeloos herhaalden we dat woord om ons erin te verliezen. Doodgewoon of achterstevoren kwamen we steeds weer bij de essentie uit. Twee delen die samengeklit waren om elkaar nooit meer los te laten.     Het was echter te mooi geweest, te zoet en te lieflijk. De toorn van het Fortuna was harder dan we hadden verwacht. Scheiden kon ze ons niet en daarom bracht ze ons dichter bij elkaar. Op letterlijke wijze werden onze lippen door haar onzichtbare hand op elkaar gedrukt. Onverwacht, ongeplaatst en onzeker. De hand verwijderde zich, maar wij konden niet wijken. Het voelde avontuurlijk aan, maar vertrouwd tegelijk. Haar lippen deden de mijne tintelen. Ik wilde ze nooit meer verlaten en kuste haar opnieuw. Niet omdat het zo hoorde, maar omdat het zo voelde.   Als ze vandaag niet meer kwam, was alles voorbij. De kus, de band, het verbond. Nooit zou het nog hetzelfde kunnen zijn. Nooit zouden we nog kunnen terugkeren naar die beëindigde eindeloze tijd. De stilte na de kus had voor onrust gezorgd en had ons verscheurd. De woorden waren verdwenen waardoor we onbeschermd tegenover elkaar stonden, maar nu was het anders. Ze tikte me op de rug. De woorden kwamen en vloeiden over in haar lippen.

Expialidocious
0 0

Ge(en)noten

Het was een minuut voor acht toen Inez het repetitielokaal binnenkwam. Ze was maar net op tijd en toch flaneerde ze rustig naar haar plaats. Ze stond al maanden naast mij op de rij, zodat ik heel goed wist wat ze kon en wat niet. Onze chef hield zich klaar om de repetitie te beginnen, maar Inez had natuurlijk nog geen tijd gehad om de juiste partituren te zoeken in de rattennest van haar tas en bleef dus nog wat rommelen. De chef zag dat het hopeloos was en gaf teken dat we mochten beginnen. Vanaf de eerste maatslag zong ik mijn noten zo briljant als ik kon. Iedereen mocht horen dat ík de volgende solo waard was.   Inez moest niet denken dat de wereld aan haar voeten lag sinds ze een solootje had mogen zingen. Het was niet eens een moeilijke geweest. Gewoon wat lange noten zonder veel gevoel, of dat gevoel was me door haar uitvoeringen toch niet opgevallen. Het was vreemd om te moeten zwijgen, terwijl zij zong. Lange tijd had ik gedacht dat de chef die solo te gemakkelijk had gevonden om aan mij te geven. Ik verwachtte nog een belangrijkere solo te krijgen tijdens dat concert, maar ik had het verkeerd. Voor de sopranen was er maar één grote solo en dat was de solo die Inez had bemachtigd.   Voordien had ik het vrij goed met dat stille meisje kunnen vinden. Ik was diegene die met haar begon te praten als ze maar wat stond rond te kijken. Ik had haar tips gegeven om haar ademhaling beter onder controle te krijgen. Ik had de moeilijke passages met haar doorgenomen en nu dacht zij dat ze me ook meteen kon vervangen. Het ergste was echter dat chef er blijkbaar er ook zo over dacht. Ik kon geen objectieve verklaring vinden voor deze plotse verandering. Ik had meer ervaring en zong duidelijk net dat tikkeltje beter. Er moest een andere verklaring zijn. Was ik niet schattig genoeg? Vond hij mij te oud voor die solo? Klonk hij spectaculairder uit de mond van iemand die nog maar net uit de wieg kwam? Wat de reden ook was, ik was fu-ri-eus. Wekenlang vertrok ik mokkend naar de repetitie. Toen ik voor de deur stond, toverde ik echter mijn breedste glimlach tevoorschijn en sprak ik mezelf moed in. Ik zorgde ervoor dat ik iedereen hartelijk groette en vroeg naar de gebroken voet van het zoontje van de ene en het (sowieso uitstekende) rapport van het dochtertje van de andere. Alleen met de kleine trol wilde ik niets meer te maken hebben. Toen mijn teerbeminde medesopraan tijdens de generale repetitie begon te hoesten tijdens haar solostukje, nam ik de vloeiende notenlijn niet van haar over. Als zij wilde schitteren, moest ze maar schitteren. Ik zou haar rommel niet opruimen. Tijdens een solo had ik bovendien nog nooit gehoest. Ik zou nadien liever met een knalrood hoofd in elkaar gezakt zijn dan dat ik mijn moment de gloire niet naar behoren had afgewerkt. Bij privileges hoort een minimum aan verantwoordelijkheidsgevoel. Het was echter niet naar de zin van de chef dat ik maar wat toekeek terwijl zij zich stond te verslikken. Volgens hem had ik meteen moeten overnemen. Ik stond naast haar en ik kon dus echt wel zien wat er aan het gebeuren was. Hij had natuurlijk gelijk, maar ik hield me van de domme. Met een onschuldig gezicht antwoordde ik dat ik niet wist of ik wel mocht invallen. Hij keek me ongelovig aan en liet het koor drie maten voor de vervloekte solo opnieuw beginnen. Op het concert heeft ze zich spijtig genoeg niet verslikt. Alles is vlekkeloos verlopen. Ik had er sindsdien officieel een rivale bij. De repetitie na het concert begonnen we met de voorbereiding van het volgende concert. De solo’s voor de komende concertreeks waren nog niet verdeeld, maar deze keer zou ik hem krijgen. Op de momenten dat ik hoorde dat mevrouwtje hard aan het zingen was, durfde ik wel eens zachtjes een klein beetje te laag zingen in de richting van haar rechteroor. Het was me nog nooit gelukt om haar in de war te brengen, maar vandaag lukte het wel. Met dezelfde geluidssterkte gleden de noten over haar lippen. Ze waren duidelijk te laag. De chef liet het koor ophouden. Terwijl hij Inez aankeek, vroeg hij of de partituur voor iedereen duidelijk was. Mijn repetitie kon niet meer stuk.

Expialidocious
0 0

Muur

Ik wil dat ze me met rust laten. Ik heb het niet gevraagd om hier rond te lopen. Ik moet het gewoon doen. Ik kan mijn lichaam niet verlaten en rondzwerven, al zou ik niets liever willen. Ik zou graag een vlieg zijn. Of onzichtbaar om niemand meer voor de voeten te lopen.   Ze is gestoord. Totaal gestoord en niet te vatten. Een zielige eenzaat die het zelf heeft gezocht. In de les zit ze altijd achteraan. Starend naar het bord of naar haar blad. Wanneer ze schrijft, maakt haar pen geen geluid. Als je haar niet zou zien zitten, zou je denken dat ze niet bestaat. De leraars kunnen haar naam niet onthouden. Ze is zo oninteressant dat niemand weet wie ze eigenlijk is en wat ze doet. Zelf weet ze alles. Ze sluipt iedereen achterna en luistert de gesprekken af. Vr Wat de anderen doen interesseert me niet. Wat ze zeggen nog minder. Wat verwachten ze dat ik doe wanneer iedereen me links laat liggen? Wat kan ik anders doen dan de stroom volgen? Wat verwijten ze mij terwijl ik net hetzelfde doe als zij? Wat zouden ze ooit tegen mij durven zeggen? Ze is kleurloos. Zo kleurloos dat je er bang van wordt. Ze leeft en dwaalt rond op school. Ze valt niet op, maar is er altijd. Ze duikt steevast op als anderen net willen dat niemand hen ziet.  Als een schim spookt ze rond zonder het te beseffen. Ze heeft altijd alles gehoord, maar niemand weet of het werkelijk doordringt in haar wereld.    Doen die anderen gek of ligt het werkelijk aan mij? Doen vliegen het werkelijk beter in het leven of hebben ze het gewoon gemakkelijker? Doen ze geen domme dingen zoals ik? Doen hun soortgenoten hen beseffen wanneer ze iets doms doen? Of doen ze niets en vliegen ze maar wat rond? Ze is vreemd. Haar afwezige blik eindigt niet. Niemand zou durven nadenken over haar gedachten. Gruwelijke moordplannen om wraak te nemen op iedereen die haar links laat liggen. Moordplannen om iedereen te grazen te nemen. Ze weet alles en zegt niets. Woorden zijn haar vrienden niet. Ze laten haar in de steek. Net als iedereen, maar dat heeft ze zelf gezocht. Ontoegankelijk voor een normale mens. Moet ik mezelf verloochenen en oogcontact zoeken met de anderen? Moet ik oefenen op het beheerste gebruik van mijn tong? Moet ik doen wat de anderen willen en uit hun buurt blijven? Moet ik stoppen met leven? Moet ik rondvliegen zonder vleugels? Ze is grijs. Niets valt af te lezen op haar gezicht. Over niets heeft ze een mening. Ze is het gespreksonderwerp als alle roddels uitgemolken en achterhaald zijn. Wanneer de komkommers groeien bij het bos. Ze kent geen zwart en wit evenmin. Ze houdt er gedachten op na die de wereld niet mag kennen. Alleen haar hoofd weet wie ze is en wat ze wil. Als ze al iets wil. Met haar ogen waarvan niemand weet welke kleur ze hebben. Of ze wel een kleur hebben. Anders dan de anderen wordt niet aanvaard, wat de alternatievelingen ook mogen beweren. Anders zijn doet mensen pijn zonder dat ze beseffen dat iedereen lijdt. Anders had ik er toch niet voor gekozen om anders te zijn? Ze is onbegrijpelijk. Verzinkend in haar eigen wereldje moet ze meedraaien met de aarde. Elke keer weer daalt ze neer op aarde na een lange reis. Ze komt van ver en niemand heeft vat op haar. Ze wil het niet en ze kan het niet. Ze zegt maar wat en gaat op in de meubels, de bomen en tegels. Ze begrijpt het niet en ze wil het niet begrijpen. Ze kan dit niet volhouden. Leven zonder deel te nemen aan het leven. Kijken zonder te participeren. Staren zonder te zien. Ik moet wat anders doen. Moet ik wat anders doen? Anders moet ik wat doen? Doen wat ik anders moet? Wat moet ik anders doen?

Expialidocious
0 0

Recht op Rechtenmeisjes

Vanaf dit academiejaar zijn enkel mensen met een KUL-kaart nog welkom in de Leuvense fakbars. Hiermee komt een einde aan de eeuwenlange vrije toegang tot het vrouwelijke rechtenvolk. Merci, Tobback. Het is niet omdat jij jouw Lowietje niet meer recht krijgt, dat je ons het recht kan ontzeggen op horizontaal plezier met rechtenmeisjes. ‘Enkel KUL, zo sta ik minder voor lul’ denkt deze steriele Stalin.   Nochtans vormt dit edict een inbreuk tegen Artikel 1 van het Leuvensche Handvest der Studenten & Alumni (1431), dat ‘een vrij verkeer van geslachtsgoederen op de Tiensestraat’ voorziet. Het addendum ‘zonder discriminatie op basis van facultaire oorsprong’ kwam er in 1615. De mannelijke rechtenstudenten schermden immers hun vrouwen rigoureus af tegen elke vorm van interfacultair contact, uit vrees voor besmet bloed uit vuilbakrichtingen zoals politieke en sociale wetenschappen. Na twee eeuwen van inteelt en advocatenkribbes vol mongooltjes dwong een toga niet langer respect af, maar diende de witte bef om het speeksel van hun zwakzinnige kroost af te vegen. Om de zever in pakjes in de rechtbanken op een enigszins aanvaardbaar niveau te houden, besloot de rechtendecaan zijn fakbardeur te openen voor het plebs. Blut und Boden veranderde echter stilaan in Bloed op de Bierbodem. Stevige Cristal-nachten eindigden in vechtpartijen en glasscherven. Veelal vormde de aanleiding het ongewenst verleggen van de zijstreep bij de parmantige rechtenjongens. Toen het volkse bloed niet meer uit de Burberry-pofbroeken te wassen viel, werd de plebejers in 1650 opnieuw de toegang ontzegd door het invoeren van codexartikels als codewoord. Dankzij de overgewaaide ideeën uit de Franse Revolutie werd de fakbar in 1790 evenwel omgedoopt tot ‘Het Huis der Rechten’, waarbij de deur voorgoed openstond voor iedereen. Tot de socialist Tobback dus anders besliste. Met deze maatregel trapt Tobback vooral de eeuwige student op straat. Alumni, geleid door gevoelens van lust en nostalgie, worden nu tot lauwe pinten uit groene flesjes aan 3€ op kleffe afterwork-events gedwongen. Zij gluren niet langer naar de blos van jonge maagden, maar staren naar een overdaad aan blush bij veelgelaagden. De overgang naar het werkleven is geen roetsjbaan meer, maar een ezelstrap naar de hel. Ik neem dus gedwongen afscheid van het HDR. Mijn donkere glasbak van gebroken dromen, vervlogen vrouwengeuren en goedkope 90’s-geluiden. Waar bij wet verklaarde prinsesjes uit Kortrijk en Sint-Truiden hun werkcollegestress wegdansen op het ritme waarmee papalief z’n notariële aktes uittypt. Nooit meer HDR. De marktkramers op het Hooverplein zullen nimmer nog wegschuiven over het glibberig geilspoor dat van de Tiensestraat 53 richting Leuven Station liep, alwaar de tocht op de eerste trein naar Brussel mijn radeloze alcoholadem verjoeg. Maar sinds ik mijn topper elders gevonden heb, ben ik Oost-Oslo’s doof voor de Lokroep van de Valkenvrouwen. Ik schrijf dit pamflet dan ook voor mijn opvolgers, die met betere openingszinnen en mooiere visitekaartjes de vrijheid zullen afdwingen om de grenzen van het vrouwelijke rechtenvolk op te schuiven. Tobback, schenk hen dat recht op geluk. Het recht op een rechtenmeisje. Or I’ll sue you.

Magnus Sørenson
0 0

Driptoliox

Bedrijfsomschrijving Driptoliox is een jonge onbestaande multinationale onderneming met een zeer succesvolle reputatie dankzij innovatieve commerciële projecten die dag en nacht wereldwijd worden gerealiseerd. Met een tomeloze inzet op werk, studie en onderzoek realiseerde dit bedrijf een omzet van 300 nihiljard in het eerste kwartaal van 2013. Het stelt in totaal 1,0000 mensen te werk. Voor hun nieuw project zoeken ze een medewerk(st)er die zal instaan voor de totale ontwikkeling, realisatie, ondersteuning, opvolging en eventuele modificaties ervan. Driptoliox ontwikkeld hiermee geen toekomstig toonaangevend product dat ze graag tegen eind 2013 op de markt willen brengen.   Functiebeschrijving Je start met een bescheiden concept en werkt dit zelfstandig uit tot een mondiaal commercieel succes. Alle mogelijke belemmeringen buig je deskundig om naar een positieve meerwaarde of elimineer je vakkundig en geeft daarbij de nodige feedback. Je bent verantwoordelijk voor alle technische, administratieve en commerciële taken die eigen zijn aan het project. Je werkt mee aan andere projecten tijdens de ontwikkelingsfase met als doel de kennisuitwisseling te optimaliseren.   Profiel Bachelor en master in de informatica en minstens 7 jaar ervaring met dergelijke realisaties. Je bent communicatief getalenteerd en spreekt en schrijft daardoor vloeiend Nederlands, Engels, Frans, Duits, Pools en Spaans. Bijkomende talen is een plus. Je bezit minstens twee Microsoft, Cisco, Oracle, VMWare, Linux, Citrix, en ITIL certificaten met daarnaast een grondige bewijsbare kennis van Novell, Redhat en Cloud technologie. Je bent een stressbestendige, zelfstandige, plichtbewuste, flexibele, werklustige, verantwoordelijke, leergierige, service-minded, gedisciplineerde, innovatieve, creatieve problem-solver met een hands-on mentaliteit en een analytische geest. Je bent gewend te werken onder immense druk met verschillende deadlines, ingewikkelde analyses en uitgebreide grafieken. Je bent bereid te werken in een full continue arbeids- en permanentie systeem inclusief thuis, nacht en weekendwerk. Je bent bereid jezelf op maandelijkse basis bij te scholen en gewend om ingewikkelde en nieuwe materie snel op te pikken en te gebruiken.   Aanbod Een voltijdse illusie met een boeiende, aangename, innovatieve, en dynamische werksfeer in een geglobaliseerde en spraakmakende organisatie waar een no-nonsense cultuur centraal staat met extensieve mogelijkheid tot zelfontwikkeling en doorgroeimogelijkheden. Een zeer aantrekkelijk pakket, aangevuld met extra voordelen en goede secundaire voorwaarden. Gratis burn-out en een calamiteuze werk/privé balans. Interim met optie ‘geen vast werk’ mits een uitstekende evaluatie   Herkent u zichzelf hierin? Mail dan uw cv, motivatiebrief, diploma en certificaten naar Driptoliox@gmail.com.

test
0 0

Pedagogische tik

Ik zat nog geen vijf minuten in de auto en ik had spijt. Spijt dat ik deze ochtend niet de moeite had genomen om in, waarschijnlijk het laatste, september-zonnetje naar het werk te fietsen. Vorige avond had ik me nog voorgenomen van de fiets te nemen want dat is lekker sportief, en gezond en daarbij nog goed voor het figuurtje. Maar een korte nacht later besloot ik toch de auto in te stappen. Ik wil straks op tijd terug zijn om te gaan fitnessen. Maar als ik met de fiets had gegaan, had ik mijn sportieve uitspatting van de dag al gehad en zou ik mij straks niet in het zweet moeten werken op de loopband. De logica. Enfin, ik had dus meteen spijt van mijn beslissing. Niet omdat ik absoluut wou bewegen maar wel omdat de verkeersagressor in mij al vrij snel naar boven kwam. Ik reed richting het stoplicht en ter hoogte van het stoplicht is een tramhalte waar elke ochtend schoolgaande jeugd zich als kudde dieren verzamelt. Eens de kudde volledig is, besluit de leider van de bende dat het tijd is om over te steken. Niet via het zebrapad natuurlijk, maar gewoon recht de straat op. In de veronderstelling dat de voetganger altijd in zijn recht is, en waarschijnlijk ook gewoon omdat het cool is, verplaatsen de tieners zich op hun gemak naar de overkant van de straat. Wanneer echter de straat drie rijvakken breed is, en het verkeer redelijk druk is op dat tijdstip van de dag, verloopt de overtocht niet zo vlot. Tussen de auto’s in proberen ze zich een weg te banen. En toen kwam ik aangereden. Giechelende meisjes stonden midden op mijn rijvak te wachten tot de auto op het rijvak rechts van mij hen zou doorlaten, wat niet zo snel gebeurde. Waarschijnlijk ook een agressor die vond dat dit ochtendlijke tafereel ooit wel eens mocht eindigen. Met luid getoeter verzocht ik de pubers om mijn strook vrij te maken. Stoer verwenste de leider van de kudde me via gebarentaal allerlei dingen. De meisjes rondom haar lachten dom en gaven haar de herkenning die ze nodig had. En zolang ze aandacht krijgt van haar volgelingen, zal ze elke ochtend weer agressie opwekken bij vele autobestuurders. Misschien volgende keer een pedagogische tik uitdelen met mijn wielen? Zou dat zo fout zijn? Ze zullen hun lesje dan wel leren…

An Spoelders
32 1

Leugens voor de Liefde

Liefde is oorlog. Broedermoorden, propaganda en kamikazes effenen het pad van de verovering. Herenakkoorden en andere ethische codes gelden naast het slagveld. De leugen laveert langsheen de stembanden en grijpt gewillig naar amoureuze betrekkingen. Ze regeert als een gluiperige generaal in dit keizerrijk van de schijn. Wie verliefd is, verschaft zich een visum. Een reis naar de staat waar haar wil fluwelen wet is. En waar friendly fires niemandsland inluiden. Je vindt jouw ware zelf in de liefde. Dankjewel, The Notebook. Maar in realiteit goochel je schaamteloos met jouw interesses om jouw prooi te verschalken. Haar voorkeuren geuren plots als een toverparfum en dirigeren de weg naar het walhalla. Charleroi? Heerlijke stad, toffer dan New York! Zuid-Tibetaans kokkerellen? Ja natuurlijk, zoveel gezelliger dan voetbal! En dat pokeravondje met maten ruil je meteen in voor een pyjamaparty met Vijf-TV en andere leuke hartsvriendinnen. Onze identiteit leggen we met de benen breed open en offeren we aan de geilste godin. We prostitueren onze passies, in ruil voor een pact met een engel. En in de achtergrond ruist haar favoriete band op continuous play. Overdreven? Boah. Het geeft je alleszins een beeld hoe verbazend ruim jouw interesseveld wordt als de vlinders onze onderbuik tot onrust brengen. Ook deze bekrompen ziel rekte zich meermaals even vlot als een minderjarige Roemeense turnster. L'amour rend un homme fou. Jarenlang verachtte ik een Vlaamse studentenstad, maar pardoes verdiende de NMBS grof geld aan mijn coup de foudre. Met de strop van Amor rond de nek kende ik de lokale geschiedenis en hotspots beter dan elke cursus die ik ooit vanbuiten had geblokt. Kleine tip voor de examens: verlies je in een project dat rechtstreeks te maken heeft met jouw buisvak. Een moordgriet als motivatie vormt een garantie op onderscheiding. Zo was ik officieel nooit rechtenstudent, maar drie universitaire levens later beheers ik de hoofdlijnen van burgerlijk en ander strafrecht. Een huwelijkscontract afdwingen bleek echter een brug te ver. Nochtans wrong m'n tong zich doorheen honderd Vlaamse bochten om de knoop van de liefde te ontwarren. Van Kortrijk tot Hasselt bootste ik crush na crush het lokale dialect na. Ik veranderde in ich, plots werd m'n g een h en een maand later vond ik m'n madam egralek iet geval. Langs de andere kant weigerde ik halsstarrig om me een broske te scheren, naar West-Vlaamse studententd's te gaan of te breken met Club Brugge. Voetbal klopte kalverliefde. Maar bijna keer op keer gedroeg ik me als een kameleon. Gemengd met het wit van hoop, het groen van jaloezie en het zwart van rouw boetseerde ik mijn persoonlijkheid. Liefde schenkt het leven kleur, met rood als hoofdtint. Omarm dan ook die vernieuwende rijkdom. Beschouw 'je bent veranderd' als een compliment. Met m'n hormonen als mentor heb ik Zweeds geleerd, trendy t-shirts leren dragen en salsa leren verdragen. Verliefd zijn is een leerproces, met onzekerheid als voorwaardelijke straf, maar een gebonden vrijheid als mogelijke vrijspraak. Ach, wanneer de glans het gelaat van jouw voormalige geliefde heeft verlaten, blik je meewarig terug op jouw toneelstukjes. De gedaantewissel vormde geen baken voor de toekomst. Liefde liegt, maar de ware liefde niet. Geen water in de wijn, maar een gedeelde Grand Cru op huiskamertemperatuur. Dat beseft de tong al na de eerste proefrit.

Magnus Sørenson
0 0

Koplamp

Elke maandagochtend om tien uur zet Karel een kom met warm water voor zich op de keukentafel. Drie druppels jasmijnolie kunnen een hele ruimte vullen. Rechts van de kom legt hij een schoon zacht washandje, links ervan een nagelschaar, een vijl en een handcreme. Nadat hij zijn handen onder de kraan uitvoerig met zeep heeft gewassen, gaat Karel voor de kom zitten. Hij recht zijn rug, zoekt zijn middelpunt. Als hij dat gevonden heeft, dompelt hij beide handen tegelijk in het water. Vanuit hun lijsten aan de muur kijken zijn familieleden toe. Na twee minuten weken, haalt Karel zijn handen uit het water en droogt ze met het washandje af. Nu begint het tweede deel van zijn ritueel, dat hij ‘het droge deel’ noemt. Met de punt van de vijl haalt hij het vuil van onder elke nagel vandaan. Per ongeluk prikt hij deze keer te diep, een druppel bloed komt onder de nagel tevoorschijn. Karel dept het weg met het washandje. Ondanks de pijn gaat hij door. Hij heeft al ergere pijnen doorstaan. En hij wil op tijd zijn. Met wijsvinger en duim trekt hij enkele losse velletjes weg. Hij knipt zijn nauwelijks gegroeide nagels en smeert zowel zijn handpalmen als ook elke vinger apart in met een kamillehandcreme. Nu zijn zijn handen klaar. Opgewonden neemt Karel een slok van de inmiddels afgekoelde thee, schuift zijn stoel naar achter, trekt zijn blaser aan en doet de deur achter zich dicht.   Zijn tram is net met gierende wielen de tunnel in verdwenen. Karel moet wachten. Hij zit achter op zijn schema, maar de volende tram is al op komst. Terwijl hij zich vasthoudt aan de lussen onder het plafond, huivert hij een beetje van al het plakkerige vuil aan zijn nette handen. De volgende keer mag hij zijn handschoenen niet vergeten. Twintig minuten moet hij zo blijven staan. Eindelijk, zijn halte. Opera. De metro vertraagt om dan met één ruk te remmen. Even tuimelen de lichamen. Een moment lang voelt hij zich als een worst in een hotdog. Nog drieëntwintig passen en hij staat aan de voet van de roltrap. Eenmaal boven moet hij alleen nog de straat met vier rijstroken oversteken.   In het winkelcentrum is het ‘s maandags meestal niet zo druk. Van het draaihek naar zijn plaats zijn het precies tweeëntachtig stappen. Karel telt ze al lang niet meer. Dit gedeelte van zijn ritueel noemt hij ‘het bos’. Blijkbaar werkt vandaag de kassierster met het onaangenaam parfum weer. Te zoet, vindt Karel. Kennelijk zit haar verlof er dus op. Maar ze is meteen weer aan het roddelen geslagen. Hoewel hij met zekerheid weet dat de vrouw hem heeft opgemerkt, doet zij telkens of ze hem niet ziet. Niemand in het bos groet hem. Ze staan er als herten het koplicht. Dus loopt hij maar door naar waar hij moet zijn. Links de wasmachines, rechts de koelkasten, daar de haardrogers en de scheerapparaten, hier het keukengerei. Hij wordt enkel begeleid door steeds dezelfde flarden van alsmaar terugkerende verkoopsgesprekken. Hij zou hier nooit kunnen werken.   Twee rekken van vier meter lang staan ruggelings tegen elkaar. Overal gepraat, geroezemoes. Uit de boxen van de electronica-winkelketen dringt muziek. Veel te hard. Karel had liever wat muzak gehad. Toch lukt het hem om stilte in zijn hoofd te creëren.   Karel is klaar. Hij strekt zijn rechterarm voor zich uit en grijpt in het rek. Het voelt redelijk zwaar, wat kil vanwege het metaal. Zijn handen beginnen meteen het toestel te verkennen: vierkant, hoekig, rond. Zijn wijsvinger gaat even van links naar rechts over de merknaam heen. Glimlachend trekt hij het lint over zijn nek. De camera hangt nu pal voor zijn buik. Hij peutert het ronde plasticdopje van de lens en houdt het vast met zijn linkerhand. Met zijn rechterhand vormt hij een koker en sluit die rond de lens. Hij laadt een imaginair machinegeweer, stopt, herhaalt de beweging. Stilte in zijn hoofd. Dan begint hij met zijn wijsvinger over het geslepen glas te aaien. Dit is het. Zijn toverlamp. Karel voelt de grond onder zijn voeten lichtjes vibreren. Daar komen zijn beelden. Alsof ze klaarstaan in een diaprojector uit de jaren 70, elk hun beurt afwachtend: zijn ouders in hun volkstuintje. Karel was toen een jaar of elf. Alles was goed. (De foto hangt nu in zijn keuken.) Met elk nieuw rondje dat zijn vinger over het glas maakt, haalt hij een ander plaatje uit zijn leven tevoorschijn: Zwitserland. De skivakantie, waar zijn kleine broer net niet de wedstrijd van hem had gewonnen… 360 graden, tegen de klok: zwarte voorovergebogen figuren op Mikas begrafenis enkele maanden later. De vloer onder Karels voeten dreunt nu harder. Zijn wijsvinger zoekt even naar de ontspanner. Onnodig om erop te klikken, er zit toch geen geheugenkaart in dit toestel. Nog een rondje. Het vibreren wordt nu heviger.   “Goedemiddag meneer. Kan ik u misschien helpen?” Alsof hij uit het niets komt, staat die man ineens naast hem. “Dat is niet nodig. Toch bedankt.”, zegt Karel wat loom. Hij wil terug naar zijn beelden. “Had u dan iets specials in gedachten?”, dringt de jongeman aan. Hij moet nieuw zijn in deze afdeling. Karel herkent zijn stem niet. Blijkbaar een ijverige kerel. Zweetgeur dringt in Karels neusgaten. “Mag ik u misschien iets tonen?” Karel zwijgt. Gehaastte stappen komen hun kant op. “Mijn excuses, meneer! Ik was even in pauze en mijn nieuwe collega heeft het van me overgenomen.” Wim, hoofd van de camerafdeling. “Neemt u gerust de tijd, meneer. En nogmaals, mijn excuses…”   Wim trekt zijn collega met zich mee achter de bestelcomputer. Vanuit enkele meter afstand sist hij de nieuweling iets toe. “… meneer …, Pieter. Doe je ogen eens open, man! … zal niets kopen. Nooit. … komt hier elke maandag. We laten ’m … gewoon zijn gangetje gaan. … doet toch niemand kwaad.” Karel trekt zijn schouders tot onder zijn oren. Hij stelt zich voor hoe ijverige Pieter nu een heel stuk ineenkrimpt. De woorden weerkaatsen in zijn hoofd. ‘Doet toch niemand kwaad.’   Karel maakt een lus van zijn duim en wijsvinger en wrijft beide vingertopjes tegen elkaar tot hij het bloed voelt terugkomen. Vooraleer hij nog een laatste keer over het glas aait, haalt hij even diep adem. Alsof hij onder water gaat: De ruisende stilte van een woud bij valavond. Karel bij het oversteken van een straat, die door het sparrenbos leidt. Het koplicht van een wagen. Een wagen die rechtstreeks op hem afkomt. Kunnen vliegen.   Karel versnelt ineens zijn passen. Twintig. Het witgoed. Hij kan weer de hertenogen in zijn nek voelen, hoe ze van tussen de koelkasten, staafmixers en magnetrons, de koffiezetmachines en de stofzuigers heen naar hem turen. Naar een bocht van vjifenveertig graden bevindt zich de uitgang nu op weinige meter afstand. Het zoete parfum lacht. Met hem? Een drietal klanten staat voor Karel in de rij. Hij schuift aan. “Goeiedag.”, zegt de vrouw. “Kan ik uw product even zien? Ik moet het inscannen.” Dit is zijn beurt, nu is het aan hem. “Ik weet niet of u dat kan, mevrouw, ikzelf zie namelijk niets, weet u?”, lacht Karel. “Maar ik wou u al lang eens vriendelijk ‘Goeiedag’ zeggen. En zeggen dat het hier stinkt!”   Karel zet een stap voorwaarts, draait het hekje een kwartslag door en gaat zijn gangetje.   © Isabel Hessel 2/5/13

Der Blaustrumpf
10 0
Tip

Hoofd, hart en voeten

Met een vorstelijke zwaai opent hij de zware bordeaux gordijnen die de danszaal afschermen van de koude Antwerpse lucht. De ruimte is stemmig verlicht, ronde tafellampjes verspreiden een oranje gloed. Arnault laat zijn blik over de koppels op de houten dansvloer glijden. Het is negen uur, nog vroeg. De meeste van de vrouwen die aan de rand van de dansvloer zitten zijn bekenden, geen nieuw bloed deze avond. Aan een tafeltje doet hij zijn mocassins  uit. Zorgvuldig neemt hij zijn witte dansschoenen uit de speciaal daarvoor bestemde tas. Arnault aarzelt even voor hij ze aantrekt. Een kleine vonk weerzin.      Dan staat de tangodanser in hem op en hij stapt met soepele passen naar de bar. Hij verwelkomt de tangomuziek en het ceremonieel van het tangosalon. De vonk van daarnet is weer gedoofd.  Hij speurt de dansvloer af naar een geschikte danspartner. Mannen vragen de vrouwen ten dans, niet omgekeerd. Arnault houdt van die regel. Vooraleer hij een vrouw vraagt observeert hij hoe ze danst. De elegantie in haar bewegingen, de dynamiek van haar passen, de voor tango zo typische helling in haar houding. Zelden schudt een vrouw het hoofd wanneer hij haar met een hoofdknik in zijn armen uitnodigt. Hij weet natuurlijk wie hij met zo’n cabeceo kan vragen en wie niet. Pas wanneer een vrouw haar bovenlichaam in zijn richting draait en haar ogen oplichten wanneer hij haar aankijkt zal hij gedecideerd haar richting uitstappen.     Negen jaar geleden begon Arnault met dansen. Meteen was hij gegrepen door het sensuele van de tango, door hoe twee lichamen zich samen kunnen verliezen. Tango als een taal zonder woorden, een emotie die gedanst wordt. Wanneer hij een danspartner heeft die zich net als hij laat meevoeren op de cadans van de muziek, is het alsof ze in één vloeiende beweging loskomen. Dan dansen ze de melancholie, het verlangen en de eenzaamheid. De laatste tijd echter springen zijn gedachten tijdens het dansen als jonge vossen alle kanten op. De momenten dat hij nog een echte connectie voelt zijn zeldzaam geworden en de golf van welbehagen die ze vroeger opwekten is nu een kleine rimpeling in het water.   Een jonge gracieuze vrouw komt de zaal binnen. Haar vuurrode jurk, het golvende donkere haar, de elegantie waarmee ze loopt. Met haar zal hij dansen. Arnault capteert haar blik. Donker en intens, het doet hem huiveren. Die avond speelt Arnault het niet volgens het boekje. Meteen bij het begin van de volgende tanda stapt Arnault op de vrouw toe, hun ogen aan elkaar vastgeklonken. Wanneer hij vlak voor haar staat, verbreekt ze het oogcontact. Arnault verstijft.  Dan staat ze toch op.    ‘Aangenaam, ik ben Arnault,’ zegt hij.    ‘Lora,’ antwoordt ze en opent haar armen in de danshouding.    Voor Arnault begint tango met de omhelzing, de embrace. Sommige vrouwen drukken zich meteen tegen hem aan. Hen zal hij geen tweede keer vragen om te dansen. Andere vrouwen reageren subtiel op de positie van zijn armen en hellen langzaam naar voren tot ze daar zijn waar hij wil. Zoals het hoort. Tenslotte zijn er vrouwen die niet lijken te begrijpen dat tango om intimiteit draait. Ze houden houterig afstand en gaan niet in op zijn onuitgesproken vraag om hart tegen hart te dansen. Lora lijkt tot de laatste categorie te behoren. Doorheen de stof van haar jurk voelt hij hoe in haar ranke lijf elke spier gespannen staat. Ze beweegt als is ze bekleed met een dun laagje steen.       ‘Ontspan je,’ fluistert hij in haar oor. Hij kijkt naar de flonkerende oorbel in haar oor. Hij weet bijna zeker dat het om echte diamantjes gaat.      ‘Dat kan ik niet op commando,’ zegt ze verontschuldigend. Geconcentreerd tracht Arnault te achterhalen op welk been haar gewicht rust, hoe hij haar kan wenden in de bij andere vrouwen vaak zo verleidelijk uitgevoerde ocho’s. Haar lichaam ontmoet het zijne echter niet. Ze danst au contre-coeur, denkt hij.      Arnault kan niet nog meer regels overtreden. Hij heeft haar gevraagd zonder haar eerst te observeren, nu moet hij de rit uitzitten. Hij moet de vier nummers van de tanda met haar uitdansen. En dan, tijdens hun laatste dans lijkt Lora te ontdooien. Arnault voelt hoe ze haar hoofd tegen het zijne vlijt en met haar bovenlichaam contact zoekt. De eerste klanken van de cortina lijken haar op te schrikken, alsof ze zich losmaakt  uit een andere wereld.      ‘Het was toch niet te erg voor je om met me te dansen?’ vraagt ze. Haar blik op de grond gericht.     Arnault schudt zijn hoofd. ‘Het ging goed.’ Een leugen. Een flagrante leugen. Ze had de meeste van zijn signalen gemist en leek zich soms niet bewust van het ritme in de muziek. Enkel in die laatste dans lag een belofte verscholen.    Lora begint te ratelen. Dat ze net verhuisd is, dat ze in een kleuterschool werkt, dat ze nog niet zo lang danst. Arnault strijkt nerveus door zijn bruine halflange haar. In Buenos Aires verklaren ze je voor gek als je tijdens de cortina op de dansvloer blijft staan. Ze zijn in Antwerpen en ze staan aan de rand van de dansvloer, maar toch. Hij luistert naar haar en tegelijk niet. Hij wil van de vloer af, een nieuwe partner zoeken.     Een nieuw nummer wordt ingezet. Milonga, het speelse en snelle broertje van de klassieke tango.     ‘Op deze muziek kan ik niet dansen,’ zegt Lora en maakt aanstalten om van hem weg te stappen.     ‘Dat kan je wel.’ Arnault bijt op zijn tong. Je overhaalt een dame niet tot een dans. Je overtuigt haar niet. Je nodigt haar uit. Hij herpakt zich en opent langzaam zijn armen.     Deze keer voeren ze tussen de nummers van de tanda korte gesprekjes. Opmerkingen over de zaal, over de drukte op de dansvloer. Niets persoonlijk. Tot Loras handen naar Arnaults hals gaan en zich begraven in de opening van zijn witte hemd. Ze neemt de ring die daar aan een lederen touwtje hangt tussen haar vingers.     ‘Van een geliefde?’ vraagt Lora.     Arnault trekt het amulet uit haar handen en verbergt het opnieuw onder zijn hemd.     ‘Van vroeger,’ zegt hij. Van vroeger. Van Siri. Siri met wie hij ooit deel nam aan het wereldkampioenschap Argentijnse Tango.      Arnault wacht op de eerste noten van de cortina. Dan dankt hij Lora kort voor het dansen en gaat aan de bar staan. De rest van de avond verwent hij zichzelf door enkel de beste danseressen uit te nodigen. Soms voelt hij Loras groene ogen op zich rusten, maar hij vermijdt haar blik.        Vier dagen later. Tijdens zijn middagpauze zoekt Arnault het stadspark op. Alleen. Weg van deadlines, service level agreements en targets. Alleen al de benamingen verfoeit hij.      Op een bank nabij de speeltuin opent hij zijn brooddoos. Een kleurrijk geval met stickers van ridders en feeën. Een cadeautje van zijn petekind. Donkerbruine boterhammen met krabsalade. En dan ziet hij Lora. In een bloemenjurk, haar haren in een hoge staart die onafgebroken heen en weer zwiept. Voortdurend is ze in beweging. Ze helpt kinderen de glijbaan af, veegt mondjes proper, stopt een banaan in een uitgestoken hand, wijst een vechtersbaasje terecht. Hij verbaast zich over de naturel van haar motoriek.      Lora ziet hem, wuift en stapt op hem af met over haar schouder een lederen handtas. Zwierig en bevallig in die jurk. Een vluchtige kus op zijn wang en ze zit naast hem, haar lange benen over elkaar gekruist.      ‘Derde kleuterklas,’ zegt ze. Ze opent haar handtas en biedt hem een suikerwafel aan. Wanneer ze de verpakking open ritselt komt hem een vertrouwde geur tegemoet. Zijn moeder stak hem vroeger zulke wafels toe. De suiker korrelt tussen zijn tanden en zijn vingers worden vettig en plakkerig. Zwijgend zitten ze naast elkaar en kijken naar de spelende kleuters. Lora neemt een pak vochtige doekjes uit haar handtas en houdt het hem voor.       ‘De basisuitrusting van elke kleuterjuf,’ zegt ze.        Lora kijkt dromerig voor zich uit. Ze is mooi, denkt Arnault.        ‘Je lijkt moe,’ zegt Lora.        Arnault knikt. ‘Slapen lukt niet zo best  de laatste maanden.’        '’s Nachts komen de spoken,’ antwoordt Lora.        Arnaults blik valt op de zilveren ring die ze draagt.        ‘Van een geliefde?’ vraagt hij.        ‘Van mijn moeder. Ze stierf in het kraambed.’        Arnault kijkt naar zijn handen. Haar leven in ruil voor dat van haar moeder.        ‘Soms is er wel iemand. Ik denk niet dat hij van me houdt,’ zegt Lora zacht.        ‘En jij?’ vraagt Arnault.         Lora zwijgt. Haar vochtige ogen kijken hem lang aan.         ‘Ik heb van hem gehouden.’          Ik heb van je gehouden, dat zei Siri de nacht dat ze hem verliet. Ik heb van je gehouden.          ‘Vanavond is er een milonga in De Roma,’ zegt Arnault.           ‘Wil je nog eens met me dansen?’ vraagt Lora.            Arnault knikt.            ‘Goed, tot vanavond.’   Arnault loopt onrustig tussen de tafels aan de rand van de dansvloer. Hij draagt het amulet van Siri niet om zijn hals.  Het orkest speelt Pugliese. Toch vraagt hij niemand ten dans. Normaal gezien slaat hij amper een tanda over en  danst hij met vrouw na vrouw na vrouw. Hij test uit wat ze kunnen, wat ze samen kunnen. Een soort jacht.  Een zoektocht naar een nieuwe danspartner voor de wedstrijden. Qua fysieke vereisten voldoet Lora. Ze is rank en iets kleiner dan hij. Maar ze moet nog alles leren.     Nauwgezet houdt Arnault de portieken in de gaten waarlangs Lora zal binnenkomen. Dat moment wil hij niet missen. Hij wil kunnen lezen wat er met haar gebeurt wanneer ze hem ziet. Hij wil de eerste zijn die met haar danst.     Daar staat ze. De twinkeling in haar ogen wanneer ze hem opmerkt is waar hij op had gehoopt. Wat past ze prachtig in deze majestueuze zaal. Haar donkere lokken opgestoken in een wrong, lange parelmoeren oorbellen die haar hals accentueren, haar nauw aansluitende zwarte jurk.      ‘Zullen we dansen?’ vraagt ze meteen wanneer ze voor hem staat.      Arnault houdt niet van vrouwen die zelf uitnodigen.      Ze dansen. Minder stroef dan de vorige keer. Na het dansen drinken ze samen wijn aan een tafeltje. Lora’s blik glijdt over de kroonluchters en de prachtige wandschilderingen.       Een zestiger in strak pak vraagt haar ten dans. Arnault kijkt toe terwijl ze in de armen van een andere man de tango zoekt.       ‘Ze zal het nooit leren,’ hoort hij achter zich. Zijn vroegere dansleraar.        Arnault weet het. Arnault weet dat hij gelijk heeft.        ‘Denk je?’ vraagt hij toch.        ‘Ze hebben het of ze hebben het niet. Niet elke vrouw is tot overgave in staat.’         Neen, denkt Arnault. Ik ben niet meer tot overgave in staat. Hij staat op en verlaat de zaal.  

Ellen Van Pelt
45 0

Clown: Spelen of Zijn?

Papa later als ik groot ben wil ik Clown worden   Kind, ge zijt het al, de klojo van de bende, den humorist die humor zaait, de onhandige die anderen lachen laat.. Want als idioot loopt ge in ’t rond, ge speelt hem al de clown   Papa, ik wil niet de joker van het spel zijn, niet de harlekijn aan touwtjes, niet de aansteller in de groep, niet de nar die naar iemands pijpen danst, niet de komiek die grappig doet. Neen, ik wil clown zijn.   Kind, Ge speelt al voor dwaas, ge hangt den paljas uit ge gedraagt u als kluns. Als grappenmaker zijt ge geboren, en Boertig boert ge voort. Maar zo kunt ge uw brood niet verdienen.   papa, ik wil niet den pierrot, den zot, den knoeier of onnozelaar zijn, niet den komediant, den pipo of kwibus van ’t dorp. Niet de grimassenmaker of pias die het publiek amuseert. Niet den dommerik, het leeghoofd of stukske onbenul, niet de cabaretier met zijn sketches en muziek. Neen, ik wil clown zijn.   Kind, hoe wil je dat doen? Humor brengen, de mensheid laten schateren van vrolijkheid, hen vermaken en entertainen. Wil je met slapstick hen uitbundig opvrolijken, hen amuseren met je act de presence? Clownesk door de straten lopen? Of wat? Papa, ik wil een waar artiest zijn, een echte clown. Clown zijn dat speelt ge niet, dat zijt ge in al uw vezels. Een clown is de persoon die zonder woorden, zonder zelf te lachen de verdrietjes van de mensen wegneemt en vervangt door een glimlach. Die in stilte de pijn verzacht. De clown werkt met zijn hart.   Papa, nu ik groter ben en het eindelijk kan verwoorden. Ik wil nog steeds clown worden. Een contactclown bij dementerenden, andersvaliden of een cliniclown bij zieken. Ik droom dat ik het contact ben tussen de mens en zijn innerlijk. Een clown die verwondering zaait en bewondering oost. Papa begrijp me!

don Caëlia
0 0

Pauv' bête

‘t Begon allemaal met een meute kiekens die een collega zich had aangeschaft. Daartoe had hij eerst een deel van z’n tuin afgebakend en een luxueuze stal gebouwd met legbakken, voedertorens, een haan en klassieke muziek en dat soort dingen. Met andere woorden: Michel's kiekens kwamen niets tekort. En toch bleven die rotbeesten niet binnen hun omheining. En toch trokken sommigen eropuit daar ’t gras nog altijd groener bleek aan de andere kant van de draad. En de wormen wellicht vetter, weetikveel. Michel is echter ook een klein beetje jager. Hij heeft dus honden. Getrainde Engelse setters ‘pourre la bécasseu!’, meerbepaald. Ik ga z’n commentaar fonetisch schrijven want ’t is het mooiste stukje ‘Sètois’ dat ik ooit heb gehoord. ‘k Schrijf de vertaling er wel achter. 'Tu vois ce chieng? Hierre ce coujong m’a attrapeeh unne poulle qui s’était échappeeh! Il l’a plumeeh vivànte, tu te rang compte? Ce batard l'a coingceeh avecce sa patte gauche surre l’aile gauche et sa patte droite sur l’aille droite! Ang suite il l’a arracheeh touttes ses plummes ce pauv’ bête ! J'éteeh obligeeh de la tueeh, cette espesse d'abrutie!' 'Zie je die hond? Die klootzak heeft gisteren een kip gevangen die was ontsnapt! Hij heeft ze levend geplukt, stel je voor! Die bastaard zette eerst z'n linkerpoot op haar linkervleugel en z'n rechterpoot op haar rechtervleugel! Vervolgens heeft hij al haar pluimen uitgetrokken, dat arme beest! Ik moest haar wel doden, de verdomde klootzak!' Michel houdt zielsveel van z'n kiekens. En Snoopy mag dan wel een uitmuntende kippenplukker zijn - als jachthond is hij naar verluidt geen rotte cent waard. Zelden zo m'n lippen moeten verbijten. Arme Michel. En arme kip. En Snoopy? Die lag gelukzalig in 't zonnetje, een bruin veertje nog in z'n bek.

v. lammerenwerper
3 0

Stupid Cancer

Ze liep de gang met de witte muren door met haar hoofd naar de grijsblauwe tegels gericht. Haar felrode schoenen vielen op tegen de donkere kleur van de tegels maar ze besteedde er geen aandacht aan. Ze keek voorbij die rode schoenen op die grijsblauwe tegels. Wat ze voor zich zag was een vrolijke jongen met twinkelende bruine ogen. Ze wilde de kamerdeuren niet zien. Ze wilde de zieke kinderen die in de bedden achter de matte glazen lagen niet zien. Eigenlijk wou ze zich het liefst van al omdraaien en weglopen, richting de lift en uiteindelijk de buitenlucht. Maar dat kon ze niet. Haar voeten eindigden voor de deur met het nummer 332. Langzaam liet ze haar blik omhoog glijden tot ze de zwarte cijfers voor haar zag. Even haalde ze diep adem voor ze haar vingers rond de klink krulde en de deur openduwde. Het geluid van de verschillende machines drong haar oren binnen. Luide piepjes van een machine die probeerden de vrolijke jongen die net nog in haar gedachten was verschenen in leven te houden. Een infuus hing aan een kapstok, de vloeistof druppelde naar beneden met een constante snelheid, gleed zijn arm binnen en gaf zijn lichaam wat meer kracht om te vechten tegen de kankercellen die zich in zijn lichaam hadden verspreid. Maar ze zouden hem niet genezen. Het zou enkel zijn leven verlengen. “We geven hem maximum nog twee maanden,” zei de dokter voorzichtig, met zijn blik op het dossier voor zich gericht. Hij durfde de familie van de patiënt niet aan te kijken. Het brengen van slecht nieuws was een van de dingen die hij hartgrondig haatte aan zijn job. Langzaam keek hij omhoog, zijn grijze ogen vol medelijden. Hij zag hoe het meisje wezenloos voor zich uitstaarde terwijl ze probeerde te bevatten wat zijn woorden betekenden. Hij had het al zo vaak gezien. Hij wendde zijn ogen weer af en prutste ongemakkelijk met zijn pen. Niet goed wetend wat hij kon zeggen. “En een longtransplantatie?” vroeg ze fluisterend, haar stem balanceerde op het breekpunt. Ze richtte haar ogen op de donkere kijkers van de dokter, haar ogen vol glanzende hoop. “Er zijn uitzaaiingen, een transplantatie zou niets uithalen,” zei hij zacht toen het een paar tellen stil was geweest. Het meisje schoof haar stoel bruusk naar achter en stond op terwijl ze probeerde te vechten tegen haar tranen. De groene deuren flitsten langs haar voorbij terwijl ze door de gang liep, voorbij de liften, ze wilde geen halt houden, ze wilde enkel weg uit dit gebouw, weg van het slechte nieuws. Ze trok de deur naar de trappenhal open en liep zo snel ze kon de stenen treden af naar de inkomhal. Haar handen duwden de dubbele toegangsdeuren open en een frisse wind sloeg haar onmiddellijk in het gezicht. Ze sloot even haar ogen en liet de wind haar tranen drogen. Haar broer zou maximum nog twee maanden leven. Twee maanden. Acht weken. Eenenzestig dagen. Ze bleef rennen, haar voeten brachten haar haast automatisch naar het parkje waar ze zo vaak hadden gezeten. Ze liet zich neerzakken op het houten bankje waar ze zo vaak op waren neergeploft. Tranen welden op uit haar ooghoeken en vielen neer op haar groene broek. De watervlek werd opgezogen door de stof en spreidde zich uit tot een ronde natte plek, die meteen groter werd toen er weer een druppel op neerviel. De verschillende woorden die in het hout waren gekerfd verdwenen achter haar rug. Het waren zo van die typische tekstjes die verliefde pubers er altijd in krasten als ze tot over hun oren verliefd waren. J ♥ L en zo van die dingen. Een lichte glimlach gleed om haar lippen toen ze aan die tekstjes dacht. Hoeveel verhalen hadden zij en haar broer er niet rond verzonnen? Die gaan trouwen. Die gaat eerst een kindje krijgen op haar zestiende en dan gedumpt worden. Die gaan nog lang samen zijn. Die gaat bedrogen worden. Het was zo’n spelletje waarbij ze even hun eigen problemen konden vergeten en zich konden verliezen in een verhaal dat niet van hen was. Ze zuchtte eventjes lichtjes terwijl ze bedacht dat haar ouders voor de eerste keer in maanden niet tegen elkaar waren beginnen schreeuwen, daar in het kantoortje van de dokter toen hij hun het slechte nieuws meldde. Haar vader had voor het eerst in een zeer lange tijd zijn arm rond de schouder van haar moeder geslagen en haar tegen zich aangedrukt. Een baken van troost vormend voor de vrouw waar hij eens zoveel van hield. Langzaam liep Alexia op het bed af waar haar broer in neerlag. Zijn borstkas ging zachtjes op en neer, zijn ademhaling was zwak maar zijn ogen waren alert en volgden elke beweging die zijn zus maakte tot ze neerzakte op de houten stoel naast zijn bed. “Hej Milan,” zei ze zacht terwijl ze haar hand uitstrekte en zijn hand in de hare nam. “Hej Alex,” antwoorde hij zwakjes. Zijn stem klonk schor. “Moet je wat water hebben?” Hij knikte. Alexia nam het waterflesje dat op zijn nachtkastje stond in haar hand en schroefde de dop eraf. Toen boog ze zich over haar broer heen en bracht de opening naar zijn mond. Met trage slokken dronk hij van de vloeistof die zijn keel meteen verzachtte. Hij liet zijn hoofd weer in zijn kussen zakken en sloot zijn ogen eventjes. “Bedankt,” zei hij toen. Alexia schroefde de dop weer op het flesje en plaatste het weer op de gladde ondergrond van het nachtkastje. Haar broer stak zijn hand naar haar uit en ze nam hem tussen haar handen voor ze weer ging neerzitten op de harde stoel. Haar ogen vielen op de fauteuil aan het raam en even twijfelde ze of ze hem niet zou vervangen met de houten stoel waar ze nu op zat om het haarzelf wat comfortabeler te maken maar die twijfel verdween meteen weer toen haar blik op de ogen van haar broer viel. Ze kon hem nu niet loslaten. “Het leven is zo fucking klote,” gromde hij. “Ik weet het,” antwoordde ze zacht. “Ik was echt een dwaas om drie jaar geleden te denken dat ik dit wel zou overleven.” Alexia slikte even. Ze wilde er niet over nadenken. Ze wilde dat haar broer zijn mond hield. Maar ze kon het niet over haar hart krijgen om hem tegen te houden. Het was duidelijk dat hij behoefte had aan iemand die naar zijn frustraties luisterde. “Met al die nieuwe technieken. Je zou denken dat ze die stomme kanker op een of andere manier wel zouden kunnen genezen.” Hij lachte schamper. “Ik was zelfs zo naïef om te denken dat ze me wel een nieuwe long zouden geven moest die van mij me uiteindelijk helemaal in de steek laten.” “Ze konden het niet doen Milan, het zit overal.” “Nu wel.” Het bleef een tijdje stil terwijl ze elk in hun eigen gedachten verzonken waren. “Hoe gaat het met mam en pap?” Alexia zuchtte. “Goed denk ik, ze houden zich sterk, ze hebben geen ruzie meer gemaakt sinds de uitspraak van de dokter. Ik denk dat ze eindelijk beseffen dat ze nog steeds van elkaar houden en dat er meer is in de wereld dan ruzie en onnozele discussies.” “Niet moeilijk als hun zoon op sterven ligt.” Alexia kromp ineen. “Zeg dat niet,” fluisterde ze. Haar broer keek haar met betraande ogen aan. “Ik wil niet doodgaan,” snikte hij terwijl hij zich vastklampte aan de arm van zijn zus. Een mengeling van gevoelens steeg op bij het meisje. Ongemakkelijkheid, verdriet, angst, medelijden. “Ssssht,” zei ze zacht terwijl ze met haar duim over zijn hand streek. Ze wou zeggen ‘het komt allemaal wel goed’ maar dat kon ze niet. De woorden bleven steken in haar keel. Ze kon de leugen gewoonweg niet over haar lippen krijgen. “En dan te denken dat ik mijn laatste twee weken in een stom ziekenhuisbed moet doorbrengen.” “Ik smokkel je wel eens naar buiten, als is dat het laatste wat ik doe,” zei Alexia. Ze richtte haar ogen op die van haar broer en die wist dat ze elk woord meende. “Hoe ga je dat voor elkaar krijgen?” “Ik neem wel een rolstoel van op de gang, ’s avonds zijn er sowieso minder verpleegkundigen en dokters aanwezig. Ik smokkel je wel naar buiten als ze pauze nemen.” “En hoe wil je hier tot de avond blijven? Je weet toch dat het bezoekuur straks afgelopen is?” Er klonk al wat meer levensenergie door in zijn stem terwijl hij zich vastklampte aan het sprankje hoop dat hij nog eens de buitenlucht zou kunnen voelen op zijn klamme gezicht. Alexia’s hart begon sneller te kloppen terwijl het plan steeds meer vorm kreeg in haar hoofd. Toen ze de hoopvolle blik in de ogen van haar broer zag wist ze dat ze koste wat het kost moest zorgen dat het haar zou lukken. “Ik ga straks even naar buiten zodat de mevrouw aan de balie zeker ziet dat ik weg ben, er komt sowieso nog een verpleegster bij je langs om alles te controleren voor ze een pauze nemen, stuur me een sms als hun pauze start. Ik glip terug het gebouw binnen zodra de vrouw achter de balie achter een koffietje ofzo is. De rest lijkt me logisch. Ik neem een rolstoel vanop de gang, help je erin en duw je naar de lift. We kunnen via de nooddeur naar buiten gaan en die open houden zodat we niet via de hoofdingang moeten.” “Staat er geen alarm op die nooddeuren?” “Ik hoop van niet.” Haar broer keek haar even weifelend aan. “Kunnen we het niet beter vragen aan een verpleegster straks voor je voor niets al die moeite doet?” Alexia moest lachen. “Soms ben ik echt dom.” Milan moest ook lachen. “Als je dat maar weet,” antwoordde hij wat een stomp tegen zijn schouder opleverde. “Au,” pruilde hij. Alexia rolde met haar ogen. “Klein kind.” Enkele minuten later klonk er een klop op de deur. “Kom maar binnen!” riep Milan. De deur werd geopend en een verpleegster kwam binnen, gehuld in de typische witte broek en T-shirt. Ze hield een blauw klembord tegen haar borst gedrukt. “He Milan, ik kom je infuus eens nakijken.” “Waarom doe je dat eigenlijk nog als je toch weet dat het binnen twee weken gedaan is?” “Als ik dat infuus er nu zou uithalen zou het nu meteen al gedaan zijn met je.” Milan hield wijselijk zijn mond. “Mevrouw?” De verpleegster leek Alexia nu pas op te merken. “Ja meisje?” “Is er een mogelijkheid dat ik Milan even mee naar buiten kan nemen voor een wandeling, hij is zijn kamer een beetje beu gezien.” “Normaal gezien is het het beste dat hij gewoon plat op het bed blijft liggen,” begon ze. “Maar ik denk dat we wel eens een uitzondering kunnen maken,” vervolgde ze toen ze de hoopvolle blikken in de ogen van de pubers zag. Milans glimlach kon niet breder zijn. “Maar ik denk dat we best eventjes wachten tot de pauze anders gaat de hoofdverpleegkundige ons misschien meteen weer naar de kamer sturen. Ik zal hen wel zeggen dat ik nog eventjes naar het toilet was ofzo.” De verpleegster noteerde een paar dingen op het witte blad dat op haar blauwe klembord geklemd zat en keek toen via het matte glas de gang op. “De pauze is begonnen,” zei ze zacht terwijl ze een verpleger volgde die door de gang richting het vergaderzaaltje liep op het einde van de gang. Alexia wandelde de gang op en probeerde zo min mogelijk geluid te maken terwijl ze haar handen rond de handvaten van een rolstoel klemde en hem richting de kamer van Milan rolde. Ze plaatste de rolstoel naast zijn bed en de verpleegster hielp Milan in de rolstoel te gaan zitten. Alexia nam de handvaten vast en terwijl de verpleegster de kapstok waar het infuus aanhing vooruit rolde gingen ze op weg. Een luide ping kondigde aan dat de lift was gearriveerd en Alexia keek even angstig om in de richting waarin ze de verpleger enkele minuten geleden hadden zien verdwijnen maar blijkbaar had niemand het gehoord. Een zacht zoemend geluid vulde de lift terwijl hij langzaam neerdaalde richting de begane grond. De verpleegster knikte de receptioniste vrolijk toe voor ze de draaideuren inliep die naar buiten leidden. Milan haalde diep adem en sloot genietend zijn ogen toen hij het koele avondbriesje over zijn gezicht voelde glijden. De geur van regen drong zijn neusgaten binnen en zachte druppeltjes landden op zijn bleke gelaat. Maar dat kon hem niets schelen, hij genoot van de koele druppels die op zijn klamme huid vielen. Alexia duwde de rolstoel langzaam vooruit terwijl ze om het gebouw heen liepen richting een klein grasveld aan de zijkant van het ziekenhuis. De takken van een eikenboom wiegden zachtjes in de wind en zijn bladeren ritselden. Milan nam het geluid van de krakende takken en de ritselende blaadjes genietend in zich op. Hij had nooit gedacht dat hij die simpele geluiden ooit zo hard had kunnen missen. “Ik moet ervandoor,” verbrak de verpleegster de gelukzalige stilte die tussen hen inhing. “Anders gaan ze zich afvragen waar ik blijf, blijf nog twee minuutjes en keer dan terug naar boven, voor de pauze om is.” Alexia knikte en de verpleegster ging er haastig vandoor. “Weet je wat ik nog mis?” vroeg Milan zacht. Alexia richtte haar ogen op haar broer. “Het geluid van vogels.” En alsof dat een magisch spreukwoord was klonk er plots een luide oehoe van een uil op. Alexia moest lachen. Milan werd aangestoken door het vrolijk geluid van de lach van zijn zus en lachte vrolijk mee. Even leek het alsof hij geen dodelijke ziekte had. Alsof ze allebei op het houten bankje zaten in het park terwijl ze niet probeerden te denken aan hun ruziënde ouders.

Quies
0 0

Schrappen uit het fotoboek

Het fotoboek was ontzettend dik, van de eerste tot de laatste bladzijde gemakkelijk een halve meter breed. Het lag op een eenvoudig, maar smaakvol ingericht houten tafeltje. Je kon zien dat het boek al meermaals was opengemaakt, vooral de hoeken zagen er bijzonder afgeleefd uit. Gelukkig was dit fotoboek door een echte vakman gemaakt, één die zijn stiel door en door kende. Dat zou wel eens de enige reden kunnen zijn waarom het boek nog niet uiteen was gevallen. De rustmomenten van het fotoboek waren schaars. Soms lag hij nog geen vijf minuten op het tafeltje, of hij werd weer gegrepen door de hand. Net als nu dus. Hij boek werd zorgvuldig bladzijde per bladzijde opengemaakt. Vol pasfoto's stonden ze, netjes voorzien van bijhorende namen. Hele pagina's vol foto's en namen, een indrukwekkende collectie voorwaar.   Plots stopte het omslaan, de hand bleef hangen boven één van de foto's. De man die het fotoboek las, nam een dun mesje en sneed de pasfoto proper uit het boek. Hij las de naam die op de foto stond: Herman van Wade. De respectabele Herman was rustig ingeslapen in het ziekenhuisbed, oud genoeg om eindelijk afscheid te nemen. Werd je achtennegentig, dan moest je wel gezegend zijn. De hand ging verder, sloeg wat pagina's om tot bij de foto van een jong meisje. Kaat Deweerdt, veertien jaar. Het arme kind was met haar fiets in het kanaal gesukkeld, op een plek waar ze blijkbaar vergeten waren hekken te plaatsen. Zachtjes zuchtend sneed de man de foto uit het boek, niemand hoorde zo jong te sterven, het hoorde gewoonweg niet.   Zo ging het nog een tijdje door, tot de man het hele fotoboek had doorgekeken. Hier en daar wat foto's uitgesneden, de naam gelezen, geschrapt uit het boek. Droevige gedachten speelden in zijn hoofd, gelukkig snel gerustgesteld door één enkele gedachte: ze hadden een beter leven nu. De hand sloot het boek, legde het terug op het tafeltje en zag dat het goed was. Dan was het dan weer voor vandaag, dacht God en verzette zijn gedachten. Vreemd toch, het schrappen uit het fotoboek was altijd een gebeuren dat zo droevig en tegelijk toch vol vreugd was.

BartDR
0 0

De legende van de cowboyhoed

Legendes zijn als spinnenwebben. Regelmatig worden nieuwe stukjes aangebreid en als een onderdeel verdwijnt, wordt het geheel al gauw aangevuld met vers materiaal. Soms kan een legende ongeziene vormen aannemen en hoe vaak je ook probeert een legende uit de wereld te helpen, ze keert telkens weer. Legenden sterven niet, ze leven eeuwig voort op de tongen van mensen. Zo ook de legende van de cowboyhoed.   In die tijd telde het dorp maar weinig bewoners. Iedereen kende iedereen en geruchten waren feiten. Een van hen was Tom de jager. Elke zaterdagochtend ging Tom op jacht en ving konijnen en zwijnen en was ontegensprekelijk de beste jager van het dorp. Op een dag kwam een nieuwsgierig jongetje uit de buurt, Woutje, hem een vraag stellen. 'Tom, hoe komt het dat je zo'n goede jager bent?' De man, zoals altijd gekleed in zijn bruine jachttenue, dacht even diep na. Toen wees hij naar zijn hoed. Het ding, al even bruin als de rest van zijn kleding, zag er versleten uit, de rafelige randen getuigden van een lange levensduur. 'Dit', zei hij, 'behoorde ooit toe aan een groot man, een cowboy. En dit, dit is een cowboyhoed. De cowboy was de beste schutter van zijn land. Hij kon een bewegende vlieg raken van twintig meter afstand. Hij kon dat, dankzij deze hoed. Steeds wanneer hij zijn cowboyhoed op had, miste hij nooit of te nimmer.' Woutje kon zijn oren niet geloven. Een cowboyhoed met magische krachten! Ongelofelijk! Die nacht kon hij moeilijk de slaap vatten. In zijn hoofd droeg hij Tom's hoed en versloeg al zijn vijanden met één welgemikt schot. Plots kreeg de jongen een idee. 's Nachts sliep Tom vast en zeker, misschien had hij de hoed dan niet op. Sluipend over straat glipte Woutje het huis van de jager binnen. Zoals hij had gehoopt sliep Tom zonder het hoofddeksel, dat nu onbeschermd op een klerenkoffer lag. Woutje nam de hoed vast en zette hem op zijn hoofd. Triomfantelijk sloop hij terug naar buiten en liep het bos in.   Op zijn hoofd een cowboyhoed en in zijn hand een slinger, steentjes in zijn zakken. Woutje zou vandaag een beer vangen! Wild in het rond stappend, maakte hij echter veel lawaai. Dat trok de aandacht van een zwijn, dat zich in gevaar achtte. Luid brullend richtte hij zich op Woutje. Die nam een steen en slingerde hem doelbewust naar het oog van het beest, raakte hem recht in het doel. Halfverblind en vol razernij stormde het zwijn naar de jongen, die aan de grond genageld leek. Het beest was niet dood, hoe kon dat? Dan verscheen Tom plots met pijl en boog. Bliksemsnel nam de jager een pijl, spande zijn boog en schoot op het zwijn. Maar hij miste. Het beest wierp zich bloeddorstig op de arme jongen, die op slag dood was. Tom tastte naar de cowboyhoed en voelde een hevige tinteling doorheen zijn hele lichaam. Toen hij hem opzette, werden Toms ogen groot. Hoewel het donker was, zag hij in zijn linkerooghoek duidelijk een vlieg, zo helder alsof het dag was. Hij nam één van Woutjes stenen en wierp die recht op de vlieg. Maar… die legende had hij verzonnen. Dit kon niet… waar zijn. Of toch?

BartDR
25 0