Lezen

Tip

DONDERSLAG

We zaten met z'n allen rond de keukentafel en plooiden gigantische tabaksbladeren open wiens bestemming het was dikke sigaren te worden. Ondertussen luisterden we naar 'Tineke met haar geheimzinnig dingetje' op radio Tornado. Tineke was de vrouw van Tony Lenko, en samen runden ze het radiostation waarvan de naam voluit 'Totale Ontspannings Radio Naast Alle Dagelijkse Onderrichtingen' betekende. In haar programma liet Tineke (toen ik haar voor het eerst in werkelijkheid zag was ik geschokt door haar omvang) een geluid horen waarvan de luisteraars de oorsprong moesten raden. Mijn broer veerde recht en vroeg moeder om te mogen bellen. Verrast keken we hem enkele seconden aan. Moeder verbrak de betovering. 'Allez!', zei ze, 'Voor één keer. Maar eerst je handen wassen!' De vochtig gehouden, bruin geworden tabaksbladeren scheiden een bruine smurrie af die eerst aan je vingers en daarna hardnekkig aan alles wat ze aanraakten bleef zitten. Mijn broer waste z'n handen, liep naar de telefoon en draaide het nummer dat tijdens het programma zo vaak herhaald werd dat we het jaren later nog van buiten kenden. 'Hallo', zei Tineke, 'met wie spreek ik?' 'Met Andy', zei mijn broer. 'Dag Andy' (nu liet Tineke een korte stilte vallen en probeerde de spanning op te bouwen) 'Weet jij misschien (stilte) naar welk geluid (stilte) wij luisteren?' 'Ja', zei Andy, 'dat is het geluid van een krakende balk'. 'Ai', zei Tineke terwijl er op de achtergrond een donderslag te horen was, 'jammer genoeg is het geen krakende balk Andy... Toch bedankt om mee te spelen en de volgende keer meer geluk!'. Ontgoocheld legde mijn broer de hoorn neer, en kwam weer bij ons aan tafel zitten. Stilzwijgend gingen we verder met het van elkaar losmaken en openvouwen van tabaksbladeren. Ondertussen luisterden we naar andere deelnemers aan het spel die zelfverzekerd klonken maar er uiteindelijk ook niet in slaagden het raadsel op te lossen. Tenslotte stond mijn broer opnieuw recht en keek moeder vragend aan. 'Allez', zei ze, 'maar eerst je handen wassen en 't is wel de laatste keer vandaag.'Hallo', zei Tineke, 'met wie spreek ik?' 'Met Andy', zei mijn broer. 'Ah Andy', zei Tineke, 'ga je het nog eens proberen?' 'Ja', zei Andy en vergaarde moed. 'Is het echt geen krakende balk?' Even bleef het stil, maar toen donderde het in de verte. 'Nee Andy', zei Tineke, het is helaas nog steeds geen krakende balk.' Verbluft staarden we met z'n allen naar Andy die met een ernstige frons inhaakte en toen opnieuw aan tafel kwam zitten. In gedachten verzonken luisterden we verder naar de andere deelnemers. Het regende donderslagen. Mijn broer mompelde iets. 'Wat?', vroeg mijn zus. Hij zweeg. 'Als je mokt, mag je nooit meer bellen', dreigde mijn moeder. 'Dat het toch een krakende balk is', siste Andy koppig.

Rino Feys
37 0

Spiritueel Sprookjesboek voor Volwassen Hoofdstuk 1 'over de sterren'

Vertel nog eens van vroeger opa ... Héél lang geleden, het was in de tijd dat men nog sterren aan de hemel kon zien... Echt waar, wat zijn dat sterren aan de hemel opa?   Wel, dat is zoiets als dit:http://users.skynet.be/sky03361/fotos/pleiaden.JPG Wij noemden dit het Zevengesternte of Plejaden. Waar komen die vandaan opa? Al die sterren groepjes hadden een naam en wij konden die vinden aan de hemel. De herders konden er zich tijdens de nacht op richten om de weg terug te vinden net als op de Grote Beer en de Kleine Beer en de Poolster.  Welke beer is dat dan hoe kan een beer nou aan dat ding staan wat u hemel noemt? Dat is een verhaal van meer dan 3500 jaar oud en om dat te begrijpen ben je nog veel te klein en moet je eerst nog goed je best doen op school. Op school moeten wij enkel spelletjes doen omdat we al slim genoeg zijn zegt de juf. Dan kent die juf niets van sterretjes, zelfs niet van de glinsterende sterretjes in gelukkige kinderoogjes. De juf zegt :dat wij niks hoeven leren want de computer weet toch alles al. Tot op de dag dat hij bezoek krijgt van vier russen en dan weten de kindjes plots niets meer. Daar is toch wel een spuitje voor opa, voor alles is toch een spuitje? Niet voor de computer. Waarom niet opa?Ik begrijp het niet. Dan moet je het maar eens aan je computer vragen en dan zul je zien dat die in feite het meest belangrijke niet weet. Hij weet zelfs niet wat "houden van" betekent, zelfs niet wat voelen betekent Ja dat is zo, als ik vraag wie ik ben, zegt ie niks  hij moet toch ook weten wie ik ben, hij zegt andere dingen wel tegen mij als ik iets vraag, kan een pc niet voelen dan opa? Wat een gek ding is het dan. Slechts een machine die de indruk geeft dat ze verstandig is, maar ze kent slechts de domme dingen die de domme mensen er in gestopt hebben alsof dat de enige en volledige waarheid is. Dus hij zegt bijna nooit de waarheid, hoe moet ik daar dan achter komen als de juf ook niks vertelt? Door te leren naar binnen in jezelf te gaan, want daar zit alle kennis verborgen, maar de mensen zijn het vergeten en geloven dat anderen meer weten over hun eigen zelf. Ik ben blij dat u er nog bent opa anders zou ik daar nooit achter komen en dat leren. Daarom zijn er oude opa' s lief kindje, omdat de lieve kindjes het iets minder moeilijk zouden hebben op deze aarde. Fijn dat het zo is opa, dan zijn wij in elk geval nooit alleen. Neen, want als die opa' s voor altijd hun ogen dicht hebben gedaan dan gaan zijn weer naar hun echte huis en dat ligt nog veel verder dan de verste sterren, maar toch blijven zij dan nog bij u en kun je er mee spreken door in de stilte in je eigen hart te praten zolang hij er van jou mag blijven. Dus je bent altijd bij mij ook als je er niet meer bent  waar ga je dan heen, hoe kan dat nou? Omdat de liefde van oude opa' s overal is waar hij die liefde vindt zelfs al is hij toch verder dan de verste sterren, dan blijft hij toch bij je zolang je dat wil, zelfs al zie, noch hoor je hem niet meer buiten je, je blijft hem zien en horen binnen in jou. Ga ik dan later ook daar heen opa daar waar jij dan heen gaat als je er niet meer bent? Zeker en ik zal op je wachten, en dan wordt het een groot feest! Zal ik u dan wel weten te vinden opa, ik ken de manier waarop je daar komt niet.. Dan kom ik je wel halen als de tijd daarvoor gekomen is, ik zal trouwens nooit van je weg geweest zijn. Gaan papa en mama daar dan ook heen? Zeker, maar misschien moeten zij eerst nog vele andere reizen ondernemen voor zij ook daar aankomen. Maar als ze niet weten hoe ze moeten reizen, vinden ze ons misschien nooit Toch wel, want wij weten waar zij zijn en spreken met hen in het diepste van hun hart om hen te helpen, maar om ons te horen maken ze meestal teveel lawaai en moeten we geduldig zijn tot het leven hen dwingt om even stil te zijn. Kunnen we net zolang blijven wachten dan als we willen opa? Ja en dat zullen we ook doen, maar als het te lang duurt kan het zijn dat we nog verder moeten, maar dan zullen anderen onze taak overnemen en hen verder begeleiden. Vinden ze ons dan wel terug wat als ze ons niet meer vinden opa? Anderen zullen hen toch leiden.. Maar kan ik dan nog met ze praten? Dat zal je nooit verleren, maar zij moeten nog wel leren luisteren naar dat stille stemmetje van jou. Kunnen ze dat niet nu al leren opa, dan hoeven ze niet zo te zoeken en te reizen.. Dat is heel moeilijk te leren en de mensen houden steeds meer en meer van alle vormen van veel lawaai en zijn soms zelfs bang geworden van die stilte die spreken kan. Waarom zijn ze daar dan zo bang van opa, er is toch niets engs aan.. Zij vinden soms van wel omdat ze bang zijn van zichzelf en zouden zien wat ze echt zijn, want dan zouden zij moeten beginnen werken aan zichzelf in plaats van de baas te spelen over anderen. Hoe kan je nou bang zijn van jezelf opa en waarom spelen ze dan de baas? Omdat het gemakkelijker is baas te spelen over anderen dan over jezelf. Is dat net zoiets als die kinderen die mijn speelgoed willen hebben en dan niet terug meer geven? Daar is toch niks leuks aan.. Zoiets is het, je bent een verstandig kind. Maar ik heb ook een hele lieve opa die mij van alles leert, hebben die andere kinderen die mijn speelgoed afpakken niet zo een lieve opa en waarom niet dan? Omdat zij vergeten zijn, helemaal vergeten, vanwaar zij komen zowel de opa' s als de kindjes. Maar hoe moet dat dan met die kindjes opa, komen die dan nooit naar waar wij heen gaan? Toch wel, af en toe komen zij iemand tegen die hen wat vertelt en hen wat in de juiste richting stuurt, maar zij moeten er dan ook naar luisteren, anders kan het weer heel lang duren voor ze weer zo iemand ontmoeten. Dan moeten ze dus een opa vinden zoals u  dan komt het wel goed toch? Als ze zeer aandachtig luisteren en er naar handelen wel en dan komen ze vlug weer zo' n opa of oma tegen die ze verder helpt. Kunnen alle kindjes dat leren dan opa kan ik ze dat niet gewoon vertellen want zo moeilijk is het toch niet? Als je ze dat gewoon vertelt zullen ze je niet begrijpen en je uitlachen, je kan het slechts vertellen aan wie aandachtig wil luisteren en vragen stelt zoals jij. Maar waarom hebben papa en mama dat nog niet geleerd opa, jij bent er toch nog.. Omdat zij op school andere dingen hebben geleerd en nu denken dat dit de enige waarheid is en opa slechts dom en goedgelovig, daarom zei ik je dat je dat niet zomaar aan iedereen kunt vertellen. Het is ons geheimpje hé opa.. Zeker! en dat geheimpje wordt al duizenden jaren doorverteld op heel de wereld, dikwijls verborgen in verhaaltjes en sprookjes waarvan alleen slimme kindjes kunnen begrijpen dat die verhaaltjes ook dingen vertellen die men niet onmiddellijk begrijpt en zelfs niet hoort. Als ik later groot ben dan ga ik ook een verhaaltje schrijven daarover, ik vind het zo'n mooi geheimpje dat mogen andere kindjes dan ook lezen, vindt je dat goed opa? Zééér goed zelfs. Ik wist niet dat ik zo' n slim kleindochtertje had. Ik wist niet dat ik zo'n slimme lieve opa had en dat de andere kindjes die niet hebben. Maar jij verdient zo’ n opa wel, want jij kan luisteren en vragen. Dank je wel opa, je bent er 1 uit  duizenden! Als ik later groot ben wil ik net zo slim als jouw worden opa! Ben jij ook klein geweest Opa? Dat was in de tijd... neen niet in de tijd dat de dieren nog spraken dat is al veel langer geleden, maar wel nog in de tijd dat de sterretjes aan de hemel schitterden. Opa jij zegt altijd dat ik alles kan worden wat ik wil en ik wil net zo slim worden dus wordt ik dat en ik ga verder reizen als de sterren net als jij hé opa? Dat zullen we samen doen want ik zal toch op je wachten heb ik gezegd. Als er geen sterretjes meer aan de hemel staan geeft dat niet want ze staan toch in mijn ogen en dan zie je ze ook , welke zouden de mooiste zijn opa? De jouwe natuurlijk want dat zijn sterretjes van echt geluk! Ik zie in uw ogen ook sterretjes mooi hoor opa blijven die altijd daar? Die blijven altijd daar. Net zoals de zon altijd schijnt, ook achter de wolken en zelfs 's nachts aan de andere kant van de aarde. Zo komt het ook dat je soms die sterretjes van opa niet kunt zien omdat ze verborgen zijn achter de wolken die tranendruppels regenen van verdriet of niet meer zichtbaar zijn in de donkerste tijden van een mensenleven. Maar waarom heb je dan verdriet opa en wie moet jou dan troosten? Zovele vragen, mijn lief kindje, die had opa ook als hij zo klein was, en heel zijn leven heeft hij naar antwoorden gezocht en heeft er vele gevonden, daarom kan hij nu zoveel aan je doorvertellen en als je later groter bent geworden dan vertel je dit verder als je mama of oma geworden bent. Van wie heb jij het dan geleerd opa? Dat heeft opa allemaal moeten zoeken zonder oma of opa die hem dat konden vertellen, maar opa heeft geleerd naar het stille stemmetje van binnen in zijn hart te luisteren en daar heeft hij veel van geleerd en heeft daardoor ook veel gevonden. Jij kunt nu verder gaan met wat opa je van zijn eigen kennis heeft gegeven en weet vanaf nu dat je niet alleen bent en ook niet dom al zullen andere mensen dat dikwijls van je zeggen. Wat raar dat domme mensen zo denken, maar die hebben natuurlijk geen opa zoals ik.. Weet je hoe dat komt? Zijn de lieve opa's op geweest of waren ze nog niet slim genoeg? Dat komt omdat mensen leren van mensen die veel geleerd hebben zonder ooit na te gaan of dat wel juist was, en als ze dan op deze manier heel veel geleerd hadden dan vonden ze zich geleerd en was elke andere gedachte dom en die gaven dan op school weer dezelfde "geleerdheid" door aan de volgende kindjes en als er bij die kindjes waren met een opa zoals ik dan dachten ze dat die te oud en te dom was en ze luisterden er niet naar omdat men hen dat op school zo geleerd had. Maar opa, toen jij klein was wisten jouw opa en oma toen daar niks van hoe kan dat nou? Omdat je al vlug leert zwijgen als men je uitlacht en zegt dat je dom bent. Heb je dat ook al niet meegemaakt? Ja soms wel  en dan weet ik niet wat ik moet zeggen, ik snap ook niet dat mensen dat doen als je anders denkt ben je toch nog niet dom? Daarom ga ik toch ook naar school om te leren maar dat soort dingen leer je daar niet, waarom eigenlijk niet opa? Als je anders denkt dan ben je niet dom maar mensen hebben dat niet graag want dat betekent dat er ook anders kan gedacht worden dan men op school leert en dan zouden zij ook anders moeten denken. Maar daar zouden de kindjes toch veel meer van leren opa, daar is toch school voor? Vroeger leerde men zelfs op school dat de aarde een plat vlak was en wie anders durfde denken werd levend verbrand op de brandstapel. Nu is dat gelukkig niet zo erg meer, maar de meeste mensen hebben liever verkeerde ideeën dan van idee te moeten veranderen. Zij zijn als mensen die liever met gaten in hun schoenen lopen dan er nieuwe te gaan passen omdat die een andere kleur hebben. Dat snap ik niet opa, wie wil er nu met een gat in zijn schoen lopen dan krijg je toch natte koude voeten dat voelt toch niet lekker .. Neen, maar zij zijn nu eenmaal bang en houden meer van het oude vertrouwde, zelfs al is dat nat en koud, dan te durven nieuwe schoenen te passen met een model dat ze nog niet gezien hebben. Ik vind het juist leuk iets nieuws te proberen u toch ook opa waar zijn die mensen dan zo bang voor? Het oude is toch al bekend en wordt vervelend als je er lang mee moet doen, kopen ze dan ook nooit nieuwe kleren? Mensen zijn bang om te moeten toegeven dat het nieuwe beter is dan het oude omdat zijn dan moeten toegeven dat zij het ooit verkeerd voor hadden en nog niet weten dat mensen het altijd verkeerd voor hebben omdat zij nu eenmaal niet alles kunnen weten en slechts kunnen hopen dat de nieuwe gedachten minder fout zijn dan de oude. Zo moet de mensheid groeien en leren. Ze kopen natuurlijk wel nieuwe kleren maar als ze oud geworden zijn denken ze nog steeds hetzelfde als hun papa en mama en hebben dus op een heel leven niets bijgeleerd en ook niets nieuws aan andere mensen kunnen aanleren. En zo blijven de mensen steeds maar dom en doen steeds maar domme dingen, zoals elkaar pijn doen en ruzie maken en soms zelfs oorlog voeren. Lopen ze dan hun hele leven met een jas aan die eigenlijk te klein is dan krijgen ze het toch koud opa of voelen ze dat niet? Ze hebben het koud en hun jas is te klein en wringt  en doet pijn langs alle kanten maar ze willen al het oude behouden, en je ziet nu zelf wat er allemaal van komt. Waarom willen ze dan niet lief zijn voor elkaar dat doet toch veel minder pijn? Omdat je daar slim moet voor zijn zoals jij. O dus ik moet het hun eigenlijk leren maar ben ik daar niet te klein dan voor opa? Ik moet nog zoveel leren. Je kan het maar leren aan wie het leren wil. Aan anderen mag je dat niet proberen aan te leren want die worden dan kwaad of lachen je uit. Mensen die echt willen leren, leren van elkaar zij leren al aanlerend. Zoals ik van u opa?Juist! Dank je wel opa, dat je mijn opa bent!  

Lucia Swinkels
9 0

De foor in Beerse

‘En van wie zijt gij er eentje?’ Gisteren was het weer zo ver. Jaarlijks vindt in september het groot kermisfeest plaats in Beerse. Van de schoonfamilie dan nog, nota bene. Een oud gebouw met vervallen speeltuin wordt afgehuurd zodat alle tantes, groottantes, neven, nichten, nichtjes van nichtjes… binnen kunnen. Over het eten kan ik zeker niet klagen, een koud buffet en barbecue gaat er bij mij altijd wel in, nog te zwijgen over de tien verschillende zelfgebakken taarten waar ge natuurlijk verplicht zijt van elk een stuk te nemen. Allee, doe maar een kleintje dan. En dan met een andermans klein mannen de speeltuin in. Normaal dolle pret maar als het kind bij elk speeltuig zegt dat het te eng is, of te hoog, of enkel voor nog grotere kindjes…dan is de fun er snel af. Dan maar op de glijbaan, en nog eens, en nog eens,… Tijd om naar de kermis te gaan. Diep vanbinnen ben je even blij als alle kleine kinderen die al heel de dag zenuwachtig komen vragen wanneer we nu eindelijk vertrekken. Je hebt speciaal klein geld verzameld de laatste week. Op de kermis zijnde, was dan ook geen enkele grijpmachine in het lunapark nog veilig. Weer een paar euro’s armer. Ach, t ’is maar ene keer op het jaar kermis. We doen het eigenlijk voor de glimlach op het kleine snoetje van het nichtje, niet waar? Want zij is altijd even blij met elke gewonnen prijs, of ze nu balletjes heeft gegooid, eendjes heeft gevist of met overdreven grote geweren heeft geschoten. Het valt haar zelf niet op dat ze altijd maar uit de prijzen van de eerste rij mag kiezen, hoe groot het gewonnen aantal punten ook is. Het grote kermiscliché moet ik toch ook deze keer jammer genoeg weer beamen. Overdreven geschminkte tienermeisjes (ach, we moeten niet liegen, het zijn niet alleen maar tieners) in tijgerbloesjes en wel heel erg skinny jeans staan verliefd te lachen naar hun rokende vriendjes. Want zij hebben hun liefjes wel net de grootste teddybeer geschoten. Die houden ze voor altijd bij! Het is mooi om te zien dat na al die jaren er nog steeds koppels worden gevormd op tentfuiven op een dorpse kermis. Was dat niet iets uit onze moeders tijd, maar dan op een lichtjes aangepaste manier? Ik geef grif toe, dat je jezelf als kinderloze dertiger nog uitermate kan amuseren en uitleven op de foor. En dat ik misschien nu al terug een beetje zin heb in volgend jaar. En als laatste nog even dit: lang leve de kermisromantiek!

An Spoelders
29 1

Iemand.

Hallo, iemand, als tenminste iemand de moeite neemt om dit te lezen, dat weet ik ook niet. Ik ben nieuw hier... Nieuw, zo nieuw als maar kan zijn. Wel, dit zou ooit een dagboek fragment moeten worden. Dat zou moeten.  Maar of het zal lukken? Dat weet ik ook niet. Dat zal ik op het einde van die verhaal zien... Vandaag stond ik op. IK ging naar beneden. Ik at. Ik vertrok. Ik kreeg les. Ik vertrok weer. Ik kwam thuis. Ik begon te leren. Ik stopte. En nu, nu schrijf ik hier.  Dat was mijn dag, samengevat. Maar de details, willen jullie die weten? Ik hoor jullie niet, dus ik zal mijn dag eens beschrijven. Ik stond op, Ik was enorm moe. Vorige avond had ik mij maar moegelezen in mijn nieuw boek 'De Cirkel', had ik gekocht op de boekenbeurs. Dus, 1ste detail van mij: Ik aanbid boeken. Egt waar. Nadat ik was opgestaan ging ik naar de keuken en gritste het pak cornfalkes van Keloggs uit de kast. Ik at, zoals ik voordien al zij. Daarna, was ik mijn boekentas aan het maken. 2de detail: ik ben enorm lui. Ik vertikte het om mijn boekentas gistere avond te maken. Boekentas gemaakt. Opweg naar de badkamer dan maar. Kleren aandoen blablabla. Ik spoel een stukje door tot ik echt het belangrijke deel tegenkom: Ik verjaar morgen. Het schiet me midden in de dag even te binnen. Ik verjaar. Ik was in mijn opperbeste stemming, en niets of niemand kon dat van me afpakken. Ik realiseer me net, dat ik waarschijnlijk niet ga kunnen slapen. Dat betekent dus, dat ik mijn geweldige tactiek ga toepassen: mezelf moe-lezen. Of ik pak een paar slaap pilletjes. Maar, mezelf moe- lezen lijkt me de beste tactiek. Fijn dat er iemand naar mijn verhaal luisterd. Tog? iemand?

Kaat Vanstraelen
8 0

Mevr. Gerrits

Hier staan we dan: jouw leerlingen, netjes op een alfabetische rij. Allemaal in hetzelfde uniform: witte T-shirt, zwarte broek en het haar stevig samengebonden. Je hebt de dingen graag op orde, dat is duidelijk. Binnen de muren van de sportzaal heerst discipline en dat wil je meteen vanaf de eerste les duidelijk maken.  Tijdens het voorlezen van de aanwezigheidslijst worden de voornamen, ooit met veel zorg door onze ouders uitgekozen, aan de kant geschoven. In deze zaal waar prestatie en inzet belangrijk zijn, is er geen plaats voor sentimenteel gedoe.  Na de A's, de B's en de C's is de beurt aan mij. "Dhondt?" "Ja." antwoord ik voorzichtig maar toch met enige trots. Ik heb mijn familienaam altijd al mooi gevonden. Kort, krachtig en alle letters stevig aan elkaar. Geen tussenkomst van opdringerige leestekens. Tekens die er oorspronkelijk wel waren maar door een familieruzie en een rebellerende grootvader werden geschrapt als vorm van protest.  Ondertussen ben je al aan de "H" begonnen. Ik heb dus nog wel even tijd voor de les echt begint. Vanuit mijn rechterooghoek heb ik zicht op de rest van de klas. Meteen valt het me op hoe gelijk ze er allemaal uitzien. Niet omdat ze hetzelfde uniform dragen maar omdat ze allemaal schrik hebben van wat ons te wachten staat.  Op de eerste schooldag hoorden we al de verhalen over jou en je verschrikkelijke lessen L.O. Langzaam nestelden deze geruchten zich in ons hoofd waar ze nu al vier dagen rusteloos rondzweven. Alleen nog maar meer aangedikt door onze eigen verbeelding.  Maar in tegenstelling tot mijn klasgenoten heb ik geen schrik. Ik voel me een gladiator, net voor die de arena binnenstapt. Wat er ook op mij afkomt, ik ben er klaar voor. Zonder enige angst want daar heb ik het inmiddels wel mee gehad.  Eerst was er de angst om de lagere school voorgoed achter mij te laten. Dan was er de angst odmat mijn vrienden naar een andere school gingen en ik het nu alleen moet zien te redden. Angst ook omdat alles op deze school zoveel groter lijkt en ik geen idee heb of ik me hier ooit thuis zal voelen. En nu zou er dus angst voor jou moeten zijn.  Zoals je daar staat: de grijze haren strak naar achter, klembord en stylo stevig vastgeklemd, een lijf van 1m80. 51 jaar maar nog steeds strak en getraind tot op het bot. Geen enkele vorm van vriendelijkheid of medeleven te bespeuren. Behalve dan in die helderblauwe ogen van je. In tegenstelling tot de rest van je lichaam zijn ze zacht en lief. Ik kan me maar moeilijk voorstellen dat iemand met zulke ogen zo verschrikkelijk kan zijn.  Tegen de tijd dat ook de "W" en de "Z" zijn afgehandeld, heb ik na grondige observatie beslist om je sympathiek te vinden. Ik heb immers geleerd om niet veel waarde te hechten aan roddels en geruchten. Vaak zijn deze verhalen al zo veel verteld dat de waarheid inmiddels plaats heeft moeten maken voor de fantasie van de verteller.  Plots kijk je op vanachter je klembord. Jouw ogen kruisen de mijne en alsof je zonet mijn gedachten hebt gelezen geef je me een knipoog. Ik zou, tot mijn eigen verrassing wel eens gelijk kunnen hebben!

Clarisse
0 0

Op het verkeerde spoor

18 november 2013, Weer even helemaal van slag... 20 september 2012, mijn leerlingen zijn naar huis en ik ben nog bezig met het opruimen van de klas. Mijn telefoon heb ik net weer aangezet. Niet dat ik vaak rond deze tijd gebeld word, iedereen weet dat ik nog op school ben. Daarom vind ik het ook verwonderlijk dat de telefoon gaat. De politie, met de vraag waar ik ben, ze staan voor mijn deur. Ik vertel ze dat ik op mijn werk ben en vertel ze desgevraagd waar dat is. Ik vraag waar het over gaat, maar de enige mededeling die de brave man doet, is dat hij naar me toe komt. Nog net voordat hij de verbinding verbreekt, vraag ik hem of het over mijn oudste zoon gaat, ik heb een vervelend voorgevoel. Weer is de mededeling: ik kom naar u toe. Ik loop naar mijn collega en vertel dat de politie onderweg is naar school om mij te spreken. Natuurlijk vraagt zij wat ze komen doen. Zonder erover na te denken vertel ik haar dat hij komt vertellen dat Nick er niet meer is.... Ik schrik er zelf van, maar ben meteen overtuigd van de waarheid van deze woorden. Doe niet zo gek, zegt mijn collega.... 20 minuten later loop ik samen met de agent naar mijn lokaal, hij vertelt me niks, maar laat het aan mij over de woorden uit te spreken. "U dacht dat het over uw zoon gaat, wat denkt u dat er aan de hand is?" Weer zonder erbij na te denken vertel ik hem dat Nick voor de trein is gesprongen, hij kan het alleen maar beamen, want dat is precies wat er Is gebeurd. Ondertussen heeft mijn lieve collega een aantal andere collega's op de hoogte gebracht van het bezoek van de agent en van mijn vermoeden. Zij zijn er voor me, staan voor me klaar. De agent biedt aan me naar huis te brengen (ik reis met de trein) Ik sla dit aanbod af, ik word door mijn lieve collega naar huis gebracht.  een collega-bouwmanager vertelt dat ze vervanging zal regelen. Op dat moment dringt het tot me door MIJN NICKY IS VOOR DE TREIN GESPRONGEN EN HIJ HEEFT HET NIET OVERLEEFD!!!! Ik ga morgen helemaal niet werken, ik ga voorlopig niet meer werken.... Ik weet wie ik als vervangster wil, het wordt voor mij geregeld.... Onderweg naar huis pleeg ik wat telefoontjes. Naar mijn vriendin: "Ans, ga naar mijn huis en zet koffie, ik ben er zo"  Naar mijn ex, de vader van Nick: "Ries, stel nu geen vragen, kom naar mijn huis"  Onderweg kan ik verder maar 1 ding denken.... Nicky is voor de trein gesprongen en hij heeft het niet overleefd... Thuis gekomen kan ik maar 1 ding zeggen.... Ans, Onze Nick is voor de trein gesprongen en hij heeft het niet overleefd.... Ik bel Cor, mijn partner waarmee ik een lat-relatie heb en kan maar 1 ding zeggen: Nick is voor de trein gesprongen en hij heeft het niet overleefd.... Even is het stil "wat kan ik voor je doen?" "Komen" "ik ben onderweg"  Ans, verbijsterd, in schok, neemt een sigaret, ik ook. De bel gaat, ik doe open, duw Ries de sigaret in zijn hand en wijs hem naar de bank. Ik steek nog een sigaret aan, ga naast hem zitten, sla mijn arm om hem heen en kan maar 1 ding zeggen: Ons Nicky is voor de trein gesprongen en hij heeft het niet overleefd.... "Dat meen je niet"  "Ries, als ik dit niet zou menen, zou ik het niet zeggen"  stilte.... Ik bel mijn ouders en breng hen met dezelfde woorden op de hoogte van... het einde van mijn wereld deze niet te bevatten.... schokkende verdovende verschrikkelijke  Waarheid. zij komen eraan. Dan een aantal uren van wachten, kunnen ze hem nog zo in elkaar puzzelen dat we naar hem mogen kijken? Is er een echt afscheid mogelijk? Krijgen we ook voor onszelf de visuele bevestiging dat het onze zoon is die de sprong heeft gewaagd?  Verzekeringspolis telefoontje Dela, morgenvroeg komen ze helpen telefoontje politie, waar is Nicky? telefoontje ziekenhuis, gaat het lukken? telefoontje ziekenhuis, wanneer is hij klaar? telefoontje ziekenhuis, 1 uur 's nachts, u kunt komen. plastisch.... het is gelukt om met de overgebleven stukken een profiel te schetsen van een menselijk lichaam: zijn hoofd, schouders, linkerarm met hand, rechterarm... toonbaar In een absorberend pak wat er voor mij als een ziekenhuishemd uitziet, ligt daar, mijn Nicky Mijn Nicky ziet er sinds jaren rustig uit.... Mijn Nicky is dood En ze hebben zijn haar gewassen.... Zit geen gel in.... Ziet er niet uit! moet ik morgen wat aan doen! Ruim een jaar in de rouw, ik doe het rouwen goed zegt de hulpverlener... Ik ben weer aan het werk Therapeutisch, rustig opbouwen, Ik krijg van mijn werkgever de tijd!  Sinds 3 maanden reis ik weer met de trein, het traject dat Nick ook nam.... gelukkig maar 7 minuten..... ik ben trots op mezelf, omdat ik mijn vrijheid weer terug aan het nemen ben het openbaar vervoer betekent voor mij zelfstandigheid in reizen.... Vanmorgen weer naar school, op de fiets naar het station... Het station wemelt van mensen in reflecterend gele hesjes, spoorwegpolitie, politie, ambulance.... de bushaltes zwart van de mensen treinen staan stil afgezet gebied? Ik ril ik loop naar een groepje gele hesjes ik vraag een aanrijding met een persoon.... ................................................................ " Mevrouw, gaat het wel goed met u?"  "Nee" "We brengen u naar huis" vandaag is het weer even 20 september, 2012

Mieks
12 0

Prachtdier

1.   Moeizaam beklom Harald de heuvel, zijn heuvel. Hoe vaak had hij het parcours niet afgelegd met zijn vrouw? Eerst een pintje gaan drinken in De Sluwe Steenezel, voorbij de kleine velden, dwars door de duinen die steeds hoger leken te worden. Hij strompelde en voelde de toppen van het hoge gras onder zijn handen doorritselen. Zand kroop in open sandalen. De zee lag nu uitgestrekt achter hem, hij luisterde naar de zwakke golfslag in het donker. Boven op de heuvel schitterde eerbiedig de maan. Er lag een zekere spanning in het gezicht van de gepensioneerde boswachter. Hij voelde de stilte van de avond, de wind die fluisterde, ritselde, vermurwde. Een uil riep vanuit een lage boom. Gehinderd door het zand stapte hij verder.   Plots hoorde hij een gedempte knal. Hij keek om zich keek, indachtig waar het geluid vandaan was gekomen en snoof de geur op van de avondlucht. De duinen kwamen uit in een weggetje dat eindigde op een donkere plek. De plaats was vertrouwd, hier had hij vroeger vaak gespeeld, waar het pad smaller werd en er door de natuur gevormde putten lagen. Op de open plek zag Harald een geparkeerde auto staan, het portier was geopend en de koplichten brandden zodat het licht zich naar voren verspreidde, alsof daar enige actie waar te nemen viel. In het voertuig kon leven zitten. Zou mijn hond op de achterbank liggen, vroeg hij zich af. Even kreeg hij rillingen, de kille avondwind blies door zijn jas, de ondergrond was redelijk vochtig voor een lenteachtig jaargetijde.   Als een schichtig dier schatte hij de situatie in. Indien hier een onguur type rondliep dan zou deze wellicht voorzien zijn van een wapen. Stel je voor, dacht hij, je zit hier in het donker met een zaklamp en je wordt begluurd door moordenaarsogen, gefixeerd op een hakbijl. Gehurkt wachtte Harald af, een hardnekkige zandkorrel deed enkele voortanden knarsen. Na een volle minuut trok hij het met kloppend hart het portier helemaal open, gluurde naar binnen, het was leeg, de achterzetel ook. Hij gleed achter het stuur en plaatste zijn handen op het wiel. Aan de spiegel bungelde een leeuwenkop. Wellicht een soort van troostprijs geschoten met losse kogels. Op de voorste bank, naast de passagiersstoel lag een beer. Zijn gedachten gingen terug naar een lang verleden. Had hij niet ooit een gelijkaardige knuffelbeer gehad met identiek diezelfde zwarte ogen? Deze versie was alleszins toegetakeld, de oren hingen los aan het hoofd en een van de ogen bungelde aan een fijn zwart touwtje. De inspectie had weinig prijsgeven, er lag niets in de koffer en verdere aanwijzingen waren er niet. Harald besloot om zijn nieuwsgierigheid te laten varen en wandelde in Zuidelijke richting de duinen terug in. Plots hield hij halt, zag een flits en hoorde stemmen. Onbewust hield hij zijn adem in, je wist maar nooit. Voor zich ontwaarde hij twee schimmen. De gedaantes keken naar de grond. Snel verstopte Harald zich achter de duinen en gooide zich als een sluipschutter op de grond en kroop dichterbij. Een vrouw droeg een lange regenjas, een man een donkere parka met een kap.   ‘Wat denk je, is het diep genoeg?’ Hun stemmen klonken helder. ‘Nee, graaf nog wat, het is niet diep genoeg.’ De man schepte de aarde weg, de vrouw gaf instructies. Zand gleed met een zachte plof naast de put neer. ‘Geef die spade eens hier,’ zei de vrouw met een schorre stem, ‘je moet dit goed doen.’ Ze scheen wat gras weg te schrapen dat in de weg zat. ‘Hier, neem maar terug, ik ga een tak zoeken. Vanuit de schuilplaats zag Harald niet hoe diep de put was. Hoe lang waren ze al bezig? Hij kon niet langer blijven, Lutzie was weggelopen en hij diende zijn hond zo snel mogelijk te vinden want hij wilde naar huis. Hij memoriseerde de nummerplaat van het voertuig. Het zou van pas komen, als hij uitzocht van wie de rode auto was, dan zou er een stroper minder zijn, dan kreeg een crimineel een celstraf.   ‘Lutzie! Lutzie hier!’ De boswachter riep zijn hond vanuit de open plek. Hij zuchtte, het was niet de eerste keer dat hij de hond van de leiband had gedaan en het dier zich als een rat uit de voeten had gemaakt. Harald kende het domein heel goed, zijn oude werkterrein lag verderop, landinwaarts. Hij besloot zijn hond te zoeken. Even kwam er een glimlach om zijn mond, de put in de duinen deed hem denken aan een schat van gouden muntstukken, het onderwerp van een heel oude terugkerende droom. Toen hij terug beneden was, dacht hij na over wat hij net gezien had. Zou dit incident morgen in de krant staan, waar het ook over ging? Neen, dacht Harald, wellicht niet want er waren geen getuigen.   ‘Arm dier.’ De vrouw keek haar vriend hulpeloos aan. Beiden hadden gezien hoe de hond in elkaar stuikte na het geweerschot, op slag dood. Ze leken ontzet, zij omwille van de hond, hij omdat zijn vriendin zo bedroefd was. ‘Het is jouw schuld, jij wilde hier perse komen jagen, jij hebt ‘m in de rug geraakt.’ ‘Als het een konijn was geweest, dan was je blij geweest,’ verdedigde hij zich. Hij keek naar haar, knipte zijn zaklamp aan en zag hoe ze haar tranen wegveegde met de mouw van haar jas, de dode hond in haar armen. ‘Leg ‘m er maar in, ik denk dat we klaar zijn.’ Ze had nog even over het kopje geaaid en de lange oren aangeraakt, alvorens het zand over het zachte lichaam te strooien. In ieder geval paste het dier in de put, de witte pootjes verdwenen onder de zwarte vacht. ‘Het spijt me Inge, ik heb het niet zo bedoeld, ik wilde hier met jou gewoon wat komen jagen, een romantische strandwandeling maken, zeggen hoeveel ik van je hou.’ Ze weende nog luider nu en gaf aan dat ze naar huis wilde. De man met de parka knikte, ‘Ik dacht dat ik een haas had gezien maar daar was ik dus mis.’ Hij trok zijn schouders op en trok haar aan de arm mee. ‘We vergeten dit voorval, zijn zo thuis, grijp even het geweer, dan leg ik de spade terug in de koffer.’   Harald zocht verder, baande zich een weg over het natte strand. In elke hoek en laan zocht en floot hij. Geen loslopende hond te vinden, niet in de duinen en niet in het dorp. Hij moest opgeven en wandelde naar huis terug, bedroefd en vooral zwaar ontgoocheld omdat hij Lutzie niet had kunnen vinden. Die nacht bleef de mand van de hond leeg, de drinkbak hoefde hij voorlopig niet bij te vullen. Zijn hond was vol levenslust, trouw, prachtig met een vacht als een deken. Wanneer had hij zijn prachtdier voor het laatst geaaid? Gisteren? Tijdens de wandeling?   Hij had een schilderij gewild van zichzelf in groene boswachterkledij, hoed en al, met een vertrouwde hectare op de achtergrond en Lutzie zittend naast hem. Voor dit beeld was hij bereid veel geld te betalen. Hilda had het afgeraden. Nu had hij geen echtgenote meer, was zijn huisdier spoorloos. Harald voelde een vermoeidheid in zijn onderbenen en besloot wat te rusten op de sofa. De woonkamer was de plaats waar Lutzie veel tijd had doorgebracht, wakend, blaffend, Harald vol liefde aankijkend. Straks als het licht is, dan vind ik hem, besloot Harald voor hij zijn kleren uittrok en zich op de zetel uitstrekte. Morgen zal Lutzie wel opdagen, hij zal wel weer achter de wijfjes zitten.         2.   Op het terras zaten zes groepsleden van de vogelclub te wachten op een biertje. De zon scheen en een parasol bood schaduw aan het gezelschap. Af en toe als een wolk gepasseerd was, verwarmde de zon alles in de onmiddellijke nabijheid. Harald hield van zulke dagen, niet te warm en niet te koud maar met minstens een flauw zonnetje. Dat alles liever dan regen, een natte hond rook onfris en modderlaarzen moesten dan afgespoeld worden met water.   Een van de heren stond op om de bestelling door te geven aan de enige barman in café De Sluwe Steenezel. Het was nog maar een tweede bijeenkomst maar de groep vogelliefhebbers leek te groeien. Harald die de cursus een week eerder had gestart zat in de zon, zijn gebruinde huid leek bestand te zijn tegen elk soort van weer. In de ene hand had hij een muntstuk, in de andere een sigaret. ‘Deze heb ik in de duinen gevonden,’ zei Harald langs zijn neus weg en hij wreef nog eens over het ding alsof het magische krachten had. ‘Ik moet zeggen dat het een uniek exemplaar betreft, het is zeker nog van voor mijn tijd.’ Roger, een beer van een man met bruingele tanden die er de vorige keer ook bij was, keek geïnteresseerd naar de contouren. Hij legde zijn hand over het zilverkleurige muntstuk met de bijzondere gravering en voelde de vorm. Hij floot tussen zijn tanden door. ‘Dat is een mooie, waar heb je die gevonden?’ ‘Op de open plek in de duinen, ik was een wandeling aan het maken. Gisteren ben ik terug gegaan maar dan heb ik niets gevonden.’ ‘Had je de metaaldetector niet bij dan?,’ vroeg een man die een pet op had en Armand heette. De opmerking wees op simpelheid vermengd met een zekere onschuld.   ‘Inderdaad.’ Harald wilde niet toegeven dat hij laat op de avond nog door de duinen trok omwille van een slaapprobleem, zijn hond achterna. Het kustreglement kende hij. Soms nam hij zelf een risico, het muntstuk dat hij zopas had blootgelegd met zijn metaaldetector en alle andere die hij op het strand had gevonden diende hij af te staan aan een opzichter. De verzameling krabben en kreeftskeletten, waar hij niets mee deed, mocht hij waarschijnlijk bijhouden.   Hij trakteerde ieder lid van de club op een biertje. Terloops zei hij: ‘vandaag zijn er zes aanwezigen, vorige week waren het er maar vijf.’ ‘Weet je wie dat is?’ Harald wees naar de man in een donkere parka, ‘hoort hij ook bij de groep?’ De man die helemaal apart aan een tafeltje zat, scheen een nieuweling te zijn. Hij keek rond en zette een glas bier aan de lippen. Niemand scheen hem te kennen. Plots wist Harald wat hij al een tijdje vermoedde, dit was de man die de nacht ervoor op de heuvel had gestaan en de put had gedolven.    ‘Hebben jullie zin in een nachtelijke wandeling misschien?’ De groep reageerde alvast enthousiast, de samenkomst van gelijkgestemden was een uitstekend idee geweest, ze lachten en dronken, schoven hun stoelen dichter bij elkaar en keken verwonderd naar de verschillende uitgestalde schatten op de plastieken terrastafel, hun hoofden verhit door de eerste felle lentezon. De discussie ging verder over gevonden voorwerpen en vogels.   ‘Voor diegenen die willen meekomen, ik zie jullie dan graag terug vanavond om tien uur. We starten de wandeling hier aan café De Sluwe Steenezel. ‘Met deze metaaldetector kan je exotische muntstukken vinden, geld of zelfs sieraden. Deze mag je op het strand uittesten als je wil. En misschien horen we ook wel vogels hé.’   ‘Bedankt gids, uw uitleg over vogels was best interessant,’ zei de man met de donkere parka. ‘De naam is Omar. Mijn vriendin Inge heeft me ingeschreven in de club. Ik zou graag een buizerd zien.’ Harald keek even weg, staarde naar de grond, alsof hij naar een antwoord zocht. ‘Dan ben je op het goede adres Omar.’   De vogelclub stelde niet veel voor. Met de start van de lente waren er twee leden bijgekomen. Ze kwamen telkens samen op een zaterdagnamiddag. Voor Harald was het een unieke aangelegenheid om zijn passie voor vogels te delen met geïnteresseerden. Vroeger was hij als boswachter in dienst geweest in een bosrijk gedeelte van De Haan. Nu was hij aan het rentenieren en woonde hij aan de kust in een kleine eenvoudige villa. Het toezicht houden over grote domeinen lag hem het meest, vaak voelde hij zich als een koning van een uitgestrekt landgoed. Met de start van zijn pensioen was er nog weinig dat hij leuk vond. Ja vogels, munten, een Sudoku in de ochtend, koffie en later op de dag een fles wijn. Op de middag mocht Lutzie mee voor een strandwandeling. Soms deed hij die wandeling in de late avond over, hij hield van de stilte die de nacht met zich meebracht en het geruis van de golven. Zijn interesse in het bekijken van vogels door een verrekijker bleek een recentere hobby. Het combineerde goed met het vinden van metalen voorwerpen vond hij; als hij een rustpauze nam in de late namiddag op het strand en zich neerzette op een rots, dan nam de verrekijker het werk over.   De groep was vertrokken. Allen vogelliefhebbers. Een stevige nachtwandeling stond hen te wachten. In de velden zouden ze speuren naar vogelnesten, dan zouden ze het strand oplopen om ook daar broedplaatsen op te zoeken. De mannen hadden zich met zaklampen in de hand op het strand verzameld rond Harald, die enthousiast zijn uitleg begon.   ‘Ik ben gepensioneerd maar was vroeger boswachter van beroep. Als gepassioneerd strandjutter en wandelaar wilde ik niets liever dan aan zee wonen. Daarstraks heb ik het ook al gezegd, het doet me deugd dat jullie interesse hebben in vogels. In dit gebied is het fantastisch, er zijn buizerds, zeemeeuwen, noem maar op. We gaan zeker een paar mooie zien. Hebben jullie er aan gedacht om een verrekijker en een pillicht mee te brengen?’ De vraag was overbodig, hij werd bijna verblind door het felle zaklicht. De nieuwe had geen verrekijker, hij verontschuldigde zich beleefd.  ‘We splitsen ons, verkondigde Harald na een wandeling van een half uurtje, jullie drieën blijven op het strand, ikzelf Armand en Omar trekken de duinen in. Kwestie van de vogels niet op te schrikken. Ze beklommen de duinen, het was redelijk stijl. Harald leidde, de andere twee volgden. ‘Hier boven ken ik een broedplaats waar je buizerdeieren kan vinden. Hou je camera maar klaar Armand!’ Armand keek enthousiast naar de lucht, haalde de camera met flits uit het tasje en hield het ding paraat. Tot voorbij de open plek wandelden ze, dan een stukje de duinen in.   ‘Begin maar te graven Omar, hier is het.’ Omar keek bedenkelijk naar de gids. Hij moest het zich herinneren, het onbehagen van de vorige avond, de ongelukkige situatie, het voortdurend wenen van zijn vriendin, dan het zoeken als een gek naar een plaats om het dier te begraven.’ De geschokte stem van Inge: ‘we moeten snel een put graven, er ligt een spade in de koffer, haal die even.’ Hij had de spade aan haar gegeven en ze had de hond aangeraakt om te zien of die nog leefde, er hing bloed aan haar handen.   ‘Wat is er? Kan je niet graven, durf je niet?’ Harald had Omar herkend aan de donkere parka en had zich voorgenomen om de man te confronteren met de feiten. Hij groef zelf wat aarde weg. ‘Kijk, en als je nog wat dieper gaat, dan zal je hier eieren vinden.’ Omar stond recht en deinsde achteruit, en staarde perplex naar de grond. Een grote tak had bovenaan gelegen als een soort van herkenningssymbool. Hij besefte dat er iets niet in de haak was en begon te zweten. Als een bezetene groeven Harald en Armand het zand weg. Maak hier een foto van Armand. De camera flitste meermaals. Dan zag de boswachter de zwarte hond in de put liggen.   Harald schudde zijn hoofd, ‘jij gangster’. Omar zette het op een lopen, liep zo hard hij kon over het oneffen pad. De boswachter ging er achter aan. In het donker was het moeilijk om de jongere Omar bij te houden. Hij versnelde zijn pas en ademde door zijn neusgaten als een briesende os. ‘Omar!’ De diepe put had hij niet gezien. Auuw! De boswachter moest op adem komen en de opkomende pijn in zijn been en enkel verbijten. Hij was in de put gesukkeld. Hij knipte zijn zaklamp aan om de juiste locatie te kennen, maar na enkele seconden ging het licht uit. ‘Verdomd nog aan toe’, riep Harald uit. De batterij was uitgevallen.     Armand de fotograaf had de vogelgids en de nieuwe zien weglopen. Uiteindelijk stond hij op, hij had de hond geaaid, zijn analoge camera nog steeds in de hand. De zwart-wit foto’s konden wel eens heel goed gelukt zijn. De staart was als een vossestaart, de vacht was zwart. Het lichaam voelde koud aan. Hij wist niet wat er zich de vorige avond had afgespeeld en keek een laatste keer bedenkelijk in de put. Hij besloot om terug naar het strand te gaan om zich bij de rest van de groep te voegen, misschien hadden ze intussen al een fortuin vergaard.    Op het strand verzamelden de mannen zich. ‘Hebben jullie vogelnesten gezien, iets gevonden?’ Roger maakte zijn zakken leeg, een paar kopertjes en een metalen knop. Hij had de hele avond bier gedronken, was met de anderen meegegaan naar het strand en had daar een hele poos op een stenen pier gezeten. ‘Ik heb de vogelgids amper gezien!’ Hij was door zijn biervoorraad heen en wilde actie en aandacht van de anderen. ‘Het was te donker,’ zei Armand vastberaden, ‘en daarbij, we hebben de vogels weggejaagd.’  ‘Welke vogels?,’ herhaalde de breedgeschouderde Roger, ‘ben jij simpel of zo? Wel, in ieder geval heeft de gids ons goed beetgenomen, waar is hij trouwens? ‘Wie? Harald, antwoordde Armand, ‘die stond daarstraks nog in de duinen, had een discussie met de nieuwe.’ ‘Kom, we gaan terug naar het clubhuis. Ik heb zin in een biertje.’ De bende volgde. Ze trokken naar De Sluwe Steenezel. Het café dat vooral als clubhuis dienst deed, stond eenzaam en verlaten een driehonderd tal meter verwijderd van de voet van de duinen. Met hoog tij moest de eigenaar altijd opletten en voorzorgsmaatregelen nemen, hij wilde zijn zaak niet zien wegdrijven. ‘De vogelclub, mijn botten,’ zei Roger kwaad. Hij gluurde naar binnen door het raam, alles was donker. De anderen zetten ook hun handen op de ramen maar konden maar weinig onderscheiden. ‘Hier is hij niet.’ ‘Het lidgeld hebben we betaald, maar die Harald is een schurk. Geef die gelddetector eens hier. Schijn eens met een pillamp Armand.’ Roger knalde de metaaldetector tegen het raam, het geluid verstomde iedereen. ‘Wat doe je’, schreeuwde Armand, man je bent dronken.’ Opnieuw tilde hij met al zijn kracht het voorwerp op tot over zijn schouder, liet het dan met een slag vallen. Het dunne glas van het zijraam viel aan diggelen. Scherven kletterden op de grond. De mannen keken geschokt naar het gebeuren. Dit was het eerste moment van actie dat ze die avond ervaren hadden en het smaakte naar meer.    ‘Hoera, schreeuwde Roger luid, de bar is terug open!’   Hij trok de grootste stukken glas wat weg, wurmde zich door het gat en stond binnen. Daarna knipte hij het licht aan en deed de deur open voor de anderen. ‘Omdat jullie een speciale behandeling nodig hebben,’ declameerde hij, de bruingele tanden aanrakend. De ruimte rook naar gedroogd zeewier. Op het midden van een van de tafels stond een grote zeeschelp met verse bloemen. Roger legde het sierstuk aan zijn oren, maakte een danspasje en deed alsof hij een telefoon in zijn hand hield. ‘Hallo?’ De bloemen leken uit zijn oren te komen. Een luid gebrul kwam uit de richting van de bar, waar de mannen zich hadden verzameld, een fles Whiskey hadden opengemaakt en deze in grote glazen uitschonken. ‘Ik hoor enkel vogels,’ zei Roger, die de schelp aan zijn oor hield. Tegen de muur hing een groot net met vormen van zeeleven in verstrikt. Met een vol glas Whiskey in de hand strompelde de reus als een dronkaard de kamer rond en bekeek aandachtig de ornamenten, prenten van zeevogels en de ingelijste teksten op de muur.  Een groot bord blokletterde: het is verboden om op het strand te voldoen aan natuurlijke behoeften - volgens het kustreglement moeten honden te allen tijde aan de leiband gehouden worden - strandjutten is verboden. Hij las de tekst voor op een weinig samenhangende manier.   ‘Ni…mand mag de behoefte doen … zonder leiband. Jutten is ... Geen kat die luisterde.      3.   Hoe lang Harald in de put had gezeten met enkel het maanlicht als gezelschap wist hij niet. Zijn enkel deed pijn en zijn been was lichtjes geblesseerd. Het had hem veel moeite gekost om op eigen kracht uit het gat te komen, en thuis te geraken.   Het plan om de hond te verplaatsen was zoals Harald het achteraf gezegd zou hebben: ‘omdat het moest’. Wie weet lag het graf misschien nog open. Roofvogels konden elk ogenblik toeslaan. Harald, wachtte tot het nacht was, als wijze van ritueel, trok rubberlaarzen aan en stopte een witte plastieken zak in zijn jaszak. Over de verwondingen aan zijn benen had hij pleisters geplakt. De dure metaaldetector, die hij had opgepikt in het clubhuis, sleurde hij mee tot op de open plek. In de club had hij de avond ervoor de dronken bende aangetroffen en naar huis gestuurd. Mijn prachtdier. Aan iets anders kon hij nu niet denken. De heuvels leken lager, de zee woester en vol groene energie. Bovenop de heuvel kon hij zijn tranen niet meer bedwingen. Het natuurgebied was indrukwekkend maar s’nachts werd het griezelig. Nochtans hadden hij en zijn hond er fijne momenten beleefd. Drie jaar lang had hij de verzorgende taak op zich genomen van aaien, wandelen, het geduld opbrengen bij elke besproeide boom. Zijn vrouw Hilda was er niet meer en de schok die hij nu voelde kwam harder aan dan zou hij nog lief en leed met haar gedeeld hebben.   Na een minimum van tijd vond hij de plaats. Harald kon een hoopje zand waarnemen, de stok die het kruis voorstelde lag er nog. Armand, onze fotograaf zal hier voor gezorgd hebben, die man verdiend een inlijsting van goud, dacht Harald, die het graf grondig bestudeerde. Met de metaaldetector verkende hij het terrein. Geen piep te horen. Met vlakke hand schepte hij de eerste laag zand weg, een verharde vochtigere laag lag bloot. Hij groef verder tot hij iets zachts voelde. Oren? Een rechter of linkerpoot? Het bleek de nek te zijn, een delicate plaats waar de halsband met metalen penning had gezeten met de naam op gegraveerd; deze was echter weg. De zak trok hij uit zijn jaszak en hij scheurde ze open om de hond in te wikkelen. Lutzie leek lichter nu. Hij keek naar de grond en zag de lange oren, de poten met nagels die soms tegen hem opsprongen, die lange staart die kwispelde bij momenten van blijdschap.   Met de hond voorzichtig gewikkeld in plastiek en de detector over zijn schouder repte Harald zich over de duinen en via het strand terug naar huis. De blik op de zak maakte hem droevig. Eens terug in de villa wist hij wat hem te doen stond. Zijn hond een degelijke begrafenis geven en er zich zoveel mogelijk doorslaan. Een prachtdier verliezen was niet niks, anders dan een bos sleutels kwijtspelen of een hersenbloeding doorstaan. Het gemis was groter, er kwam niets in de plaats, enkel een vorm van leegte, alsof een deel uit je leven was weggeknipt.   In de achtertuin pronkte het graf. Een mooie steen met de letters ‘Lutzie’ op, geschilderd in zwarte inkt. Over de steen, omcirkeld met schelpen hing een tak van een kerselaar, die bewoog door de wind. Vanuit het raam bekeek Harald het resultaat. Naast hem lag een collectie van muntstukken die hij over de jaren had verzameld, sommigen illegaal gevonden aan de kust. Minuscule, grote, hoekige maar de meesten waren koperachtig klein. De hondenmand stond voor de schouw. Hij koos een zilvergekleurd muntstuk uit en mikte het in de mand. ‘Omar, zo heet jouw moordenaar.’ Hij gooide er nog een, het landde tegen de zijkant op het kussen. ‘Ik zou hem iets kunnen aandoen.’   Het lijden van de gepensioneerde boswachter was een stil en introvert lijden. Op slechte dagen deed hij de waterbak vol, ging bij het graf zitten, telde de schelpen en neuriede een liedje. De bloesem van de kerselaar in de achtertuin verdween geleidelijk aan en met het wegvliegen van de roze bloemblaadjes sloot zich een hoofdstuk af. Eens het verdriet en de tranen wegebden, kwam woede. Een orkaan van dansende gedachten, sommige heel negatief, overspoelde het hoofd van Harald. En dan viel het gordijn terug dicht. Als hij in de late avond in de tuin van de erkende moordenaar had gestaan, voelde hij zich klaar om een dutje te doen en alles weer voor een paar uurtjes achter zich te zetten. Soms leek het een vorm van mediteren, even hulpeloos en weerloos een tuin betreden in een droom en vanachter een boom minutenlang staan gluren om een licht te zien in de duisternis, het hoofd van Omar om zijn geweer op te richten. Een zoete vorm van wraak. Hij moest geduld hebben en geduld had hij.   De volgende dag was hij nog steeds rusteloos, stak eerst een sigaret op en belde dan hij naar zijn moeder om het droevige nieuws te melden. In het bos had hij in zijn carrière ook wel wat meegemaakt.   ‘Die jager bijvoorbeeld, moeder, die hij een jaar geleden had betrapt met een grote rugzak met het karkas van een ree in! Die poten, luister nu eens, waren van dat lichaam gesneden en de buikholte leeggemaakt. Ik heb er persoonlijk op toe gezien dat de man werd beboet voor stropen en sluikstorten. Ja moeder, maar een hond doden? De duinen ingaan om er een hond om te brengen, daar kan ik niet bij. Zo een man moet gek zijn. Omar, ja … zo zou hij heten, wie hij is? Juist en wat zou deze lafaard willen van het leven, van een ander, een troosteloos type als ik? Hij heeft een vriendin, dat heb ik zelfs niet. Hilda heeft mij verlaten. Ze noemde mijne hond altijd ‘het manneke’. Laat het mannetje maar tussen ons in liggen zei ze vaak. Dat heeft niets met die hond te maken ma. Mijn vrouw wilde altijd bovenop liggen als we vreeën en dat was … zwaar. Ik heb haar gezegd, Hilda, ik wil ook wel eens de leider zijn in de slaapkamer, ik heb dat nodig.’ Dan volgde een klik. Het contact was verbroken.   Uit noodzaak trok hij naar de markt voor boodschappen en bij thuiskomst vulde hij een sudoku in. Het gevoel van eenzaamheid bekroop hem. Zijn compagnon Lutzie kon door geen één ander dier vervangen worden, niet door een vis of konijn, een cavia of een babyegel. Nu het onrecht was geschied zou hij fakkeldrager worden, als boegbeeld door het leven gaan, actief in het inperken van malicieuze praktijken. Een boswachter als voorvechter van de rechtvaardigheid, bijgestaan door engelen. Het herbeleven van het moment op de heuvel, het geweerschot, de rode geoxideerde lucht van het kwaad proevende. Al dit moest hij bannen uit zijn gedachten. Was dit zijn realiteit geworden?   Na een lange eenzame middag besloot hij het adres van de imbeciele jager op te zoeken. Dat was gemakkelijk gevonden, aangezien zijn vriendin het had ingevuld op het inschrijvingsformulier van de cursus. Hij woonde in het dorp in de Fazantenlaan 18. In de late namiddag nam hij er een kijkje, aardige maar kleine huizen in een recent gerenoveerde straat, allen bewerkt met een zelfde blokschaaf over het dak, speeltuin op het einde, een krantenwinkel tussenin. Nummer 18 stond er verlaten bij. De rolluiken op de bovenste verdieping waren neergelaten, het huisnummer trok schuin als een deltavlieger. De boswachter keek om zich heen, de buurt zag er niet uit als een oord van criminaliteit, het huis had niets ongewoons, hoe teleurstellend. Op de bel stond: bij Omar & Inge. Hij was niet de anonymus die hij dacht dat hij zou zijn, een type man met windjak en capuchon, onvindbaar op de wereld, bezig een nieuw complot te beramen met hoop op een bloeduitstorting en de dood tot gevolg.   De nacht zuiverde de lucht en bracht nieuwe energie. Harald die de slaap niet kon vatten stond op, liep tot bij het raam waar hij wezenloos uit ging staren. Hoe kon de man met de parka weten wat een prachtdier Lutzie was. Omar, een amateurjager wist niets. Zijn broek en trui hingen over een stoel en hij trok deze terug aan en zocht een wapen uit. De emotionele impact van de gebeurtenis kon hij nu niet meer van zich afschudden. Wraak en gerechtigheid liepen samen als druppels zweet zijn rug af. Hij liep het blokje om en eindigde bij de woning met de voortuin. De brievenbus intrigeerde hem, het verplaatsen van kabouters en het verder scheeftrekken van het huisnummer. Vanachter een boom viseerde hij ramen en gordijnen op zoek naar de verschijning van Omar. Een afrekeningplan smeulde in zijn hoofd. Als hij nu buitenkomt, dacht hij dan, dan heb ik hem waar ik hem het meest wil raken. Wat hij mijn hond heeft aangedaan, krijgt hij van mij cadeau, een schot in de rug. Na een half uur keerde hij dan naar huis terug, de wrokgevoelens opnieuw aangewakkerd. Die nacht sliep Harald terug in de slaapkamer. Rond middernacht was hij de living in gelopen en had hij gezegd: Hey Hilda, waar ligt mijn wapen?’ Deze woorden had hij gesproken tot het kussen, dat in de woonkamer op de zetel lag. Het was maar een droom geweest, over zijn wapen dat zoek was en uiteindelijk in de toiletzak van Hilda stak. In de ochtend keek hij in de badkamer. Een toiletzak lag op een laag kastje. Hij ritste het behoedzaam open. De inhoud bestond uit een scheermesje, een nagelschaar, talcum poeder en een fles amandelolie. De olie gebruikte hij meestal om de oren van Lutzie proper te maken.   De laatste dag van de week stond hij er weer, met trillende lippen, waakzaam om zich heen kijkend. De bosjes waar hij zich achter kon verschuilen waren aan de lage kant. Zijn spieren waren minder soepel nu, gezien zijn leeftijd en enige tijd gehurkt zitten kon vermoeiend zijn. De enige boom in de voortuin was niet dik genoeg. Een berk met een schurftachtige schors. Harald had zich al een paar dagen niet geschoren, zijn lippen waren droog en hij prevelde een paar woorden: ‘De dagen er rond stonden ver van mijn herinneringen, maar de dagen zelf stonden in mijn gedachten gegrift als in steen.’ Zijn ogen lagen diep in grijzige oogkassen; een gebrek aan slaap en talrijke piekermomenten waren de oorzaak. De tuin was slecht onderhouden vond hij, bloemen had Omar niet, hoog gras en wat versieringen, beeldjes en een kiezelpad dat leidde naar de donkergroene voordeur. Een zuchtje wind deed hem opkijken, daarna fixeerde hij zijn vermoeide ogen terug op de gordijnen. Hij krabte in zijn nek, hij had zich al een paar dagen niet gewassen en zijn huid was ruw en jeukte.     De lente was officieel en voelbaar, zelfs de avonden werden warmer. Inge zat in de woonkamer, op haar schoot een breiwerkje en de afstandsbediening. Een half natte Omar wandelde de kamer binnen met enkel een handoek om zijn middel. Ze keek zijn richting uit, en zei, ‘denk je dat het goed weer gaat worden?’ Hij trok het gordijn verder open en keek naar de lucht. Net op dat moment wandelde Harald de tuin in, na een korte aarzeling hield de boswachter halt voor een grote rododendronstruik, zijn hand ruste op zijn wapen. Het gordijn op de benedenverdieping bewoog en het hoofd van Omar was tevoorschijn gekomen. Een kogel werd afgevuurd.   ‘Deksels, weer een inbreker.’   Harald zeeg neer, de kogel van het jachtgeweer van Omar had hem getroffen in het hoofd. Inge gilde, de stem van de televisiepresentator gaf aan dat de herhaling van het avondnieuws ging beginnen. Omar vuurde nogmaals met het jachtgeweer dat hij steeds bij het raam achter de zetel verborg. De kogel ketste af tegen een boom. Onder de boom lag Harald. Dood. Vanuit het raam was een schril gefluit hoorbaar, het geluid van een buizerd dat Omar voortreffelijk nabootste.      

Polly Heyrman
19 0