Lezen

Wijze Indiaan

Is schrijven een roeping? Ik ervaar al de hele dag een gevoel van"bijna ontploffen". Alles dwaalt rond in mijn hoofd, ongeordend, het één het ander verdringend. Van de drukte van mijn gedachten alleen al word ik zenuwachtig. Ik hunker de hele dag naar dit ultieme moment van rust en sereniteit waarop ik eindelijk kan neerzitten en schrijven. Alles moet eruit kunnen vloeien. Ik heb het idee dat alleen al het opschrijven mijn leven als vanzelf in de plooi laat vallen. Alhoewel; wat is de plooi? Wie zegt hoe het moet? Wie controleert? Het is juist omdat ik het zelf wil bepalen dat het zo moeilijk is, zo vermoeiend. Soms lijkt het meer een gevecht. Het is pas als er problemen zijn op te lossen dat je voelt dat je echt leeft, hoe moeilijk ook. Een deel van het gezinsleven is soms een beetje geleefd worden.; een aantal robotacties die je kan uitvoeren op automatische piloot. Toch is het niet zo dat je uitzonderlijke dingen in je leven moet doen om het moeilijk te hebben; Opvoeden bvb. is al eeuwen oud, zou men ondertussen toch al onder de knie moeten hebben... het probleem is dat het altijd nieuwe ouders zijn die nieuwe kinderen opvoeden, elk kind al weer anders samengesteld anders reagerend op andere dingen. Het maakt de klus er niet gemakkelijker op. En het is zo verdomd belangrijk. je bent bezig een leven te vormen. Je helpt een schijnbaar hulpeloos hoopje baby kneden ,vormen, ontwikkelen. het is allemaal natuurlijk ook ontzettend boeiend. Maar het is ook en vooral "altijd". Je kan part time werken , een relatie opbouwen en afbreken, vrienden aanhalen of afweren, een cursus volgen ,een boek uitlezen en wegleggen maar eens dat je dat kind op de wereld hebt uitgestoten is er geen weg terug, geen afhaken. Als je het een beetje goed doet hebben ze een kans op een goed leven. Niettegenstaande alle problemen onderweg heb ik de ingrediënten om er iets van te maken voor hun. Dat mag ik nooit uit het oog verliezen. Ik ben het verplicht aan mijn gezin om de dingen op een rijtje te houden, alles binnen proportie, alles op z'n plaats. Ik moet sterk zijn :regiseren,toveren,ordenen,improviseren,repareren en vooral mezelf blijven. Toch wil ik vandaag heel erg graag een oude wijze Indiaan zijn, met waardige trage bewegingen die respekt afdwingen. Geen overhaaste zenuwachtige beslissingen, geen snelle oordelen, het zwijgen eerder dan verkeerde zinnen uitstoten. Het leren zwijgen, nadenken, bezinnen en vooral : evenwicht. Geboren weegschaal zou me dat toch moeten lukken. Omgaan met veel mensen maar niet direkt veroordelen. Mensen een kans geven,  innerlijke rust en  mensenkennis. De Indiaan legt zijn pijp neer, staat langzaam op en strekt zich vervolgens behaaglijk uit op de mat van zijn tipi.

Calamity yo
0 0

Smokin' Hot

Een femme fatale rookt. Mijn benevelde conclusie na een kwarteeuw staren naar schoonheden en sigaretten. Maar waarom geven zoveel beauties zich over aan de macht van nicotine? Zijn ze de botergeile blikken beu en willen ze hun pracht verhullen achter een stinkend rookgordijn? Of vormt de waas van smeulend teer een rookbom in hun mysterieuze vertoning?   Met de invoering van het rookverbod is het schisma tussen mooi en lelijk in het nachtleven alleszins zonneklaar. Binnen heerst de saaiheid met schimmelende muurbloempjes als derderangsprinsessen. Sexy staat buiten, flirtend onder de warmteblazers. De bannelingen der maatschappij. Geslaagd op kankerrapporten, gebuisd door politiek en zeden. Maar wie stout is krijgt lekkers (en roet). Smoking is hot.   De exodus der eclatanten naar deze schemerige schiereilanden start steeds met dezelfde openingszin: 'Wil je met mij effe naar buiten gaan?' Het klinkt even veelbelovend als 'wil je met mij naar boven gaan?'. Buiten roken draagt een verboden vrucht in zich. Likkebaarden bij de crème de la crème op schimmige terrasjes. Waar rook is, brandt het verleidingsvuur. Smoke gets in my eyes en doet me huilen bij de aanblik van al dat moois. Lichtpuntjes in de duisternis. Geen wonder dat ook deze niet-roker zich bij die prikkelende massa schaart. Peer pressure van zandloperfiguren waarbij ik elke nachtelijke seconde wil vertoeven. Als een loyale puppy loop ik de kokette bazin achterna, die me met de Lucky Strike omhoog naar de uitgang gidst. In haar rooksluier richting altaar. She's pulling on me like a cigarette.   Elk tabakwolkje vormt een vleugje erotiek. Met haar vingers in een v-vorm masseert ze het toverstokje voordat haar lippen het kleinood omsluiten. Elke keer ze met toegenepen oogjes aan de filter zuigt, raak ik in ademnood. Girl, I couldn't get much higher… Tot ik die veredelde asbak binnendoe. Zure regen daalt neer op mijn tong, die zich na twee rondjes op het teer al terugtrekt. Mijn smaakpapillen wijzen immers resoluut nicotine én whisky af. Helaas blijft het imago van Don Draper zo een eeuwige illusie.   Toen ik acht was en telefonist van Buiten de Zone wilde worden, weigerde ik m'n eerste sigaret. De eerste in een lange rij. Ze mochten zo parisien als Gauloises of exotisch als Camel klinken, ik bezweek niet. Ik wilde mijn gedroomde tenniscarrière niet op het spel zetten.   Nu Wimbledon bijna onmogelijk lijkt, rookte ik gisteren toch voor het eerst. Gepusht door een gladde advocaat van Lucifer en een bevallige luchtverkoopster. Slechte lucht, bleek snel. Het zullen serieuze poesjes zijn die me nog tot dergelijke katers dwingen.

Magnus Sørenson
0 0

Familie- en bildungsroman De Bevruchting - Proloog.

De buitensporige disfunctionaliteit van het gezin Parker had lachwekkend kunnen zijn - en dat was het ook tot op zekere hoogte - ware het niet dat ouders en nageslacht in toenemende mate milde tot groteske sporen vertoonden van wat men met een eufemisme 'onaangepast gedrag' pleegt te noemen. Een krak in de kop, een hoek af zo je wil. Mooi verpakt, dat wel maar toch her en der steeds meer barstjes vertonend. Niet dat iemand ook maar iets vermoedde, natuurlijk niet. Laat staan dat ook maar één buitenstaander het zou geloven. Immers, toen de heer Parker op 70 jarige leeftijd besloot zijn succesvolle bedrijf op te doeken wegens geen erfelijke opvolging, kwetterde een verkoopster op de regionale bladzijden van een plaatselijke krant hoe jammer dit toch was en wat een goede baas de heer Parker altijd was geweest. De restaurantuitbater van de oester- en kreeftenbar waar de pater familias al dan niet dagelijks dan toch drie maal per week ging dineren, wist te melden dat de heer Parker bij elk bezoek aan zijn zaak uitermate vrijgevig en vriendelijk was geweest en het 4de provenciale voetbalteam was nog steeds verrukt met de centen die de goede man in hun ploeg investeerde en vertelde hoe geestig hij toch kon zijn tijdens het hijsen van ettelijke pinten in de kantine na weer een verloren match. Ja, ja ... Maar achter de glitterende façade van dure wagens, grote villa's en andere oogverblindende welstand, gaapte de leegte, erger nog, de leegte was tot de nok toe gevuld met menselijk wrakhout. Ze zwegen. Allemaal. Niet zozeer omdat de uiterlijke schijn ten koste van alles moest worden opgehouden - dat ook, zeker en vast - maar vooral omdat spreken nog erger was dan zwijgen. Ach, die angst voor represailles, de macht die aan de vader werd toegedicht, terecht of onterecht, om nog maar te zwijgen over al het geld, immobiliën en aandelen die na zijn dood verdeeld moesten worden. Daar zouden de erfgenamen nog voor vechten, zeker weten. Of toch niet? En was er wel zoveel geld als de heer Parker altijd liet uitschijnen? Geen mens die het wist. En toen viel hij dood, zomaar. Te midden van zijn zelfgecreëerde keizerrijk, tussen geld, aandelen en vastgoed, maar zonder een levende ziel die nog om hem gaf. De eerste die hem mistte was de oester- en kreeftenbar baas. Toen na een week of twee zijn omzet dermate begon te dalen, dacht hij : tiens, lang geleden dat we de heer Parker hier nog hebben gezien. En zo ging de bal aan het rollen. Via, via bereikte het nieuws de jongste zoon en werd in een uithoek van het 300m2 grote luxe appartement van de heer parker, zijn stinkende, in staat van ontbinding zijnde lijk aangetroffen.

Wita Meersch
0 0

Mensen zonder verhaal: deel 1

Oh god, zeg dat het niet waar is. Zeg alsjeblieft dat het niet waar is. Tegen beter weten in, staarde ik nog eens priemend naar de treffende figuur in de verte. Die okerkleurige trenchcoat, steevast halfopen rond haar middel zwierend, dat warrige zwarte haar onbeholpen in een minuscuul staartje gemoffeld, dat duo fleurige oorbellen, aan weerszijden van het hoofd olijk dansend op de cadans van haar tred. Geen twijfel mogelijk, zij was het. Een lichte paniek maakte zich meester. Hoe was het mogelijk. Dat ik haar net nu tegen het lijf moest lopen. Een ongeluk komt natuurlijk nooit alleen. Minuten, uren, wat zeg ik, dagen had ik erover gepiekerd, over deze ontmoeting. Over de conversatie die we, aangestuurd door onbeholpen toeval, zouden starten, en over waar die – Joost mocht het weten – eindigen zou. In die halsstarrig terugkerende overpeinzingen was zowat elk mogelijk scenario de revue gepasseerd. Gaande van een lichtvoetig niemendalletje, waarin weinig meer dan de strikt noodzakelijke vriendelijkheden werden uitgedeeld, tot iets fijner besnaarde gesprekken waarin geen zin verkeerd gelegd werd, tot een ronduit catastrofale clash waarin alle onbesproken gruwel eindelijk de vrije loop zou worden gelaten.In mijmeren was ik goed, in fantaseren trouwens ook. In onze urenlange gesprekken van weleer was rond alles wat er echt toe deed dan ook zo zorgvuldig heen gedraaid, dat ik de mogelijkheid om al deze nooit uitgesproken affaires ooit nog met woorden te bezweren zwaar in twijfel begon te trekken. In mijn ooghoeken, zag ik de contouren van haar ritmisch bewegende lichaam schichtig dichterbij komen. Onwillekeurig flitsten mijn gedachten terug naar de talloze keren dat ik op haar zat te wachten. Naar hoe ik, precies aan de toegewijde regelmaat waarmee zij de ene voet voor de andere plaatste, kon voorspellen dat zij het was die met haar virtuoze haar passen de verder verlaten gang vulde. Bij elke stap die ze zette, leek de druk in mijn borstkas - net als vroeger - een beetje toe te nemen. Even overwoog ik het om het – als een halvegare – tussen de winkelende zaterdagnamiddagmassa op een lopen te zetten. Of om in een halfslachtige duikvlucht achter de eerste de beste volgestouwde rayon te verdwijnen. Helaas weigerde mijn elastieken onderstel voorlopig dienst. Het enige waartoe het zich op dit moment eventueel kon lenen, was tot een puike imitatie van een schrikkerige epileptische aanval – hé, dat was misschien nog een idee – en dat terwijl L. nu met de snelheid van een opgejaagde bloedhond leek te naderen. Neen, kom op, niet flauw doen, gewoon zijn. Of zen, of iets dergelijks. Ik overleefde het wel, het was immers niet de eerste keer dat ik dit gesprek voeren zou. Als een getrainde rot in het vak doen-alsof-je-neus-bloedt keek ik gebiologeerd naar een stel pakken suiker in de rek links van mij. “Hee, Riska!” Oh hemel, daar gingen we. Hooghartig draaide ik het hoofd om. “Oh, hee Maira, ik zag je niet.” Lachend keek ze mij aan. Die blik. Ja lachen met haar ogen kon ze altijd al. Aan de manier waarop zich bij het ontbloten van de tanden in beider ooghoeken een lichte optrekkende rimpeling openbaarde, kon je de oprechtheid van haar glimlach aflezen. Dit exemplaar leek me overigens vrij rechtschapen te zijn. “Hoe gaat het met je?” Ze stelde de vraag niet zoals ieder ander hem stellen zou: achteloos, meer uit gewoonte dan uit oprechte interesse in de gemoedstoestand van de toevallig tegen het lijf gelopen gesprekspartner. Neen, niet zij. Zij leek het te menen. Vriendelijk gesticulerend, de glimlach secuur in de plooi houdend, pinden haar ogen zich steeds dwingender vast op mijn eigenste spraakorgaan, dat – jammer genoeg – voorlopig geen enkele aanstalten maakte om een enigszins gepaste reply in de strijd te werpen. Als dit geveinsde interesse was, dan was ze goed. Beroepsmisvorming wellicht, schoot me door het hoofd. Bijna was ik er met open ogen ingelopen. Nog net op tijd wist ik de valkuil der openhartigheid te ontwijken en er een korte "Best hoor." uit te gooien. De bijbehorende "Met jou?" slikte ik maar even in. Ik vond het een al te vrijmoedige inbreuk op haar privacy, iets waar ik absoluut geen zaken mee had. Ook beroepsmisvorming, dacht ik monkelend. In de stilte die daarop volgde, bleef ze me volhardend vrolijk aankijken. Walgelijk. Zoveel levensvreugde zou verboden moeten worden. En al dat kijken, je zou er zowaar gestoord van worden. Net als vroeger - wanneer ze mij al nippend vanachter haar koffie schaamteloos zat aan te staren - voelde ik haar ogen prikken. Ik voelde ze zoeken naar de mijne. Ik denk niet dat ik ooit iemand zo diep had zien kijken. Alsof ze met haar ogen letterlijk in je ziel wilde graven, zo schrijnend aandachtig staarde ze je aan. Alsof je diepst menselijke geheimen daar op de bodem zomaar lagen te wachten op haar vraag, klaar om opgehaald te worden. Abrupt wendde ik mijn ogen af. Dit trucje moest ze heus niet meer uithalen, dat voorrecht had ze verspeeld. Op de zwart-wit geruite supermarktvloer – waar ik mijn ogen bij gebrek aan beter dan maar op fixeerde – ontwaarde ik een schuifelend paar auberginekleurige botjes. Aha, dus toch. Een eerste teken van genaakbaarheid. Ik voelde mijn pols verslappen. Uit het niets borrelde plots ook de sterke aandrang op om haar mee op de koffie te vragen. Stedelijke koffiehuisjes leenden zich zo heerlijk uitstekend voor onzinnig langdradige gesprekken over niets en over alles tegelijk. Een plek waar we nostalgisch langs onze neus weg dingen konden oprakelen als 'weet je nog, toen ik van je hield' en daar dan – tussen twee koekjes door – eens hartelijk om konden lachen – of huilen – het bleef al gelijk. Gewoon, even praten, zoals alleen oude bekenden dat kunnen. Gewoon, alles, heel even alles, heel gewoon. "Nu goed, ik moet eens gaan." De zin rolde uit mijn mond, als een mokerslag uit de vuist van een zwaargewicht eersteklas. Zo kwam hij ook aan. Een kort pleidooi over drukte, veel werk en treinen die gehaald moesten worden – je kent dat wel – ratelde er achteraan. De blik in haar ogen veranderde van toon: minder etherisch, scherper, serieuzer ook. Ik wist dat ze me doorhad, maar dat kon me weinig schelen. "Zeker, ik zie je wel weer." bracht ze terug, opnieuw haar hartelijkste glimlach bovenhalend. Ik wist dat ze loog. Zes korte woorden, meer was er niet nodig geweest om van alles op slag terug niets te maken. Terwijl ik al een eerste stap in de richting van het netjes uitgestalde assortiment confituren zette, keek ik haar nog eens strak in de ogen, haakte deze vervolgens los en vulde de vrijgekomen ruimte in met een blik op oneindig. Weg, hier vandaan, was al wat ik bedenken kon. Enkele tellen hield ik het vol, maar kon het uiteindelijk toch niet laten. Nog één keer keek ik achterom. Al wat ik daar zag was het auberginegetinte laarsjesduo, dat onbestemd, maar met de vertrouwde regelmaat van pas, hopelijk voor de laatste keer mijn leven uitwandelde.

Hanna Lucia
0 0

Second hand mythology

Teach history as if history teaches you: that mankind is still wailing the desert, still walking its Exodus, still stalking a god who created earth in 6 days and then fell asleep eternally, making universe bleed internally. ‘Après moi le déluge’ God said  and turned his head. Leaving us with oceans of hours to realise that history is not His story, its ours. And while we walk this infinite Sunday, limping our way through time, we take 2 steps forward one step back:   +1 the first settlements +2 the rise of empires -1 imperialism   +1 Industrial revolution +2 Technological evolution -1 Ecological breakdown   +1 prosperity +2 health care -1 overpopulation   Out here in the West we forget to feel, that consumption is our Achilles’ heel and every time we kneel for banks and dollar Goliath grows taller and David smaller.   Thus teach us to walk tall, yet respect all things small. Teach us that for half a century it’s been five to twelve now. That humanity became a gigantic, packed Trojan horse evolving towards the sun - wrapped as a poisoned present for the Gods on a run. Teach us that 1 Icarus times 7 billion equals mankind. Teach us to practice what you preach, that in the end no man is left behind.   With few Phoenix’s to rise up from this globe, Few  heroes to guide us through concrete labyrinths with Ariadne’s rope. So many teachers needed to restore hope.   So reach us, unleash us, teach us Not to kneel but to feel not to steal but to heal Not to avoid but to involve Not to exploit but to evolve Teach us ... to teach    

Joachim Stoop
0 0

Mensen zonder verhaal: deel 2

Zoals mensen wel eens durven beweren in tijden van hevige rampspoed “ Ik weet nog precies waar ik uithing op het moment dat het eerste vliegtuig één der WTC-tweelingen indook om er, samen met het gruis door de New Yorkse straten, ook een walm van chaos de Westerse samenleving in te katapulteren” – zo herinner ook ik mij het startpunt van dit verhaal. En hoewel het hier niet onmiddellijk een geval van groot verderf of droefenis betreft, sloegen de weerhaken ervan desalniettemin in als een bom. Vorige week vrijdag was het. In een jammerlijke poging tot het afronden van alweer een erbarmelijk hoofdstuk uit de thesis van mijn leven, zocht ik –geheel volgens procrastinatieve planning – zielsrust en mentale verpozing in de buitenwijken van het wereld wijde web. Ruimte genoeg om een tijdje van arbeidsintensief geesteswerk te worden afgeleid. Net wanneer ik de startpagina van facebook voor zo ongeveer de zevende maal in tien minuten mijn bureaublad vullen liet, sprong er een binnengelopen bericht het scherm op. Margot. Of ‘de meisjes’ vanavond zin hadden in een hapje en een drankje ten huize Liefmans - Vangerven? Een gesmoorde grinnik ontsnapt mijn lippen. Het getrouwde leven had zich al goed genesteld. In alle heimelijkheid was het twee weken geleden haar wezen binnengeslopen om zich vervolgens als een virale infectie te verspreiden door de aderen van haar bewustzijn. Klaarblijkelijk had het zich ondertussen ook al weten vast te klitten aan de uiteinden van haar dagelijks leven. Maar als beschaafde en welgeorganiseerde dinertjes achter ordentelijke gevels, waar met trots een dubbele voornaam op de deurbel aan de voordeur prijkt, de toekomst waren, dan kon ik daar maar beter meteen aan wennen. Dat aan onze voordeur nog steeds naam Joe Mehreb de deurbel sierde was bij wijle vast geen toeval. Hoewel mijn strakke Moleskine een al even welomlijnd en druk weekendschema voorschreef, berichtte ik – als een trouwe volgeling – toch enthousiast terug: ‘Klinkt super: Ik zal er zeker zijn.’ Ook de daaropvolgende reacties van de vriendinnen waren unaniem instemmend. Iedereen zou zijn uiterste best doen om er te geraken, all other activities put aside. Al deze goodwill van een bende drukbezette jongedames die normaal geen kans onbenut liet om de naaste omgeving te overtreffen in de omvang van hun sociale activiteiten; het had een teken aan de wand kunnen zijn. Diezelfde avond, 19u47 om precies te zijn en slechts zo’n kleine tweeëndertig minuten over tijd, kondigde een luid geclaxonneer aan dat mijn taxi gearriveerd was. Het weerzien met de high-school vriendinnen was zoals elk weekend weer dol: alsof ik bij het instappen prompt zes jaar terug in de tijd gekatapulteerd werd en op de trappen van de agora – een met vaal bruin tapijt beklede ruimte die voor overdekte speelplaats moest doorgaan – de tijd te slim af moest zijn met roddels en nutteloze weetjes allerhande. De twintig minuten durende autorit werd dan ook gevuld met uitbundig gekwebbel over alle futiliteiten van de afgelopen week. Van vermoeiende stages en ongemeen onbeschofte treinconducteurs - die zich op vrijdagavond steevast van hun schoonste kant laten zien - tot kwijlende patiënten, afmattende maar spijtig genoeg verplichte sportdagen met collega’s, rebellerende leerlingen en achterlijke schoolreisjes; het kwam allemaal aan bod. Over het hoe en waarom van onze avondlijke onderneming werd vooralsnog bedachtzaam gezwegen. Het niet uitgesproken onderwerp hing als een vervaarlijke zeepbel in het midden van de wagen, die vanaf het ogenblik dat er ook maar één vinger naar uitgestoken werd, genadeloos uit elkaar dreigde te spatten. De policy ‘kijken mag aankomen niet’ werd door alle spelers van het spel zonder woorden netjes gerespecteerd. De met blauwe kiezelsteentjes bedekte oprit van Heirbaan nummer 7 was bij aankomst reeds met wagens bezaaid. Nu vrijwel iedereen een rijbewijs in zijn achterzak had steken, leek fietsen prompt geen optie meer. Het zag er naar uit dat we weer eens laatst waren. Vanuit de deuropening kwam een licht spottend ‘Aha, daar zullen we de diva’s hebben’ ons bij wijze van hartelijke begroeting dan ook al tegemoet gestroomd. Na een weerwoord dat clichématig beweerde dat het schoonste volk altijd een beetje op zich laat wachten, schoven we het gezelschap bij. Als een soort van ideale gastvrouw – maar dan wel eentje die lijdt aan hyperkinesia – sloofde Margot zich uit voor haar onoplettend publiek. Bijna lege wijnglazen werden naarstig bijgevuld, koffies werden klaargestoomd, en vanaf het moment dat er een prikkertje zo goed als nog maar in de richting van het laatste blokje salami wees, werd het schoteltje pront van tafel gerukt om vervolgens vervangen te worden door een gloednieuw afgeladen exemplaar. Net toen ik mij bedacht dat ik best chance had, en dat ik het zo nog wel een tijdje hebben kon, werd de ontspannen sfeer plots verstoord door verhit gefluister. In mijn ooghoek zag ik hoe aan de overkant van de tafel een hand naar een mond glipte, enkele koppen in cirkelvormige beweging bij elkaar werden gestoken. Enkel een waas van gedempte geluiden wist de muur van opvangende oren en zorgvuldig geplaatste schouders te ontsnappen. Een nieuwsgierig ‘En weten ze het al? Is het nog geen tijd?, glipte tussen de vingers door, en kaapte de aandacht van het resterende gezelschap weg. Tijd waarvoor? , vroeg ik nog achteloos, met een mond vol kaas. Aangespoord door deplorabel geglunder, opgewonden gegiechel en enkele samenzweerderige knipoogjes links en rechts, blikte onze gastvrouw gelukzalig de kamer rond. Nog enkele seconden werden we in spanning gehouden, maar toen werd het grote woord op tafel gelegd. “Ik ben zwanger”, zei ze, terwijl de fierheid zowat van haar gezicht afdroop. Terwijl de vreugde die zo-even vaan haar lippen gerold was, zich als een lopend vuurtje onder onze groep verspreidde, bleef ik bekrompen zitten: roerloos,en nog steeds met een mond vol kaas. Na wat best enkele minuten kon zijn schoot me te binnen dat een slokje wijn bij wijze van doorspoelen hier misschien geen misplaatst idee zou zijn. Rondom mij had de ruimte zich ondertussen weten te vullen met gejoel, gejuich, geschreeuw: kortom ultieme vrolijkheid troef. Flarden van gelukwensen aan de toekomstige moeder vlogen in paartjes door de kamer. Ze kruisten er stemmen die gingen van ‘Zei ik het niet?’, ‘Ik wist het wel!’ en ‘Zie ik daar al niet een kleine baby-bump?’. Daar, te midden van al die broeiende algehele euforie, bezweek ik. In alle baldadigheid liet ik me volledig meeslepen door de nieuwgeboren babyvreugde. Voor ik het goed en wel doorhad werd er een stel wollige babysokken mijn handen in geduwd, gevolgd door een akelig paar knisperende pluchen beesten en een slabbetje van een zachtheid dat het geen naam heeft. Wat moest ik met die hele peutertuin? Meer dan ondingen uit een mij vaag bekend verleden waren het niet. De geëxalteerde opgetogenheid die ze bij het omringende publiek teweeg schijnen te brengen was mij dan ook volledig vreemd. Lachen en doorgeven die handel. Enkele seconden later werd mij een vale prent onder de neus gedrukt. Maar kijk dan toch, hier zie je het neusje, daar de beentjes, en ja tien vingers en tien tenen, alles er op en er aan. Dat ik uit de 6cm grote fotografische vlek onder mijn ogen maar weinig kon maken, bleek geheel aan mij te liggen. Te midden van al deze drukte keek ik naar haar. Hoe ze daar zat, vol rust en ingehouden blijdschap in haar stoel, met haar handen vol buik en de ogen met trots naar binnen gekeerd. Onwillekeurig sprongen gedachten terug naar het kleine, fijne meisje met rebelse piekjesharen. In een citroengeel jurkje en platte sandaaltjes, in het gras vooroverbuigend, reikend naar het laatste madeliefje in het voltooien van haar kroon. Hoe deze kleinste vlak onder onze neuzen zo snel groot was geworden, was mij een raadsel. Hoe ze zonder dat we het in de smiezen hadden ons allen, één voor één, traag maar gestaag voorbij was gestoken, ons in leven én in welzijn was ontgroeid. En net zoals ze enkele weken geleden de eerste vrouw onder de meisjes was geweest, toen ze onder menig goedkeurend oog aan hare Michiel het jawoord had gegeven, was ze nu de eerste moeder onder de dochters. Hoe groot en fel het contrast, en wat een overgang dat zijn moest. Wat er moest gebeuren in het hoofd van een meisje op het moment dat ze de eerste trap van dat zelfgemaakte voetje tegen de rand van zijn wereld voelt schoppen. En te begrijpen dat die wereld niets meer of minder is dan haar oneindige zelf. Te veel spanning voor een buik. Hoe zij daar zat, zonder angst, met de rust in haar schoot. Het deed me denken. Zou het dan toch waar zijn wat ze zeggen? Kleine meisjes worden snel groot. Een enkeling dan toch. Als ik rondkeek, zo’n één op twaalf, gemiddeld. Zo goed voor zichzelf gezorgd had zij, dat ze klaarblijkelijk zorgen over had voor een nieuwe ander. Instinctmatig voelde ik een soort van trots opwellen. Het borrelde, kwam van ergens onderaan de buik, woelde zich door maag en borstkas, waar het in lichte benauwdheid bleef steken. Ze had het toch verdorie niet slecht gedaan, die Margot. Het moet daar en toen geweest zijn, dat ik met mezelf een deal sloot, een besloten overeenkomst tussen twee ikken die zich voornemen om elkaar niet langer voor de voeten teblijven lopen. Misschien werd het voor mij ook wel eens tijd om het ‘niet slecht’ te gaan doen. Om een beetje minder dochter te zijn, en hoewel het voor moeder duidelijk een beetje vroeg was, dan toch op z’n minst een beetje meer vrouw. Klein beginnen zou geen schande zijn. Misschien kon ik dit weekend vast beginnen met de vaat, de was, de strijk, het verdrijven van het stof. En misschien, heel misschien, kon er dan op maandag wel een nieuw kaartje aan de deurbel af. Zo eentje met een dubbele naam, wie weet. Maar dat zijn puur veronderstellingen natuurlijk.

Hanna Lucia
0 0

Schizofrenie

Ken je t gevoel dat je als kind van een iets te steile heuvel holt zodat je je benen bijna van onder je lijf rent? Dat je daarbij ofwel in je broek piste van t lachen ofwel je voet zwaar verstuikte? Wel, dit is de perfecte metafoor van hoe mijn gedachten werken: kans tot lachen, risico op tranen, maar wel zo intens en zo on-vergetelijk mogelijk. Alsof mn gedachten me telkens een stap voor zijn, loop ik in mn eigen schaduw… in constante achtervolging - … waanzin gewoon!     Laat ik starten op t ‘Zuid: aan die arty farty horizontale fontein. De buurt van musea, schone vrouwen en andere kunsten. Ik zie enkelingen die nog steeds verstoppertje spelen met de economische crisis en maar niet worden gevonden. Snel genoeg in hun Porsche om hen weg van de tsunami van de algemene malaise te voeren. Hun GPS ingesteld op de veilige buurten van t stad. Nee, hun satelliet reikt niet tot 2060! Ze zijn de lottowinnaars van hetzelfde systeem dat een crisisje hier en een vervuild planeetje daar veroorzaakt. Maar met een dikke nek is het blijkbaar moeilijker achterom kijken.   -----------   Vooruitkijken is mijn motto. T’zuid is namelijk ook de plaats van antiek, mode, fusion-cooking, fotografie, cultuurhuizen en andere verworvenheden. Ik beken dat een deel van me zich hier toch thuis voelt. Hemel en hel zijn buurlanden…   ------------------------   Ik wandel verder richting oud-justitiepaleis. Liberté, égalité, fraternité. Ken je ze nog? De verlichting boven het gebouw hapert. De verlichting in de wéreld staat op knipperen. Mensenrechten -aan. Darfour -uit. Indignados -aan, Goldman Sachs- uit, Occupy Wall Street - aan, Geert Wilders en Sharia4belgium uit. We hebben nieuwe lampen nodig -liefst op zonne-energie- om ons van dwaallichten tot vuurtorens te maken. Als een kat 9 levens mag hebben, waarom de mensheid dan geen 2 renaissances? In de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens zijn geen kleine lettertjes te lezen; geen clausules te bespeuren, geen procedurefouten mogelijk. Op rechtvaardigheid valt niet af te dingen, meneer, want het is onze enige houvast; de enige rode draad in het bestaan - rood van liefde, rood van bloed, steeds rood van beide. We staan met zn allen in een overvolle lift te wachten op … verdieping. De lijn ts. goed en kwaad is flinterdun geworden; dus moeilijk met het blote oog te zien - mss sta ik er wel pal bovenop … met mijn maatje 50.    ------------------   Mijn voeten brengen me naar de andere kant van de behoeftepiramide van Maslow: ’t Noord. In de Handelsstraat zie ik een man op een bankje. In een chaotische wereld van beurstransacties, twitters, face en andere books klampt hij zich vast aan zijn eigen boekje: de koran (het had evengoed een bijbel of thora kunnen zijn). Een mens die slechts één boek in het leven leest en blijft lezen -hoe heilig dan ook, beperkt zichzelf- het is als met een telescoop naar een bladje papier staren … - en zoals de sterren die we nu zien al eeuwenlang zijn uitgedoofd - zo hebben de Adams, Evas en andere dogma’s al generaties lang hun houdbaarheidsdatum overschreden. MAAR: het is wél dezelfde koran die deze man aanspoort om aalmoezen te geven aan de minderbedeelden (de Sakat). Het is datzelfde boek dat respect oproept voor de ouderen. Ik zeg altijd: ‘Wie het kleine niet eert, krijgt het kwade niet verteert.‘     Er zijn 2 soorten verdraagzaamheid. Bij de eerste komt er iemand expres op je tenen staan en jij ziet het door de vingers. AAAAAA! Tis ok, zenne, blijf nog maar efkes staan, ik kan het wel aan, ik ‘verdraag‘ het wel! Moet je bv. verdraagzaam zijn tegen iemand die onverdraagzaam is tegen een homoseksuele vriend? Moet ik mijn rode draad van mensenrechten telkens doorknippen omdat ik op ‘t zelfde moment zoveel mogelijk begrip en verzachtende omstandigheden moet inroepen? Cultuurrelativisme of niet: een burqa blijft een burqa, kindermisbruik blijft kindermisbruik -ook, en vooral- in een biechtstoel.   Bij de tweede -betere- vorm van verdraagzaamheid gebruik je je oren én je empatische vermogens. Als je lange tenen hebt, is de kans groter dat er iemand op trapt, maar als je allebei een stap in de goede richting zet, daalt het risico dat je iemand tegen de schenen trapt. Ooit schreef ik: Empathie is een totaal onderschatte schat waarvan de landkaart ver zoek is er is geen enkele waan zinnig behalve die vrede vol waant, geweld loos en elk leger leeg.   In het Midden-Oosten heeft men het spreekwoord: ‘een vijand is iemand wiens verhaal men nog niet heeft gehoord.’ In het Wilde Westen zong ene Nina Simone: ‘You don’t have to live next to me, just give me my equality.’ Samen weten we meer. Deze vuist op deze vuist en zo gaan we naar boven. Ben ik schizofreen?     Het is immers mijn zelfde huid die kippenvel krijgt bij klassieke Arabische muziek, als bij de Def Jam Poetry van Mos Def en co. Het is mijn zelfde bloed dat kookt bij de oorlogsdrift van Amerika als bij de uitvoering van de Sharia door de Taliban. Het zijn dezelfde grijze haren die ik krijg van de Grand Canyon tussen kansarm en belachelijk rijk, als bij elke vorm van onverschilligheid, religieus fanatisme en ander sluikstort van de geest.    -----------------   Potentieel zie ik iedereen graag. En hoewel het moeilijk is om met deze liefde zowel op t Zuid als op Noord geen blauwtje op te lopen,…hoewel ik af en toe zoals hier en nu wat gal moet spuwen, is mijn eindbalans positief. Want ik zie gewoon zovele vuurtorens: Ik zie mijn anderstalige studenten die samen geld inzamelen voor het goede doel en van elkaars nationale gerechten proeven. Ik zie de vreedzame sfeer als je in Borgerhout naar de Perry’s fruit gaat -waar chassidim en moslims symbolisch met elke gekochte banaan en elke verkochte ananas de muur afbreken.  Ik zie de geweldige initiatieven van een stad met zomerfabrieken en reuzeolifanten en kleine duikers die het volk buitenlokt en noord en zuid verenigt. Ik zie deze Open Mic want tegen de stroom in kan je de mensen makkelijker in de ogen kijken.   --------------------   Ken je t gevoel dat je als kind van een iets te steile, groene heuvel holt zodat je je benen bijna van onder je lijf rent? Dat je daarbij ofwel in je broek pist van t lachen, ofwel je voet zwaar verstuikt? Vandaag is het niet anders: alsof ik de Niagarawaterval door een trechter probeer te persen.        Analiseren is kanaliseren plus fantaseren is transformeren   -----------------------   Uiteindelijk wandel ik richting centrum van de stad. In ‘t stadspark kom ik mezelf tegen: … nee, niet symbolisch gesproken: nee, echt 2 Joachimmen die samen in het gras gaan liggen, zij aan zij, in het midden van de stad. In het midden van alles -……… net als de waarheid      

Joachim Stoop
0 0
Tip

Grondvesten

In een straatje zonder eind wonen we in het laatste huis. Wij…dat zijn ik en jij, en jouw ik en mijn ik, en haar zijn en zijn zijn en jullie en zij zijn hier ook thuis. Het huis is van iedereen. Het huis is dus ook van A.    Ons huis is een immens kluwen van penthouses, gesloten asielcentra, kraakpanden, stallingen met bakfietsen, gebedsruimtes, koosjere keukens, Jaintempels, diamantwinkels, achterkamertjes, casino’s, banken, scholen, groene serres, jazzy zolderkamers, bordelen, cellen, supermarkten, yogaklasjes, kindercrèches, chichabars, nachtwinkels, koffieshops, dakterrassen, loften, parlementen en circustenten.  Een allegaartje aan stokpaardjes, divergerende genen en op de spits gedreven gedrevenheden houden stevig huis in dit moeilijk Westers huishouden.   Een enorm trappencomplex tracht deze ettelijke kamers te verbinden, vooroordelen te ontbinden, baan te ruimen voor baanbrekende openheid en een doortastende blindheid. Maar zelfs in het stapvoets verkeer raast men mekaar voorbij in oorverdovende dovemansgesprekken, gebeden naar een voor mij onbekende god, muziek in oortjes als atomaire deeltjes, en het vingergetik op de nieuwste speeltjes. We zijn als een dakloze die speelt met een bos gevonden sleutels.   Op de gang -onze publieke ruimte- botsen we af en toe onder de maretak van wat overkoepelend zou moeten zijn, maar vergeten ogen en blikken te vangen, gemoederen te sussen -laat staan wangen te kussen.   Onze enorme woonkamer telt niet genoeg hoeken om verstoppertje te spelen, rust te verslinden, langzaam af te tellen om elkaar binnenkamers te gaan vinden. Afgeworpen oogkleppen slingeren rond, maar worden te vaak weer opgepikt alsof we bij een gedwongen huwelijk in een omgekeerd Stockholm-syndroom worden verstrikt.   “Ik pik dit niet“, zeg ik. “Ik pik dit niet,” zeg jij. En als kippen zonder kop lopen we de muren op en dansen we uit de maat met totaal verschillende muziek op onze iPod.   Op elke potje past een deksel -maar niet in onze keuken. Tupperware ligt verspreid in de overvolle kast en geen mens weet nog combinaties te maken tussen zwart en wit, jong en oud, fake en goud. Naast de keuken is het berghok- tot op de nok gevuld met wat vooruitgang voorgoed heeft achtergelaten:de volledige Winkler Prins, floppydisks, in het pre-internettijdperk door blozende jongens in krantenwinkels met eigen zakgeld betaalde playboys, Atari’s en Sega‘s, walkmans en cassettebandjes met pennen erin om de draad weer terug te draaien, draden rond afgedankte huistelefoons, evangelies, mayakalenders, polaroids en sleutels van berghokken tot op de nok gevuld. Tja, zelfs vergetelheid wordt al te vaak vergeten…   Terwijl betweterigheid en onbegrip zich als houtwormen tot in onze bovenkamers wurmen, stroomt er drijfzand onder verzuilde fundamenten en staat ons huis op een hellend vlak. Wie roept dat sommigen dan maar moeten verhuizen, kan zelf maar beter weggaan van onder ons gezamenlijk dak.   Nee, we moeten de diversiteit aan kamers niet slopen, maar net bouwen aan méér trappen én gangen én deurmatten om bij elkaar naar binnen te lopen. Meer leuningen,meer houvast om samen afgronden weg te hopen, meer rode draden om elkaars eindjes aan elkaar te knopen.   We moeten het belang van vóórkomen voorkòmen, vooroordelen veroordelen en van de neoliberale profiteurs profiteren.   We moeten de tuin in, afstand bewaren om erna met klare blik de klus te klaren. We moeten de tuin in om het verstarde geloof in ‘mijn God is goddelijker dan de jouwe’ te verbannen. We moeten de tuin in om ons vurig geloof in consumptie op het Olympische vuur van meer en beter en sneller en nog beter te verbranden. We moeten de tuin in, want in niemandsland is iederéén vreemdeling. We moeten de tuin in … om te ontdekken hoe mooi ons huis er vanbinnen zou kúnnen uitzien.   En pas dan … dán kunnen we terug doorheen dezelfde deur naar een thuis waarin we elkaars anders-zijn ontzien        

Joachim Stoop
0 0

Bijna thuis

In sneltempo beelden de stewardessen de veiligheidsinstructies uit. Het vliegtuig heeft een half uur vertraging en we rijden zonder aarzeling richting opstijgstrook. Het is voorbij middernacht en er hangt storm in de lucht. In de spiegeling van mijn raampje zie ik Mariama naast me bezorgd kijken. We zijn nog brak van gisteren en houden beiden niet van vliegen. Naast haar zit een man van rond de veertig, al maanden ongeschoren, met een opvallend akelige uitstraling achteloos met zijn GSM te spelen. Vraag aan honderd mensen ‘vuur of ijs’ als je hem ziet en negenennegentig ervan zeggen resoluut ‘ijs’ en die ene die dat niet zegt is mensenblind. De oproep ‘gelieve alle elektronische toestellen uit te schakelen’ lijkt de man niet te deren. Wanneer Mariama vriendelijk maar kordaat vraagt of hij zijn GSM wil uitzetten, kijkt hij haar stoïcijns aan, zucht bijna onhoorbaar en tikt verder. Het vliegtuig neemt zijn laatste bocht. De straalmotoren gaan aan en net op dat moment fluistert Mariama hevig gepanikeerd in mijn oor: ‘Joa…op z’n gsm…de man naast me…hij…hij kijkt naar foto’s van zijn vrouw, zijn kinderen en dan van een terrorist van Al Qaeda… alsof hij eerst afscheid neemt van zijn familie … en dan zijn grote voorbeeld een laatste keer groet.’ We versnellen. Onze ruggen drukken tegen de zetels en net voordat het vliegtuig de aarde tijdelijk verlaat, staat mijn vriendin half recht en schreeuwt in het rond: ‘Arrète cet avion! Stop het vliegtuig! Er is een terrorist aan boord!’ Medepassagiers richten onthutst hun blikken op Mariama. Stewardessen blijven verplicht zitten maar delen de vraagtekens van de reizigers. De man naast ons drukt eindelijk op de uit-knop van zijn telefoon en laat deze in het netje van de stoel voor hem vallen. Hij kijkt ons aan met een blik die evenredig is gedaald met de temperatuur van de buitenlucht.   Ping, ping. We zitten op veilige hoogte. Zodra de riemen los mogen, snellen vier stewardessen naar onze rij. Mariama tracht buiten adem uit te leggen wat ze op het schermpje zag en de enige reactie van onze buur is zijn vraag aan de steward om haar een pilletje ter verdoving te geven ‘parce que clairement mademoiselle a peur de voler.’ Hoewel ze stilaan lijkt te bedaren -zonder pil- voel ik mijn geliefde trillend tegen me aanplakken. Ik probeer Mariama’s paniek te relativeren. Niet alleen voor haar, maar ook als hulpmiddel voor mezelf. De alcohol van gisteren vertroebelt elke heldere gedachte en de aanslag in de metro van London drie dagen geleden lijkt de kans op een slechte afloop buitensporig te verhogen. De ijzige buur staat op en gaat naar het toilet. De piloot vraagt onze riemen terug vast te klikken. We naderen onweer. Een kwartier later zoek ik met mijn ogen naar de man die nog steeds niet terug is. Met de turbulentie rondom me, de regen op het dak, de door bliksems opgelichte duisternis buiten, een rillende vriendin naast me en het lege stoeltje naast haar, voel ik mijn angst strijden met mijn ratio. Ik zit vastgeklikt in deze situatie, voel me veroordeeld tot een lot dat me aan duizend km per uur meeneemt. Er rest me één ding: het hoofd koel houden door de beelden van mijn zwempartij van de voorbije dag op te roepen. Ik sluit m’n ogen, neem het roer over en stap voor stap verdringen mijn herinneringen van gisterenmiddag de bliksems, de dreiging, mijn angst.     Een tiental uur geleden wandelden ik en Mariama op onze blote voeten over een laatste duin. Zoals altijd was het spannend om eerst het water te horen en dan pas de eerste glimp ervan op te vangen. En daar was de zee dan eindelijk: een vertrouwde kracht die nooit exact dezelfde vorm aanneemt. Bij een absoluut klare lucht zouden we het Afrikaanse continent van de horizon kunnen onderscheiden. Nu konden we het vanaf het strand in Malaga slechts inbeelden … dromen. De droom van zoveel vluchtelingen om aan onze kant van de Middellandse Zee te staan, vergezelde onze gedachten en weigerde onze gesprekken te verlaten. Bijna letterlijk: de droom van een vrouw naast me op dit Spaanse strand, leefde een vijftal jaar geleden zelf aan die andere kant, voorbij onze horizon. Ze was als vluchteling naar het rijke westen gekomen, het alom bekende verhaal. Weeskind word je niet alleen als je je beide ouders verliest, wees word een mens ook als je je dorp, je jeugd, je wortels tegen je eigen wil moet verlaten. Mariama was wees in beide betekenissen en was haar land Guinee ontvlucht na deelname aan antidictatoriale studentenprotesten en de daaropvolgende gevangenschap. Ooit verschuilde ze zich op een schip met bestemming onbekend. Zij giste richting Sierra Leone. Het werd Zeebrugge, België, Fort Europa, Babylon.   Vandaag werden we bedwelmd door de grijze nasleep van een hele vakantie van ruzie tussen ons. Ruzie op haar beurt in de nasleep van het laatste half jaar waarin we oeverloos geprobeerd hadden om voor haar een legale verblijfsvergunning in België te verkrijgen. Kleren maken de man, papieren maakten mijn vrouw. Illegaal zijn in Europa is als het voorportaal van de hemel binnenstappen, merken dat je slechts één poort verwijderd bent van de rijstpap en gouden lepels en pas dan leren dat je de broodnodige sleutel mist. Het is pas veel later -als je werkelijk binnen bent- dat je beseft dat hemel en hel slechts twee letters van elkaar verschillen en dat de Babylonische toren van vooroordelen, bureaucratie, kansarmoede en het innerlijke vagevuur dat je van thuis op je vlucht hebt meegenomen, eerder bij hel dan bij hemel aanleunen. Illegaliteit ademt gevaar. Met je fiets in de verkeerde richting van een eenrichtingsstraat rijden en een politieagent tegenkomen, staat gelijk aan het risico op pascontrole, gesloten asielcentra en deportatie.  Eenrichtingsverkeer en Europa… Het is evident dat dit zorgt voor een enorme stress op de prille relatie tussen een Belgische man met en een Guinese vrouw zonder papieren. Onze achtergronden konden moeilijk meer verschillen, maar ons doel was exact hetzelfde: een toekomst creëren voor onze relatie door een toekomst te creëren voor haar, met papieren. Of was het andersom? Het begon stilaan in mijn hoofd door te sijpelen dat een stabiele relatie met Mariama – op gelijkwaardige leest geschoeid- een utopie zou blijken. Het leek alsof ik alles had. Het leek alsof ik haar alles was. Ik was haar steun, haar beste vriend, haar begeleider in integratie, taal en studie, een plaatsvervangend vaderfiguur, rots in haar woeste branding en pas daarnaast ook geliefde en minnaar. Die combinatie van verschillende rollen in één persoon, leek onmogelijk vol te houden en maakte me onrustig en zelfs ongelukkig. De belangrijkste voorwaarde om tot herstel van dit verstoorde evenwicht te komen, was een officiële verblijfsvergunning, maar voorlopig zaten we vast in onzekerheid, ongelijkheid en onrechtvaardigheid – hét motto van het niemandsland van sans papiers. Mariama was haar identiteit kwijt en ook ik begon mezelf te verliezen…   Mariama had toestemming gekregen om tijdelijk binnen de EU te reizen en hier zaten we dan: op opklaringen te hopen boven het strand en boven onze relatie. Plots ontspande Mariama’s gezicht waardoor haar typerende stralende glimlach en aangeboren levensvreugde terugkeerde: ‘Ik hoor mijn dialect, ik hoor Fula!’ Tussen ons en de verst reikende golven zaten -of beter- lagen twee Afrikaanse mannen op het strand te drinken, te lachen en … Fula te praten. Enthousiast stapte Mariama op hen af, met mij in haar schaduw. Na nog geen vijf minuten deelden we gulzig hun zelfgemaakte cuba libres en stapten we over in het Frans, waardoor ik uit Mariama's schaduw kon treden. We ledigden onze glazen alsof we met elke slok het gekibbel en geruzie van de voorbije periode konden wegspoelen. Zoals een theatergordijn na een korte pauze weer opengaat, zo rolden de wolken naar rechts en links en kwam de zon in volle glorie tevoorschijn. Het spektakel kon beginnen.   Ik voelde me hemels dronken. Ik kwam in een roes terecht die je alleen in het midden van de dag kan bereiken en waarin je een rijk der mogelijkheden denkt binnen te stappen. Alles kon. En wat vooral kon, was net datgene wat die ochtend nog het meest onmogelijk geschenen had. Zonder om te kijken verliet ik de Guinese reünie en stapte de zee in. Hoewel ik best goed kan zwemmen, kan je me niet heel ervaren of getraind noemen. Het koude spel van de golven kon m’n dronkenschap slechts gedeeltelijk stillen. Ik zwom verder, rustte even, liet me door het water lieflijk wiegen en zwom voort. Na een onbepaalde tijd die me voorwaarts had geduwd, draaide ik m’n vermoeide door adrenaline geïnfecteerde lijf en even geschokt als euforisch zag ik in de verte de kustlijn met ons strand tot een enkel lijntje herleid. Tot mijn verbazing had ik wel drie verschillende badplaatsen in mijn vizier. Ik schreeuwde het uit. JAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAA! Onmogelijk om mijn innerlijke schreeuw uit te drukken, uit te spuwen. Ik werd overdonderd door een flits, een gloed, een shot universum. Het oog van de storm is het beste punt en ik voelde de onzichtbare sterren om dit unieke moment heen draaien. Dit was vrijheid en ik zat in haar middelpunt. Nee, ik was vrijheid. Met zijn onbekende diepte onder me had de zee me ingesloten, verwelkomd, omarmd. Ik legde me op haar golven, ging op en neer in een blauwe wereld waar evenwicht en stabiliteit niet van belang waren; waarin beschreven papieren in natte vodden met blauwe inktvlekken veranderen; waarin geen land, geen grenzen, geen regels waren. Een plaats waarin ik mijn individuele vrijheid had herwonnen. Daar in die Middellandse Zee, tussen twee continenten, vond ik mezelf terug.     Ping, ping. Onze riemen mogen weer los. Het vliegtuig heeft de storm achter zich gelaten, de ijzige man ligt naast ons vredig te slapen. Ik denk nog een laatste keer terug aan die bewogen dag gisteren: aan hoe de door een overbezorgde Mariama verwittigde redders langs kwamen varen en me geboden om terug te zwemmen; aan de vermoeiende terugtocht naar het strand waar mijn geliefde boos en opgelucht op me wachtte.     En nu de terugtocht van dit vliegtuig met achter het raampje van rij zeven een blank-zwart koppel zonder benul dat de vrouw binnen het jaar, via het huwelijk met hem, haar papieren vrijheid zal winnen en dat de man zijn vrijheid - als een verdoken continent achter een bewolkte horizon, als een kalme zee achter te hoge golven, als een vliegtuig dat na een turbulente vlucht veilig landt – pas drie jaar later zal terugvinden wanneer zij elk hun eigen weg zullen gaan: zij thuis in België, hij de wijde wereld in.                        

Joachim Stoop
0 0

In de schaduw van de Jaguar.

  "Mijn volk is verspreid en verdwenen; als ik roep, hoor ik mijn stem in het hart van het woud, maar er weerklinkt geen stem ten antwoord - slechts de stilte omringt mij." KOLONEL COBB VAN DE CHOCTAW   Hoofdstuk 1: Dromen naar meer                                                                                       Nog 2 uur te gaan. Nog 120 minuten en ik weet of ik erbij ben. De laatste weken heb ik aan niets anders kunnen denken. Hoelang moet een commissie eigenlijk over zoiets beslissen? Ach … die mensen hebben vast zo weinig te doen dat ze er genoegen mee nemen om zenuwachtige types zoals mezelf te tergen. Rek het maar zo lang je kan, dat maakt het des te spannender! Ik en 9 andere laatstejaars biologie wachten al 2 maanden op de uitslag. 2 maanden kan je het geloven? Nu goed, ik moet misschien eerst eens uitleggen waarover ik het heb. Het gaat over een fantastisch project. Wel ja, een heel uitdagend project voor biologen gespecialiseerd in mammologie. Een project dat misschien mijn toekomst zal veranderen, tenminste als ik gekozen word. Het is de bedoeling dat de commissie één laatstejaars naar Brazilië stuurt om veldwerk te verrichten tussen de nazaten van de Yanomami! Ik hoor je al denken: "Wat heeft dat te maken met mammologie of zelfs biologie. Is dat niet meer iets voor antropologen?" Ha! Absoluut niet want hier komt het fantastische gedeelte van het volledige project! De Yanomami - indianen zijn uiteraard aangepast aan onze hedendaagse Westerse beschaving. Ze lopen er gekleed bij als wij, gebruiken gesofisticeerde voorwerpen, je noemt maar op. Maar wat wel zo gebleven is doorheen hun vele jaren van ontwikkeling is hun liefde en respect voor dieren. Uiteraard ook zoogdieren. En dit is de link: de uitgekozene student mag een jaar lang veldonderzoek gaan doen naar de bijna uitgestorven Panthera onca palustris. Gemakkelijker gezegd: de jaguar Saai? Absoluut niet! Dit is waar ik al mijn hele korte leventje lang van droom! Het gaat hier om iets buitengewoons dat ik gewoon niet kan of wil missen. Ik moet er bij zijn. Positief denken is het kernwoord niet waar? Zolang je er maar in gelooft? Nog 1 uur en 45 minuten. Ik ben op weg naar Brussel. Ik haat Brussel. Het is voor mij een grootstad waar persoonlijk contact niet langer een must is. Je bent niet langer een uniek individu maar gewoon één van de velen die daar rondlopen. Ik ben opgegroeid in Gent en ik kan je naar waarheid zeggen dat Gent werkelijk alles heeft zonder eigenlijk echt uit zijn voegen te barsten. Nu goed, als je niet aan de overbevolking door de studenten denkt. In vergelijking met Brussel is Gent toch veel beter? En als je in Gent studeert, waarom dan een commissie in Brussel? Het antwoord blijft voor mij alleszins een raadsel. Hoe is het eigenlijk mogelijk dat de tijd nu voorbij kruipt? Dit heb ik nog nooit meegemaakt. Integendeel zelf. Mijn studies waren bijvoorbeeld in een flits voorbij. Ik heb het niet echt moeilijk gehad. Ik wist eigenlijk al heel vroeg dat ik me wou aansluiten bij een organisatie die voor de verandering eens niet uit was op winst. Een non – profitorganisatie dus. Ik heb te veel en te vaak gezien hoe het milieu lijdt onder de vraatzuchtige mens. Mijn vastbeslotenheid heb ik te danken aan mijn vader. Mensen zeggen vaak dat we 2 druppels water zijn. Misschien is dat één van de redenen waarom ik voor een studie biologie koos. Als je nu denkt dat mijn vader bioloog is dan heb je het goed mis. Je had de bal niet verder kunnen slaan. Hij is en ik citeer “ een investeerder in grootschalige logistieke projecten”. Ha! Een grote slokop wat natuur betreft , dat is hij! Hij gaat steeds op zoek naar unieke onbebouwde gronden en “cultiveert” het land dan door het te ontdoen van hun grootste schatten. De natuur en zijn originele inwoners. Ik heb het niet alleen over dieren. Neen, ook indianen, Bedoeïen, Toearegs, … Je begrijpt het plaatje wel. Ik wil het tegenovergestelde realiseren. Ik wil dieren en hun leefomgeving leren kennen, mensen ontmoeten die wel nog respect hebben voor hun omgeving. Ik herinner me nog het gezicht dat mijn vader opzette toen ik hem vertelde dat ik biologe wou worden. Hij keek heel neutraal. Ik vond dat hij zich eigenlijk heel goed hield. Hij vroeg met een uitgestreken gezicht: “en wat wil je daarmee bereiken? Je weet dat de geldkraan vanaf je 25ste dicht gaat hé. Je moet iets studeren waarmee je jouw eigen boontjes kan doppen.” Ik haat het als hij het over geld heeft, alsof ik alleen maar met hem spreek omdat hij geld heeft. Alsof alles wat ik zeg en doe direct of indirect de bedoeling heeft hem te pluimen. Nu goed, ik hield me kranig, trok me er niets van aan en zei “ik wil me inzetten voor dieren die me nodig hebben. Ik wil hen observeren en beschermen. Ik wil geen bureaujob, maar veldwerk.” Ik zag zijn antwoord net voor hij zich zonder één woord te zeggen omdraaide. Een knalrood gezicht. Ik vergeet het nooit! Daar had ik hem goed te pakken! Hij denkt vast dat ik het deed om hem te sarren. Misschien had hij gelijk. Maar vanaf dat moment ben ik vastbesloten om van mijn droom iets te maken. Ik was er niet langer op uit om alleen maar anders te zijn dan mijn vader en dat te tonen aan de hele wereld. Nee, ik was er op uit om mezelf te bewijzen in de maatschappij die aan mijn vaders voeten lag. een maatschappij die geen respect had of heeft voor hetgeen waar ik me voor wou inzetten. Ik wil mijn eigen ding doen. Ik wil niet gezien worden als mijn vaders dochter. Ik wil een eigen persoonlijkheid hebben, een eigen naam die voor zich spreekt. En dit ga ik op mijn eigen manier proberen te verwezenlijken. Iets wat hij trouwens zelf nooit gedaan heeft. Hij heeft het bedrijf van mijn grootvader, zijn vader, overgenomen. Gemakkelijk? Zeker niet, naar de pijpen van iemand dansen is nooit gemakkelijk. Maar het is niet wat ik wil. Ik heb een idealistischer beeld. En toen, op dat moment, besefte ik dat. Ik ben nu 23. Ik sta bijna op mijn eigen benen en sta te popelen om de wereld in te springen. Springen, niet stappen, wandelen of slenteren, neen! Springen. Ik wil dingen echt beleven, doordringen tot wat het leven te bieden heeft en wat ik het leven kan bieden. Alles wat ik heb in de strijd gooien om de wereld te veranderen. En dat moet nu beginnen. Ik kijk naast mij. Mijn moeder zit daar. Mijn mooie mama. Alhoewel ze al 50 is, ziet ze er maar 40 uit. Toch zie je dat haar gezicht droefheid uitstraalt. Droefheid maar ook liefde. Ze probeert mij moedig te houden voor de uitkomst straks. Ze neemt mijn hand vast en knijpt er lichtjes in. Ze staart in mijn ogen en probeert me te kalmeren met een blik waardoor ik me op slag de meest geliefde persoon op aarde voel. Ze merkt altijd wanneer ik aan het piekeren ben. Ze denkt vast dat het over de commissie gaat. Ze is altijd zo bezorgd. Mijn moeder is zowat het tegenovergestelde van mijn vader. Ze is zo lief. Ze heeft eigenlijk altijd onder de sloef gelegen. Neen, niet onder één schoen, maar onder de hele Brantano. Ze heeft nooit kunnen doen wat ze wou. Ze is vroeg getrouwd en dat heeft haar letterlijk getraumatiseerd. Verbaal, fysiek en emotioneel. Niets heeft hij heel gelaten. Op termijn is ze gevoelloos geworden tegenover hem. Ze negeert hem. Ze spreekt hem niet tegen als hij ergens zijn zinnen op gezet heeft, maar spreekt ook niet meer tegen hem als ze akkoord is. Wat eigenlijk toch nooit zou gebeuren. Die twee zijn letterlijk dag en nacht voor elkaar. Aarde en vuur. Wat eigenlijk een goede vergelijking is. Hoe hard het vuur ook raast. De aarde zal zwart kleuren, maar blijven bestaan. Ik ben de enige die er echt toe doet.. Het enige waar ze voor zal opkomen. Ze is er altijd geweest voor mij. Ik denk trouwens dat ze bij mijn vader is gebleven omdat ze angst had om mij te verliezen. Ze weet dat er niets opkan tegen de macht van zijn geld en zijn ijskoninginnen / advocaten. Ik denk dat ze gelijk heeft. Hoewel mijn vader weinig / niets? om mij geeft zou hij het niet kunnen verdragen dat zij mij zou opvoeden. Hij zou zich verslagen voelen en juist daarom zou hij haar willen verpletteren. En wat zou de buitenwereld wel denken? Dat is al reden genoeg om alles op alles te zetten om het enige wat ze heeft af te nemen. Mijn moeder heeft gedaan wat zij kon om haar grootste schat te behouden. Verduren. Aanpassen. Camouflagetechnieken toepassen. Dat is misschien eigenlijk ook wel een deel van de reden dat ik mijn vader zijn “raad” gedeeltelijk heb gevolgd. Ik ga op mijn eigen benen staan en zal nooit toestaan dat ik zo behandeld word. Geen man is dat waard. Ik schrik op uit mijn gedachten. De auto stopt! We staan voor de deur van één van die commissieleden. Oké … uitstappen en vooral blijven ademen. Ik stap uit de auto en voel me duizelig worden. De uitslag is nu opeens zo dicht bij. Alles wordt werkelijkheid. Of juist niet. Ik zie mijn dromen al aan diggelen liggen. Wat ga ik doen als ik niet aanvaard ben? Hoe kan ik dan zin geven aan mijn leven? Heb ik ergens in de hoekjes van mijn ziel nog een ander verlangen? Neen … Ik voel mijn hartslag versnellen, zie de grond onder mijn voeten bewegen alsof ik in snelstromend water beland ben, ik krijg het koud. Mijn moeder die ondertussen uitgestapt is ziet mij naar de grond staren. Ze beseft dat ik in de war ben. Ze weet hoe erg ik naar een uitweg heb verlangd. Ze verlangt mee met mij. Als ik ga, gaat er een deeltje van haar mee. Een deeltje dat dan toch vrijheid krijgt na al die jaren. Ze slaat haar arm rondom mij en duwt me lichtjes vooruit. “Weet je? Ik ben gisteren naar de kapper gegaan en daar ben ik Jenny tegen het lijf gelopen.” Ik kijk haar verbaasd aan. Wat doet ze nu? Over koetjes en kalfjes beginnen? Ach ja, ze probeert me af te leiden. Ik glimlach en speel mee. “Is ze opnieuw verdikt?” Mama beseft dat ze mijn aandacht heeft en begint ronduit te vertellen. “Ja! Ontzettend. Toen ze 25 jaar was had ze een maatje 36. Maar, dat weet je hé. Na haar bevalling is ze de extra kilootjes nooit meer kwijt geraakt en kon ze zich amper nog in een maatje 40 proppen. Maar nu! Een 46! Je gelooft het nooit. Ik kon de verbazing en afschuw amper van mijn gezicht houden toen ik haar zag. Hoe heeft ze zich ooit zo kunnen laten gaan? Ons figuur is toch het enige wat wij onderdrukte vrouwen hebben? We moeten ze niet alle voldoening geven. Toch?” Ze wacht mijn antwoord niet af maar brabbelt door over Jenny en haar figuur. Ik bekijk mijn moeder stiekem. Ze heeft inderdaad nog altijd een prachtig figuur. Ik wist niet dat ze haar figuur zag als haar laatste restje trots tegenover mijn vader. “Clara?” Oh? Ik kijk op uit mijn overpeinzingen en zie dat mijn moeder bedenkelijk naar me kijkt. Door een blik om me heen zie ik dat we in de wachtzaal gekomen zijn. De wachtzaal is zeer klassiek ingericht. Lang de randen staan een aantal Sheffieldzetels opgesteld waarin mijn medestudenten zitten. Normaal gezien zorgen dat soort zetels voor een rustige atmosfeer. Nu niet. Iedereen zit stijfjes in de lederen zetels. Hun rug raakt de leuning niet. Lijkbleek, wallen onder hun ogen. Weinig slaap gehad deze nacht? Join the club! Ik knik vriendelijk. Ik ontvang enkele knikjes terug en zie dat die blijk van erkenning het enige is wat ik van hen zal krijgen. Hun ogen vertellen me dat hun gedachten mijlenver aan het razen zijn. Wat een doods boeltje. Je zou denken dat het hier gaat om een wake. De aanblik van mijn medestudenten veroorzaakt een klik in mezelf. Welke uitkomst de commissie ook klaar heeft. Ik zal hem aanvaarden en niet bij de pakken blijven zitten. Ik heb te hard gewerkt voor mijn toekomst. Als dit mijn uitweg niet is, dan staat er een volgende kans om de hoek te wachten. “Clara?” Ik richt mijn blik op mijn moeder, de vastberadenheid staat zeker op mijn gezicht te lezen want ze lacht. “Dat is de Clara die ik ken. Heb steeds vertrouwen in jezelf. Positief denken is al de helft van de te overwinnen moeilijkheid.” Ze kijkt even naar de grond. Ik besef dat ze ook nerveus is. Ze neemt mijn handen, kijkt me aan met een blik die wil onderzoeken welke gevoelens er diep binnenin me borrelen en begint te fluisteren. “Clara, je weet dat ik 100 % achter je sta. Ik heb eigenlijk bijna geen twijfels over de uitslag van de commissie.” Ik onderbreek haar ogenblikkelijk “Je bent zeker van de uitslag? Wat bedoel je daarmee?Wat …”Ze zwaait met haar hand de kwestie weg. “Clara, doe jezelf niet dommer voor dan je bent. Denk goed na en je ontdekt het antwoord dat diep binnen in je verscholen ligt. Dit gaat over iets anders. Wanneer je vertrekt naar Brazilië, vertrek ik ook.” Mijn geest krijgt opeens meerdere alarmerende gedachten te verwerken. Verschillende sirenes gaan tegelijker tijd af en even weet ik niet op welke gedachte ik me eerst moet richten. Zoals altijd komen ze allemaal tegelijk uit mijn mond. “Vertrekken? Waarheen? Samen met mij? Bedoel je dat ik je hiermee pijn doe?” Voor ik met nog enkele vragen op de proppen kan komen onderbreekt ze me opnieuw. “ Neen, neen, dit heeft niets met jou te maken. Of misschien toch.” Ze stopt even met praten en probeert haar gedachten te ordenen. Ze begint opnieuw. “Je weet dat ik van je hou. Zielsveel. Je bent mijn alles. Mijn hele leven. Correctie: jij bent mijn leven. Onthoud goed dat je altijd het voornaamste zal zijn in mijn leven. Maar, nu je vertrekt is dat niet meer voldoende. Ik wil meer van mijn leven.” Ze wacht even voor ze doorgaat. Ik kijk haar verwachtingsvol aan. Wat gaat ze nu doen? Het antwoord komt. Het is zowel schokkerend als verlossend. Zowel logisch als volledig onverwacht. “Ik ga je vader verlaten.” Ik open mijn mond, maar ze legt er een vinger op. “Neen Clara, laat mee uitspreken. Ik verlaat je vader. Ik heb voldoende verdragen. Ik ga proberen om het laatste wat er van mezelf rest een nieuwe toekomst te geven. Ik ga mijn kans grijpen nu jij de jouwe grijpt. Ik wil nog zoveel beleven, er zijn nog zoveel dingen waarvan ik droom. Ik kan dit gevoel niet negeren zonder het laatste dat rest van mezelf te doden. Begrijp je dat?” Ze zwijgt en wacht op mijn antwoord. Ik overpeins mijn antwoord. Op het moment dat ik het doe besef ik dat ik niet handel als mijn gewone ik. Maar ja, bepaalde situaties vragen nu eenmaal om een andere aanpak. Ik denk na over mijn antwoord. Ik denk na! Ik weeg de gevolgen af. Mijn gedachten gaan naar mijn vader. De uitbarsting die hij zal hebben wanneer hij beseft dat dit het einde is. Het effect dat deze wenteling op zijn leven zal hebben. Hij zal dit niet te boven komen. Verbitterd zal hij iedereen laten boeten die iets verkeerd doet. Ik denk ook aan mijn moeder haar leven tot nu toe, het leven dat ze voor zich zal hebben als niets onderneemt en het “nieuwe leven” dat ze nu wil leiden. Het leven dat ze tot nu toe alleen geleid heeft in haar dromen Ik orden mijn gedachten en wil haar antwoorden. De dubbele deur op het einde van de wachtzaal gaat plotseling open. Iedereen springt recht uit de Sheffields als gestoken van een hele zwerm bijen. De gedelegeerde van de commissie komt naar buiten. Het is een oude man met een brilletje op. Stanley Bronson. Ik heb hem vaak op de campus zien rondlopen. Wat een muggenzifter. Steeds op zoek naar zaken waarover hij kon klagen. “Piept die deur nu nog steeds? Mogen die studenten daar eigenlijk wel rondhangen? Ik kan me niet voorstellen dat een zelfrespecterende campus zoiets toestaat!” Stanley is van middelbare leeftijd en woont nog steeds bij zijn moeder. Dat is toch de roddel die rondgaat op campus. Nu goed, hij komt de wachtzaal binnen, duidelijk genietend van de aandacht die hij krijgt. Gebogen alsof hij een zware last draagt legt hij de laatste stappen af tot hij tussenin de kandidaten staat. Grappig eigenlijk. Hij draagt de last van alle zenuwachtige mensen hier in de zaal. De enveloppe trekt mijn aandacht. Deze enveloppe bevat mijn toekomst. En die van mijn moeder. Ik besef dat ik haar nu niet kan antwoorden. Of wel? Ik beantwoord haar besluit met een glimlach. Een glimlach waarin ik al mijn liefde voor haar leg. Een glimlach die vertelt dat ik achter haar sta. De afgevaardigde schraapt zijn keel. Mijn aandacht gaat plotseling volledig naar hem uit. Weg zijn de gedachten aan mijn moeder, vader, toekomst. Alleen dit moment bestaat. Nu gaat het gebeuren. De man kijkt even observerend rondom hem. “De uitslag van de commissie is bekend. Eén van jullie gaat naar Brazilië om daar onderzoekend veldwerk te verrichten naar de leefpatronen van de Panthera onca palustris.” De man mijmert door over wat er allemaal dient te worden onderzocht, geobserveerd, genoteerd, … Wie had gedacht dat hij de uitslag nog eens zolang zou uitstellen? Ik voel de neiging op terug in de fauteuil te ploffen. Die commissieleden kunnen er iets van! “Clara Jansens.” Ik schrik op. Wat? Kan die man gedachten lezen? Heeft hij gemerkt dat ik niet luisterde? Tikt hij me op de vingers? “Proficiat, dame, ik hoop dat je goed werk verricht.” Och! Mijn God! Ongelofelijk! De last die ik de voorbije weken op mijn schouders heb meegedragen valt in één keer volledig weg. Ik zou wel kunnen dansen. Ah, wat maakt het ook uit. Die valse strebers kunnen hier wat van leren. Lesje expressie. “ Jihaaaaa! Ik ben gekozen!” Uit mijn ooghoeken zie ik iedereen verrast kijken naar mijn heel uitbundige imitatie van de befaamde Jackons moonwalk. Hoofdstuk 2: Een hobbelig begin                                                                                       “Cookies, pretzels or peanuts?” Half in slaap kijk ik op naar de stewardess. Ze heeft een komisch blauw hoedje aan. Ik geloof dat de ontwerper van haar uniform terug wou grijpen naar de jaren 60. Jaren 60 aan de zee, want ik moet even met mijn ogen knipperen tegen al het overtollige helblauw. Schattig eigenlijk. De omschrijving schattig telt wel enkel en alleen voor haar uniform. Terwijl mijn blik van haar hoedje naar haar gezicht glijdt, besef ik dat jaren in de lucht een rampzalig effect gehad hebben op haar huid. Deze vrouw heeft duidelijk dringend nood aan een gelaatsverzorging. Misschien zelf iets drastischer. Botox? Lijkt me dweilen met de kraan wagenwijd open. Facelift? Check! De dag van vandaag is zoiets toch algemeen aanvaard? Niets om je voor te schamen. Minder reden alleszins dan om met zo’n gehavend gezicht rond te lopen. Ik roep mezelf tot de orde. Wat een slechte gedachte! Terwijl ze zo lief naar me kijkt. Ze wacht geduldig tot ik haar vraag beantwoord. Oja … haar vraag. Wat was die alweer? Waarschijnlijk is de verwarring op mijn gezicht te lezen want ze vraagt opnieuw: “Cookies, pretzels or peanuts?”. “Cookies” Natuurlijk! Geen reden om mijn dagelijkse suikershot te weigeren. De vrouw geeft me mijn speculaaskoekjes en duwt haar karretje naar de rij achter mij. Ik hoor haar zeker nog 10 keer dezelfde vraag stellen voor ze uit het gehoorsafstand is. Terwijl ik de koekjes opeet gaan mijn gedachten terug naar deze gisteren. De momenten na de uitslag van de commissie zijn eigenlijk behoorlijk wazig. Het enige wat ik me nog herinner zijn de jaloerse blikken van mijn medestudenten. Ze probeerden beleefd te knikken vooraleer ze het teleurgesteld afdropen. Een proficiat kon niemand van de 11 studenten over zijn lippen krijgen. Lelijke karakters. Daarom noem ik ze ook medestudenten en geen vrienden. Vrienden heb ik eigenlijk niet gemaakt op campus. Ik moet wel eerlijk toegeven dat ik niet zo’n sociaal type ben. Ik heb het vaak moeilijk om het eerste contact te leggen. Eenmaal die drempel gepasseerd is kan ik wel heel humoristisch zijn. Ik heb wel de lelijke karaktereigenschap dat ik behoorlijk veeleisend kan zijn. Ik sta bijvoorbeeld niet toe dat mijn vrienden me laten staan in moeilijke tijden, roddelen, geniepig zijn, geheimen hebben, niet te vertrouwen zijn, geen inhoud hebben, een laag intelligentieniveau hebben, … Ja, ik denk dat je het plaatje wel begrijpt. Moeilijk is een omschrijving die je wel op mij kan plakken. Maar hé! Als ik het zelf reeds besef is ’t al goed zeker? Zelfkennis is de eerste stap naar wijsheid. Om het beeld dat je nu van me hebt iets te verzachten moet ik dit wel vermelden. Eenmaal ik een vriendschap heb, ga ik er volledig voor. Ik geloof dat de uitdrukking door het vuur gaan voor iemand echt niet misstaat. Het afscheid van mama herinner ik me wel. Zij is eigenlijk mijn beste vriendin. Iemand die je nooit in de steek laat en er altijd voor je is. Onvoorwaardelijk. Ze was ondersteboven van geluk. Verrast was ze zeker niet. Ze wist dat “that one Lucky Bastard” zou zijn. Ze was er zelf zo zeker van dat ze alle plannen rondom haar vertrek al gemaakt had. Op dit moment is ze waarschijnlijk al bezig met haar spulletjes weer uit te pakken samen met Anne, haar beste vriendin. Anne en ik komen redelijk goed overeen. Het belangrijkste is dat ze van mijn moeder houdt. Ze komt steeds voor haar op. Mijn moeder heeft haar zelf eens moeten tegen houden. Ze ging het fysiek opnemen tegenover mijn vader! Stel je voor. Dat kleine tengere vrouwtje tegenover een boom van een vent. Ze zou zelf zijn ogen niet kunnen uitkrabben want die liggen volledig buiten haar bereik. Haar strijdvaardigheid en trouw tegenover mijn moeder is de reden waarom ik Anne aanvaard. Niet omdat ze zo buitengewoon is, maar omdat ze de beste vriendin van mijn moeder is. Punt! Voor altijd. Zulke mensen vinden in je leven is zeldzaam. Je moet ze vasthouden. Mijn moeder had ook mijn bagage al ingepakt. De stiekemerd! Niets hoefde ik nog te doen. Gewoon genieten van mijn laatste avond in België. Het zal welgeteld één jaar duren vooraleer ik terugkeer. En dan zal alles anders zijn. Misschien keer ik wel niet terug. Wie weet? Een wereldreisje misschien? Hallo? Aarde aan Clara … een wereldreis met welk geld? Typisch voor mij. Ik droom altijd over van alles en nog wat. Realistisch is echter nooit geen kernwoord. Belachelijk eigenlijk, maar toch doe ik het graag. Ik betrap mezelf heel vaak op dagdromen. Over reizen, mannen, ontdekkingen, avontuur, … Op het perron waar we afscheid namen, sloeg mama haar armen om me heen. Ze drukte me zo hard tegen zich aan dat ik het gevoel had dat ik breekbaar was. De tranen stroomden over onze wangen. Wat hebben we gezegd? Eigenlijk niets. Er was niets te vertellen. We wisten dat er geen contact mogelijk was. Geen internet. Geen brieven. Niets. Beiden waren we ervan overtuigd dat we elkaar ontzettend gingen missen. Ik bijvoorbeeld wist dat er heel veel nachten in de toekomst zouden zijn dat mijn tranen het hoofdkussen in een klein poeltje zouden veranderen. Maar ja, in je leven moet je soms vooruit. Ik denk dat mijn moeder trouwens altijd al geweten heeft dat ik niet bij de pakken zou blijven zitten. Als kind kon ik het niet en ik zal er nu zeker niet aan beginnen. Ze liet me uiteindelijk ontsnappen uit haar omhelzing. Nog één keer streelde ze over mijn wang, drukte een cadeautje in mijn hand en vertrok. Ze is niet blijven wachten tot de trein kwam. Ik begrijp haar. Het was te moeilijk. Ze heeft ons beiden veel pijn bespaard. Het cadeautje ligt nu in mijn hand. Er hangt een klein kaartje aan. Ik doe het open. Ik zie in een oogopslag dat overduidelijke handschrift van mijn moeder. Op sommige plaatsen zijn de letters wat uitgelopen. Haar tranen hebben haar kaartje bijna onleesbaar gemaakt. Ik streel met mijn vinger over de letters. Zo attent. Een heimelijke glimlach streelt mijn gezicht, tijdens het uitpakken van haar bagage zal ze ook een briefje vinden. Ze zal blij zijn en het in haar portefeuille bewaren. Ik richt mijn aandacht opnieuw op het kaartje, verzamel mijn moed en begin te lezen.   Lieve hartendief Ik geef je dit kaartje mee zodat je een 3 kleine deeltjes van mezelf bij jou hebt. Een deeltje dat jou zal steunen als je verdrietig bent, een deeltje dat in jouw geluk zal delen op zalige momenten en een deeltje dat alle momenten die jij beleeft ook wil ervaren. Ik hoop dat je een fantastische tijd beleeft, dat je groeit en evolueert. Maar vooral dat je een nieuwe manier van leven ontdekt. Ik hoop dat dit de eerste stap is naar een leven vol avontuur en bovenal vrijheid. Weet dat je altijd in mijn gedachten bent. Mama. Ik sluit het kaartje met prikkende ogen. Ik knipper eens om de tranen naar achter te duwen en steek het kaartje in mijn portefeuille. Haar attentie doet me denken aan jaren geleden. Aan één van de vele keren dat mijn vader een poging ondernam om de relatie tussen mezelf en mijn moeder af te zwakken. Hij stuurde me op internaat. Elke zondagavond ging ik met mijn valiesje de deur uit. Maar niet zonder een zijden sjaaltje van mama met een beetje parfum van haar. Mama had alweer een uitweg gevonden. We waren verbonden. Het geschenkje in mijn handen ziet er zo koddig uit. Ik maak het heel voorzichtig open. Zonder iets te scheuren. Er zit een vierkant, paars doosje in. Ik til het dekseltje voorzichtig op. Een glimlach verspreidt zich over mijn gezicht. Het is een dromenvanger. Op de achterkant van het dekseltje heeft mama geschreven “Sweet dreams”. Hoe is het toch mogelijk dat ze me zo goed kent. Soms vraag ik me af of ik ooit iets zou kunnen doen wat ze niet verwacht. Ik neem het hangertje uit het doosje en bevestig het rond mijn hals. Zachtjes speel ik er mee tot mijn gedachten overgaan in een diepe slaap. Ik loop in een bos. Het bos lijkt geenszins op onze Belgische bossen. Het is er zo kleurrijk. Exotische bloemen. watervangend planten. Ze groeien aan de grond, maar ook in de lucht op takken van gigantische bomen. Ze bewegen zachtjes heen en weer op een licht briesje. De geur is ook heel specifiek. Vol met allerlei aroma’s van planten, dieren en bomen. Er is mist. Ik zie heel weinig, alleen mijn directe omgeving. Ik voel een drang om voorruit te lopen. Al strompelend beweeg ik me door de dichte begroeiing. Mijn voeten stoten voordurend op van alles en nog wat. De mist aan mijn voeten is te dik om een poging te doen om de begroeiing te ontwijken. Nog voor ik de verandering kan zien in de omgeving, ruik ik ze in de geur van het woud. Een metaalachtige geur drijft naar me toe. Een kille luchtstroom doet de haartjes op mijn armen rechtstaan. Een meer strekt zich voor me uit. Of eerder een moeras. Dorst, zo’n dorst heb ik. Ik hurk neer. Maak van mijn handen een kommetje en wil wat water opscheppen. Ik schrik plotseling op door een innemend gegrom of gespin? Mijn ogen speuren de mistige omgeving af. Een kat zit op nog geen 6 meter van mij. Wat zeg ik? Een kat? Absoluut niet, een gigantische beest is een betere omschrijving. Het beest is gitzwart en vast bijna 2 meter lang. Ze zit gehurkt net als ik. Al denk ik dat ze met die positie een heel ander doel heeft dan water scheppen. Heel voorzichtig beweeg ik me naar het water toe. Mijn hart klopt in mijn keel. Het water is mijn enige uitweg. Ja, ik weet het. Katten kunnen zwemmen. Er hangt echter een tak in het water waaraan ik me kan optrekken. Ik koester één wens: hopelijk kan dat beest niet springen terwijl het zwemt. Want dan zal mijn ontsnappingspoging op niets uitdraaien. De daad bij het woord zettend, beweeg ik zachtjes naar voren. De kat gromt luider en sluipt dezelfde afstand dichterbij. Oei, oei, oei dit gaat verkeerd. Plan B. Ik schiet recht met de grootste snelheid die ik bijeen kan rapen en spurt het water in op zoek naar veiligheid. Ik zie uit mijn ooghoeken dat de kat in actie schiet. Voor ik met mijn ogen kan detecteren waar de het beest zich precies bevindt, voel ik een verplaatsende windvlaag mij voorbijgaan. Met één sprong staat ze opeens 2 meter verder dan mij in het water. Het moeraswater bereikt bijna haar schofthoogte. Ik kom met een ruk tot stilstand. In paniek zoek ik naar een andere uitweg. Ik voel mijn benen hevig trillen, heb moeite me te concentreren en uiterlijk kalm te blijven. Voor ik de uitweg gevonden heb zie ik dat de kat niet langer naar mij kijkt. Ze zit opnieuw in een gehurkte pose met haar rug naar me toe. Ze sluipt stilletjes achteruit. Opeens gaat mijn blik naar hetgeen wat de kat al veel langer moet opgemerkt hebben. Een alligator! Oh Shit! Ik draai me om en probeer vliegensvlug te strompelen. Mijn voeten worden bij iedere stap in de modder vastgezogen. Ik oefen steeds meer kracht uit en verlies daarbij een schoen. Ik negeer de uitstekende schoen die lichtjes dieper zinkt in het moeras en verdubbel mijn inspanningen. Het moeras uit! De stem van de piloot schalt door de microfoon. “Fasten your seatbelt and prepare for landing.” Ik moet in slaap gedommeld zijn. Mijn droom hangt nog vers in mijn geheugen. Ik voel de haartjes op mijn armen rechtstaan, een huivering loopt doorheen mijn lichaam. Wat een vreemde droom. Onmiddellijk denk ik aan het verklarende dromenboek dat op mams nachtkastje ligt. Mijn vingers tintelen om de droom op te zoeken en nader te verklaren. Wat natuurlijk niet kan omdat ik het boek simpelweg niet bij me heb. Uiterst jammer. Dat is trouwens nog zo’n eigenschap die mijn vader de stuipen op het lijf jaagt. Meneer “eerst zien en dan geloven”. Al dat spirituele gedoe kan hem gestolen worden. Een glimlachje glijdt over mijn gezicht. Mams vertelde me dat hij in de begintijd van hun huwelijk haar dromenboek altijd verstopte. Het gaf hem rillingen te denken dat zijn dromen enige betekenis konden hebben. Kreeg ik daarnet ook geen rillingen? Misschien lijkt ik toch meer op hem dan mijn hart lief is? Ik kijk rond me. De lichtjes, die aangeven dat we onze veiligheidsgordel moeten aandoen, flikkeren. Het bekende tintelende gevoel in mijn buik vertelt me dat het vliegtuig net een duik omlaag heeft genomen. Ik grijp naar de twee uiteinden van de gordel en merk dat de dromenvanger nog steeds op mijn schoot ligt. Hoe ironisch. Moet die niet voor goede dromen zorgen? Voorzichtig berg ik hem op en wacht ongeduldig tot ik mijn eerste stapjes kan zetten naar mijn nieuwe leven. Misschien niet zo spectaculaire stapjes als Neil Armstrong, maar wel grensverleggend voor mijn eigen leefwereld. En op dit moment is dat ruim voldoende. Terwijl ik dit doe zwermen de instructies van Stanley Bronson door mijn gedachten. “ Je zal landen in de staat Roraima. De luchthaven is gebouwd nabij de hoofdstad Boa Vista. Roraima grenst aan Venezuela in het noorden. In het zuiden ligt jouw doelgebied. De Amazone. Je weet trouwens toch waarvan de naam Boa Vista is afgeleid?” Hij neemt me kritisch op. Ik knik gretig en zet een gezicht op alsof hij een domme vraag stelt. Natuurlijk weet ik dat … niet! Gewoon knikken. Niets laten merken. Hij gaat door met zijn uitleg “ In Boa Vista moet je overstappen. Het volgende vliegtuig neemt je mee naar het zuidelijke gelegen Manaus. Hier begint het avontuur. Neem een taxi naar meest het zuidelijk punt van de stad. Hier vind je Travessia Manaus. Vanuit deze kleine aanlegplaats vertrekken een aantal boten. Het is niet, en ik herhaal niet, de bedoeling dat je één van deze boten neemt. Je moet echter op zoek gaan naar deze man.” Stanley duwt me een foto in de hand. Er staat een klein, bruin mannetje op. Ik kan niets noemenswaardig opsommen om dit dwergje te omschrijven. Er valt me gewoon niets op. Klein en rond. Behalve zijn ogen. Ze glinsteren van plezier. Je zou bijna zeggen dat deze foto voor een geliefde bedoeld is. De ogen brengen een liefde over waarvan ik even moet slikken. Stel je voor dat mijn vader ooit zo naar mijn moeder gekeken heeft. Een gevoel van verlatenheid overvalt me. Onwaarschijnlijk. Echte liefde is er nooit geweest. Nu ik er over nadenk heb ik nog nooit gezien dat een man onvoorwaardelijk van een vrouw hield. Jane Austen zat er goed naast. Ze leefde in een liefdeloze omgeving en zocht dan maar naar een uitweg via haar boeken. Had ze beter niet gedaan. Nu leven wij nog steeds in een maatschappij van vrouwen die naar liefde snakken en mannen die daar gretig gebruik van maken en zo nu en dan de stoelendans uitproberen. “Jack, is zijn naam.” Mijn aandacht keert terug naar Stanley. “Jack? Dat lijkt me geen natuurlijke naam voor een native.” Stanley kijkt aan met zoveel minachting dat ik me letterlijk 3 centimeter kleiner voel worden. Wat heb ik nu miszegt? Met een zucht besluit hij toch te antwoorden op mijn duidelijk uiterst idiote vraag. “De namen van de Yanomani zijn taboe. Ze worden niet luidop uitgesproken. Zeker niet bij vreemdelingen. Vandaar dat deze Yanomaniman zichzelf Jack heeft genoemd.” Hij bekijkt me alsof ik een uk ben van 3 jaar. Heeft hij het ultramoeilijke verschijnsel voldoende duidelijk uitgelegd? Hij heeft zeker al spijt dat ze mij uitkozen. Ik besluit het onbehaaglijke gevoel van me af te schudden. Ze kunnen immers toch niet meer terug. Ik geef hem een triomfantelijke glimlach. Hij knikt. “Goed, Jack dus. Hij zal je opwachten bij Travessia Manaus. Van daaruit brengt hij je met zijn boot naar zijn contactpersoon die je zal voor stellen aan een Yanomani stam die verder op langs de Rio Negro leeft.” Hij knippert met zijn ogen. Een bedachtzame blik glijdt over zijn gezicht. “Ik denk dat ik je hierbij voldoende informatie heb gegeven. Misschien nog enkele tips. Neem een kaart mee van het gebied, zorg dat je wat gelezen hebt over de Yanomani zodat je niet te veel flaters slaat en ons in slecht daglicht brengt. Vergeet je veldapparatuur niet zonder kan je immers geen goed werk verrichten.” Met een laatste knikje en een bijna onhoorbaar “Clara” draait Bronson zich om en schrijdt met langzame stappen de wachtzaal uit. Een enorme knal brengt me tot de werkelijkheid. Verschrikt kijk ik om me heen. De vrouw naast lacht minzaam. Zal ik daar maar uit afleiden dat er niets is misgelopen? Opeens stijgt er een daverend applaus op vanuit het vliegtuig. Een applaus? De vrouw naast me heeft haar minzaam lachje vervangen door een geërgerde blik. Ze geeft me een stoot en sist “Het is beleefd om de piloot te bedanken. Hij heeft ons veilig aan de grond gezet!” De grond? Ah! De grond. Brazilïe! Yanomani! Panthera! Here I come. Bedachtzaam doe ik mee met de kudde. Ik applaudisseer. De weg doorheen de luchthaven leg ik vlug af. Verdwalen doe ik niet. Volg gewoon de mensenmassa en je komt automatisch bij de bagageclaim, de uitgang en achtereenvolgens bij een taxi die je afzet waar je ook maar wil. De taxi is geel. Net zoals in de films. Ik trek de deur van de eerste taxi in de lijn open en plof me neer op de achterzetel. “Adondé?” De chauffeur kijkt me vragend aan. Wat vraagt hij nu in hemelsnaam? Mijn brein zoekt naar mogelijke oplossingen in de paar secondes die voorbij gaan. Mijn gezicht klaart op bij het vinden van een mogelijkheid. Als een bezetene begin ik mijn rugzak overhoop te halen. Typisch. Als je wat moet hebben zit het altijd volledig onderaan. Tegen de tijd dat ik alles uit mijn rugzak gehaald heb en de broodnodige “Spaans voor Dummies” gevonden heb tikt de bestuurder geërgerd op de kilometerteller/ tijdteller van zijn taxi. God, wat een ongeduldige man. Ik haast me bijna dood en dan nog zegt hij me op duidelijk verstaanbare wijze dat de tijd en dus ook de prijs vooruit loopt. Nu goed, ik schud mijn ergernis van me af en probeer me het woord te herinneren waarmee hij me aansprak. Die inspanning heeft duidelijk niet veel zin want niets springt me te binnen. Nieuwe poging dan maar. Ik zoek woord voor woord de zin op die ik probeer te vertalen. “Quiero ir Travessia Manaus.” Nu maar hopen dat hij mijn letterlijk vertaalde zinnetje begrijpt en ik zo toch in Travessia Manaus beland. De chauffeur kantelt even zijn hoofd opzij met een bedenkelijke expressie op zijn gezicht en knikt dan. Hij draait zijn sleutel om in het contact en geeft gas. In Hollywoodproducties heb ik veel taxichauffeurs gezien. Geen enkele van die bestuurders trekt ook maar in het minst op mijn bestuurder. Een uniek specimen is het. In de achteruitkijkspiegel lijken zijn ogen bijna gitzwart. De pupillen zijn amper te onderscheiden van zijn irissen, zo groot zijn ze. Zijn lange haar dat zijn gezicht omrandt, is in een soort carreetje gesneden. De kleur van zijn huid is zo vergelijkbaar met een lekkere café latte dat het mijn smaakpapillen in gang zet. Had ik maar wat meer gegeten op dat vliegtuig. Of beter nog : de Starbucks op de luchthaven een bezoekje gebracht. Want het eten was ronduit walgelijk. Gewoonweg niet binnen te krijgen. “Spaghetti Bolognèse” noemden ze dat. Het was eerder vergelijkbaar met een platgestapte moes van overrijpe groenten en slecht uitgekookte pasta. Dat is tenminste een vergelijking die mijn ogen en neus opmerkten want ik heb er allerminst van geproefd! Nu goed, de man voor mij is duidelijk een indiaan. Of heeft op zijn minst die genen. Hij behoort duidelijk niet meer tot een stam. Anders zou hij hier niet zijn. Wat me ook opvalt is zijn kledij. De eerste link die ik leg is Ocean eleven. Het uniform dat hij draagt is overduidelijk dat van een croupier. Een wit hemdje met daarboven een ondervestje dat je normalerwijze onder een vest draagt. Het vestje is knalrood. Ik kan nog net zien wat er in zwarte letters op zijn rechterborstkas gestikt is. MHC, Manaus Hotels & Casinos. De link tussen een taxichauffeur en een croupier is me even bijster. Hoe hard ik er ook over nadenk, ik kan me geen logische verklaring bedenken. Bijjob? Ik open mijn mond om een te vissen naar zijn achtergrond. Bedenk me en haal eerst mijn dagboek en een pen te voorschijn. Ik heb me voorgenomen om al mijn vergaarde kennis op te schrijven. Terwijl ik mijn gedachten neerschrijf gaat de melodie van Iggy pops passenger door mijn hoofd. “I am the passenger and I ride and I ride. I ride through the city's backsides. I see …. “ eenwegbordje in mijn oogveld springen met daarop “010 Acoatiara”. Acoatiara? Geen flauw idee waar dat ligt. Maar één ding weet ik wel! Ik moet helemaal niet naar een andere stad. Met een ruk snok ik mijn rugzak van onder mijn stoel, trek de rits bijna stuk en roefel opnieuw in de rugzak tot ik mijn stafkaart van Brazilïe te pakken heb. Mijn bevende vinger gaat haastig over de vele steden die mijn ogen bijna weigeren te lezen. Opeens zie ik het. Ik moet helemaal niet naar Acoatiara! Dat ligt volledig de andere kant uit. Hij rijdt naar het Westen, terwijl ik naar het Zuiden moet. “Hey! Travessia Manaus is where I am headed. Where are you taking me?” De taxichauffeur zijn ogen blijven vooruit staren. “Hey!” Geen reactie. Mijn hart begint te bonzen. Mijn gedachten razen. Wat te doen? Ik staar naar de deur naast me. Ik ruk aan het portier. Op slot. Opnieuw probeer ik de aandacht van de quasi-indiaan te trekken. Totaal geen respons. Ik weet niet meer wat te doen. Ik begin in paniek naar de voorbij rijdende auto’s te zwaaien. Ze zwaaien terug. Ze zwaaien terug! De idioten. Zien ze dan niet dat ik panikeer en niet de stomme toerist uit hang. Mijn blik gaat opnieuw naar de chauffeur ik kan hem niet aanraken door het raampje dat ons scheidt, maar misschien helpt dit. Ik sla met alle kracht die ik in me heb op het raampje. Niets, nada, nopes. De rit gaat door. De man is zich van geen kwaad bewust. Zo lijkt het toch. Mijn uitbundige zwaaien, tieren, bonzen heeft zich vervangen door af en toe een angstige snik. Troostzoekend streel ik zachtjes over de dromenvanger. Tot ik lichtjes kalmeer. Mijn ademhaling wordt rustiger en mijn oogleden worden zwaar. Uitgeput val ik in slaap. Ik ben terug. Terug in het mistige, drassige moeras. Niet opnieuw! De rillingen teisteren opnieuw mijn lichaam. Het herinnert zich beter dan ik hoe beangstigend onze vorige ervaring was op deze plek. Ik kijk even rondom me en merk recht voor me meteen de fluoriserende ogen op. Opnieuw een alligator? Hoe dan ook. Ze blijven op een afstand. Ik weet dat het niet verstandig is om een wild dier je rug toe te draaien, maar toch doe ik het. Ik wil zo snel mogelijk een grote afstand tussen mezelf en die ogen scheppen. Weg ermee! Opnieuw voel ik de huivering die door mijn lichaam. Ik krijg het er koud van terwijl de temperatuur zeker oploopt tot 35 graden Celcius. Ik haast me vooruit. Strompel door het lage struikgewas en hoop tegelijkertijd dat ik op geen insecten stoot ter grote van mijn eigen handen. Als er iets is waar ik een nog grondigere hekel aan heb dan fluoriserende, achtervolgende ogen dan zijn het dieren met een teveel aan poten. Noem maar op, het maakt niet uit wat, als het dier meer dan 4 poten heeft dan kan de gedachte alleen al me de stuipen op het lijf jagen. Nu ik het toch over de duivel heb, wil ik even verifiëren of hij me nog aan het bespieden is. Ik draai me stiekem half om en sta op slag stil. Ik loop hier naar mijn eigen tijdgevoel al een halfuur te ploeteren en die ogen zitten nog altijd op precies dezelfde afstand bij me vandaan. Hoe is het mogelijk? Wat kan ik doen om dat beest kwijt te geraken? Opnieuw word ik uit mijn droom gerukt. De taxi is plotseling gestopt. Een gevoel van berusting gaat door me heen. Mijn luchtwegen staan weer wagenwijd open en de zuurstof die ik daardoor binnenkrijg geeft me een boost. Opgelucht kijk ik rondom me. De taxichauffeur kijkt geërgerd naar me terwijl hij met zijn wijsvinger op de taxiteller tikt. De rode digitale cijfers tekenen het getal 432. Wat? 432 real? Hoe is het mogelijk. Die idiote indiaan neemt me mee naar wie weet waar en ik moet betalen? Die man ziet het goed zitten. Ik tuur uit het taxiraampje en zie verschillende mensen rond de taxi lopen. Auto’s toeteren al. “Hoy! Or police.” Vult hij in gebrekkig Engels aan. Dit kan toch niet mogelijk zijn? De man wil werkelijk dat ik het geld ophoest. Moet ik het doen? Als ik betaal, ben ik tenminste van hem af. Ik neem dan gewoon een andere taxi. Terwijl ik naar mijn geld zoek slaat de twijfel toe. Moet ik zo gemakkelijk opgeven? Is dit het gedrag die mijn moeder me toont met haar moedige stap? Het is mijn schuld toch niet dat die man me duidelijk volledig verkeerd verstaan heeft? Hij zou beter eens langsgaan bij het brandweerdepartement! Niets van. Ik betaal niet! Op het moment dat ik dit besluit neem begint mijn hart als vanzelf te bonken. Het klopt zo hard in mijn oren dat ik de voorbijgangers op straat nauwelijks meer kan horen. Voorzichtig blijf ik veinzen op zoek te zijn naar het geld terwijl mijn actieplan bedenk. Ik werp een vlugge blik op mijn rechter zijdeur en zie dat het pinnetje al naar boven wijst. Het slot zal vast opengesprongen zijn bij het afzetten van zijn motor. Ik besluit het op een rennen te zetten. In één beweging scharrel ik mijn trekrugzak mee en gooi de deur open. Wat een geluk dat ik geen koffers bij me heb. Met een explosie van kracht duw ik mezelf af van de auto en probeer zo snel mogelijk bij de taxi vandaan te sprinten. Uit mijn ooghoeken zie ik de man uit zijn auto strompelen en achter me aan komen. Eenmaal hij op zijn benen staat is hij verassend snel. Naarmate ik verder spurt raken mijn benen vermoeid en de chauffeur lijkt van dat verschijnsel geen last te hebben. In paniek speur ik de omgeving af. Wie kan me helpen? De paniek zinkt door in mijn benen en ik voel ze tegelijkertijd verstijven. Niet nu! Ik ben nooit geen hardloper geweest. Had ik vaderlief toch maar geloofd dat het in bepaalde situaties mijn leven zou kunnen redden. Had ik me toch maar ingeschreven in die vervloekte atletiekclub. Te laat daarvoor. Ik de gebouwen langs me voorbij gaan. Te langzaam. De man is nu minder dan 2 meter van me verwijderd. Hij roept me niet na. Wat me op zich al angst in boezemt. Blaffende honden bijten niet? Ha! Deze hier blaft niet. Terwijl ik me steeds meer op de man achter me concentreer, verlies ik mijn vluchtweg uit het oog. Ik bots frontaal op een passant. Door de impact beland ik languit op het voetpad. Niet aarzelen nu. Ik probeer alweer recht te krabbelen als mijn arm wordt vastgegrepen. Nee! Wat nu? Verwilderd en tegelijkertijd bevend van angst kijk ik rondom me op zoek naar een mogelijkheid. Hé? Ik zie de taxichauffeur net zwaar ademend halt houden voor mijn neus. Wie? Het is de voorbijganger die mijn arm vastheeft. Hij draagt het uniform van een portier. Volgens zijn naamkaartje heet hij Juan Carlos. Achter hem rijst inderdaad een groot hotel op. El transeunte. De portier heeft een rond gezicht met grote bruine reeachtige ogen. Het boezemt me vertrouwen in. En ik denk dat mijn intuïtie gelijk heeft want zijn houding veranderd van vertrouwenspersoon naar buitenwipper als hij de chauffeur in zich opneemt. “Whatstheproblem?” euh…? Hij spreekt de woorden zo snel na elkaar uit dat ik er eigenlijk weinig of niets uit kan opmaken. Spaans? Engels? “What the problem?” Herhaalt hij. Hoorbaar laat ik een zucht van verlichting horen. Misschien kan deze man me toch helpen? Ik leg hem het hele verhaal uit. Dit is niet de plaats waar ik hoor te zijn! Charlie hoort mijn verhaal geduldig aan. Het moet wel snel gaan want een eind verder hoor ik het claxoneren van de auto’s steeds luidruchtiger en agressiever worden. Straks wordt er eentje zo kwaad dat hij woest naar ons toe stapt. Tegenwoordig weet je trouwens nooit wat ze op zak hebben. Een kettingzaag? Brr een rilling doorkruist mijn lichaam. Juan interpreteert mijn zichtbare rilling voor angst van de chauffeur en vat de koe bij de horens. Hij begint een zachtaardige monoloog met de duidelijk gestoorde chauffeur. De monoloog houdt aan. In het begin hoor ik nog af en toe vragende pauzes afkomstig van Juan maar hij geeft het snel op. Uiteindelijk hoor ik dat zijn stem een strenge naklank krijgt. Juan maakt ook een wuivend gebaar waarvan de minachting afdruipt. Meneer vertrouwenspersoon is absoluut vervangen door de held van de dag. Een triomfantelijk gevoel glijdt door mijn lichaam en ik voel dat een glimlach mijn gezicht in tweeën splijt. Gelukt! De bestuurder haalt zijn schouders op en druipt het af. Ik wil Juan omhelzen van geluk! Ik temper mijn uitbundige reactie en geef hem een hartverwarmende glimlach in de plaats. Je weet maar nooit. Ik wil geen twee keer op dezelfde dag in de problemen geraken met deze Braziliaanse mannen. Juan beantwoord mijn glimlach. Terwijl hij met zijn hand hoog in de lucht wuift, voegt hij eraan toe “ Watch out. Many brazil people addicted.” Ik frons even. Hij probeert zichzelf te verduidelijken “Drugs. Addict.” Het verkeer voor ons rijdt ondertussen alweer vlotjes door. De verslaafde taxichauffeur zal de weg terug gevonden hebben naar zijn auto. Een andere taxi, geroepen door Juan, stopt voor de stoep. Juan Carlos tuurt even bedachtzaam naar het gezicht van deze bestuurder. En knikt uiteindelijk. “Travessia Manaus.” Hij geeft me nog een toegeeflijk glimlachje en buigt zachtjes. En weg ben ik.

Stéphanie De Backer
0 0

Luciana

Mijn moeder had me ooit verteld dat ik na de verdwijning van mijn vader, elke nacht al wenend wakker werd en om mijn papa riep. Ik heb nooit aan iemand verteld wat ik droomde en na al die tijd was ik het zo goed als vergeten, maar nu kwam de herinnering aan wat er toen was gebeurd terug boven. Ik dacht er zo min mogeliijk aan, want het liefste wou ik gewoon alles vergeten. Maar in mijn dromen kon ik het niet tegen houden het enigste wat ik kon doen was die vreselijke ene dag, die heel mijn leven veranderde, weer herbeleven. Steeds weer opnieuw. 11 jaar geleden ‘Kom prinsesje, pak mijn hand maar vast. Het bos is enkel langs de buitenkant eng, binnen tussen de bomen is het een prachtige wereld vol magie.’ ‘Is er magie?’ vroeg ik aan papa. ‘Ja inderdaad prinsesje, er is daar magie net zoals er magie in jouw schuilt.’ Papa gaf een tikje op mijn neus en ik giechelde. Toen ik opkeek had hij opeens een lelie in zijn hand.‘Deze is voor jou kleine meid.’ ‘Ooh zo mooi!’ ‘Moet ik hem in je haar steken?’ ‘Ja!’ gilde ik terwijl ik blij op en neer sprong en in mijn kleine handjes klapte. Papa stak de bloem in mijn haar. ‘Kom je nu met me mee prinsesje?’ ik knikte en pakte papa’s hand. Samen liepen we het bos in. Mijn ogen werden zo groot als schoteltjes de bomen waren groot maar niet intimiderend. De bloemen en het gras op de bodem waren betoverend. Ik keek naar papa op, hij was naar me aan het kijken. ‘Ik zei toch dat het bos niet eng was.’ ‘Je hebt gelijk papa.’ ‘Kom ik wil je naar een speciale plek brengen.’ Ik greep papa’s hand nog steviger vast en volgde hem. We waren door het bos aan het wandelen, toen papa abrupt stil stond. Hij trok me achter zich en keek snel rond. Papa draaide zich naar me om en hurkte voor me neer. ‘Luciana, prinsesje van me ik wil dat je je daar verstopt.’ Papa wees naar een holle boom verborgen achter een stel struiken. ‘Waarom papa? We gingen toch naar die speciale plek?’ ‘Ja dat weet ik prinsesje. Maar dat zal voor een andere keer moeten zijn. Maar nu wil ik dat je je in die boom verstopt en er niet uitkomt tot papa je komt halen, maak geen enkel geluid en laat je niet zien. Het is voor je eigen veiligheid. Beloof me dat je er niet uit komt, ik ga je een amulet geven het is heel belangrijk dat je het goed bij je houd, wat er ook gebeurd verlies het amulet niet. Want het is heel belangrijk.’ ‘Oké papa’ ‘Beloof het me.’ ‘Ik beloof het papa.’ ‘Goed zo, ga nu naar die boom en verstop je.’ Ik liep naar de boom en verstopte me in de holte. Ik keek naar papa en zag hem het amulet uit doen, dat ik moest gaan beschermen. Het amulet zag er prachtig uit, op de voorkant stond een lelie gedrukt met op de achtergrond sierlijke krullen. Het amulet was gemaakt van het puurste goud met een fijn gouden ketting voor rond mijn nek. Papa opende het amulet en liet een foto zien van ons vieren, mama en papa aan de buitenkant, ik en mijn oudere broer Senne stonden tussen ze in. ‘Hou dit goed bij je, verlies het nooit het is belangrijk.’ Papa hing de ketting rond mijn nek. ‘Ik ben bang papa.’ ‘Je moet niet bang zijn, ik kom terug.’ Hij verplaatste wat struiken zodat de ingang van de boomholte niet meer zichtbaar was. Ik kon nog door een paar gaatjes kijken. Hij ging achter een boom staan en trok van uit zijn jas een zwaard, het lichte groen op. Er naderde een paar mensen, ze hadden alle drie een zwaard met op het handvat het teken van de vampiers. Twee halve manen naar elkaar toe gedraaid met in het midden een zes puntige ster en onderaan de punten van de manen hing er één druppel engelen bloed. Angstig pakte ik het amulet vast en keek naar papa. Hij drukte zijn hand tegen de boom en er ging een groene gloed de boom in, de takken boven één van de vampiers buigden naar hem toe, ze wikkelden zich rond zijn lichaam en hals. De man maakt een stikkend geluidje en de twee andere vampiers zagen het. De tweede vampier gaat er op af en hakt met zijn zwaard een tak doormidden. De eerste vampier met zwart haar kijkt ondertussen rond, hij driegt op mijn schuilplaats aftekomen, papa ziet het en komt achter de boom tevoorschijn. Met zijn groen gloeiende zwaard valt hij de zwart harige vampier aan, de vampier wijkt juist uit en papa kan hem alleen maar een diepe snee in zijn rechter arm bezorgen. De vampier wijkt niet uit en gaat meteen ten aanval. Zwaarden kletteren tegen elkaar terwijl ze vechten. Als ik naar de andere vampiers kijk zie ik ze nog steeds vechten met de magische takken van mijn vader. De vampier waar papa tegen vecht wind terrein, papa staat bijna tegen een boom gedrukt. De man breekt door zijn verdediging en maakt een snee op zijn borstkas goudkleurig bloed besmeurt zijn T-shirt. Mijn vader krimpt even in elkaar en dat is genoeg om de gevaarlijke vampier de kans te geven, hij geeft hem een stoot met het handvat van zijn zwaard. Papa valt bewusteloos op de grond. Ik wil naar hem toe rennen, maar doe het niet ik had het beloofd aan papa. De zwart harige vampier gaat de andere twee vampiers helpen en snijd in één keer alle takken door waardoor vampier nummer drie op de grond valt. De zwartharige vampier praat voor het eerst. ‘Jullie stelletje sukkels jullie kunnen ook niks goed doen, in de tijd dat jullie hebben zitten spelen heb ik een engel gevangen.’ ‘We zaten niet te spelen, we werden aangevallen.’ ‘Door een plant! Stelletje sukkels! Laten we nu gewoon die engel meenemen we zien nog wel wat we met hem doen.’ ‘oké, baas.’ De twee vampiers die duidelijk onder het bevel stonden van de vampier met zwart haar gingen naar mijn vader en pakte hem elk bij een arm. Ze sleurde papa over het gras tussen de bomen. Dat was de laatste keer dat ik hem zag. Ik weet niet hoelang ik daar heb gezeten misschien een paar minuten, een paar uur of zelfs wel dagen ik kan me alleen herinneren dat ik mijn naam hoorde roepen, maar niet antwoorden omdat ik het aan papa had beloofd. Hij zou me komen halen. Maar dat deed hij nooit. Uiteindelijk vond mijn eigen broer me. Hij was maar negen. Hij vroeg of ik er uit wou komen, ik weigerde omdat papa me zou komen halen. Mijn broer zei dat ik niet weg mocht gaan en hij liep weg. Zo wachtte ik een tijdje. Totdat mama door de bomen kwam wandelen. Ze viel op haar knieën voor me en trok me uit de boomstam. Ze was niet boos op me en het enigste wat ze deed was mij en mijn broer stevig vast pakken terwijl de tranen over haar wangen rolden. Mama pakt me op en greep Senne’s  hand vast. Ze loopt zo snel mogelijk bij de plek weg en sleurt Senne mee. ‘Waar is papa?’ vraagt hij. ‘Papa is weg.’ Mama begint terug te huilen en in Senne zijn ogen staan nu ook tranen. ‘Nee dat kan niet!’ Roept hij snikkend. Hij probeert zich los te rukken en terug te lopen, maar mama weigert hem los te laten. Ik kijk over mama’s schouder en probeer de takjes die boven mijn hoofd hangen vast te grijpen. Ik krijg er een te pakken maar een scherpe doorn steekt in mijn handje en ik laat het los. Bloed stroomt uit de wond. Ik ween om de pijn en roep om papa. Mama drukt mijn gezicht terug tegen haar schouder zodat ik niks meer kan zien. Ik grijp het amulet dat rond mijn nek hangt stevig vast. Het is het enigste wat ik nog van hem over heb en wat er ook gebeurd ik zal het altijd bij me houden. Dat zweer ik.

Ranja
0 0